PREEK · VRIJE STOFFEN

Geen bruiloftskleed

28 februari 2016

[Hier volgt de volledig uitgeschreven Schriftlezing bij deze preek.]

INLEIDING

En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed.

MATTHEÜS 22:11

Volledige Bijbeltekst nog niet toegevoegd.

VOLLEDIGE TEKST

Geen bruiloftskleed

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 22:11

Gemeente, de gelijkenis die we gelezen hebben gaat over een koninklijk bruiloft. We lezen in vers 2: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker koning, die zijn zoon een bruiloft bereid had. Een zeker koning heeft voor zijn zoon, voor de kroonprins een bruiloft bereid, een bruiloft georganiseerd en klaargemaakt. En nu worden de gasten uitgenodigd.

De nodiging tot de bruiloft, waar het in deze gelijkenis overgaat, is de prediking van het Evangelie. In de prediking van het Evangelie worden mensen, verloren zondaars genodigd om te komen tot een bruiloftsfeest, waar de tafels vol staan met heerlijke gerechten van genade en vergeving, van verzoening en vrede met God. En de nodiging wordt verspreid. De opperste Wijsheid, Christus Zelf, heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad: Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij: Komt, eet van Mijn brood, en drinkt van den wijn, dien Ik gemengd heb. Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands (Spreuken 9:3-6). Wat een vriendelijk verzoek, wat een liefdevolle nodiging! Nu zullen de mensen wel toestromen, denk je ook niet?

Maar, in vers 3 staat: zij wilden niet komen. De eerste groep dienstknechten vindt geen gehoor. Naar de profeten is niet geluisterd. Maar ook de tweede groep, je mag denken aan Johannes de Doper, aan de Heere Jezus Zelf en aan Zijn discipelen, ook de tweede groep vindt geen gehoor. Alles staat klaar. Kom! Maar de mensen willen niet komen. De één is onverschillig, zoals in vers 5, waar staat: Maar zij, zulks niet achtende, zijn heengegaan, deze tot zijn akker, gene tot zijn koopmanschap. De één is onverschillig, de ander is agressief, zoals in vers 6, waar staat: En de anderen grepen zijn dienstknechten, deden hun smaadheid aan, en doodden hen. Uiteindelijk heeft de Koning wraak genomen, zijn legers gestuurd, de doodslagers verslagen en de stad in brand gestoken (vers 7). En daarna, na de verwoesting van de stad (u mag denken aan de verwoesting van de stad Jeruzalem in het jaar 70 door de Romeinse keizer Titus), daarna heeft de Koning andere mensen genodigd.

Heidense mensen, gewone mensen, meest van lage komaf, overal waar ze maar te vinden waren, zijn ze genodigd (vers 8-10). En gelukkig, uiteindelijk is de zaal van het bruiloftsfeest toch vol geworden. Kijk maar in vers 10: De bruiloft werd vervuld met aanzittende gasten. Stil! Stt…! De koning komt binnen. Hij is de gastheer van dit bruiloftsfeest. We lezen in vers 11: En als de koning ingegaan was, om de aanzittende gasten te overzien, zag hij aldaar een mens, niet gekleed zijnde met een bruiloftskleed.

Alle mensen (het waren geen edelen, het waren geen mensen van hoge komaf, maar juist gewone mensen, van lage komaf), alle mensen hebben bij binnenkomst een mooi kleed gekregen, een feestkleed, een bruiloftskleed. Maar één man voelde zich daar te trots voor. Die zei: ‘moet je kijken naar mijn eigen kleed, naar mijn eigen jas, dit kan toch prima! Ik hoef die jas van de koning niet. Die van mij is mooi genoeg. Daar kan ik het prima mee doen.’ En toen… is hij doorgelopen en aan tafel gaan zitten.

Over die man, over die ene man die zijn eigen kleed, die zijn eigen jas aangehouden heeft, over die man gaat het vanmorgen. Over zijn zonde, over zijn ontmaskering en vooral over (hoe naar het ook is, om daarover na te denken, maar het is wel heel belangrijk!), vooral ook over hoe het met hem afloopt.

Het thema van de preek is: Komen zonder bruiloftskleed We letten samen op drie aandachtspunten: 1. Afschuwelijke arrogantie 2. Zekere ontmaskering 3. Verschrikkelijke straf. Als eerste dus:

1. Afschuwelijke arrogantie Wat wordt er eigenlijk bedoeld met een bruiloftskleed? Iedereen heeft het, maar hij niet, hij heeft zijn eigen kleed. Als je door de Bijbel heen bladert, dan zie je dat een kleed of een jas meestal het beeld is van Gods genade. Het niet hebben van een kleed, het naakt zijn omdat je geen kleed hebt, dat is vooral een beeld van de zonde. Denk maar aan Openbaring 3:17, waar Johannes op Patmos schrijft aan de gemeente van Laodicea: Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt. U denkt dat het allemaal goed zit met u, maar u weet niet, u hebt het niet door dat u… naakt bent. U hebt geen kleed, u hebt geen jas. Eigenlijk is dat een hele precieze typering van deze man. Hij denkt: ik ben rijk, ik ben niet zo’n arm, zo’n gewoon mens als al die anderen. Ik heb gewoon mijn eigen, mooie jas. Ja, dat denkt hij wel, maar eigenlijk is hij heel erg arm.

Want hij heeft eigenlijk helemaal geen kleed voor deze bruiloft. Als het gaat om wat hij moet hebben, om wat hij nodig heeft, dan heeft hij dat niet. Dus heeft hij eigenlijk niets. Eigenlijk is hij naakt. Ja, hij heeft wel een kleed van zichzelf, maar niet dat andere kleed. Hij heeft niet dat andere kleed, waar Jesaja over schrijft als hij zegt: Ik ben zeer vrolijk in de HEERE, mijn ziel verheugt zich in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met (Hij heeft mij een andere jas gegeven, namelijk deze!) de klederen des heils, de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan (Jesaja 61:10). Hij heeft niet dat andere kleed, waar Paulus het over heeft, als hij schrijft aan de gelovigen in Kolosse: u hebt uitgedaan de oude mens (dat oude kleed, die oude jas van de zonde) en u hebt aangedaan de nieuwe mens (die nieuwe jas van het leven met de Heere) (Kolossenzen 3:9-10).

Je zegt: ‘Ja, maar wat mankeert er dan eigenlijk aan deze man? Hij ziet er toch in zijn eigen jas ook prima uit?’ Ja, maar er klopt iets niet. Uiterlijk lijkt het wel mooi, maar het zit toch niet goed. Hij heeft geen nieuwe jas, en dat betekent eigenlijk: hij heeft geen nieuw hart, hij heeft geen nieuw leven. Hij is nog steeds tevreden met zichzelf, hij is nog steeds trots op zichzelf, op zijn eigen goedheid. Dat wil zeggen: hij kent zijn zondige hart niet. En hij denkt dat God hem wel nemen zal, zoals hij eruit ziet. Hij praat misschien wel mooi, maar de Heere Jezus heeft toch gezegd: Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet de wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heere, Heere! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, gij, die de ongerechtigheid werkt! (Mattheüs 7:21-23). En Paulus zegt ook dat er mensen zijn die belijden dat ze God kennen (ja, het ziet er aan de buitenkant allemaal mooi uit), maar, zegt Paulus, met hun werken verloochenen zij Hem (Titus 1:16). Ze hebben, zo schrijft Paulus aan Timotheüs de gedaante van godzaligheid (een hele mooie jas), maar ze kennen de kracht, het hart er niet van (2 Timotheüs 3:5).

Met andere woorden: deze man is het beeld van een huichelaar, van een schijngelovige. Het is allemaal niet echt. Het lijkt wel mooi van buiten: hij leeft netjes, hij weet veel, hij praat mooi, maar zijn trotse hart heeft nog nooit zo diep gebogen dat hij zijn eigen jas wilde inleveren. Zodat hij als een naakte zondaar met al zijn zonde stond voor God. Plaats, om je diep te schamen, om klein te worden en te bedelen om genade. Zo diep heeft hij nog nooit gebogen. En dus heeft hij ook nog nooit een nieuwe jas, een nieuw hart, een nieuw leven van God gekregen. Maar, ondertussen vindt hij zelf wel dat hij erbij hoort…

Zo kan het nog zijn. Het lijkt veel aan de buitenkant. Je leeft netjes, misschien wel netter en stipter dan kinderen van God. Je weet veel, misschien wel veel meer dan heel veel van

Gods kinderen. Je praat mooi, misschien wel veel mooier dan Gods kinderen, die vaak niet zoveel durven zeggen. Maar je hart is nooit vernederd voor God. En je loopt nog steeds rond in je eigen jas.

Het gaat fout als je bij de Koning komt. Het gaat fout als je voor de Koning staat. Want Hij doorziet je, Hij zal je ontmaskeren. Dan val je door de mand. Dat gaan we zien in ons tweede aandachtspunt:

2. De zekerheid van de ontmaskering Soms komt een huichelaar in dit leven al openbaar. Paulus schrijft aan de gemeente van Korinthe: Want er moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen, die oprecht zijn, openbaar mogen worden onder u (1 Korinthe 11:19). Soms blijkt het pas op een sterfbed, als het geweten tenminste niet omneveld is door een wolk van morfine. Soms blijkt het dan, als ons geweten ons aanvalt en de duivel ons bespringt. Mensen met je eigen jas aan, kan en durf je straks op je sterfbed te zeggen wat Hizkia zei? Och HEERE, gedenk toch, dat ik voor Uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in Uw ogen is, gedaan heb (Jesaja 38:3).

De meeste huichelaars, de meeste schijngelovigen gaan in blind zelfbedrog door tot het einde. Tot ze onverwachts oog in oog staan met de Rechter-Koning, die zeggen zal, zoals in vers 12: Vriend! Hoe bent u hier ingekomen, geen bruiloftskleed aan hebbende? Vriend, zeg het maar… Wat is hier de reden van? Hoe kan dit? Hij krijgt tijd om te reageren, om antwoord te geven… Maar het blijft stil: Hij verstomt.

U die rondloopt in uw eigen jas, in uw eigen kleed, wat gaat u zeggen, als u zo voor God, voor de Rechter-Koning staat? Ik bedoel u, die nooit zondaar voor God geworden bent. Ik bedoel u, die nooit naakt voor Hem, voor de heilige en alwetende God gestaan hebt in het kleed van uw zonde. Ik bedoel u, die nooit hebt gezien dat u in uw eigen kleed voor God niet kunt bestaan. Ik bedoel u, die nooit geroepen hebt: ‘Heere, neem het kleed van mijn zonden toch af en geeft me toch het kleed van Uw gerechtigheid.’ Ik bedoel u, die nooit de mantel van Zijn gerechtigheid gekregen hebt, de mantel die Hij verworven heeft door de weg van Zijn diepe lijden en sterven, dat moest vanwege Gods rechtvaardigheid en toorn, Wat gaat u… zeggen, als de ogen van de rechtvaardige Rechter u aankijken… en doorzien…? Wat u gaat zeggen? Niets! U zult verstommen (Romeinen 3:19).

We zullen dat verder zien in onze derde gedachte: zijn einde.

Maar we gaan samen eerst zingen uit Psalm 58:8: De mens zal eerlang vrolijk zeggen: Gewis, de deugd geniet haar vrucht; Gods grootheid wordt terecht geducht, Die loon en straf weet toe te leggen. Gewis, daar is een God, die leeft En op deez' aarde vonnis geeft.

Onze derde gedachte:

3. Zijn einde Het einde van de man die zonder bruiloftskleed de bruiloftszaal was binnengegaan. We lezen in vers 13: Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden.

Moet je hier als dominee over preken? Over het verschrikkelijke van de hel? Ja, dat moet. Ik wil u preken over de heerlijkheid en de glorie van Gods kinderen in de hemelse gewesten. Dat gaat alle voorstellingsvermogen te boven. Maar ik moet en wil u ook preken over de diepe ellende van de verdoemden in de hel. Ook dat gaat alle voorstellingsvermogen te boven. Waarom moet en wil ik hierover preken? In de hoop en met de bede dat u, zondaars, en vooral u schijngelovigen, daardoor wakker geschud zult worden uit uw dodelijke rust en schijnzekerheid.

Is het u trouwens nooit opgevallen dat de Heere Jezus Zelf het meest gepreekt heeft over de hel? En hoe dichter Hij komt bij Zijn lijden en sterven, om meer Gods gerechtigheid en toorn als donkere wolken dichterbij komen, hoe meer Hij gaat waarschuwen tegen het gevaar van de komende, eeuwige ondergang van de goddelozen! U die onbekeerd bent, u die uzelf bedriegt, u hebt meer aan een preek die u verontrust en die alarm slaat in uw leven, aan een preek die u wakker schudt, dan aan een wat onderhoudende preek die uw troost en in weer slaap laat vallen. U hebt weer fijn geluisterd… Maar ontwaak, schrik wakker, en sta op uit uw dodelijke rust, want u bent in levensgevaar!

Trouwens niet alleen de Heere Jezus, maar ook Johannes de Doper preekte over het komend gericht. Tegen de nette, onbekeerde mensen, tegen de farizeeën en Sadduceeën zei hij (Mattheüs 3:7): Gij adderengebroedsels! wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomende toorn? En ook Paulus preekte voor Felix over het komende gericht. En zijn hart, het hart van Felix beefde… (Handelingen 24:25).

Is er eigenlijk wel een hel? Bestaat de hel wel? Is het niet uit de tijd om daar in te geloven? Is dat niet iets van de Middeleeuwen, wat wij allang overgroeid zijn? Spreekt de Bijbel niet op heel veel plaatsen over de hel? In het Oude Testament, bijvoorbeeld in Psalm 9: De goddelozen zullen terugkeren, naar de hel toe, alle God vergetende heidenen (9:17). En ook in Psalm 11: Hij zal op de goddelozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn (11:6). En ook op allerlei plaatsen in het Nieuwe Testament, juist ook in de laatste hoofdstukken van het Mattheus-evangelie. In Mattheus 25: Dan zal Hij zeggen ook tot degenen, die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is (25:41). En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven (25:46).

Je hoort ondertussen trouwens dat de hel in de Bijbel op verschillende manieren omschreven wordt. Het heet het onuitblusselijk vuur (Lukas 3:17), het wordt genoemd een vurige oven (Psalm 21:9), wat doet denken aan de oven van koning Nebukadnezar in de tijd van Daniël en zijn drie vrienden (Daniël 3), de helse verdoemenis (Mattheüs 23:33), een poel die brandt van vuur en sulfer (Openbaring 19:20), de komende wraak (1 Thess. 1:10), een bodemloze put (Openbaring 9:1), het verderf, waarheen de brede weg leidt (Mattheüs 7:13), en de eeuwige pijn (Mattheüs 25:46). In onze tekst heet het de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden (13).

Waarom is er eigenlijk zo’n dramatische toekomst weggelegd voor mensen zonder bruiloftskleed? En dat voor eeuwig en altijd? a. Dat is in de eerste plaats vanwege het karakter van onze zonde, vanwege de slechtheid ervan. Zo slecht, zo erg is de zonde! De zonde is het ergste wat er is. De zonde is erger dan alles wat ik tot nu toe genoemd heb, de zonde is erger dan de hel. Want de zonde maakt de hel tot hel. b. Het is in de tweede plaats omdat de rechtvaardigheid, de toorn, de wraak van God vanwege onze zonden nooit verzadigd zal zijn. Het is onmogelijk om de prijs van ons kwaad, van onze schuld in de tijd te betalen. Daar is de eeuwigheid voor nodig. En dan te bedenken, wat Jesaja zegt: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan? (Jesaja 33:14b) c. Het is het de derde plaats omdat God eeuwig is, en dus is de straf enig. En trouwens ook onze ziel is eeuwig, en dus zal het lijden van de verdoemden ook nooit ophouden (Openbaring 9:6). d. En daarbij gaan de mensen in de hel tot in eeuwigheid door met zondigen. En dus zullen ze ook tot in eeuwigheid gestraft worden.

Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden (vers 13).

Bindt hem. Verzet, weerstand zal niet baten, ontsnappen is uitgesloten. Bindt hem aan handen en voeten. En werpt hem uit! Weg! Weg van Mij! Dat zal het verschrikkelijke zijn van de eeuwige rampzaligheid. Dit: weg van Mij! Weg van Gods gunst, weg van de liefde van Christus. Eeuwig zonder de gunst van God, eeuwig onder Zijn wraak. Werp hem uit in de duisternis… Nee, in de buitenste duisternis.

Meestal zijn de mensen die op aarde, en vooral in de kerk, een mooie eigen jas dragen (het lijkt veel, ik leef netjes, misschien wel netter en stipter dan een kind van God; ik weet veel, misschien wel meer dan Gods kinderen; ik praat mooi, misschien wel mooier dan veel van Gods kinderen…), meestal zijn mensen die een mooie eigen jas dragen geneigd om te denken dat ze, als een verloren gaan, dat ze dan in ieder geval een van de betere plaatsen van de hel krijgen. Op de eerste rang, een VIP-plaats op de eretribune… Ik zeg u eerlijk: u krijgt de laagste, de diepste, de slechtste, de buitenste plaats!

Als uw vernedering was als Achabs vernedering, als uw berouw was als het berouw van Judas, uw huilen als dat van Ezau, uw leugen als die van Ananias en Saffira, uw beven als het sidderen van Felix, als uw bewogen zijn was als het bijna bewogen zijn van Agrippa… Als u de weg geweten hebt, maar niet daarop gewandeld hebt… Als je geweten hebt dat uw jas, dat uw kleed onvoldoende was, maar die nooit hebt willen afstaan… Ik zeg u: Als u geweten hebt den wil van uw Heere, en u zich niet bereid hebt, noch naar zijn wil gedaan hebt, dan zult u met vele slagen geslagen worden (Lukas 12:47).

Christus Zelf waarschuwt u als Hij zegt: Voorwaar zeg Ik u: Het zal den lande van Sodom en Gomorra verdraaglijker zijn in den dag des oordeels, dan dezelve stad (Mattheüs 10:15). Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden zich eertijds in zak en as (jas uit dus!) bekeerd hebben. Doch Ik zeg u: Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in den dag des oordeels, dan ulieden (Mattheüs 11:21-22). Geen VIP-plaats dus, geen eretribune… Mensen, kerkmensen zonder bruiloftskleed, wees gewaarschuwd: de laagste plaats, de buitenste duisternis van de eeuwige rampzaligheid is voor u gereserveerd!

Daar zal wening zijn en knersing der tanden (vers 13). Zoals de Heere het eerder gezegd heeft in Mattheüs 8:12: En de kinderen des Koninkrijks (gedoopte kerkmensen!) zullen uitgeworpen worden in de buitenste(!) duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden.

Aldaar zal wening zijn. Daar zal voor altijd en eeuwig gehuild worden van verdriet. Had ik mijn tijd maar beter gebruikt. Had ik in plaats van eindeloos bezig zijn met… (vul zelf maar in), maar in mijn Bijbeltje gelezen, gebeden en gezocht… Maar nu is het te

laat. Had ik maar beter geluisterd in de kerk, in plaats van te dromen, in plaats van het Woord naast me neer te leggen, in plaats van het Woord kritisch te neutraliseren. Had ik maar geluisterd… Maar nu is het te laat. Had ik mijn kleed, had ik mijn eigen jas maar laten afnemen, toen er gezegd werd in de preek: u moet alles van uzelf kwijt! Maar ik wilde niet, ik vond mezelf te goed, te netjes, eerlijk en voorbeeldig… Maar nu is het te laat. Had ik het Evangelie van de Zaligmaker maar niet afgedaan als ‘veel te evangelisch’… Maar nu is het te laat. Dit verdriet en deze tranen zullen nooit uitgewist worden.

Daar zal voor altijd en eeuwig gehuild worden van verdriet, maar ook van pijn. Het kan zijn dat je je leven lang met droge ogen hebt kunnen luisteren naar het fluitspel van het Evangelie. Het kan zijn dat je deze dienst met droge ogen kunt luisteren naar mijn klaaglied. Maar in de eindeloze eeuwigheid zal het anders zijn. Uw tranen zullen nooit meer opdrogen nog vanwege het gewicht van Gods toorn, vanwege de gramschap van de Almachtige. Lieve mensen, je zult het niet kunnen dragen, maar je zult het wel moeten!

Daar zal voor altijd en eeuwig gehuild worden van verdriet, van pijn, en van wanhoop. Hier ben ik nu voor altijd: gebonden aan handen en voeten. Hier kom ik nooit meer uit.

Gemeente, nu is er nog een weg om te ontkomen. Gooi uit die jas van uw schijnvroomheid! Lever in dat kleed van je eigen schijngerechtigheid! Het lijkt mooi, maar daaronder zit een verloren, opstandig en goddeloos mens. Kom met smeking en geween en vraag om een ander bruiloftskleed. Want straks is het te laat.

Daar zal wening zijn en knersing der tanden: een teken van afgunst, woede en haat. a. Van haat tegen allen die wel gered zijn. Immers Lukas schrijft: Aldaar zal zijn wening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien (als u die anderen zult zien, dan zal uw haat en woede opbloeien) Abraham, en Izak, en Jakob, en al de profeten in het Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen (13:28). Zij wel en ik niet! Tanden knersten van afgunst, woede en haat. b. Van haat (in de tweede plaats) tegen Christus. Van woede en verontwaardiging omdat Hij anderen gered heeft, maar mij niet. U zult Hem, Christus, de Zaligmaker van zondaars, tot in alle eeuwigheid lasteren. Lijkt u dat niet verschrikkelijk? Hij, die hier zo vaak stond en vol liefde en bewogenheid klopte aan de deur van uw hart, dat u Hem dan voor eeuwig lasteren zult? c. Tanden knersen, in de derde plaats vanwege haat tegen uzelf. Ik heb mijn leven lang de tijd gehad om de hemel en de zaligheid te vinden, maar heb die niet gebruikt. Uren, dagen, maanden, jaren in de kerk gezeten, maar nooit echt geluisterd. U zult uzelf verwensen dat u hier ooit geweest bent. En het zou eerlijk gezegd ook beter geweest zijn, dat u nooit één stap over die drempel had gezet, als u in die plaats van de eeuwige rampzaligheid terecht zult komen.

Huiver toch, zondaars, onbekeerden, schijngelovigen en huichelaars, mensen met een eigen jas (zonder het kleed van de gerechtigheid en het werk van Christus), want uw toekomst is rampzalig: Gebonden, voor eeuwig opgesloten in de gevangenis van de buitenste duisternis, waar wening zal zijn en knersing der tanden.

Konden de heiligen in de hemel huilen om uw lot, ze zouden het doen. Maar dit, wat ik nu ga zeggen, is veel belangrijker: Christus staat nog steeds en opnieuw (nu nog wel, het is nu nog het heden van de genade!) aan de deur van uw hart en huilt nu tranen over uw onbekeerlijkheid en harde hart. Zoals staat in Lukas 19: En als Hij nabij kwam, en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: Och, of gij ook bekende, ook nog in dezen uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen (19:41-42).

Kom toch tot inkeer, voordat het te laat is! U zegt: Wat moet ik doen? a. Breek met uw zonde. Wees bang voor wat u doet. Want de zonde tegen God maakt u klaar voor de hel. b. Schaar uzelf bij de allerslechtsten en keer zo terug tot God. En zeg: Heere, ik heb gezondigd, ik heb gedaan dat kwaad is in Uw oog, ik ben Uw gramschap dubbel waardig (Psalm 51:2, ber.), maar red mijn ziel. Laat die toch dierbaar zijn in Uw ogen (2 Koningen 1:13-14). c. Lever zo het kleed van uw zonden en van uw eigengerechtigheid in, en smeek als een arme en naakte zondaar om het kleed van het werk en de gerechtigheid van Christus.

Kinderen van God, verblijd u en wees getroost. U bent verlost, door het bloed van Christus, Die die toorn en gramschap van God voor u droeg. U bent verlost van deze toekomende toorn (1 Thessalonicenzen 1:10). Laat die wetenschap uw liefde tot Christus doen toenemen. Laat die wetenschap u geduldig maken in tijdelijke zorg en nood, want het is helemaal niets vergeleken met dit eeuwige lijden. En laat die wetenschap ons opwekken om de zonde meer te haten en de Heere meer lief te hebben en te vrezen.

Want, zo eindigt het gedeelte van onze tekst: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren (vers 14). Dat wil zeggen (en het is alleen bedoeld als een boodschap voor u), kinderen van God, dat u tot deze genade gebracht bent, dat u verlost bent van de toekomende toorn, dat is geen verdienste. Dat is enkel Gods verkiezende, Gods soevereine genade.

Tot slot, wees allemaal gewaarschuwd! In het bijzonder u, onbekeerde zondaars, schijngelovigen en huichelaars, mensen met een eigen jas. Want de dag komt, dat de Heer des huizes zal opgestaan zijn, en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan, en aan de deur te kloppen, zeggende: Heere, Heere, doe ons open! en Hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet, van waar gij

zijt. Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd. En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt; wijkt van Mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid! (Lukas 13:25-27) U zult verstommen…

En dan zal ik tegen u zeggen: Hiervoor heb ik u destijds gewaarschuwd!

Amen.

Slotzang Psalm 96:6,9:

Aanbidt Hem nederig al uw leven, Hem, die, in 't heiligdom verheven, Een Godd'lijk licht van zich verspreidt; Leer, aarde, voor Zijn majesteit, Leer voor Zijn aangezichte beven.

't Juich' al voor 't aangezicht des HEEREN: Hij komt, die d' aarde zal regeren En richten, vol van majesteit; De wereld zal gerechtigheid, Het mensdom Zijne waarheid eren.