PREEK · VRIJE STOFFEN

Kind van weduwe in Zarfath sterft - 1 Koningen 17

22 januari 2015

Verwerking

1 Koningen 17:17: En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd; en zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.

INLEIDING

Deze leespreek over 1 Koningen 17:17-24 beschrijft hoe de weduwe van Zarfath, na eerdere zegen, haar zoon door ziekte verliest. In verdriet en boosheid buigt ze toch onder haar schuld. Elia neemt het kind, bidt vurig, en de HEERE geeft het leven terug. Zo wordt zij bevestigd: het Woord des HEEREN is waarheid. Gods beproevingen dienen om Zijn trouw te tonen en het geloof te versterken – opdat Hij ons ten laatste weldoet.

THEMA

De geloofsbeproeving van de weduwe in Zarfath

KERNPUNTEN

  1. Het verdriet van de weduwe
  2. De vraag van de weduwe
  3. Het antwoord van de profeet
  4. Het gebed van de profeet
  5. Het antwoord van de Heere
  6. Het antwoord van de weduwe

1 KONINGEN 17:16-23

16 Het meel van de kruik werd niet verteerd en de olie van de fles ontbrak niet, naar het woord des HEEREN dat Hij gesproken had door den dienst van Elía.
17 En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouw, der waardin van het huis, krank werd; en zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.
18 En zij zeide tot Elía: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Zijt gij bij mij ingekomen om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen en om mijn zoon te doden?
19 En hij zeide tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot en droeg hem boven in de opperzaal waar hij zelf woonde, en hij legde hem neder op zijn bed.
20 En hij riep den HEERE aan en zeide: HEERE mijn God, hebt Gij dan ook deze weduwe, bij dewelke ik herberg, zo kwalijk gedaan, dat Gij haar zoon gedood hebt?
21 En hij mat zich driemaal uit over het kind en riep den HEERE aan en zeide: HEERE mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen.
22 En de HEERE verhoorde de stem van Elía; en de ziel van het kind kwam weder in hem, dat het weder levend werd.
23 En Elía nam het kind en bracht het af van de opperzaal in het huis en gaf het zijn moeder; en Elía zeide: Zie, uw zoon leeft.

VOLLEDIGE TEKST

Kind van weduwe in Zarfath sterft - 1 Koningen 17

ds. J. IJsselstein - 1 Koningen 17:17

THEMA

De geloofsbeproeving van de weduwe in Zarfath

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over het voorgelezen Schriftgedeelte: 1 Koningen 17:17-24. Het Bijbelgedeelte is u voorgelezen. Ik zal dat nu niet opnieuw doen. We zullen dit Schriftgedeelte vers voor vers met elkaar overdenken.

Het thema voor de preek is: De geloofsbeproeving van de weduwe in Zarfath

En we letten op zes aandachtspunten. 1. Het verdriet van de weduwe (vers 17) 2. De vraag van de weduwe (vers 18) 3. Het antwoord van de profeet (vers 19) 4. Het gebed van de profeet (vers 20 en 21) 5. Het antwoord van de Heere (vers 22 en 23) 6. Het antwoord van de weduwe (vers 24) Als eerste dus:

1. Het verdriet van de weduwe

Immers, we lezen in vers 17: En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon van deze vrouw, van de waardin van het huis, krank (ziek) werd; en zijn krankheid (zijn ziekte) werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.

Het was een gezegende tijd. Dagelijks hebben zij de goedheid en de zorg van de Heere ervaren. In zo'n periode zou je bijna gaan denken: mij kan niets overkomen. Trouwens, het woord van de Heere was toch (denkend aan vers 14): het meel en de olie zullen niet ophouden, tot de periode van droogte voorbij is en het weer regenen zal? Het was een gezegende tijd. Maar Gods kinderen zouden moeten weten, dat God vaak tijden van zegen geeft als voorbereiding op aanstaand lijden en nieuwe beproeving. Een overvloed van zegen, goedheid en vrede, zodat we straks des te beter staande zouden kunnen blijven in het uur van de beproeving. Het was een gezegende tijd. Maar er komt tegenspoed, er komt zorg en beproeving. God brengt het geloof van zijn kinderen in de nood, in de benauwdheid, in het vuur.

Waarom? Omdat het vuur ervoor zorgt dat edele metalen, zoals goud en zilver, gezuiverd worden. Van...? Van alles wat niet edel is: zonde, tekort, gebrek, onheiligheid, hoogmoed en trots. Het moet er allemaal uit. En ook omdat sommige vruchten van de Geest nu eenmaal niet zo gemakkelijk groeien in tijden van voorspoed. Ik denk aan de vrucht van geduld, lijdzaamheid, hoop en zachtmoedigheid. Dat zijn vruchten die vooral groeien in tijden van tegenspoed. Waarom brengt God het geloof van zijn kinderen in de nood, in de benauwdheid, in het vuur? Ook opdat het kleine en wankele geloof van zijn kinderen groter en standvastiger zou worden. Daarom worden ze in het uur van de beproeving teruggeworpen, niet op eerdere ervaringen, maar juist in tijden van nood en zorg, op de betrouwbaarheid van het Woord van God, ja, op de betrouwbaarheid van God Zelf alleen.

Maar, moet dat dan ook met dit kind van God? Kortgeleden was ze nog een heidin. Wonend in Sidon, diende ze de afgoden. Wij zouden zeggen: ze is nog zo klein, het is nog maar een beginneling in het leven van de genade. Kan God niet vriendelijker voor haar zijn? Kan God haar niet ontzien en even wachten totdat ze wat sterker geworden is? Sterker? Waardoor? Door eigen kracht? Daar komt helemaal niets van terecht. Het geloof wordt alleen maar sterker in de diepte van de beproeving en in het vuur van de aanvechting.

Waarom de Heere het doet? Het enige antwoord is: omdat God het goed, omdat God het beter voor haar vindt. Kennelijk wil de Heere haar al vroeg leren, dat Hij Zijn Eigen weg met haar gaat. Dat Hij geeft en neemt, dat Hij verblijdt en bedroeft, naar dat het Hem goed dunkt. Hij wil haar leren: Mijn raad zal bestaan en Ik zal al Mijn welbehagen doen. Laat af en weet dat Ik God ben.

Haar zoon, haar jongen wordt ziek. Onverwachts ziek, doodziek. En hij sterft. Zoveel goede zorg van de Heere in het leven van iedere dag, maar nu ineens: groot en intens verdriet! Mijn kind…, mijn jongen…! Eerst heeft ze haar man verloren. Toen had ze nog hoop voor de toekomst. Maar nu haar zoon. Nu heeft ze niets meer. Ze heeft vertrouwd op de God van Israël, die wonderen doet en gedaan heeft. En nu... is alles omvergeworpen.

Intens verdriet. Zoals er ook onder ons ouders zijn, die zulk verdriet dragen. Ook nog jaren nadat het gebeurd is. En als je dan deze geschiedenis leest, dan komt het weer zo helder terug in je gedachten: toen…, hij of zij was nog zo jong..., toen… verloor ik mijn kind. Intens verdriet en een teleurgestelde hoop: waar is God nu, op Wie ik bouwde en aan Wie ik mijn zaak, aan Wie ik mijn leven toevertrouwde?

Het lijkt alsof de dood van haar kind een gat blaast in het Woord, in de belofte van God. Is God, de God van Israël wel echt betrouwbaar? Of is die God even wispelturig en onbetrouwbaar als de goden van Sidon?

Waarom doet de Heere dat zo? Ze ziet het nu nog niet. Straks zal het blijken. Dat het ook hier zo is, zoals het ook was bij de dood van Lazarus, waarvan we lezen in Johannes 11. Daar staat (Johannes 11: 4): En Jezus, dat horende, zei: deze krankheid is niet tot de dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde. Alles wat de Heere doet is gericht op Zijn heerlijkheid. Maar wij hebben daar vaak geen oog voor. En dat merk je ook aan haar reactie. We letten daarop in onze tweede gedachte:

2. De vraag van de weduwe

We lezen in vers 18: En zij zei tot Elia: Wat heb ik met u te doen, gij man Gods? Bent u bij mij ingekomen, om mijn ongerechtigheid in gedachtenis te brengen, en om mijn zoon te doden?

Ze is volledig van slag, ze is totaal uit het veld geslagen. We zijn ook niet allemaal als Job, die zeggen mocht: de Heere heeft gegeven, de Heere heeft genomen, de naam des Heeren zij geloofd. Daar is heel veel genade voor het nodig... Hier is een vrouw, die reageert zoals de meesten van Gods kinderen zouden reageren. Boos! Wat heb ik met u te doen? Wat heb ik gedaan, dat u zo boos op mij bent? Dat u dit gedaan hebt? Ze geeft Elia de schuld! Waarom hebt u dit gedaan? We kunnen haar heus wel begrijpen. Want wij buigen niet zo snel voor God, zoals Job dat destijds deed. Ons hart zoekt in zulke moeilijke omstandigheden een uitweg, waar dan ook heen. Want buigen en belijden, dat doen we zeker niet als eerste, dat doen we niet zo gemakkelijk. Ze is boos. En tegelijkertijd is ze zo breekbaar. Je voelt de tranen opwellen in haar ogen.

Want, en dat valt op, ze rent niet weg. Maar ze gaat naar de man Gods toe. En dus gaat ze naar de Heere Zelf toe. Haar geweten dat haar beschuldigd, drijft haar naar God, en dus naar de man Gods. Als ze zegt: is het misschien om mijn ongerechtigheid in gedachten te brengen?

Daar gaat ze. In al haar verdriet en boosheid. Ze buigt en zegt als het ware: ‘Ik kan het wel begrijpen, als u door God niet alleen naar Achab, maar ook naar mij gestuurd bent... met straf, met het loon op mijn zonden’ De tegenspoed van haar leven wijst haar op haar zonden... en ze buigt. Boos, verward, verdrietig, wanhopig, maar...: 'Het is waar, het zijn mijn zonden!’

En daar zie je uiteindelijk toch het verschil tussen een kind van God en iemand die de

Heere niet vreest. Beiden zijn evenzeer gebroken door verdriet. Misschien een kind van God nog wel meer, vanwege die pijnlijke vraag: waarom heeft de Heere, die ik zo lief heb, mij dit niet bespaard? En dan..., dan blijkt wat leeft in het hart. Dan zegt de ongelovige: ‘Waaraan heb ik dit te danken?’ Boosheid, verdriet en... verwijt. En dan zegt een kind van God (als we iets krijgen van Gods genade): ‘het zijn mijn zonden, het zijn mijn ongerechtigheden’. Boosheid, verdriet en... schaamte. Dat is het, wat Gods kinderen (vaak na veel innerlijke strijd en na zoveel botsing met onze eigen wil) enigszins of meer laat buigen in verdrukking, tegenslag of tegenspoed. Ik sla een blik in mijn zondige hart en zegt: ‘het is terecht; ik kan het begrijpen’. Ik buig. En later zeg ik zelfs: ‘het is goed voor mij, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uw inzettingen leerde’. Laten we dat samen eerst zingen uit Psalm 119:36: 't Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest, Opdat ik dus Uw Godd'lijk recht zou leren; Sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd. Ai, doe mij steeds Uw wil als heilig eren; Ver boven goud en zilver, en wat meest De mens bekoort, zal ik Uw wet waarderen.

Ons derde aandachtspunt:

3. Het antwoord van de profeet

Als we lezen in vers 19: En hij zei tot haar: Geef mij uw zoon. En hij nam hem van haar schoot, en droeg hem boven in de opperzaal, waar hij zelf woonde, en hij legde hem neder op zijn bed.

Geef mij uw zoon. Geef mij uw dode zoon. Wat een heerlijk beeld van de komende, van de inmiddels gekomen grote Elia, van de grote Profeet en Leraar, Christus Jezus. Geef me... Wat? Uw dood. En Ik zal het maken tot leven. Geef me... Wat? Uw zonden, uw schuld, en Ik zal u wassen en u zult witter zijn dan sneeuw. Leg die dode jongen maar op mijn schouders. Ik zal de dood, de zonden en de schuld wegdragen. Daar zien we ineens iets van wat de Heere aan deze vrouw wil leren, en meer wil leren. Dit: haar dode jongen afgeven, en door Gods kracht leven terugkrijgen.

Alles wijst heen naar de schuld-overnemende, ja, dood-overnemende Borg. Het heeft haar zonder twijfel hoop en moed gegeven. Bij mij is de dood. Maar dan op hoop tegen hoop: geef uw dood maar aan mij.

Wat geeft dat (als zij in al hun vertwijfeling mogen zien op Christus, op die schuld overnemende, ja, dood overnemende Borg) ook nu nog stille hoop in het hart van bedroefde zondaars.

Ze doet het. Ze geeft opnieuw het laatste van zichzelf af. En het is niets dan… de dood. Nu is ze echt alles kwijt. Maar wat moet het haar wankele geloof hoop gegeven hebben. God heeft toch al eerder laten zien, dat door de hand van deze man Gods, door Gods hand Zelf wonderen gebeuren? Wonderen die zelfs redden van de dood? De gedachte aan Gods daden in het verleden zullen haar ongetwijfeld moed en troost gegeven hebben.

Ze geeft haar kind af in geloof. Ziende op Hem die machtiger is dan de dood. Het staat niet voor niets in Hebreeën 11. Het heeft ook betrekking op deze weduwe, als er staat: Door het geloof hebben de vrouwen haar doden uit de opstanding weder gekregen.

Elia neemt het kind van haar schoot en draagt het naar zijn kamer. Wat opvalt, is de mildheid en de vriendelijkheid van de ambtsdrager Elia. Al die boosheid, al die harde verwijten aan zijn adres... Maar hij reageert er niet op. En daarmee is Elia een voorbeeld voor ons, ambtsdragers. Een mens in nood zegt soms onredelijke dingen, soms vol van boosheid en verwijt. Maar: niet reageren! We vechten niet voor ons gelijk. Laten we vriendelijk en mild blijven. Hoe zouden wij zelf in zulke situaties reageren? Dus, doen wat Elia deed: Hij trekt zich terug in de stilte, om de zaak aan de Heere voor te leggen.

Het moet wel een zware beproeving geweest zijn, ook voor Elia. Want waarom treft God nu juist dit gezin? Zal de Naam van de God van Israël hierdoor juist niet gelasterd worden? Elia heeft maar een heel kleine gemeente, twee mensen, en hij verliest de helft. Maar het enige wat we horen en zien is zijn vriendelijke antwoord en zijn verborgen gebed. Op dat laatste letten we in onze vierde gedachte:

4. Het gebed van de profeet

Als we lezen in vers 20 en 21: En hij riep den HEERE aan, en zei: HEERE, mijn God, hebt U dan ook deze weduwe, bij dewelke ik herberg, zo kwalijk gedaan, dat U haar zoon gedood hebt? En hij mat zich driemaal uit over dat kind, en riep de HEERE aan, en zei: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen. Hij riep de HEERE aan, en zei: waarom…!? Nee. Hij weet dat Gods wegen hoger zijn dan onze wegen. De Heere gaat Zijn Eigen weg met mensen. En dat heeft Elia geleerd in de hitte van de verdrukking in de woestijn, toen de Heere ook zijn weg leidde van stap tot stap: wegen die hij niet geweten, paden die hij niet gekend had.

Hij bidt. Hoe? Hij roept. Zijn gebed is vurig. En hij roept tot de HEERE: HEERE, mijn God! Hier is het gebed van een kind van God, die zegt: mijn God. En die pleit op de trouw van de HEERE, op de eer van Zijn Naam, als hij zegt: HEERE, mijn God! HEERE, met vijf hoofdletters! Trouwe God van het verbond met Israël. Hij bidt. Een gebed ook vol van medelijden, als hij als het ware zegt: Heere, deze arme weduwe, ze heeft zoveel verdriet. Help haar toch! En zijn gebed is ook een gebed dat buigt onder Gods hand, als hij zegt: U hebt het gedaan. U hebt haar zoon gedood. Buigend onder Gods hand: U bent God, U hebt het gedaan.

En Elia doet nog iets. Terwijl hij bidt, strekt hij zijn lichaam uit over de jongen. Eén keer... twee keer... drie keer... Alsof hij zijn levende lichaam één wil maken met die dode jongen. Alsof hij iets van zijn eigen warmte en leven wil meedelen aan hem. Het zegt alles over de vurigheid van zijn gebed, over zijn aandringen bij de Heere, en ook over zijn liefde tot deze jongen. Als hij ondertussen roept: HEERE, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen. En de Heere antwoordt. Dat brengt ons bij ons vijfde punt.

5. Het antwoord van de HEERE

We lezen in vers 22: En de HEERE verhoorde de stem van Elia; en de ziel van het kind kwam weder in hem, dat het weder levend werd. Wat moet het een wonder geweest zijn voor Elia. Door het geloof, in de weg van het gebed, heeft hij deze dode jongen teruggekregen. God is een God van wonderen. God is een God die doden levend maakt. Een God Die heerst, zelfs over de macht van de dood.

Wat zien we ondertussen in deze geschiedenis ook een innemend beeld van het werk van God de Heilige Geest. Wij mensen zijn van nature, door onze diepe val in Adam, dood door de misdaden en de zonden. En de Heilige Geest van God buigt zich over zo'n dode zondaar. Blaast leven in de dood. En... er komt leven. Het tegelijkertijd zien we in deze geschiedenis ook, hoe de Heere daar ook mensen voor gebruikt, als middel. We zien de kracht van het verborgen gebed van de man Gods. Hier blijkt de kracht van het verborgen gebed van ambtsdragers, van al Gods kinderen. Laat ons daarom toch veel bidden om leven in dode zielen. Met vurige en vasthoudende gebeden, roepend om leven in harten van doden. Pleitend op de trouw van de HEERE. Vol van medelijden met zielen van mensen die wegsterven. We laten zoveel zielen, zo gemakkelijk verloren gaan...

En, zo staat er in vers 23: Elia nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elia zei: Zie, uw zoon leeft. Wat moet dat voor die moeder geweest zijn! Gods weg was zo onbegrijpelijk, zo tegenstrijdig, zo absurd. Alles wankelde. Het woord van de belofte leek niet waar te zijn. Maar Gods verborgen doel was, wat staat in Deuteronomium 8.16: Opdat Hij u ten laatste weldeed.

Opdat Hij u ten laatste weldeed. Dat mag onze geduldig maken in verdrukking, tegenspoed en verdriet. God heeft daar in het leven van Zijn kinderen zulke goede bedoelingen mee: opdat Hij ons ten laatste zou weldoen.

Hoe dan? Door Zijn heerlijkheid te openbaren, vol van genade en waarheid Door Zijn macht te tonen over de zonde, de dood en de machten van de hel Opdat wij ons zouden verwonderen over Zijn heilige wegen, en daarna zouden zingen: Heilig zijn, O God, Uw wegen, niemand spreek Uw hoogheid tegen.

Dat God met tegenspoed en verdrukking in het leven van Zijn kinderen vaak zulke goede bedoelingen heeft, mag ons wel wat geduldiger maken in verdrukking. Het mag ons (in de tweede plaats) ook wel wat meer vertrouwen geven. En wat minder gemor en gemopper aan onze kant. Want hoe de weg ook gaat: voor Hem is niets te wonderlijk. En: hoe donker ooit Gods weg mogen wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. En dus mag dat goede doel van God in verdrukking (in de derde plaats) ook ons gebedsleven wel verlevendigen. Als we zien wat de Heere doet op het gebed. Laten we denken aan wat Johannes schrijft in 1 Johannes 5:14: En dit is de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat zo wij iets bidden naar Zijn wil, Hij ons verhoort. Dat is toch genoeg? Als het naar Zijn goede wil is, dan zal het geschieden, dan zal Hij ons verhoren. Ons laatste, ons zesde aandachtspunt:

6. Het antwoord van de weduwe

We lezen in vers 24: Toen zei die vrouw tot Elia: Nu weet ik, dat u een man Gods bent, en dat het woord des HEEREN in uw mond waarheid is.

Het doel, Gods goede doel is bereikt. De beproeving van haar geloof, in deze moeilijke weg, heeft uiteindelijk haar geloof versterkt. Nu weet ik! Het heeft haar gebracht tot meer vastheid en zekerheid. U bent een man van God! En het Woord in hun mond is waarheid. Met andere woorden: uw God, mijn God, is een God van waarheid en trouw. Hij is betrouwbaar. Hij is zo getrouw als sterk. Alles wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan.

Haar aanvankelijk kleine en wankele geloof is weer een stapje versterkt. Eerst werd ze getroost, bemoedigd, gezegend en geholpen. Toen werd alles omvergeworpen, toen werd ze verdrukt. Maar, nu mag ze zingen: ‘Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest’. Want in die weg heb ik meer gezien van God, van Zijn genade, van de heerlijkheid en de schoonheid van het Lam van God, dat de zonde, dat de dood wegdraagt. En in dat dodelijks tijd gewicht heeft Hij mijn ziel gered en mijn tranen gedroogd’. En nu weer verder op de levensweg...

Krummacher zegt: God schudt zijn kinderen uit het ene vat in het andere, opdat ze niet ongemerkt op de een of andere plaats verzuren en stinkend worden. Dat is het nut van beproeving voor onszelf. Maar het is vooral tot eer en heerlijkheid van God. Dat wij, in die moeilijke wegen, onze onmacht, ons totale gebrek, onze totale afhankelijkheid leren zouden. Terwijl God in die weg Zijn macht, trouw, gunst en genade verheerlijkt.

En als God ons daar iets van laat zien, en dat zie je in het leven van deze weduwe, dan gebeurt er iets. Dan worden we niet overspoeld door emoties, zoals we dat zo vaak zien of horen bij die zogenaamde genezingswonderen, ook in deze tijd. Ook de mens Elia krijgt geen eer. Nee, wat blijkt? Ze zegt (en je hoort dat het alleen maar gaat om het Woord, en om de God van het Woord): nu weet ik, dat u een man Gods bent (een boodschapper van Hem!), en dat het Woord des Heeren in uw mond waarheid is. Ze is volledig in beslag genomen door de kracht en de waarheid van God en van Zijn Woord.

En daarmee is deze geschiedenis uiteindelijk een helder Bijbels voorbeeld van het hoe en waarom van die moeilijke wegen die God met Zijn kinderen houdt. Het gaat door de diepte heen, in het tijdelijke leven, totdat God ons altijd weer redt. En we zien het en geloven: Uw Woord is toch waar! Uw Woord is de waarheid! Het gaat door de diepten heen in het geestelijke leven. Wij houden niets anders over dan de dood. En dan zegt Hij: Ik ben het, die leef. En Ik ben dood geweest. En zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. En Ik heb de sleutels der hel en des doods. Geef uw dood maar aan Mij. Dan schenk Ik u leven.

‘Heere, hier is mijn dood!’ En Hij redt ons. ‘Mijn kind, hier is Mijn leven, voor u!’ En we zien het en geloven: Uw Woord is toch waar! Uw Woord is de waarheid!

Amen.

Slotzang Psalm 84:6

Want God, de HEER, zo goed, zo mild, Is t' allen tijd een zon en schild; Hij zal genaad' en ere geven; Hij zal hun 't goede niet in nood Onthouden, zelfs niet in de dood, Die in oprechtheid voor Hem leven. Welzalig, HEER, die op U bouwt, En zich geheel aan U vertrouwt.