PREEK · VRIJE STOFFEN

De onrechtvaardige rechter – Lukas 18

8 juni 2014

Lukas 18:7-8: Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen? Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?

INLEIDING

Zou God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?

THEMA

De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter.

KERNPUNTEN

  1. Het beeld van gelijkenis
  2. De betekenis van het beeld

LUKAS 18:1-8

1 En Hij zeide ook een gelijkenis tot hen, daartoe strekkende dat men altijd bidden moet en niet vertragen;
2 Zeggende: Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde en geen mens ontzag.
3 En er was een zekere weduwe in dezelve stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn wederpartij.
4 En hij wilde voor een langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vrees en geen mens ontzie,
5 Nochtans omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome en mij het hoofd breke.
6 En de Heere zeide: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt.
7 Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?
8 Ik zeg u, dat Hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des mensen, als Hij komt, zal Hij ook geloof vinden op de aarde?

VOLLEDIGE TEKST

De onrechtvaardige rechter – Lukas 18

ds. J. IJsselstein - Lukas 18:7-8

THEMA

De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter.

Gemeente, de preek van vanmorgen/vanmiddag gaat over de gelijkenis van de weduwe en de onrechtvaardige rechter. We overdenken met elkaar het voorgelezen Schriftgedeelte Lukas 18:1-8. Het gedeelte is u voorgelezen, ik lees u samenvattend alleen nog het zevende vers: Zou God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?

Het thema van de preek is: De gelijkenis van de onrechtvaardige rechter. We letten op een tweetal aandachtspunten. 1. Het beeld van de gelijkenis 2. De betekenis van het beeld Dus de gelijkenis van de weduwe en de onrechtvaardige rechter: het beeld en de betekenis ervan. Als eerste dus:

1. Het beeld van gelijkenis

Jongens en meisjes, het verhaal dat hier in de Bijbel verteld wordt, lijkt een beetje ouderwets. Je zegt misschien: dat is vast van heel lang geleden. Dit...? Dit gebeurt echt niet meer. Dit is misschien iets van vroeger. Uit de tijd van die gemene, oneerlijke koning Herodes, die toen in Israël de baas speelde. Maar als nu iemand probleem heeft (of je nu arm bent of rijk, of je als weduwe alleen bent of een hele grote kring van familie en vrienden hebt), rechters zijn gewoon eerlijk! Ja, in Nederland is dat gelukkig wel zo.

Dus, wat je denkt is waar. Wat betreft het voorbeeld is dit lang verleden tijd. Zo kennen we dat in Nederland niet meer. Het voorbeeld is van lang geleden. Maar als je goed kijkt, dan zie je dat de preek van de Heere Jezus wel gaat over de tijd van nu. Als je bijvoorbeeld terugkijkt naar Lucas 17. Daar staat een lange preek van de Heere Jezus over de tijd vlak voor de wederkomst, de terugkomst van de Heere Jezus Christus. En dan zijn we ineens in de tijd van nu. In de dagen van nu, die lijken op de dagen van Noach, op de dagen vlak voor de zondvloed.

Kijk maar even terug in Lucas 17:26-27. Daar staat: En gelijk het geschied is (zoals het was) in de dagen van Noach, alzo zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des mensen (in de tijd vlak voor zijn terugkomst). Zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven (ze waren alleen maar bezig met de dingen van nu), tot den dag, op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam, en verdierf ze allen. Toen was het voorbij…

De dagen van nu lijken op de dagen van Noach, vlak voor de zondvloed. De dagen van nu lijken ook op de dagen van Lot, vlak voor de verwoesting van Sodom en Gomorra. Kijk maar in vers 28 en 29 van Lukas 17: Desgelijks ook, gelijk het geschiedde in de dagen van Lot; zij aten, zij dronken (trouwen deden ze blijkbaar niet meer), zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden (ze waren alleen maar bezig met de dingen van nu), maar op den dag, op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en sulfer van den hemel, en verdierf ze allen. Toen was het voorbij...

Zo is het nu ook. Dat is precies de tijd van nu. De meeste mensen leven voor nu, voor de dingen van nu, voor de dingen van de wereld die voorbijgaat. Wie verwacht er nu nog de terugkomst van de Heere Jezus Christus, van de Zoon des mensen? Wie denkt daar nog aan? Ja, die mensen zijn er wel... Hoe leven die dan? Die kinderen van God? Nou, die hebben het niet gemakkelijk. Ze zijn eigenlijk vreemdeling op de aarde. Ze voelen zich op de aarde niet thuis. Dit, deze aarde, deze wereld die voorbijgaat, dat is niet hun vaderland. Daarom zoeken we de dingen die boven zijn. De dingen van de hemel, waar de Heere Jezus is, Die zit aan de rechterhand van Zijn Vader. Ondertussen is, voor zulke mensen, het leven op de aarde niet zo gemakkelijk. Ja, wel van de mensen die het hier op aarde helemaal naar hun zin hebben. Daarvan zingt Asaf: ze hebben geen banden, geen moeite, geen zorg en geen narigheid, hun leven lang, tot hun dood toe (Psalm 73). Maar Gods kinderen hebben op aarde (hoewel, jongens en meisjes, het leven met de Heere zo'n gelukkig leven is) geen gemakkelijk leven. Geen gemakkelijk leven, maar wel een gelukkig leven. En dat komt omdat we hier op aarde vijanden hebben. Onze catechismus noemt ze doodsvijanden. Die vijanden hebben het op ons leven voorzien. De catechismus noemt er drie: de duivel, de wereld, en die laatste is de gevaarlijkste, want die zit het meest dichtbij: ons eigen zondige hart.

En nu is het gevaar, dat we al vechtend tegen de wereld, tegen de duivel en tegen de zonde, uiteindelijk een beetje moedeloos worden. En dat we door de loop van de tijd, langzaam steeds meer gaan denken: zou het ooit wel goed komen? Kom ik de strijd tegen de zonde van mijn hart ooit te boven? En, als ik bid, zou de Heere wel horen? Zou Hij wel luisteren naar mijn gebed? En: zou de Heere Jezus Christus wel ooit terugkomen, zoals Hij destijds beloofd heeft?

En daarom zegt de Heere Jezus (in vers 1): pas op. Al is het leven op de aarde moeilijk, niet moedeloos worden! U moet altijd bidden en niet vertragen. Niet vertragen, dat betekent: niet moedeloos worden, niet stoppen met bidden. En dan vertelt Heere Jezus een gelijkenis, om dat duidelijk te maken. Zeggende (vers 2): Er was een zeker rechter in een stad, die God niet vreesde en geen mens ontzag. Iedere stadje in Israël heeft (wij zouden zeggen) een burgemeester, een rechter, een man die de baas is. En als je een probleem hebt, dan moet je bij die man zijn. Die zal het probleem eerlijk voor je oplossen. Althans, dat mag je hopen. Want deze rechter vreest God niet. Hij is een goddeloos mens. En (dat hoort daar helemaal bij) hij ontziet geen mens, hij trekt zich van niemand iets aan. Soms zijn mensen oneerlijk, maar ze doen het stiekem En als het een beetje uitkomt, dan proberen ze het zo snel mogelijk goed te praten, dan proberen ze vlug de plooien glad te strijken. Maar deze man? Iedereen weet het, iedereen ziet het: die is zo oneerlijk als het maar kan.

Kijk maar in vers 3: En er was een zekere weduwe in diezelfde stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijn wederpartij. Ze is een weduwe, een weduwvrouw. Een vrouw van wie de man gestorven is. En dat is heel verdrietig. Dat was toen zo, dat is nog steeds zo. Dan heb je een heel moeilijk leven. Maar vroeger was het leven van de weduwe ook in praktische zin heel erg moeilijk. Zeker als je geen kinderen had. Dan had je helemaal niets. Er was geen AOW, geen weduwenpensioen. En als je daarbij geen kinderen had, geen zoons had om je te verdedigen, dan was je heel erg kwetsbaar. Weduwvrouwen in Israël waren kwetsbaar.

Dat lag niet aan de Heere God. Overal in het Oude Testament staat, dat God opkomt voor de rechten van weduwen. Dat staat bijvoorbeeld in Deuteronomium 10. Daar zegt Mozes: want de HEERE uw God is een God der goden. Hij neemt geen geschenken aan (dat wil zeggen: Hij is eerlijk, Hij is rechtvaardig). En dan: Die het recht van de wezen van de weduwe doet; en de vreemdeling liefheeft, dat Hij hem brood en kleding geve. Dus: God doet het recht van de weduwe. Hij is een eerlijke Rechter. En Hij vroeg ook aan alle rechters, aan alle burgemeesters in Israël om goed te zorgen voor het recht van de weduwen. Denk maar aan wat Jesaja schrijft: leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet de wees recht, handelt de twistzaak der weduwe (1:17). Met andere woorden: wees eerlijk en rechtvaardig voor de kwetsbaren, zoals weduwen en wezen.

Maar deze rechter, in deze gelijkenis, die is helemaal niet eerlijk. Wat is er aan de hand? Iemand doet iets tegen haar. Misschien wil hij haar geld afhandig maken, misschien wil hij haar veel te veel rente laten betalen, misschien wil hij een van de kinderen van deze weduwvrouw afpakken en tot slaaf maken. Maar wat het ook is: hij doet iets wat heel oneerlijk is. En dus stapt zij naar de rechter. Maar, die luistert niet. Misschien is de man die deze weduwe kwaad doet, wel een vriend van deze rechter. Misschien krijgt hij stiekem wat geld toegeschoven. Maar hoe dan ook:

hij is oneerlijk, hij luistert gewoon niet naar haar. Eindeloos vaak staat ze bij hem op de stoep, steeds weer. Maar steeds weer zegt hij: ga weg, ik wil je niet helpen.

Lees maar in vers 4 en 5: En hij wilde voor een langen(!) tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vreze, en geen mens ontzie; nochtans, omdat deze weduwe mij moeilijk valt, zo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk kome, en mij het hoofd breke. Iedere dag staat ze weer op zijn stoep: ‘help me, doe mij recht!’ En ze staat ook in haar recht. Ze heeft ook echt gelijk. Maar hij heeft helemaal geen zin om naar haar te luisteren, om haar te helpen. Totdat... Eigenlijk wordt hij haar spuugzat. Iedere ochtend als hij zijn kantoor open doet: ‘oh nee he, daar is ze weer... Altijd diezelfde vrouw. Ze breekt me nog een keer het hoofd. Ik word er moe van. Ze valt me lastig.’ Het woord in het Grieks heeft ook iets in zich van: iemand in zijn gezicht slaan, een klap van iemand krijgen. Het hoofd breken. De volhoudster, straks vliegt ze me nog een keer aan! En dan, eindelijk luistert hij naar haar. Hij geeft tegelijk. Hij doet haar recht. Omdat...? Omdat hij van haar af wil zijn.

Maar, wat betekent nu dit beeld? Wat is de betekenis van deze gelijkenis? Dat gaan we zien in ons tweede aandachtspunt, maar we gaan eerst zingen uit Psalm 66. We zingen de verzen 8 en 10: Komt, luistert toe, gij Godgezinden, Gij, die den HEER van harte vreest, Hoort, wat mij God deed ondervinden, Wat Hij gedaan heeft aan mijn geest. 'k Sloeg heilbegerig 't oog naar boven, Ik riep den HEER ootmoedig aan; Ik mocht met mond en hart Hem loven, Hem, Die alleen mij bij kon staan.

God zij altoos op 't hoogst geprezen; Lof zij Gods goedertierenheid, Die nimmer mij heeft afgewezen, Noch mijn gebed gehoor ontzeid!

Gemeente, we gaan verder met het tweede aandachtspunt van de preek:

2. De betekenis van het beeld

De betekenis van deze gelijkenis. We lezen samen even verder in vers 6 en 7: En de Heere zeide: Hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt. Nu moet je opletten! Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?

Jongens en meisjes, lijken ze op elkaar? Die onrechtvaardige rechter en de rechtvaardige God in de hemel? Nee toch? Ze lijken juist helemaal niet op elkaar! En dat bedoelt de Heere ook te zeggen. Eigenlijk wil de Heere zeggen: kijk nu eens goed naar de verschillen. Ik ga proberen zeven verschillen op te noemen, maar als je thuis dit Bijbelgedeelte nog eens naleest, zie je misschien nog wel meer verschillen.

a. Het eerste verschil: de rechter van die stad is een onrechtvaardige rechter. Maar God (dat heeft de Heere Jezus Zelf gezegd) is een rechtvaardige Vader, die juist bijzonder oog heeft voor weduwen en wezen, voor het zwakke, voor het verachte, voor het verlorene. b. Het tweede verschil: die onrechtvaardige rechter stuurde die weduwe steeds weer naar huis: weg jij, ik wil niet naar je luisteren! Maar Gods kinderen hebben een Vader in de hemel die hen juist uitnodigt om vrijmoedig tot Hem te komen. De Heere Jezus heeft ook trouwens ook gezegd: komt allen tot Mij (niet: ga weg van Mij, maar: kom tot Mij), u die vermoeid en belast bent, Ik zal u rust geven. c. Er is nog een verschil. Het derde verschil. Bij die onrechtvaardige rechter was het kantoor misschien een paar uur per dag open. Hij hield misschien wel even spreekuur, maar vast niet heel lang. Maar wij mogen dag en nacht naar de hemel roepen. Altijd. Daar is de deur nooit gesloten. d. Nog een ander verschil, het vierde verschil. Dat gevraag en die gebeden van die weduwe irriteerde die rechter mateloos. Maar de gebeden van Gods kinderen klinken als hemelse muziek in de oren van God in de hemel. e. En, dat is het vijfde verschil, die weduwe was voor deze rechter een vreemde. Hij was geen familie van haar. Maar Gods kinderen worden genoemd (in vers 7) Zijn uitverkorenen. God kent hen. Hij heeft hen lief. Hij heeft hen in de eeuwigheid (lang voordat de tijd begon) al uitverkoren. Hij heeft hen liefgehad met een eeuwige liefde. En dus hoort Hij hen als ze tot Hem roepen. f. Het zesde verschil is dit: die weduwe had geen vriend of bekende om advocaat voor haar te zijn, om haar te helpen te pleiten voor haar zaak bij deze rechter. Maar Gods kinderen hebben een voorspraak bij de Vader. Jezus Christus, de Rechtvaardige. Hij zit aan Gods rechterhand en bidt altijd voor hen. g. Een laatste, zevende verschil (maar je kunt thuis zoeken naar meer verschillen): deze weduwe had geen belofte of aanmoediging gekregen, dat de rechter van de stad haar horen zou. Maar Gods kinderen weten dat God een gouden scepter heeft, een scepter van genade, en dat Hij beloofd heeft dat Hij ons nooit weg zal sturen. Zoals we samen gezongen hebben: die nimmer ons heeft afgewezen, noch ons gebed gehoor ontzegd.

Zal God dan geen recht doen Zijn uitverkorenen, die dag en nacht tot Hem roepen? Ze roepen dag en nacht tot God. Waarom? Om wat? Ze roepen vanwege het onrecht dat hen in deze wereld overkomt. Misschien is dat niet direct vervolging, maar het kan wel zijn, als je de Heere dient, dat je benadeeld wordt, dat

je niet meer meetelt, minachtend wordt aangekeken of uitgelachen wordt. In de wereld, op je werk, je opleiding, op school, of door je vriendjes in de straat. Misschien ook wel dichterbij, in je familie.

En... wij klagen onze nood bij de Heere in de hemel. Nee, we klagen niet steen en been naar iedereen om ons heen over alles wat ons overkomt. Want wij weten het toch, de Heere Jezus heeft het toch Zelf gezegd: in de wereld zult u verdrukking hebben! Daarom zeggen we alles in stilte tegen de Heere. Overdag, 's nachts: dag en nacht. Het doet denken aan (en de Statenvertaling verwijst daar ook naar) Openbaring 6:10. Daar ziet Johannes de zielen van de gelovigen die ontslapen zijn onder het altaar, en zij roepen met grote stem, zeggende: hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt u ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? Ze roepen dag en nacht tot God. In de eerste plaats gaat het hier (in de context van deze gelijkenis) om de kerk, om de christelijke gemeente, die in haar nood in deze wereld roept naar de hemel om recht, om het ingrijpen van God, en... om de terugkomst van de Heere Jezus Christus.

Maar het geldt natuurlijk ook ons persoonlijke leven. Dag en nacht tot God roepen. Als de zonde ons benauwt, de satan ons beschuldigt, ons geweten ons aanklaagt. En dan...? Kan je dan roepen naar de hemel: ‘Heere, doe mij recht...? Want kijk, ik heb...’ Ja, wat heb ik eigenlijk? Zoveel zonde, zoveel schuld... Je voelt, dat kan niet. Je kunt roepen, zoals we gezongen hebben: ik sloeg heilbegerig het oog naar boven, ik riep de Heere ootmoedig aan. Maar roepen om recht? Daar loopt onze vergelijking mis.

Dat was trouwens ook niet als eerste de bedoeling van deze gelijkenis. Onze vergelijking loopt mis, tenminste..., tenzij je jezelf afschrijft, voor God, als een rechteloos mens. Een rechteloos mens, die uit de diepte roept tot de rechtvaardige God. Terwijl je oog door Gods genade en door het werk van de Heilige Geest gericht wordt op Christus. Zondeloos was Hij. Nooit heeft Hij enig onrecht gedaan. En daarom kon Hij op grond van recht zeggen: Vader, Ik weet dat U Mij altijd hoort. Maar vrijwillig deed Hij afstand van dat recht. Dag en nacht riep Hij naar de hemel, in de diepte van Zijn zielelijden. Overdag, op Golgotha aan het kruis. 's Nachts, in de donkere nacht van Gethsémané. Dag en nacht riep Hij naar de hemel, maar... de rechtvaardige Rechter in de hemel hoorde Hem niet. De rechtvaardige Rechter hoorde Zijn liefste Kind niet, opdat Hij ons wel horen zou. Zo heeft de Heere Jezus Christus een weg geopend, een vrije toegang voor rechteloze zondaars tot de rechtvaardige Rechter. Een weg geopend naar de troon van Gods genade, waar wij dag en nacht mogen toegang. Waar al onze onvolmaakte gebeden, besmet met zonde en tekort, gezuiverd en schoon gewassen worden door Hem, Die zit aan de rechterhand van Zijn Vader. Om de Heere Jezus wil, doet God Zijn uitverkorenen recht, die dag en nacht tot Hem roepen, hoewel... Hij lankmoedig is over hen. Hij is lankmoedig, geduldig over hen. Dat wil zeggen: Hij laat hen vaak wachten.

De Heere laat ons vaak wachten. In ons persoonlijk leven. In al onze levensomstandigheden. Wat is dat, jongelui, toch een gelukkig leven. Wij leggen alles, al onze zorgen, al ons verdriet, al onze vragen, maar ook al onze vreugde en blijdschap, altijd weer bij de Heere neer. En wij weten (en dat is ons tot een diepe troost) dat de Heere ons altijd hoort. Omdat Hij ons lief heeft. Wij brengen altijd alles bij de Heere. En dat mag altijd. Dag en nacht. En dan? De onrechtvaardige rechter luistert niet, wordt boos en stuurt weg. Maar de Heere neemt onze gebeden aan. Hij luistert ernaar. Hij hoort ze. En dat is voor ons genoeg. Ik zeg het nog een keer: dat is voor ons genoeg. Dat Hij luistert en hoort.

Want we weten ook: Hij is lankmoedig over ons. Hij laat ons, die Hem vrezen, vaak wachten, soms heel lang wachten. Je zegt misschien: ‘dat vind ik niet leuk. Als ik iets vraag, dan wil ik het graag direct hebben.’ Ja, dat begrijp ik. Zo ben ik ook. Ik wil graag, als ik iets vraag, het direct krijgen, om dan zo snel mogelijk door te kunnen gaan met mijn eigen dingen. Maar dat wil de Heere nu juist niet. De Heere is wat dat betreft veel verstandiger dan wij. Hij is een heel wijze, heel verstandige Vader voor Zijn kinderen.

Wachten duurt vaak lang. In ons persoonlijke leven. Wachten duurt lang, als je hart gedrukt wordt onder de last van zonde en schuld. En je roept tot God om vergeving: ‘Heere, wees mij genadig. Verzoen toch mijn zware schuld, die mij met schrik vervult.’ Maar..., er komt geen antwoord. Het blijft stil. De hemel lijkt wel gesloten. Soms denk je: ‘zou de Heere me vergeten? Vergeet Hij om mij genadig te zijn? Zou God Zijn genade vergeten, nooit meer van ontferming weten?’ Wachten duurt lang, in je persoonlijke leven. Als je de Heere zoekt, maar je vindt Hem niet. Je roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. Je weet het, je ziet het, je merkt dat Hij werkt in anderen. En je roept Hem aan, maar er komt geen antwoord. Wachten duurt lang, als je de nood voelt van je eigen hart, van de harten van je kinderen en kleinkinderen. En je zucht met de dichter van Psalm 77: ten dagen van mijn benauwdheid zocht ik de Heere, mijn hand was des nachts uitgestrekt (ik riep dag en nacht), en ik liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden. Maar, geen antwoord, geen troost. Wachten duurt lang. Als het onrecht van de vijand ons in het nauw brengt: doe mij recht, Heere! En we bidden, we bidden... Maar, geen antwoord. En ons bidden wordt roepen, dag en nacht roepen... Maar, geen antwoord. En ons roepen wordt schreeuwen vanuit de diepte naar omhoog. Dag en nacht. Want hoe langer het duurt, hoe meer het antwoord uitblijft, hoe harder we gaan roepen. Het is net als bij Bartimeüs. De mensen zeiden: ‘Bartimeüs, hou nu op met roepen, want de Meester hoort je toch niet.’ Maar hij riep des te meer, zeggende: Zone Davids, ontferm U mijner!

a. Wachten, in ons persoonlijk leven. Niet direct alles krijgen waar je om vraagt. Waarom doet de Heere dat? Waarom laat de Heere Zijn kinderen vaak wachten?

Opdat we dieper voor God zouden buigen. Als een rechteloze voor Hem. Immers Hij is toch de soevereine God, Die Zelf bepaalt waar, hoe, wanneer Hij Zich wil laten vinden? Is Hij niet de grote Pottenbakker, en zijn wij niet maar leem, maar klei in Zijn handen? Wachten, opdat we dieper zouden buigen voor Hem in het stof. Wachten. Ook om ons geduldiger te maken. En om ons dichter bij Hem te brengen en te houden. En tegelijkertijd is het Gods goede doel, als Hij Zijn kinderen laat wachten, om hun geloof daardoor te oefenen en te versterken. Calvijn zegt daarover: Christus beoogt met Zijn zwijgen (als Hij ons roepen niet beantwoord) niet ons geloof neer te slaan. Maar Hij wil onze ijver aanwakkeren (zodat we dag en nacht gaan roepen) en Hij wil de gloed van ons geloof... (en u ziet het voor u, een smeulende vuurgloed van kleingeloof, en de Heere blaast daarop, zodat de vlammen weer levend worden), Hij wil de vloed van ons geloof aanblazen. Dat is Gods goede doel als Hij ons laat wachten. Om ons geloof te vermeerderen, te oefenen, te versterken, sterker te maken. Opdat we des te meer (hoewel we misschien niets meer voelen en niets meer zien) ons toch zouden vasthouden aan Zijn Woord. Opdat we zouden zeggen: ‘Heere, ik weet het niet, ik zie het niet meer, maar toch hoop ik in al mijn klachten op Uw onfeilbaar Woord.’

b. Wachten duurt lang. In ons persoonlijk leven, maar het gaat in deze gelijkenis zeker ook en vooral om het wachten van de Kerk. De Kerk die de vergadering is, wereldwijd, dwars over alle kerkmuren heen, de vergadering van ware Christusgelovigen. De wachtende Kerk, die (als het goed is) wacht op de terugkomst van de Heere Jezus Christus. Een wereldwijde gemeente die (midden in de verdrukking, in een tijd waarin iedereen leeft voor nu en voor zichzelf) wacht op de terugkomst van de Heere Jezus Christus. Maar..., het duurt zo lang. En de spotters zeggen: ‘vergeet het maar, Hij komt nooit meer terug.’ Dat zeiden de spotters ook al in de dagen van Petrus. Maar, schrijft Petrus (2 Petrus 3:9): De Heere vertraagt de belofte niet (gelijk enigen dat traagheid achten), maar is (daar heb je dat zelfde woord weer) lankmoedig(!) over ons, niet willende, dat enigen verloren gaan, maar dat zij allen tot bekering komen. God is geduldig, lankmoedig. Want God gunt nog tijd aan onbekeerden. Als u nog onbekeerd bent, dan krijgt u extra bekeringstrijd van de Heere. Daarom moet u die tijd ook niet zomaar voorbij laten gaan, maar gebruiken om de Heere te zoeken, om dag en nacht tot Hem te roepen! En in diezelfde tijd oefent Hij Zijn kinderen in geduldig wachten. In gelovig vasthouden aan Zijn Woord. Want daarin ligt voor ons alle vastheid en zekerheid. In Zijn Woord, in wat God beloofd heeft. En alles wat Hij beloofd heeft, dat zal Hij doen. En Hij heeft het beloofd, dat Hij hen die Hij van eeuwigheid verkoren en liefgehad heeft, nooit meer zal loslaten, voor altijd zal blijven bewaren en beschermen. En ondertussen vraagt de Heere aan Zijn kinderen hier op de aarde om te waken en te bidden. Zoals staat in vers 1: altijd bidden en niet vertragen. Met vuur en ijver tot de Heere roepen, dag en nacht. Niet meegaan in het patroon van deze ondergaande wereld:

eten en drinken, en alleen maar bezig zijn met de dingen van nu. Maar: waken, bidden, uitzien en verwachten.

Geduldig wachten. Want de tijd komt, dat de Heere Zijn belofte vervult. Zijn belofte wordt immer vervuld. Alleen... op Zijn tijd, op Gods tijd. Dat geldt ons persoonlijke leven. Daarom, houdt aan, grijpt moed, u die dag en nacht tot de Heere roept. Hij is een Waarmaker van Zijn Woord. Zijn belofte wordt immer vervuld. Hij laat niet een van Zijn woorden op de aarde vallen. Maar die vervulling komt niet op onze tijd, maar op Zijn tijd. Op de tijd die Hij Zelf in wijsheid heeft vastgesteld. Daarom zegt Habakuk: zo Hij vertoeft (als u op Hem wachten moet), verbeid Hem (verwacht Hem), want Hij zal gewis, zeker komen, Hij zal niet achterblijven.

Dat wat geldt in ons persoonlijke leven, geldt ook de gemeente, de kerk van Christus in deze wereld. God zal hen (vers 8) haastelijk recht doen. Na lang wachten, na heel veel verdrukking (aanvankelijk leek het jaren te duren, later lange eeuwen), maar uiteindelijk zal toch plotseling de tijd aanbreken: haastig en snel! Paulus zegt in 1 Korinthe 15: in een punt des tijds, in een ogenblik (in het knipperen van een oog), zal de bazuin klinken, zal de stem van de archangel gehoord worden. Dan zullen de hemelen weggerold worden als een dunne doek en dan zullen we de Zoon des mensen zien komen met grote kracht en heerlijkheid. En wij (zegt hij in 1 Thess. 4) die levend overgebleven zijn, zullen opgenomen worden (letterlijk staat er zoiets als: weggegrist worden, zo snel!) in de wolken, de Heere tegemoet in de lucht, en alzo zullen wij altijd met de Heere wezen. Wat zo lang leek te duren, waar de kerk in haar verdrukking eeuwenlang naar heeft uitgezien, zal dan met grote haast plaatsvinden

God zal Zijn kerk met haast recht doen. Het wordt gezegd tot troost en bemoediging. Het doet denken aan het artikel 37 zegt van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: de gedachte hieraan (aan die grote dag van de Zoon des mensen) is zeer wenselijk en troostelijk voor de vromen en uitverkorenen (die dag en nacht tot God roepen); dewijl als dan hun volle verlossing volbracht zal worden, en zij aldaar zullen ontvangen de vruchten van de arbeid en van de moeite, die ze zullen gedragen hebben; hun onschuld zal door allen bekend worden (iedereen zal het zien en weten) en zij zullen (dat is de keerzijde) de schrikkelijke wraak zien die God tegen de goddelozen doen zal, die hen getiranniseerd, verdrukt en gekweld hebben in deze wereld. God zal uiteindelijk recht doen. Daarom verwachten wij die grote dag van de terugkomst van onze Heere Jezus Christus met groot verlangen. Om ten volle te genieten de beloften van God, in Christus Jezus, onze Heere.

Doch (vers 8) de Zoon des mensen, als Hij komt (op die grote dag) zal Hij ook geloof (letterlijk staat er: het geloof, dat geloof) vinden op de aarde?

Die vraag is geen oproep tot speculatie. Hoeveel zullen er dan nog zijn? Zullen het er weinig zijn, of veel? Zullen er hier nog zijn in het westen of niet meer? Nee, dit is geen oproep tot speculatie. Dit is een oproep tot zelfonderzoek: laat ieder van ons antwoord geven voor zichzelf, voor God, op deze vraag. Ooit kwam Hij, de Zoon des mensen (dat was Zijn eerste komst) in deze wereld om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Maar Hij komt terug, Zijn tweede komst (wie weet hoe snel). Hij zal komen op de wolken van de hemel, en zal komen naar de aarde 'om geloof te zoeken'. Het geloof, dat geloof. Bij mij, jou, bij u... En als Hij dan komt om te zoeken, wat zal Hij dan vinden?

Weet u waar Hij vooral naar zoeken zal? Naar dat geloof, dat dag en nacht tot Hem roept, dat dag en nacht schreeuwt vanuit de diepte tot God: mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Wanneer zal ik voor Gods aangezicht verschijnen? Dan zal Hij, onverwachts, de druk van deze roepende zielen, in een ogenblik verwisselen in geluk. Daarom: hoop op God, sla het oog naar boven, u die dag en nacht tot Hem roept, want op Gods tijd zult u Hem loven!

Amen.

Slotzang Psalm 42:1,5:

't Hijgend hert, der jacht ontkomen, Schreeuwt niet sterker naar 't genot Van de frisse waterstromen, Dan mijn ziel verlangt naar God. Ja, mijn ziel dorst naar den HEER; God des levens, ach, wanneer Zal ik naderen voor Uw ogen, In Uw huis Uw naam verhogen?

Maar de HEER zal uitkomst geven, Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt; 'k Zal in dit vertrouwen leven, En dat melden in mijn lied; 'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht; En mijn hart, wat mij moog' treffen, Tot den God mijns levens heffen.