PREEK · VRIJE STOFFEN

Elia onder de jeneverboom – 1 Koningen 19

14 juni 2015

1 Koningen 19:5: En hij legde zich neder en sliep onder een jeneverboom; en zie, toen roerde hem een engel aan en zeide tot hem: Sta op, eet.

INLEIDING

Na de overwinning op de Karmel vlucht Elia, doodsbang voor Izebel, de woestijn in en bidt om te sterven – niet uit geestelijk verlangen, maar uit moedeloosheid. Toch blijft er één zucht naar boven: "HEERE". Terwijl Elia ondankbaar slaapt, richt een engel tot tweemaal toe een tafel voor hem aan: brood en water, kracht voor de weg. Zo wijst deze tafel in de woestijn vooruit naar het Heilig Avondmaal, bedoeld voor moedeloze, biddeloze kinderen van God die zichzelf niet overeind kunnen houden.

THEMA

Een tafel aangericht in de woestijn.

KERNPUNTEN

  1. De droeve toestand van Elia
  2. De trouwe zorg van Elia’s God

1 KONINGEN 19:1-8

1 En Achab zeide Izébel aan al wat Elía gedaan had, en allen die hij gedood had, te weten al de profeten, met het zwaard.
2 Toen zond Izébel een bode tot Elía om te zeggen: Zo doen mij de goden en doen zo daartoe, voorzeker, ik zal morgen omtrent dezen tijd uw ziel stellen als de ziel van hunlieder een.
3 Toen hij dat zag, maakte hij zich op en ging heen om zijns levens wil, en kwam te Berséba, dat in Juda is, en liet zijn jongen aldaar.
4 Maar hij zelf ging heen in de woestijn een dagreis, en kwam en zat onder een jeneverboom, en bad dat zijn ziel stierve, en zeide: Het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.
5 En hij legde zich neder en sliep onder een jeneverboom; en zie, toen roerde hem een engel aan en zeide tot hem: Sta op, eet.
6 En hij zag om, en zie, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; alzo at hij en dronk, en legde zich wederom neder.
7 En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan en zeide: Sta op, eet, want de weg zou voor u te veel zijn.
8 Zo stond hij op, en at en dronk; en hij ging door de kracht derzelver spijze veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods, Horeb.

VOLLEDIGE TEKST

Elia onder de jeneverboom – 1 Koningen 19

ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 19:5

THEMA

Een tafel aangericht in de woestijn.

Gemeente, wij overdenken met elkaar in deze dienst van voorbereiding op het volgende week zondag te houden Heilig Avondmaal samen het voorgelezen Schriftgedeelte uit 1 Koningen 19. De voorbereidingspreek gaat over 1 Koningen 19, de verzen 1 tot en met 8. Ik lees u samenvattend voor de verzen 5,6 en 7: En hij leide zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet; En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water; alzo at hij, en dronk, en leide zich wederom neder. En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn.

Het thema voor de voorbereidingspreek van vanmorgen is: Een tafel aangericht in de woestijn. Een tafel aangericht in de woestijn. We letten samen op twee aandachtspunten 1. De droeve toestand van Elia (denkend aan vers 1 tot en met 4) 2. De trouwe zorg van de God van Elia (denkend aan vers 5 tot en met 8) Als eerste dus:

1. De droeve toestand van Elia

Op de berg Karmel heeft Elia gebeden. Om regen. Ootmoedig, klein en diep gebogen voor zijn God. En daarna is hij in de kracht van zijn God voor de wagen van Achab uitgerend naar Jizreël. Een weg van bijna 30 km. En nu moet het gaan gebeuren…

Elia wacht in spanning af op de dingen die komen gaan. Op de komst van de grote omwenteling, van de grote reformatie. Achab (zo kunnen we lezen in vers 1) heeft thuis alles verteld tegen zijn vrouw, tegen Izebel. Over het vuur uit de hemel, dat het offer en het altaar van Elia verteerde. Over de keus van het volk voor de God van Israël. En dat na dat alles uiteindelijk de 450 Baälprofeten zij gedood. Maar als Izebel dat hoort, dan wordt ze woedend. Ze stuurt resoluut een boodschapper naar Elia (kijk maar in vers 2), met als mededeling: nog één dag, mannetje, morgen wordt het de dag van je dood!

En (vers 3) toen Elia dat zag, maakte hij zich op (maakte hij zich klaar) en ging heen. Je zou verwachten dat Elia zou zeggen: goed, maar denk maar niet dat ik bang ben! Want als God voor mij is, wie zal dan tegen me zijn? Hij was kortgeleden toch ook niet bang bij zijn ontmoeting met Achab? En hij was toch ook niet bang in zijn confrontatie met de 450 profeten van Baäl? Zou hij dan nu wel bang zijn voor dit woedende mens?

Je zou verwachten van niet, maar onze verwachting is wat dat betreft vaak verkeerd. Gelukkig is er Eén, die weet wat van Zijn maaksel is te wachten. Dat ze zwak zijn van moed en klein van krachten.

Want dat blijkt. Elia wordt bang. De paniek slaat hem om het hart. Hij vraagt helemaal niets aan de Heere, hij bidt niet, hij neemt impulsief een besluit: weg van hier, zo snel mogelijk weg uit Jizreël! Vluchten! Hij neemt, samen met zijn jongen, de benen en vlucht naar Berseba. Een stad helemaal in het zuiden van Juda, in het tweestammenrijk dus, zo’n 145 km verderop. Weg, zo snel mogelijk weg van dit gevaar! En daar, in Berseba, laat hij zijn jongen achter. Zelf loopt hij een dag verder de woestijn in, helemaal alleen, totdat hij uiteindelijk moe en moedeloos gaat zitten onder een jeneverstruik. Een struik die in ieder geval nog een beetje schaduw geeft in de zinderende hitte van die kurkdroge woestijn.

Heeft Elia dan geen geloof meer? Jawel, maar hij kan niet meer geloven. Hier zien we, dat de sterksten, de meest dappere geloofshelden hun geloof niet bezitten, als iets dat ze altijd tot hun eigen beschikking hebben. Hier blijkt dat het geloof van Gods kinderen geen vast bezit is, dat ze altijd hebben en altijd kunnen gebruiken. Hier blijkt dat het geloof een gift van boven is, een gave Gods. Het komt allemaal alleen maar van boven, bij God vandaan. En dat geloof wat de Heere schenkt, heeft ook altijd weer leven, voeding en versterking van boven nodig. Als je dat niet krijgt, als kind van God, dan val je om, net als Elia.

Toen hij dat zag, zo staat in vers 3. Daar zie je de richting van zijn oog, de richting van zijn hart. Daar zie je dat zijn hart niet, zoals kortgeleden, naar boven is gericht, maar dat zijn oog en hart gericht zijn op de omstandigheden, die zo vol dreiging en gevaar zijn. Net als bij de Israëlieten destijds, toen zij in het beloofde land Kanaän de reuzen zagen. Toen keken ze niet meer omhoog. Toen keken ze naar hun vijanden. En toen ze die reusachtige vijanden zagen, toen voelden ze zichzelf ineen schrompelen tot sprinkhanen. Net als later bij Petrus, als hij wandelt op het water. Het gaat goed zolang hij zijn Meester in het oog heeft, maar als hij gaat kijken naar de golven, dan zakt hij weg in het water. Zoals je in tijden van avondmaalsviering ook zo naar de omstandigheden kan kijken, naar de mensen of naar jezelf. En dan zink je weg… Op zoveel plaatsen in de Bijbel (en ook hier) blijkt: het geloof is niet iets wat je hebt, dat je naar believen kunt gebruiken, maar het geloof is een gave van God. En je hoeft maar één ogenblik aan jezelf te worden overgelaten, of je zinkt weg. Niemand van Gods kinderen kan zichzelf staande houden, niemand kan staande blijven in eigen kracht. We hebben nodig dat God ons vasthoudt.

Overigens is dat ook een toetssteen voor je eigen hart. Als je daar van binnen iets hebt, dat altijd vast staat, dat altijd vertrouwt, dat altijd sterk en stevig is, dat altijd gelovig, blij en dankbaar is… Als het bij u van binnen altijd licht en levend is, en nooit eens donker en ingezonken, leeft het dan wel echt van binnen? Dan heb je in ieder geval iets, wat niet echt lijkt op dat wat Elia kenmerkte.

Dat is de ene kant. Maar de andere kant is, dat dit ook en vooral opgeschreven is tot troost van Gods kinderen. De Bijbel laat ons eerlijk zien dat het geestelijke leven van Gods kinderen een leven is van ‘op en neer’, van hoogten en diepten. Soms krijgen we van boven, van God, door het geloof (dat ook een gift is van God), zicht op God, op Zijn genade en Zijn trouw. Maar op andere momenten laat de Heere ons voelen dat we in onszelf geen kracht hebben. Als Hij ons een ogenblik laat wegzakken in de diepten. In diepten van moedeloosheid, van geestelijke verlating, donkerheid en twijfel. In diepten ook (want dat blijkt hier!) waarin Hij ons niet verlaten zal. Want Hij zal Zijn kinderen nimmer om doen komen in dure tijd en hongersnood.

Moeiten en diepten, waarin we ook niet toevallig terechtkomen. Want het is vaak vanwege onze zonden dat wij terechtkomen in diepten van moedeloosheid en vertwijfeling. Dat zie je trouwens ook overal in de Bijbel. Want de Bijbel is goudeerlijk als het gaat over de zonden van Gods kinderen. Als het gaat over de val van Adam, de dronkenschap van Noach, die jaloezie van Aäron, het overspel van David, de ongehoorzaamheid van Jona, als het gaat over de verloochening van Petrus en de ruzie tussen Paulus en Barnabas. En ook als het gaat over de… ja, wat is eigenlijk de zonde van Elia? Wat is eigenlijk de oorzaak dat hem zoveel angst en paniek overvalt?

Zeker, je kan zeggen: het is een gebrek geweest aan geloofsvertrouwen. En dat was zonde. Dat hij opzij keek, dat hij op de omstandigheden lette en niet naar boven keek. Maar ons past daarin zeker geen hard verwijt in zijn richting. Want, en dat is het tweede, daarachter schuilde het zondige hart van Elia. En elk van Gods kinderen moet zeggen: ja, dat herken ik ook bij mezelf. Als ik voor Gods aangezicht mijn hart doorzoek, dan moet ik eerlijk zeggen: zonde? de zonde van Adam, van Noach, van Aäron, van David, van Jona, van Petrus, de zonde van Elia… Ja, het leeft allemaal ook in mijn eigen hart.

Wat was dan de zonde van deze man? De zonde, die juist na de grote zegen op de Karmel, naar de bijzondere verhoring van zijn gebed, zo de kop opstak? (En het is vooral geschreven tot onze waarschuwing: na een bijzondere zegen komt er vaak bijzondere verleiding!) Wat was zijn zonde? Het was zijn trots. Het was zijn eigen ik. Het was de Adam in zijn hart. Want wat zegt hij, zittend onder de jeneverstruik? Hij gunt ons een blik in zijn hart als hij zegt in vers 4: het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen.

Met andere woorden: ik had het wel gedacht, ik had het wel gehoopt, maar ik ben toch niet beter dan mijn vaders. Op de Karmel was deze man Gods vol van moed, geloof en verwachting. Hij had God in het oog en heel zijn leven en al zijn woorden waren gericht op de eer van Gods Naam. Maar hier, geeft dit kind van God, waar we zo tegenop zien, blijk van een even zondig hart. Dus (maar dat wisten we al!) heeft Jakobus gelijk als hij zegt: Elia was een man van gelijke beweging als wij. Hij heeft groot gedacht van zichzelf, hij is gefrustreerd wat betreft het resultaat van zijn werk. Zijn eigen ik verstikt zijn geloof en vertrouwen.

Of hebt u daar nooit last van? Kan je je wel echt beter voelen als Elia? Wie loopt er, die nooit struikelt? Wie leeft er, die nooit moet zuchten? Wie gelooft er, die nooit wankelt en moedeloos aan de grond komt? Is dit niet de ervaring van al Gods kinderen? Dat we moedeloos moeten zuchten vanwege ons eigen ik? Dat we moeten zeggen: wie zal mij toch verlossen van dit lichaam der zonde en des doods? De gevaarlijkste vijand van ons geestelijke leven, van onze innige verbondenheid aan de Heere, van ons verborgen gebedsleven, de gevaarlijkste vijand ook in een week van voorbereiding is niet Achab, is niet Izebel, het zijn niet de mensen, maar het is mijn eigen hart. Ik ben het zelf!

Want het is mijn zondige, trotse en hoogmoedige eigen ik, dat de innige verbondenheid met de Heere verbreekt, en me zo in het donker brengt, in vertwijfeling en moedeloosheid. En dan voel ik in mijn hart: ik kan zelf niet overeind blijven. Dan moet ik zeggen: Heere houdt U me toch vast! Want, o Heere, ik ben aan het zinken en tot zinken ieder ogenblik gereed (Psalm 38:17).

Je zegt: waarom laat de Heere Elia eigenlijk gaan? Waarom laat de Heere Elia een eigen weg kiezen? Waarom laat de Heere toe, dat hij kijkt naar de omstandigheden? Dat hij wegzakt in twijfel en moedeloosheid? Om een aantal redenen. In de eerste plaats om zijn hoogmoed en trots verder af te breken. En dat hebben al Gods kinderen nodig. Zodat we niet denken dat we in eigen kracht God kunnen dienen, kunnen geloven en staande blijven. En, de Heere laat het in de tweede plaats toe om hem te leren wie hij is. De man die in het publiek de eer van God zo hoog geprezen heeft, wordt nu hard geconfronteerd met zijn binnenste, met verborgen uithoeken van zijn eigen, zondige hart, met zijn eigen ik. En, in de derde plaats laat de Heere dit alles toe, om hem uiteindelijk midden in zijn moedeloosheid, te laten zien Wie God desondanks wil zijn voor zo’n kind, voor zo’n knecht.

Nou, daar zit hij dan. Moe en moedeloos. Afgedwaald. Ver weg van zijn taak, en van de plaats waar hij moest zijn. Buiten de innige en hartelijke verbondenheid met de Heere, zoals op de Karmel. Nee, niet zonder geloof en vertrouwen, maar levendig is het niet

meer, in beoefening is het niet meer. En dus zonder troost, ellendig en moederziel alleen in de woestijn.

Hoewel, dat laatste lijkt maar zo. Maar dat is niet waar. Hij is niet alleen. Ook in zulke dwaalwegen is en blijft de Heere bij Zijn kinderen. Hij bewaart ze, Hij gaat met ze mee. Hoewel we de Heere op zulke momenten niet zien. Maar Hij (dat heeft Hij beloofd) zal ons nooit verlaten. Wijzelf zijn vaak de oorzaak van zoveel geestelijke donkerheid en verlating. Maar daarboven (voor ons vaak onzichtbaar) is Gods goede en Vaderlijke hand die ons leidt, ook in de diepten van ons leven. Om ons daar te leren wat we leren moeten, om ons daar te leren wat we nodig hebben.

Kijk, daar zit hij. Luister eens naar wat hij zegt in vers 4: Hij bad, dat zijn ziel sterven zou en zei: het is genoeg; neem nu, HEERE, mijn ziel, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. Heere, laat me maar sterven. Nee, het is geen geestelijk verlangen (zoals bij Paulus) om verlost te worden van het lichaam van de zonde en om eeuwig bij de Heere te zijn. Het is een verlangen van moedeloosheid en uitzichtloosheid. En tegelijkertijd, en dat maakt deze roep toch anders dan hij lijkt, ligt er iets in zijn woorden van heimwee, iets van een schreeuw naar God. Het geloof is niet weg, maar Elia kan niet geloven. Hij zou het wel willen, maar hij kan het niet. Dit is wat Jesaja noemt: een gekrookt rietje, een rokende vlaswiek. Er ligt in zijn woorden iets opgesloten van verbrijzeling, van verbrokenheid, van de wens dat ‘dat verstikkende ik’ zal gaan zwijgen, terwijl hij tegelijkertijd totaal onvermogend is, om dat zelf te doen. Zeker, er is een klacht over God, een zondige aanklacht tegen de Heere in zijn woorden. Zeker, er is sprake van zondige moedeloosheid. Maar er is ook een bange roep uit een benauwd hart… Een roep naar boven!

Een roep, die u misschien ook wel herkent. U zegt: het was vroeger, het was kortgeleden zo anders. Toen was er zoveel leven, hoop en blijdschap, maar nu is het zo donker. Het voelt zo doods van binnen. Geen hoop meer...

Hoewel? Ja, toch… Er is nog één sprankje hoop bij Elia. Een klein kringeltje rook van die rokende vlaswiek. Hoe dan, waar dan? In de Naam van zijn God. In die ene Naam in zijn gebed. Waardoor wat hij vraagt (om te sterven) niet verhoord wordt, maar waardoor zijn gebed wel doordringt tot in de hemel der hemelen.

Gods arme kinderen houden uiteindelijk maar één ding over, in al hun zielsverdriet: HEERE, Uw Naam. En Elia zucht (doet u dat ook maar), jazeker, samen met zijn verkeerde gebed, maar Elia zucht die Naam in een zucht naar boven: HEERE!

‘HEERE (met 5 hoofdletters geschreven), trouwe God, God van Abraham, Izak en Jakob, hier ligt onder de jeneverstruiken een ontrouw mens… Maar U, HEERE! Ik kan mezelf niet opbeuren. Maar U, HEERE, U bent toch de trouwe God die nooit loslaat, die nooit laat varen het werk van Uw handen?’

Is dat niet juist de les van de woestijn? Dat ik meer leer zien: in mij is geen kracht, geen geloof, geen hoop, geen nood? ‘Maar Gij, o HEERE, alleen, Gij zijt mijn Hulp en Bevrijder. HEERE, vertoef niet.’ Want Uw Naam is toch, zoals we lezen in Exodus 34:6: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid. Voordat we verder gaan met ons tweede punt, zingen wij nu eerst Psalm 89:14. Wij zijn ontrouw, maar de HEERE zal nooit feilen in Zijn trouw. Dan zal Ik hen, die dwaas en wrevelig overtreên, Bezoeken met de roe en bittere tegenheên; Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden. Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden; 'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken, 't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken. Ons tweede aandachtspunt:

2. De trouwe zorg van Elia’s God

In vers 5 staat: En hij leide zich neder, en sliep onder een jeneverboom; en ziet, toen roerde hem een engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet. Gods trouwe zorg in de geestelijk donkere woestijn, voor Elia, Zijn zondige kind en knecht, waar blijkt die eigenlijk uit? Ik zal u een paar dingen noemen.

a. Die blijkt in de eerste plaats uit die paar woorden in vers 5a, uit deze woorden: En hij sliep onder een jeneverboom. In zijn benauwde en gekwelde hart daalt een stille rust. Nadat Elia nog één keer omhoog kijkt. En zegt: neem mijn ziel maar weg, HEERE… Nee, daar is het nu de tijd niet voor, dat gebed zelf verhoort de Heere niet. Maar wel die aanspraak van de Naam van de HEERE. Die herinnert aan Zijn trouw. Die aanspraak verhoort de Heere. En nu toont de God Elia iets van die Naam, van Zijn trouw, barmhartigheid en genade voor Zijn kind en knecht. En daarom mag die man met zijn vermoeide hard nu eerst slapen.

b. Gods zorg blijkt in de tweede plaats uit wat staat in vers 5b: En ziet, toen roerde hem een engel aan, en zeide tot hem: sta op, eet. Elia slaapt. Maar ineens wordt hij wakker getikt, door een engel, die zegt: sta op, eet. En (kijk maar in vers 6): En hij zag om, en ziet, aan zijn hoofdeinde was een koek op de kolen gebakken, en een fles met water. Elia wordt wakker, hij kijkt om en… kijk, een koek en een fles water.

En het zien daarvan, wekt zijn eetlust op. Hij had alleen maar zin om te slapen. Trek in eten had hij niet. Maar wat de Heere hem nu voorgezet, dat wekt zijn eetlust op. Zoals ook nu in deze tijd, het dodige hart van een kind van God, dat geen lust meer heeft om te bidden, om het Woord te lezen en om de sacramenten te gebruiken, door een woord uit het Woord opgewekt kan worden tot gebed, tot het lezen van dat Woord en tot gehoorzaam gebruik van de middelen die God heeft ingezet om het geloof te versterken (HC zondag 25).

Trouwens, wat hier gebeurt, jongens en meisjes, is heel bijzonder. Vroeger heeft Elia ook te eten gehad. Aan de beek Krith kreeg hij brood en vlees van de raven, het water schepte hij zelf uit de beek. Bij de weduwe in Zarfath werd voor hem gezorgd. Daar kreeg hij, in die tijd van honger, iedere dag brood en water. Toen kreeg hij zijn eten niet van de raven, van de vogels, maar van een weduwvrouw. Maar hier in de woestijn is geen mens, geen dier, helemaal niemand. En nu krijgt hij zijn eten van een engel, hij krijgt zijn eten van God. Uit Gods hand: eten en drinken in de woestijn van moedeloosheid. Elia, waar komt dit vandaan? Het is alsof een onzichtbare hand zijn oog en hart omhoog trekt: sursum corda! Het oog, het hart omhoog! Ik, de HEERE, Ik zorg voor u.

Elia eet en drinkt… en, hij aanbidt en dankt de Heere? Nee, helemaal niet, hij draait zich om en gaat weer verder slapen. O, wat zien we hier ten voeten uit wie Gods kinderen zijn in zichzelf. Als je altijd kan geloven, als je altijd goed bent, altijd vol van geloof, hoop, liefde en dankbaarheid, onderzoek jezelf dan nauw, zeer nauw, heel zorgvuldig in deze week van voorbereiding. Want het ziet er voor het oog uit (als je het vergelijkt met het leven van de bijbelheiligen) alsof het niet klopt! Hier zie je, dat deze grote in het Koninkrijk der hemelen (en wie van ons durft zich aan hem te meten?), hier blijkt dat Elia, net als ieder ander kind van God, zwak van moed en klein van krachten is, tot hinken en zinken ieder ogenblik gereed.

Het Heilig Avondmaal (volgende week) is geen geschikte plaats voor mensen die geloof bezitten, voor mensen die dat geloof in eigen kracht kunnen vasthouden, voor mensen die zich in eigen kracht overeind kunnen houden. Hier wordt volgende week (bij leven en welzijn) midden in de woestijn een tafel aangericht voor mensen die zwak van moed zijn. Die misschien net als Elia moedeloos zijn, geestelijk moedeloos. Mensen die geen kracht hebben om te geloven, om geestelijk in leven te blijven. Die met de dichter misschien wel moeten zingen: waar is mijn hoop en moed gebleven? Gelovig van zichzelf? Nee ongelovig! Biddend van zichzelf? Nee, in zichzelf biddeloos! Liefdevol en ijverig van zichzelf? Nee, eerder mopperend en op de vlucht! Dankend? Nee, verder slapend. Maar God weet wat van Zijn maaksel is te wachten. En dus doet Hij alles, maar dan ook echt alles Zelf.

Want er gebeurt weer iets… Elia slaapt verder en (dan staat er in vers 7): En de engel des HEEREN kwam ten anderen male weder, en roerde hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de weg zou te veel voor u zijn. Wat een bijzonder teken, opnieuw, ondanks de ondankbaarheid en de biddenloosheid van Elia. Opnieuw een teken van Gods blijvende liefde voor Zijn kind. Hier blijkt: die Hij lief gehad heeft, die heeft Hij Zelf liefgehad tot het einde.

Ondertussen is Elia hier in deze geschiedenis voor een deel wel een type van de Heere Jezus Christus, van de komende grote Profeet. Maar tegelijkertijd valt hij (ook in het vervolg) volledig bij Hem in het niet. Wat hier gebeurt, doet heel erg denken aan de latere verzoeking van de Heere Jezus in de woestijn. Maar daar, bij Jezus, was geen moedeloosheid, geen slapen. Daar was een strijdende Borg, die in alle verzoeking overwon, en die daarom ook Zijn kinderen met de verzoeking de uitkomst geven zal. Maar daar bleef het niet bij, bij die verzoeking in de woestijn. Zijn strijd werd nog veel zwaarder. Toen Hij aan het einde van Zijn leven moest verzuchten: Mijn ziel is geheel bedroefd tot de dood toe. Ik ben geheel verlaten. Eenzaam in Godverlatenheid. En toen? Bij Elia was er nog de schreeuw naar boven, ‘HEERE’, een roep die gehoord en verhoord werd. Maar Christus moest roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? Mij dorst, maar er is geen water. En wat bad Hij toen? ‘HEERE, neem Mijn ziel maar van Mij?’ Nee! Toen werd waar, wat Hij eerder beloofd hart: Ik leg Mijn leven, vrijwillig af voor Mijn schapen. Vader, Uw wil geschiede!

Elia werd ontrouw in zijn dienst, maar Hij, Christus bleef getrouw. Tot het einde. En deze Christus, die honger had in de woestijn, is Dezelfde die gezegd heeft: Ik ben het Brood Gods dat uit de hemel neergedaald is. Brood voor hongerige zielen. Deze Christus, die dorst leed aan het kruis, is Dezelfde die genoemd is het Water des levens. Water voor dorstige harten. Ja, Hij zegt volgende week Zelf aan Zijn tafel: Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank. Ik zal Sions, ik zal der armen spijs, hier (in de woestijn) zegenen op de ruimste wijs. Armen zal Ik (in de woestijn) verzadigen met manna, hemels brood. Hij richt de tafel toe voor uw aangezicht, Elia’s, tegenover uw tegenpartijders (en dat ben ik vooral zelf, dat is vooral mijn eigen ik!); Hij maakt uw hoofd vet met olie, uw beker zal overvloeien. Een plaats van vertroosting, dat is het Heilig Avondmaal. Een plaats van de versterking in de woestijn. Voor moedeloze harten van kinderen van God. Waar God hun harten versterkt met de tekenen van Zijn hartelijke liefde en trouw jegens zulke ontrouwen kinderen en knechten.

Sta op, eet, want de weg zou voor u teveel zijn. Dat wil zeggen: ‘Elia, je hebt mis gerekend. Je dacht dat dit het einde van je leven was, maar er ligt nog een weg voor je. En die weg moet je gaan. Een weg waarin Ik je meer leren zal. Van je eigen gebrek, maar straks ook van de stille vrede aan de berg Horeb. En

Ik heb nog een opdracht voor je. En daarna pas, zal Ik je, hiertoe door Mij voorbereid, opnemen in Mijn heerlijkheid.’

Dat laatste is ook de troost van het Heilig Avondmaal. Deze tafel in de woestijn, het Heilige Avondmaal dat hier volgende week aangericht zal staan, kijkt vooruit naar de dag dat alle moedeloosheid, zorg en twijfel in de harten van Gods kinderen voorbij zullen zijn. Naar de dag dat we nooit meer last zullen hebben van ons eigen ik. Naar de dag dat we zullen aanzitten aan de tafel van het avondmaal van de bruiloft van het Lam. Maar zolang die hier nog op de aarde zijn, hebben we nog een weg te gaan, nog een strijd te strijden. Tegen doodsvijanden. Tegen de wereld, de zonde, de duivel, maar vooral tegen dat eigen ik hier van binnen. En in die strijd, die ons misschien wel vaak moedeloos en verslagen maakt, in die strijd zorgt de Heere steeds weer voor vertroosting, bemoediging en versterking.

Sta op, eet, want de weg zou voor u teveel zijn. Het is gebiedende wijs. Net als die andere gebiedende wijs uit Mattheus 11:28: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Zo ook hier een gebiedende wijs: Sta op en eet. Voor het ontvangen van die versterking, kinderen van God, moet u volgende week opstaan en komen. Opstaan en komen om brood en wijn aan te nemen en te eten en te drinken. Elia wordt niet on-middellijk, hij wordt niet zonder middelen (zonder brood en water), hij wordt niet slapend versterkt en verlevendigd. Nee, hij moet opstaan en eten en drinken. Je kan geen avondmaal vieren in je bank. Dat is uitgesloten. Zeker, je kan in je bank getroost en bemoedigd worden, maar de hemelse spijs en drank (als een bijzonder teken van de liefde en trouw van uw Heere en Meester) vindt u alleen hier voorin de kerk aan de tafel. Moedeloze, bestreden kinderen van God, veracht de instelling van de Heere niet.

Wie mogen komen naar dat Heilige Avondmaal? Wanneer mag je aangaan aan het Avondmaal? Waar moet je dan iets van kennen? Want daar moet je naar kijken in de komende week, als je ‘jezelf onderzoekt’. Ik noem u drie dingen, het zijn de drie zaken die ook in het Avondmaalsformulier genoemd worden. Leest u het deze week nog eens biddend voor uzelf door.

Daarvoor moet je bevindelijk, in de ervaring van je hart voor God, iets kennen van jezelf. Van je zondige, Gode-vijandige, opstandige, verloren hart. En als je daar iets van kent, van jezelf, dan kan het niet anders: dan ga je bukken en buigen voor God (het formulier noemt dat: jezelf voor God verootmoedigen), ja, je gaat zelfs walgen van jezelf, omdat je zo gezondigd hebt. Maar dan ga je ook (en dat is het tweede) de Heere Jezus Christus, de Zaligmaker van zondaars, van harte liefhebben, zoeken, naar Hem uitzien en verlangen, met de nood van je hart naar Hem toevluchten. Als de Heere werkt in je hart, dan kan je zonder Hem niet meer leven. Dan ga je de zaligheid buiten jezelf zoeken. Omdat je in jezelf alleen maar ellende, nood en dood vindt. En omdat de Heere Christus de Enige is, Die door Zijn werk met God verzoenen kan.

En (dat is het derde) als de Heere zo in je leven gekomen is, dan is er ook een hartelijk voornemen en een hartelijke bereidheid om met de zonde te breken en in liefde met je naaste te leven. Als de Heere u van al die drie dingen iets geleerd heeft, dan bent u welkom aan Zijn tafel.

Mag ik u vragen, geliefde gemeente, om volgende week allemaal de dienst van het avondmaal en van de nabetrachting te bezoeken? Blijft u niet thuis.

Want er is brood voor hongerigen. En voor wie nog nooit honger gehad heeft: misschien zal het zien van het brood u (net zoals dat bij Elia ging) onverwacht hongerig maken, en wie weet zal in die weg de bediening van het Heilig Avondmaal voor u (terwijl u niet kan en mag aangaan) tot een eeuwige zegen zijn.

Dat geve ons de Heere, tot roem van Zijn Naam, en tot vertroosting van Zijn vaak moedeloze Sion.

Amen.

Slotzang Psalm 94:8:

De HEER zal, in dit moeilijk leven, Zijn volk en erfdeel nooit begeven; Het oordeel keert, vol majesteit, Haast weder tot gerechtigheid; Al wie oprecht is van gemoed, Die merkt het op, en keurt het goed.