Terug naar alle Bijbelboeken

1 Koningen

Preken uit het Bijbelboek 1 Koningen. In dit Bijbelboek openbaart de HEERE de bloeitijd van het koninkrijk onder Salomo, de bouw van de tempel en de droevige scheuring van het rijk. Bekijk hieronder het overzicht van preken over onder meer de wijsheid van Salomo, de inwijding van het tempelhuis, de afval van de tien stammen en het optreden van de profeet Elia op de Karmel.

De komst van de profeet Elia - 1 Koningen 16-17

1 Koningen 17:1: En Elía, de Tisbiet, van de inwoners van Gilead, zeide tot Achab: Zo waarachtig als de HEERE, de God Israëls, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord.

Elia bij de beek Krith – 1 Koningen 17

1 Koningen 17:6-7: En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek. En het geschiedde ten einde van vele dagen, dat de beek uitdroogde; want geen regen was in het land geweest.

Danken met lege handen – 1 Koningen 17

1 Koningen 17:11-12: Toen zij nu heenging om te halen, zo riep hij tot haar en zeide: Haal mij toch ook een bete broods in uw hand. Maar zij zeide: Zo waarachtig als de HEERE uw God leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de fles; en zie, ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten en sterven.

Elia bij de weduwe in Zarfath - 1 Koningen 17

1 Koningen 17:15-16: En zij ging heen en deed naar het woord van Elía; zo at zij, en hij, en haar huis vele dagen. Het meel van de kruik werd niet verteerd en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN dat Hij gesproken had door den dienst van Elía.

Kind van weduwe in Zarfath sterft - 1 Koningen 17

1 Koningen 17:17: En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd; en zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.

Elia , Obadja en Achab - 1 Koningen 18

1 Koningen 18:7-8: Als nu Obadja op den weg was, zie, zo was hem Elía tegemoet; en hem kennende, zo viel hij op zijn aangezicht en zeide: Zijt gij mijn heer Elía? Hij zeide: Ik ben het; ga heen, zeg uw heer: Zie, Elía is hier.

Elia op de berg Karmel – 1 Koningen 18

1 Koningen 18:38: Toen viel het vuur des HEEREN en verteerde dat brandoffer, en dat hout, en die stenen, en dat stof, ja, lekte dat water op hetwelk in de groeve was.

Gebed van Elia, kleine wolk als eens mans hand - 1 Koningen 18

1 Koningen 18:44: En het geschiedde op de zevende maal, dat hij zeide: Zie, een kleine wolk als eens mans hand gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan en kom af, dat u de regen niet ophoude.

Elia onder de jeneverboom – 1 Koningen 19

1 Koningen 19:5: En hij legde zich neder en sliep onder een jeneverboom; en zie, toen roerde hem een engel aan en zeide tot hem: Sta op, eet.

Elia bij de Horeb – 1 Koningen 19

1 Koningen 19:9-10: En hij kwam aldaar in een spelonk en vernachtte aldaar; en zie, het woord des HEEREN geschiedde tot hem en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Elía? En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den HEERE, den God der heirscharen, want de kinderen Israëls hebben Uw verbond verlaten, Uw altaren afgebroken en Uw profeten met het zwaard gedood; en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijn ziel om die weg te nemen.

Elia en het suizen van een zachte stilte (deel 13) – 1 Koningen 19

1 Koningen 19:12: En na de aardbeving een vuur; de HEERE was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van een zachte stilte.

Elia en de roeping van Elisa – 1 Koningen 19

1 Koningen 19:19: Zo ging hij vandaar en vond Elísa, den zoon van Safat; diezelve ploegde met twaalf juk runderen voor zich heen, en hij was bij het twaalfde; en Elía ging over tot hem, en wierp zijn mantel op hem.

Elia en de wijngaard van Naboth - 1 Koningen 21

1 Koningen 21:2: Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetten zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Naboth heeft God en den koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, dat hij stierf.