4 februari 2018
Mattheüs 21:31: Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
INLEIDING
Een vader stuurt twee zonen naar de wijngaard. De eerste zegt nee, maar krijgt berouw en gaat toch: ruwe weigering wordt stille gehoorzaamheid. De tweede zegt volmondig ja, maar gaat niet: schijnbare gehoorzaamheid blijft hardvochtig verzet. Zo gingen hoeren en tollenaars, na eerst nee te zeggen, de Farizeeën voor in Gods Koninkrijk. Er is geen derde zoon: heden is het de dag om te bekeren en werkelijk te gaan.
MATTHEÜS 21:28-32
28 Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot den eerste, zeide: Zoon, ga heen, werk heden in mijn wijngaard.
29 Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.
30 En gaande tot den tweede, zeide desgelijks. En deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer; en hij ging niet.
31 Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
32 Want Johannes is tot u gekomen in den weg der gerechtigheid, en gij hebt hem niet geloofd; maar de tollenaars en hoeren hebben hem geloofd; doch gij, zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te geloven.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Mattheüs 21:31
Gemeente, het Evangelie van Gods genade in de Heere Jezus Christus is altijd tegendraads. Het zegt zo vaak dingen, die we eigenlijk niet willen horen. U gaat naar de kerk om fijn te luisteren. Maar dan ineens staat opnieuw niemand anders dan de Zaligmaker voor u. Bekend om Zijn vriendelijke, maar ook zo scherpe woorden. Maar altijd (dat zullen we ook nu zien) van harte gemeend en oprecht. Zoekend naar ons behoud.
Zo ook vanmorgen. Ik stel u vanmorgen de Zaligmaker voor/ Hij staat voor u. Hij richt het woord persoonlijk tot u, vanuit onze tekst Mattheüs 21:28-31Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot den eersten, zeide: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard. Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen. En gaande tot den tweeden, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet. Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods., en zegt: Maar wat dunkt u? Een mens had twee zonen, en gaande tot de eerste, zeide: Zoon, ga heen, werk heden in mijn wijngaard. Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen. En gaande tot de tweede, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet. Wie van deze twee heeft de wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
De laatste dagen is er veel gebeurd. We lezen het aan het begin van het hoofdstuk. Gisteren nog was er die wonderlijke intocht van de Heere Jezus in Jeruzalem. De kinderen riepen: Hosanna den Zone Davids (vers 15)! Het had de stad in rep en roer gebracht! En toen was er ook nog die grote opschudding rond de tempelreiniging: Weg u allemaal, verkopers, wisselaars, het huis van Mijn Vader is geen marktplaats, maar een huis van gebed.
Dat was gisteren. En nu vandaag kan de reactie daarop natuurlijk niet uitblijven. Terwijl Jezus leert, terwijl Hij preekt, komen de ouderlingen en de overpriesters. Ze hebben een vraag: Door wat macht doet U deze dingen, en wie heeft u deze macht gegeven? (vers 23)
Maar de Heere stelt een tegenvraag: De doop Johannes, van waar was die, uit hemel, of uit de mensen? (vers 25)
Hij kijkt ze doordringend aan. Zeg het maar! Ja, daar durven ze niet zomaar antwoord op te geven. Want als ze zeggen: ‘Nou, Johannes, dat was maar een gewoon mens’, dan zullen de mensen zeggen: ‘dat is niet waar!’ Maar als ze zeggen: ‘Dat was een man door God gezonden’, dan zal Jezus zeggen: ‘maar waarom hebt u hem dan niet geloofd?’ Nou, daar staan ze dan met een mond vol tanden.
En dan, op dat moment, vertelt de Heere deze gelijkenis, de gelijkenis van de twee zonen. We gaan samen eerst kijken naar de eerste zoon. We lezen in vers 28: Een mens had twee zonen, en gaande tot de eerste, zeide: Zoon, ga heen, werk heden in mijn wijngaard. Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen.
De opdracht van vader is vriendelijk: Zoon! ga heen, werk heden in mijn wijngaard. De wijngaard, dat is een beeld van het Koninkrijk van Gods genade. En doen wat de Vader zegt, dat is een beeld van gehoorzaam zijn aan de boodschap van het Evangelie. En de twee zonen van deze ene vader zijn beeld van ons, mensen. De bekende Bijbeluitlegger Matthew Henry zegt: God is immers de Vader van alle mensen!
Maar er is een groot verschil. Er is een groot verschil tussen de eerste en de tweede zoon. Er is in de gemeente een groot verschil tussen zonen en dochters van de eerste en van de tweede soort! Een derde soort is er niet! Ik weet dat u dat gaandeweg de preek gaat hopen. Dus zeg ik nu alvast maar. Een derde zoon, een derde soort van mensen is er niet. En ik roep u vanmorgen op om uzelf te oordelen, door in de spiegel van deze gelijkenis te kijken, in de spiegel die Christus Zelf u voorhoudt! U afvragend: ben ik het eerste of ben ik het tweede kind van vader?
Ga heen, mijn zoon! Werk in de wijngaard. Maar hij zei: ‘Ik wil niet.’ Een paar dingen vallen op. Misschien herkent u ze wel. Wat opvalt is:
a. De eerlijkheid van zijn antwoord. Veel mensen kunnen daar een voorbeeld aan nemen. Eerlijk, zonder flauwe excuses, zonder omtrekkende bewegingen. Gewoon: Ik wil niet! Naar de kerk? Ik wil niet. Bidden, Bijbel lezen? Ik wil niet. Naar de catechisatie? Ik wil niet. Lust om de Heere vrezen: Nee, ik wil niet. Ik wil mijn eigen zin doen. Ik kan niet leven in die zware damp van heiligheid. Ik wil niet altijd denken aan mijn onsterfelijke ziel.
Eerlijk is eerlijk. En dat is te prijzen! Maar, beste vrienden, let op het gevaar van deze eerlijkheid.
Je speelt namelijk ongemerkt met vuur. Want als je op de dag van het oordeel voor God zult staan, dan heb je geen getuige nodig. De geluidsopname van je geweten hoeft alleen maar afgespeeld te worden, en je hoort een eindeloze stroom van woorden en gedachten, met de zich monotoon herhalende echo: Nee, ik wil niet, ik wil niet, ik wil niet… Wat verder opvalt in zijn antwoord is (als tweede) ook:
b. De hardheid van zijn antwoord. Ik wil niet! Ja, ik weet het: je wilt je niet mooier voordoen dan je bent. Maar, heeft God dit verdiend? Dat je Hem zo tegenspreekt? Is het niet hard, om zoveel liefde van God en van Christus te beantwoorden (iedere dag!) met zo’n kort, krachtig en hard ‘nee’? Hoor je niet de verdrietige klacht die daarop terug echoot uit de hemelse gewesten: Maar Mijn volk wilde niet naar Mijn stem horen? Welt er geen traan op in je hart, als je je harde antwoord plaatst tegenover zoveel vriendelijkheid en goede zorg?
Misschien zegt u: ‘Ja, goed dat u het zegt, dit is precies waar ik me altijd zo aan erger! Aan mensen, jongeren en ouderen, die altijd maar weer zeggen: Ik wil niet!’ Bent u beter? Weet u dat de hemel vol is met mensen die ook zo geweest zijn? Er zijn daar geen anderen als David, als Job, als Petrus, als Paulus. De hemel is vol en zal vol zijn van mensen die de slechtsten van de slechtsten waren, regelrechte ‘ik wil niet’- zeggers.
Maar laat ik me verder richten tot u en tot jou, die zich wel kan herkennen in die eerste zoon. Luister wat er gebeurt: Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende, ging hij heen. Zijn antwoord is kort en stelling: Ik wil niet! En dan? Komt er dan ruzie? Vallen er harde woorden? Nee, vader laat hem begaan. Het doet denken aan die liefdevolle vader in die andere gelijkenis. Daar was het de jongste zoon, die van huis weg wilde. Maar later kwam hij tot zichzelf en kreeg berouw. Is het de liefdevolle blik van vader, is het zijn blijvende vriendelijkheid geweest, die toch iets geraakt heeft in het hart van deze zoon? Zoals de vriendelijk blik van Jezus het hart van Petrus trof?
Hoe dan ook, iets is er, na dat botte ‘Ik wil niet’, dat zijn hart raakt. Hij denkt na, hij denkt terug. Zijn geweten begint te spreken. Was het wel goed, dat ik zo bot zei: Ik wil niet? En in zijn hart verandert hij van gedachten. Bekering is verandering van gedachten, van denken en willen. Nee, zo kan en wil hij niet langer doorgaan, op deze weg van ondankbaarheid en ongehoorzaamheid.
Daarna berouw hebbende, ging hij heen… Kennelijk heeft hij de moed niet om naar zijn vader terug te gaan. Maar stilletjes doet hij toch wat vader vroeg. Ruwe weigering wordt stille gehoorzaamheid. Laten we zo ons eerste punt noemen!
Zo was het destijds ook gegaan in de tijd van Johannes de Doper. Scherp, maar vriendelijk en hartelijk was zijn prediking: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen (Mattheüs 3:2En zeggende: Bekeert u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.). En wat was de reactie? Hoeren en tollenaars, lang hadden ze geleefd in de zonden, lang hadden ze gezegd: Heere, ik wil niet. Maar nu: Het woord van Johannes de Doper raakt hen in hun hart. En ze komen, ze belijden hun schuld, ze breken met hun zondige leven, en ze geloven het Evangelie en laten zich dopen!
Maar wat had dat een ergernis, wat had dat een irritatie veroorzaakt! Toen, en later toen de vraag klonk: Waarom eet en drinkt Hij met tollenaars en zondaars? Maar wat was het een zeldzaam voorbeeld van Gods genade, van genade voor de allerslechtsten! Want zo was Hij, zo is Hij: Christus Jezus is gekomen om zondaars, om ‘nee, ik wil niet’-zeggers zalig te maken!
Laat ik nog twee dingen zeggen over die eerste zoon. Als eerste iets tot bemoediging van ouders met van die ‘ik wil niet’-zeggende kinderen. En als tweede iets tot aansporing van die ‘ik wil niet’-zeggers zelf.
1. Ouders, wie kent geen kind dat zegt: Ik wil niet! Naar de kerk? Nee, ik wil niet! Naar de catechisatie? Bidden, Bijbel lezen? Lust om de Heere vrezen? Nee, ik wil niet! U bidt, u hoopt, maar (zo denkt u vertwijfeld) zal het ooit nog anders worden?
Laat vanmorgen een paar dingen u tot troost en bemoediging zijn: a. De macht van Gods genade is veel groter dan dat stellige, zich altijd herhalende, inmiddels saai geworden: Ik wil niet! Eén vriendelijke hand op een enkele schouder, één vriendelijk woord gelegd in het hart, één hartelijke blik (van God!) in ogen van hem op haar… En…? Wat gebeurt er dan? Pas op, heb geen verkeerde verwachtingen. Er staat: Daarna ging hij heen. Misschien hoort u wel niets. Geen hartelijke schuldbelijdenis voor u. Maar wel een stil buigen voor God: biddend in het verborgen, zoekend in de Bijbel, stilletjes terugkomend (liefst ongezien) in deze of gene kerk. Wanneer? Dat is het tweede waar ik u op wil wijzen:
b. Er staat: Daarna berouw hebbende. Daarna… Later… Misschien ziet u zelf nooit de vrucht van uw opvoeding, van uw stille gebed, van uw veelvuldige vragen… Misschien komt het zaad van het Woord pas op, als u allang gestorven bent…
Daarna! We mogen zaaien en planten in hoop. In de dag van het oordeel (zegt bisschop J.C. Ryle) zullen veel kinderen opstaan en hun ouders prijzen voor hun opvoeding, die tijdens het leven van hun ouders nooit een enkel teken van profijt daarvan hebben laten zien.
2. Als tweede wil ik nog iets zeggen tot aansporing van die ‘ik wil niet’-zeggers zelf. Ik wil u oproepen om indringend na te denken over wat u doet. Ik weet waarom u nee zegt. Ik ken het uit mijn eigen hart. Het is (laten we dan echt eerlijk zijn), het is eerlijk gezegd niet alleen eerlijkheid, het is vooral ook vijandschap. Zoals Paulus zegt: het bedenken van het zondige vlees is vijandschap tegen God. Het is vijandschap, het is liefde tot de zonde en tot de dingen van de wereld.
Maar, als je dan toch eerlijk wilt zijn, zeg me eerlijk: Is het niet respectloos tegen God onze Schepper en Vader? Die zegt: Ben ik Vader, waar is dan Mijn eer? Is het geen grove ondankbaarheid? Is het niet onredelijk om altijd nee zeggen? Welke zieke weigert genezing, welke arme weigert een gift aan te nemen? Ben je niet bezig om jezelf goed te ruïneren? De Spreukendichter schetst eerlijk en glashelder je toekomst, als hij schrijft (het zijn woorden van God): Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte. En u al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt; Zo zal Ik ook in ulieder verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt.
God heeft u, ouderen, al zo vaak genodigd, soms door een weg van tegenspoed indringend vastgepakt en wakker geschud. Maar het bleef altijd maar steken op dat ‘ik wil niet’. Maar laat ik u aansporen en niet moedeloos maken. U, hoort bij dat soort van mensen dat Christus hier op het oog heeft. Dit is het soort van mensen dat Hij zoekt! Hij zoekt mensen die niet willen, die verloren zijn. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Hij ontvangt zondaars en eet met hen. Aan u is voor Hem de meeste eer te behalen! Hij wil u redden van verderf! Hij wil het en Hij kan het. Want hoe ver u ook weg bent, niemand is zo ver weg dat de uitgestrekte arm van Christus hem of haar niet meer kan bereiken.
Wat u doen moet? Breek met de zonde en bekeer u! Belijd uw schuld voor God. En vlucht met uw zonde en met al die weigeringen en al die ongehoorzaamheid tot Hem. Wie tot Hem komt, zal Hij niet, zal Hij nooit afwijzen!
Kan de vriendelijkheid van Christus na al uw weigeringen u niet raken? Is het geen wonder, dat Hij na al die weigeringen vanmorgen opnieuw voor u staat en zegt: Kom tot Mij, verlaat uw slechtheid en leef, en volg Mij? Verhard u dan niet, maar laat u leiden!
We gaan dat samen zingen uit Psalm 95 vers 4: Want Hij is onze God, en wij Zijn 't volk van Zijne heerschappij, De schapen, die Zijn hand wil weiden; Zo gij Zijn stem dan heden hoort, Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord; Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Er is nog een tweede zoon. Immers we lezen: En gaande tot de tweede, zeide desgelijks, en deze antwoordde en zeide: Ik ga, heer! en hij ging niet. Wie van deze twee heeft den wil des vaders gedaan? Zij zeiden tot Hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat de tollenaars en de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.
Ik ga, heer! Je voelt zijn diepe eerbied en zijn directe gehoorzaamheid aan het gebod. Geen spoor van verzet, maar voorbeeldig in alles. Een gemeentelid uit 1000. Ik ga, heer! Je voelt het venijn erin… Ik ga wel. Hij niet. Dat ziet u toch wel, vader. Ik ga gewillig, hij niet. Dat ziet u toch wel, vader? Ik doe altijd wat u vraagt, hij niet. Dat weet u toch, vader? Ik ben voorbeeldig. Hij niet…
Onze kerken zitten vol met zoons en dochters van deze tweede soort. Die denken of zeggen: ‘Ja, Heere, de mens ligt verloren in zonde en schuld, door zijn diepe val in Adam. Maar wij? Wij houden Uw geboden, kijk maar naar… ons leven…’
Wat, kijk maar? Ja, als iemand luistert, naar wat u zegt, dan zou hij denken dat u wandelt met God: ijverend voor Gods eer, trouw in alle geboden, ja, u doet net als de farizeeën nog veel meer dan er eigenlijk van u gevraagd wordt. Voorbeeldig in alles, kritisch naar die ‘ik-wil-X zeggers’…
‘Heere, luister toch naar wat ik zeg… en kijk maar naar mijn leven… Ja, maar de Heere kijkt dieper dan u denkt! God ziet naar waarheid in het binnenste! Een grafsteen kan aan de buitenkant glinsteren, maar van binnen…?
Zoveel mensen hebben zoveel geestelijke woorden, zoveel netheid, zoveel voorbeeldigheid en zoveel uiterlijke vroomheid, en ze lopen er zo mee te koop, maar… in hun hart? In hun hart zijn ze nog nooit persoonlijk geraakt door het Woord. Ze hebben nooit persoonlijk gebogen voor de wet, waar ze zo veel over praten. Ze praten altijd over de schuld van de mens, maar ze hebben hun eigen schuld nooit leren zien. En van de Naam van Jezus moeten ze ten diepste niets hebben. Tot Hem zijn ze nooit gekomen, zoals de tollenaars en zondaars wel gekomen zijn.
Ruwe weigering wordt stille gehoorzaamheid, dat was ons eerste punt. Schijnbare gehoorzaamheid blijft hardvochtig verzet, dat is wat de tweede zoon tekent: Hij zei: Ik ga, heer, en hij ging niet!
Je ziet het voor je: Jezus vertelt deze gelijkenis. En Hij kijkt naar de mensen die om Hem heen staan… Eerst over de eerste zoon. Hij zei: Ik wil niet, maar daarna berouw hebbende ging hij heen… Kijk, daar, en daar staan (zoals ze ook hier zitten) mensen die tranen van verwondering wegpinken: ‘Ja, Heere, dat was ik. Maar U! U hebt mij, die verloren was, teruggebracht.’
En nu over de tweede zoon: Ik ga, heer! en hij ging niet. En kijk, daar, en daar staan (zoals ze ook hier zitten) de schijnheiligen, mensen met een dubbel hart, de mooipraters. En hun ogen spugen vuur! Want de vraag priemt in hun hart en slaat als een mokerslag op hun hoofd: Wie heeft de wil vader gedaan?
Zegt u het maar! Zegt u het maar! Uw eigen antwoord zal u veroordelen! Het Woord veroordeelt u! Het is een verpletterend antwoord voor hen, die zich altijd zo mooi voorgedaan hebben, Maar in hun hart nooit hebben willen buigen. Die daar van binnen (nee, niet van buiten, daar is alles mooi), die daar van binnen gezegd hebben: Jezus, wij willen niet dat U Koning over ons bent!’
Zeg me, lieve mensen, wat hebt u aan te voeren als excuus! U, voorbeeldige, nette mensen, zonder geestelijk hart! U haalt neus op voor tollenaars en zondaars, voor (meestal zijn zij het mikpunt) jongeren die geen zin hebben om mee te doen, om zich aan de regels te houden, die anders doen, die zich een beetje anders kleden, om maar te zwijgen van de mensen van buiten de kerk.
Luister! Johannes was tot u gezonden. Hij kwam in de weg der gerechtigheid. Als er nu iemand een man van de wet was, dan was hij het. Hij preekte de wet. En hij zei: daar voldoet u niet aan. Bekeer u! Maar u hebt u van hem afgekeerd. U hebt geen berouw gehad. U zag hoeren en tollenaars tot bekering komen. U hebt in verleden gezien hoe anderen (die voorheen in de zonde leefden) voor de Heere gebogen hebben, maar dat maakte u alleen maar meer geïrriteerd. Dat was alleen maar meer reden om Johannes af te wijzen. Want u kon het diep in uw hart niet verkroppen, dat God het verlorene zoekt
U hebt de prediking van Johannes gehoord, u hebt de bekering van hoeren en tollenaars gezien, maar desondanks hebt u niet geloofd. En nu staat u op het punt om de Zaligmaker Zelf te doden…
Zeg me, wie van de twee heeft de wil van de vader gedaan? ‘De eerste.’
Dan is dat uw eigen veroordeling. Ik bedoel van u, die het christen-zijn gereduceerd hebt tot niets meer dan uiterlijke dingen en schijnbaar vrome woorden. Ziet, u vertrouwt u op valse woorden (zegt Jeremia), die geen nut doen (7:8). U zegt (maar Micha zegt: het zijn maar woorden), u zegt: Is de HEERE niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen. Maar uw hoop is bedrieglijk! (3:11) U zegt: maar is de Heere dan niet blij met zoveel inzet van mij? Nee! Hij zegt: Ik haat, Ik versmaad uw feesten, en Ik mag uw verbodsdagen niet rieken. Want ofschoon u Mij brandofferen offert, mitsgaders uw spijsofferen, Ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uw vette beesten mag Ik niet aanzien. Doe het getier uwer liederen van Mij weg (Amos 5:23Doe het getier uwer liederen van Mij weg; ook mag Ik uwer luitenspel niet horen.).
De oproep van het Woord is niet: Doe goed en word beter. Dat is wat Buddha vraagt! De oproep van het Evangelie is: Bekeer u! Breek met uw zonden! Kom met berouw, met belijdenis van schuld en geloof het Evangelie, dat Jezus Christus gekomen is om zondaars zalig te maken.
U zegt: ik had gehoopt, dat er nog een derde zoon zou zijn. Ik zou me wel thuis voelen bij een derde zoon, die ja zegt (want dat doe ik ook) en die ook, net als ik, de wil van de vader doet! Ja, dat zei ik al. Ik weet het, dat is het diepste verlangen van uw hart. Goed dat u het zegt, want de meeste mensen denken het wel, maar zeggen het niet. Maar, beste vrienden, er zijn maar twee zonen. Er zijn maar tweede poorten, de enge en de wijde poort. Er zijn maar twee wegen, de smalle en de brede weg. En er zijn maar twee bestemmingen, het is de hemel of de hel. Dus, bedrieg u niet. Waar staat u?
Laat ik u beiden, nee-zeggers en ja-zeggers nog wat laatste opmerkingen meegeven:
1. In de eerste plaats: u, die altijd en nog steeds zegt: nee, ik wil niet. Let op twee dagen. a. Er is de dag van heden. Want luister goed, er staat niet dat vader zegt: ga binnenkort eens wat werken… Nee, hij zegt: werk heden in mijn wijngaard. Heden, vandaag, nu u Zijn stem hoort, kom tot Hem, bekeer u, breek met uw zonden, kom met berouw en geloof het Evangelie. Er is de dag van heden. En:
b. Er is de dag van later. Ooit zult u zonder twijfel van gedachten veranderen. Wie nee blijft zeggen, zal toch ooit een keer van gedachten moeten veranderen. De dood zal u onherroepelijk van gedachten laten veranderen. O, alstublieft, verander daarom toch nu van gedachten. Mocht de Geest van de Heere uw hart aanraken, om heden, om vandaag te zeggen: Ik zal opstaan en werken in uw wijngaard. Of zoals de jongste zoon uit die andere gelijkenis zei: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan.
II. In de tweede plaats: U die nog altijd ja zegt, maar nee doet De Heere veroordeelt u scherp. Hij laat u heel indringend voelen: dit allemaal, wat u zegt, wat u laat zien, is schijn. Dodelijke schijn. U bent geen gemeentelid uit 1000, u bent een witgepleisterd graf. Maar die scherpe priemstoot in uw hart, komt voort uit het liefdehart van Christus. Hij zoekt uw ondergang niet. Hij zoekt uw leven. Hij zegt ook vanmorgen: geef mij uw hart. Nee, niet dat mooie hart. Dat zie Ik ook niet, Ik weet werkelijk niet waar u het over hebt. Maar geef Mij dat vuile, verloren, bedrieglijke, schijn-heilige, opstandige hart!
Wilt u niet buigen tot die diepte? Wilt u vanmorgen niet zeggen: Ja, Heere, ik ben net zo slecht als al die anderen, als iedereen… Als ik u voorhoud, gedrongen door de liefde van Christus: o, kus de Zoon, Die gekomen is om verloren mensen te redden van het verderf… Wat zegt u dan? Zegt u dan opnieuw in uw hart: Ik wil niet? Of zegt u dan (de Heere geve u dat): O, Heere wees mij de zondaar (wat een verandering van gedachten!), wees mij zondaar genadig?
Dat is wat de Heere voorheeft, en vanmorgen voorhad met deze scherpe woorden. Luister nog één keer: Hoeren en tollenaars zullen u voorgaan! O, wat een mokerslag op het hoofd van zoveel schijnvrome mensen! Zij gaan u voor! En u… blijft achter?
Wacht! Luister naar de vriendelijke nodiging die in deze scherpe woorden is verpakt. Want als zij u voorgaan, dan is er ook voor u nog plaats. Als zij u voorgaan, dan is er voor u nog plek om hen te volgen. Maar u zult diep moeten buigen. U kan slechts ingaan door diezelfde weg, die u meest vernederen zal en die Christus meest verhogen zal. U kunt het Koninkrijk der hemelen alleen maar binnengaan als een arme zondaar!
Daarom, gemeente, ga in door de enge poort! Bekeer u en geloof het Evangelie. Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was (Lukas 19:10Want de Zoon des mensen is gekomen, om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was.). Nu dan, u allen, geliefde gemeente, geloof Zijn heil- en troostrijk woord, verhard u niet maar laat u leiden!
Amen. Slotzang Psalm 34:6:
Komt, kinderen, hoort naar mij; Neem mijn' getrouwen raad in acht; Ik leer, opdat g' uw plicht betracht, Wat 's HEEREN vreze zij. Hebt gij in 't leven lust, In dagen, waar men 't goed' in ziet, Waarin men vrij is van verdriet, Waar niets ons heil ontrust?
Andere preken over Mattheüs
Andere preken voor Gelijkenis