PREEK · VRIJE STOFFEN

Gelijkenis van het mosterdzaad - Lukas 13

29 augustus 2019

Lukas 13:18-19: En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken? Het is gelijk een mosterdzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.

INLEIDING

Het Koninkrijk van God is gelijk aan een mosterdzaad: piepklein, maar gezaaid met vertrouwen, het wordt tot een grote boom waarin de vogelen nestelen. Twee aandachtspunten: (1) het beeld van de gelijkenis – het kleine zaad, begraven in de aarde, dat opwast; (2) de strekking – Christus Zelf is dat Mosterdzaad, gestorven en begraven, maar opgestaan, en Zijn Koninkrijk groeit wereldwijd. Wie het Woord zaait in eigen hart, gezin of omgeving, mag – al kost het tijd en tranen – op Gods trouwe belofte blijven hopen.

THEMA

De gelijkenis van het mosterdzaad

KERNPUNTEN

  1. Het beeld van de gelijkenis
  2. De strekking van het beeld

LUKAS 13:18-22

18 En Hij zeide: Wien is het Koninkrijk Gods gelijk en waarbij zal Ik hetzelve vergelijken?
19 Het is gelijk een mosterdzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.
20 En Hij zeide wederom: Waarbij zal Ik het Koninkrijk Gods vergelijken?
21 Het is gelijk een zuurdesem, welken een vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was.
22 En Hij reisde van de ene stad en vlek tot de andere, lerende, en richtende Zijn reis naar Jeruzalem.

VOLLEDIGE TEKST

Gelijkenis van het mosterdzaad - Lukas 13

ds. J. IJsselstein - Lukas 13:18-19

THEMA

De gelijkenis van het mosterdzaad

Aan wie of aan wat is het Koninkrijk van God gelijk? En waarbij zal Ik het vergelijken? Dat was de vraag, die de aandacht trok. En dat is de vraag, die ook nu de aandacht trekt. Hoe gaat het toe in het Koninkrijk der hemelen? Hoe gaat het in het Rijk van Koning Jezus, in het Rijk van Gods genade? Dat wondere werk van Gods genade in deze wereld, waar Jezus Zijn troon bestijgt in het hart van een mens, waar kan je dat het beste mee vergelijken? Hoe gaat het er aan toe, als Jezus Koning wordt in je hart, in het van je kind of kinderen, of in de harten van de mensen om je heen?

Je verwacht iets groots! Je verwacht iets indrukwekkends! Iets dat onverwachts begint, doorzet, groeit… Je had het tot nu toe niet gezien, maar nu ineens wel: geweldig! Met kracht wordt zij of hij, of jijzelf aangesproken, emotioneel geraakt, innerlijk overtuigd en tot Jezus gebracht. Zoals je verwacht dat een koninkrijk tot bloei komt door een groot en machtig leger. Het overvalt de vijand met kruisraketten, drones en geleide bommen. Eén grote klap, en het is gedaan. Nog even wat stuiptrekkingen, en de witte vlag van de overgave gaat omhoog. Door kracht en geweld… Of toch niet…?

Nee, niet door kracht of geweld. Maar door de Geest van God (Zacharia 4:6). Het Koninkrijk van God komt op een aparte, op een voor ons vreemde en ongebruikelijke manier. Voor ons gevoel is het abnormaal, niet zoals wij zouden verwachten. Het gaat zo anders! Sterker nog: het botst met onze verwachtingen, met hoe wij het zouden willen. Het schuurt. Het roept verzet op. Want dit Evangelie confronteert, legt de zonde bloot, brengt in nood en dood, en doet ons in stilte zoeken naar en roepen om de Redder, om de Zaligmaker van zondaars, Jezus Christus.

We gaan het zien in onze tekst, die wij vanmorgen met Gods hulp samen gaan overdenken. U kunt de tekst voor de preek van vanmorgen vinden in Lukas 13:19-20. Daar lezen we Gods Woord als volgt: Het (dat het Koninkrijk van God) is gelijk aan een mostaardzaad, hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft; en het wies op, en werd tot een groten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijn takken.

Het thema voor de preek is: De gelijkenis van het mosterdzaad We letten samen op twee aandachtspunten. In de eerste plaats letten we op het beeld van de gelijkenis: wat staat er precies? En in de tweede plaats letten we op de strekking van het beeld: wat betekent dat precies?

Dus: De gelijkenis van het mosterdzaad 1. Het beeld van de gelijkenis 2. De strekking van het beeld Als eerste dus:

1. Het beeld van de gelijkenis

Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een mosterdzaad. Kleiner dan een klein pluisje. Een millimeter groot. Een millimeter klein, beter gezegd. Een klein, zwart mosterdzaadje. Het was in Israël spreekwoordelijk klein. Wij zeggen: zo groot als een olifant. Zij zeiden: zo klein als een mosterdzaadje.

Hetwelk een mens genomen heeft. De man pakt het. Hij neemt het in zijn hand. Zie je het voor je? Hij kijkt ernaar. Naar dat minuscuul kleine zaadje. Geen handvol met duizenden, friemelige zaadjes, maar één zo’n klein zaadje. Maar hij heeft er vertrouwen in. In dit zaad, in dit mosterdzaad ligt leven en kracht. Hij heeft er geen vertrouwen in omdat hij zijn eigen hand ziet, maar hij ziet dat kleine zaad, klein als het is.

Klein zaad is dat mosterdzaad. Klein zaad waarover een machtige woorden zijn uitgesproken. Woorden als deze: Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zend (Jesaja 55: 11). Hij heeft er vertrouwen in. En dus zaait hij dat kleine zaadje in zijn tuin.

Hetwelk een mens genomen en in zijn hof geworpen heeft. Hij had dat zaadje kunnen bewaren. Hij had kunnen zeggen: dit is kostbaar zaad. Ik bewaar het. Ik voel me rijk met wat ik heb gekregen. O, wat ben ik toch gezegend. Ik zal het goed bewaren. Hij had kunnen denken: wat een klein en donker ding, dat mosterdzaadje. Dat ziet er niet uit! Laat ik het wat groter maken. Ik doe er wat omheen. Of, laat ik het wat mooier maken. Ik kleur of verf het mooi geel of goud.

Maar nee, hij doet wat anders. Hij loopt naar zijn tuin. En hij stopt dat zwarte zaadje in de zwarte grond. Hij begraaft het. Want, hij weet dat dit zaadje leven zal laten zien, door de weg van begraven.

En, zo staat er: het wies op. Op een dag ziet hij het. Er komt iets heel kleins, iets groens uit de grond. Er groeit een minuscuul klein plantje. Dat langzaam maar zeker groter en groter wordt. Want zo lezen we verder:

En werd tot een grote boom. Dat is raar. Je ziet de mensen om de Heere Jezus heen ook verbaasd kijken. Een mosterdzaadje? Daar komt een struik uit. Die kan groot zijn, maar het blijft een struik. Het is geen boom. Een eik, of een ceder, dat is een boom. Nee, dit ook. Het werd tot een boom, zelfs tot een grote boom. Want het zaad, het mosterdzaad, is sterker dan je denkt.

En de vogelen des hemels nestelden in zijn takken. Eigenlijk staat er: de vogels van de lucht woonden daar. Ze komen in grote groepen, zingend, kwetterend, ze eten van de vrucht van de boom, en ze zoeken en vinden verkoelende schaduw onder de bladeren van de boom tegen de hitte van de zon.

Zo gaat het met de komst van het Koninkrijk van Gods genade. Net als in die volgende gelijkenis, die hier als een tweeling bij hoort. Daar is het geen man, maar een vrouw. Iedereen, mannen en vrouwen worden meegenomen in deze beeldende metaforen. Hij stopt het mosterdzaad in de zwarte grond. Zij stopt een stukje zuurdesem in twintig liter meel. Beiden lijken te verdwijnen. Het lijkt alle twee voor het oog zo zinloos. En dan, na tijd en geduld, dan wordt het zichtbaar. Het mosterdzaad wordt tot een grote boom. En het kleine klompje zuurdesem zorgt voor een grote klomp gezuurd en gerezen deeg.

Was het destijds, in de aanloop naar deze gelijkenis, zo ook niet gegaan? Ineens was daar die onaanzienlijke Johannes de Doper, met zijn kemelsharen mantel. Hij at sprinkhanen en wilde honing. Hij was klein als een mosterdzaadje. Hij zei het ook zelf: na mij komt een man die sterker is dan ik. Ik ben zelfs niet waard om zijn schoenveters los te maken (Mattheüs 3:11). Hij werd gelegd in de aarde, vermoord door de dienaars van Herodes. Maar, het zaad van zijn prediking kwam op. Het waren maar heel eenvoudige woorden geweest. Niet versierd. Niet veranderd. Ze waren als zwart mosterdzaad: eenvoudig, scherp, heenwijzend, krachtig en sterk. Zoals het Woord dat ik ook u nu predik: Bekeer u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Dit is het beeld van de gelijkenis. We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. De strekking van het beeld

Want, wat betekent deze gelijkenis precies? Wat wil de Heere Jezus met deze gelijkenis ons zeggen?

Je zou kunnen zeggen: de kern van deze gelijkenis is dat iets klein begint, om uiteindelijk heel groot te worden. In het hart van een mens, waar een klein stukje zuurdesem heel het deeg doortrekt. Het verandert, het bekeert, het vernieuwt een heel mensenleven… In het gezin, in de kring van vrienden, in de kerk, in de wereld, waar een klein mosterdzaadje ontkiemt, groeit en wordt tot een grote en stevige boom… Waarbij het niet gaat om de vrouw, maar om de zuurdesem. En waarbij het niet gaat om de man, maar om het mosterdzaad. Want het Koninkrijk der hemelen is niet gelijk aan een man of vrouw die zaait, maar is gelijk aan het mosterdzaad zelf. Het Koninkrijk van Gods genade wordt gevestigd, gerealiseerd, wordt gezaaid, gepland, groeit en overwint…, Koning Jezus bestijgt Zijn troon in het hart, in het gezin, in de kring van vrienden, in de kerk en in de wereld door… (en dat is de kern van deze gelijkenis!), door de weg van… begraven.

Dat is het allereerste begin. Dat piepkleine zwarte zaadje wordt begraven in de tuin. En dat komt er aan! Dat gaat hier gebeuren! Jezus wordt al bedreigd met de dood! Ze verwachten weliswaar dat Hij Koning zal worden, desnoods met geweld. Maar zo zal Zijn Rijk niet komen. Hij zal sterven, Hij zal begraven worden. Want er komt alleen een schuilplaats tegen de hitte van de zon, er komt alleen een schuilplaats tegen de hitte van Gods toorn, en komt alleen een plaats voor zondaars om bij God te wonen, als er een grafkamer komt. Omdat er een grafkamer gekomen is voor het Mosterdzaad. Het Mosterdzaad is voor het oog van ons mensen verdwenen in de aarde. Toen leek het, alsof alles voorbij was. Toen onze Heere Jezus Christus gestorven en begraven was, toen leek Zijn Koninkrijk voorbij. Nu is het gebeurd… Maar Hij is opgestaan. En de veertig jaar later wonen vogels uit alle bekende centra van het Romeinse Rijk in de takken van deze Boom des levens. En twintig eeuwen later wonen vogels uit bijna alle landen in de takken van deze wereldwijde Boom.

Het Koninkrijk van God is en wordt gebouwd op kruis, graf en weggerolde steen. Op het stervende Mosterdzaad, op het levende Tarwegraan: Jezus Christus.

Gemeente, genade, een leven met God voor uzelf, voor uw kinderen of voor anderen, dat kan alleen maar opkomen uit de van nature dorre aarde van ons geestelijk dode hart, door dat stervende Mosterdzaad, Jezus Christus. Dat door God in de aarde is geworpen. Hij had geen gedaante noch heerlijkheid. Hij heeft Zichzelf vernietigd, de gestalte van een dienstknecht aangenomen hebbende. Maar God heeft Hem uitermate verhoogd en Hem een Naam gegeven boven alle naam. Opdat allen zich voor Hem zouden buigen. Hij, Christus, is de Boom des levens. In Hem is gezegende vrucht, in Hem is levendmakende vrucht voor uw dode hart. In Hem is gezondmakende vrucht voor alle ziekte van uw ziel. In Hem is versterkende, moedgevende en heiligmakende vrucht. En in Hem is vrucht van zekere hoop en verwachting van eeuwig leven.

Verberg dat Mosterdzaad, voor uw kinderen, voor uzelf, op de plaats waar u woont, in de gemeente, bij het werk in uw tuintje (waar die ook is), of in de prediking van het Evangelie…, verberg Christus, en er komt nooit vrucht!

Daarom prediken wij Christus. Zijn Koninkrijk wordt nooit opgericht in uw hart of in het hart van uw kinderen, in de harten van de mensen om u heen en in de harten van zoveel onbereikte mensen in deze wereld, als wij Hem verbergen. Daarom steken wij met veel vrijmoedigheid de koperen slang hoog omhoog. En zeggen: u bent dodelijk gebeten. Maar er is redding en behoud in Jezus. Zie op Hem en wordt behouden, u en alle einden van de aarde (Jesaja 45:22). Daarom wijzen wij u zonder aarzelen op het kruis van Jezus. Wij wikkelen het niet in voorwaarden. Niet in voorwaarden van emoties of ervaringen. Ook niet in voorwaarden van verborgenheden. Jezus, de enige Zaligmaker, is vrij beschikbaar voor zondaars, voor mensen uit het verloren geslacht van Adam. Zie, het Lam Gods. En kom tot Hem. Hij is door God gegeven, Hij is beschikbaar en gewillig om u zalig te maken. Veracht en verwerp Hem toch niet.

Lieve kinderen, jongens en meisjes, je zult zalig, je zult voor altijd gelukkig worden, alleen met en door de Heere Jezus. Geloof Hem toch. Als Hij eerlijk tegen je zegt: je bent verloren, je hebt een slecht hart, je bent weggegaan van God, je hebt en doet zoveel zonden. Geloof Hem dan toch. Maar geloof Hem toch ook, als Hij in liefde tegen je zegt: kom naar Mij toe. Ik ben de enige Redder en Zaligmaker. En dat wil Ik ook voor jou zijn. Klop op Mijn deur, dan zal Ik opendoen. Bid, dan zul je ontvangen. Zoek, dan zul je Mij vinden.

Alles, gemeente, wat ik verder nog zal zeggen over de weg van het Koninkrijk van Gods genade, vergeet het niet, vergeet het nooit, staat op het enige fundament Jezus Christus. Hij is de wortel Davids. Hij was het Rijsje, het Scheutje uit de afgehouwen stam van Isaï. Maar Zijn Koninkrijk is bezig te komen. Het groeit en slaat wereldwijd zijn takken uit. En de vogels komen. O, kom toch ook! Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

We zingen samen, voordat we verder gaan met de uitleg van deze gelijkenis, uit Psalm 72, daarvan het negende vers. De stedelingen zullen bloeien, Gelijk het malse kruid. Zijn naam en roem zal eeuwig groeien; Ook zal, eeuw in, eeuw uit, Het nageslacht Zijn grootheid zingen, Zolang het zonlicht schijn', Hun zal een schat van zegeningen, In Hem, ten erfdeel zijn.

Het mosterdzaad is door een mens genomen en geworpen, gezaaid in zijn hof. Dat vraagt geloof, dat vraagt vertrouwen en overgave, om dat piepkleine zwarte zaadje in de evenzo zwarte aarde te leggen. Maar hij doet het. In zijn tuin, in zijn hof. Op de plaats die hij ooit van iemand, misschien wel van zijn ouders, gekregen heeft als zijn tuin, als zijn hof.

Zoals iedereen, als het goed is, een hof heeft, een tuin om te zaaien. En denk nu niet gelijk in het groot, want deze gelijkenis leert ons juist te denken in het klein. Hebt u, hebben jullie, jongens en meisjes, zo’n tuin, zo’n hof? Misschien, jongens en meisjes, heb je thuis wel een plekje in de tuin of een bloembak, waar je zelf iets in mag zaaien. Je hebt ze vast wel eens in je handen gehad, van die piepkleine zaadjes. Je legde ze in of net onder de grond. Je deed er een beetje water bij, en wachtte… Die bloembak, dat stukje grond is jouw tuintje.

En nu gaat het hier in de Bijbel om het mosterdzaad van de Bijbel, om het zaad van het Evangelie, om het zaad van het Woord van God. Heb je ook een tuintje om dat te zaaien? Is het in jouw hart ook al gezaaid? En is dat gezaaide mosterdzaad in je hart ook al opgekomen, als een klein groen plantje? Heb je verdriet over je zonden? Heb je de Heere Jezus lief? Geloof je in Hem, dat Hij al je zonden vergeven heeft, alleen om Hem, om Zijn sterven aan het kruis? Alleen om Zijn bloed? O, lieve kinderen, heb Jezus lief. Hij is het zo waard.

En zaai, datzelfde zaad dat opkwam in je eigen hartje, dan ook in je tuintje. Misschien in het hart van je broertje of zusje, misschien bij je vader of moeder, bij je vriendjes of vriendinnetjes. Zaai, door goede dingen te zeggen over God en de Heere Jezus. Zaai met woorden van de Bijbel. En wacht, en hoop, en vertrouw. En weet dat God het zegenen zal.

Jongelui, hebben jullie een plek om te zaaien? Ja, ik weet het, je kan niet altijd en overal zaaien. Maar, zaai je wel eens? Zoals deze man deed? Met een goed woord over God, op je werk, op de universiteit of hogeschool, in je klas, op de vereniging of onder je vrienden? God is het zo waard. En het geeft zoveel gezegende vrucht. Want het zaad van het Woord is zo sterk, vroeg of laat komt het op en draagt het vrucht.

Ouders, wij hebben van de Heere een plek gekregen om te zaaien. Ligt er al mosterdzaad in onze tuintjes? Liggen er gebeden voor God? Hebben we onze vinger al gelegd bij het Woord van Gods belofte? Heere, U hebt het beloofd. U hebt gezegd: Ik zal u tot een God zijn en uw zaad (uw kinderen) na u? Doe toch, Heere, wat u beloofd hebt?

Word niet rijk met het bezit van het zaad, bewaar het niet, praat niet over het wonder van het zaad van het Woord, zonder datzelfde mosterdzaad te zaaien in uw tuintje! Wijs uw kinderen vroeg en met liefde op Jezus. Breng ze bij Hem. Door die weg, en door die weg alleen, wil God Zijn Koninkrijk oprichten in de harten van onze kinderen. We kennen Gods verborgenheden niet, maar we weten wel de zekerheid van Gods verbond en woorden.

Gemeente, hebben wij een plek om te zaaien? Heeft het Woord van God in uw eigen hart al vruchten gedragen? Is daar ooit door Gods genade een klein, groen begin opgeschoten van nieuw leven? Een begin van nieuw leven uit de dorre aarde van uw zondige hart? Hoe kan je dat eerste leven bij jezelf herkennen? Laat ik u een paar dingen noemen. Dat eerste groen uit ontkiemend zaad blijkt hieruit (en zo is iedere boom ooit begonnen): a. Het blijkt (als eerste) uit het opgaan van licht in uw hart. Dus uit het zien van hoe slecht de zonde is. En uit het zien van hoe groot en begeerlijk God is. b. Het blijkt (in de tweede plaats) uit het vaste voornemen om de zonden te verlaten en de Heere lief te hebben. En uit hartelijke ijver daarin. Denkt u maar aan het hartelijke voornemen van de verloren zoon: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan. En hij ging. En denkt u ook maar aan het hartelijke voornemen van David, toen hij zei: Ik zal belijdenis doen van mijn overtredingen. En hij deed het. c. Het blijkt, dat eerste groen van het beginnende leven (in de derde plaats) uit de bittere klacht van het hart, omdat het nog zoveel genade mist. Denk maar aan de uitroep van de vader van de bezeten jongen: Ik geloof, Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. d. Het blijkt (in de vierde plaats) tegelijkertijd uit een vurig verlangen naar meer genade. Mijn ziel is verbroken van verlangen, naar genade en naar God. e. Het blijkt (in de vijfde plaats) ook uit liefde tot diegenen, die genade van de Heere gekregen hebben. De apostel Johannes zegt: Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben (1 Johannes 3:14). f. En het blijkt (in de zesde plaats), om verder niet meer te noemen, ook uit het feit dat het beginnende leven groeit. Rust en tevredenheid zijn tekenen van de dood. Wat groot begint, komt ook niet uit ontkiemend zaad. En is dus uit de mens. Maar wat leeft, dat groeit, klein beginnend, en wast op en groeit verder tot de volle wasdom van het geloof. Maar het begin is klein. Zo kunt u weten, of het mosterdzaad van het Woord in uw hart tot leven gekomen is.

Maar, als u dat zo niet kent, dan ontslaat dat u nog steeds niet van de plicht om dat Woord wel te zaaien. Nee, ik snap het, niet iedereen kan fulltime predikant, evangelist of zendeling zijn. Maar doet u als deze man? Legt u weleens een mosterdzaadje in uw eigen tuin? Het zaad van het Woord van God?

Broeders van de kerkenraad, zaaien wij het Woord van God? Laten wij niet het zaad zaaien van onze eigen ervaringen, van mooie verhalen, van

bijzondere herinneringen aan vroeger of van hart rakende emoties. Maar laten we het zaad zaaien van het eeuwig blijvende Woord van God. Schaam u niet, schaam u nooit, hoewel er veel tegenop kan komen, voor de enige Naam tot zaligheid, voor de Naam van Jezus Christus. Ze hebben Hem beschouwd als een bezetene. Dat zal u dan vast ook overkomen. Maar schaam u niet voor uw Meester.

Laten we, gemeente, het zaad dat we hebben (dat piepkleine, onooglijke, donkere, zwarte zaad) ook niet bewerken. Dat gaat uiteindelijk allemaal ten koste van de eer van de Koning van het Koninkrijk. Maak het niet mooier dan het is. Versier het niet met emoties. Verpak het niet in en belast het niet met allerlei vormen. Verzin ook geen voorwaarden, waar geen voorwaarden zijn. Dit is de kern: er is een Zaligmaker beschikbaar voor verloren zondaars van Adams geslacht. En Hij wil ook uw en jouw Zaligmaker zijn.

Zaai het, zoals het is. Laat het vallen, zoals het is, in de zwarte aarde van uzelf, van uw kinderen en andere mensenharten.

Zaai het. Bewaar het niet. Bewaar het niet in perkamenten kaften in uw boekenkast. Bewaar het niet in een stoffige Bijbel die op de keukentafel blijft liggen.

En zaai het met uw oprechte leven. Niet met mooie woorden, verpakt in een zondig, oneerlijk, onoprecht en schijnvroom leven.

Trouwens, zeg ook maar gewoon eerlijk tegen uw kinderen dat u zelf ook een slecht mens bent. Er zijn zoveel mensen die praten over de zonden van anderen, en die zichzelf ondertussen goed vinden. Zeg maar gewoon dat de aarde van uw eigen hart ook zwarte grond was. Dat geeft hoop en moed aan uw kinderen en aan anderen. Als ze weten: mijn vader was ook slecht, mijn moeder ook, maar nu is het door Gods genade anders geworden. En ze zeggen dat het voor mij ook kan!

Zaai het Woord. Zaai het Woord met oprechte woorden, met lokkende liefde tot de Zaligmaker. Zaai het met uw leven. En zaai het met stille gebeden. En onderschat, lieve mensen, ondertussen de kracht niet van dat mosterdzaad. Er ligt hartbrekende, hartoverwinnende, hartverwarmende, hartvernieuwende, ja, wereldoverwinnende kracht in het Woord van God.

Het mosterdzaad moet gezaaid worden. En u mag het, ouders van gedoopte kinderen, zaaien met heel veel hoop en verwachting. Vanwege Gods belofte. Daar hoeft u niet aan te twijfelen.

God heeft Zijn handtekening gezet op de hoofden van uw gedoopte kinderen. Hij heeft het met een eed bevestigd: Dit is, dit zijn Mijn kinderen. En Ik ben bereid en machtig hen te wassen van al hun zonden en op te wekken uit hun geestelijke dood.

En als u dat zaad (ik zeg dat in het bijzonder tegen u, ouders van inmiddels grotere kinderen), als u dat zaad niet ziet opkomen, wanhoop dan niet. Want er is één ding waarop u mag blijven hopen. Niet op uw eigen hand die gezaaid heeft, niet op de vrucht van uw goede opvoeding, op hoe goed u uw best hebt gedaan of op wat dan ook van uzelf. U mag blijven hopen op de kracht van het gezaaide mosterdzaad.

Maar ondertussen moet u wel bedenken: wat gezaaid is, heeft tijd nodig. Voordat dat kleine klompje zuurdeeg die twintig liter meel doortrokken had, dat kostte tijd. Voordat dat mosterdzaadje ontkiemde en opkwam en gezien werd, dat kostte tijd. Maar dat hoeft u niet te verontrusten. Als u voor uzelf maar weet, dat u (in alle gebrek) het Woord gezaaid hebt. Misschien heeft het ook wel heel lang geduurd, voordat het mosterdzaad opkwam in uw eigen hart. Misschien komt het mosterdzaad van het Woord dat u gezaaid hebt bij uw kind of kinderen pas na jaren op. Misschien komt hun berouw pas na ons sterven.

Maar (ja, ik weet als ouder, hoe dat voelt), we kunnen bezorgd zijn. We kunnen bang zijn vanwege onze onbekeerde kinderen. Soms moedeloos. Zal het ooit wel goed komen? Zullen we ooit wel samen als gezin voor God staan, met vreugde op onze wangen en met de heerlijke belijdenis op onze lippen: hier, Heere, wij en de kinderen die u ons gegeven hebt (Jesaja 8:18). U, Heere, U hebt Uw belofte vervuld. Uw Woord is trouw volbracht.

Maar toch, bezorgde ouders, biddende ouders, diep in ons hart hoeven wij niet hopeloos te zijn. Want we weten (dat staat hier) dat het zaaien van mosterdzaad, een zaaien is in de weg van begraven. Je legt het zaad, uit je hand, in de grond. En dan is het weg. Begraven doe je met tranen… Je zou het iedere dag wel willen bekijken, maar nee, je zou zo snel, als het zaad zou opkomen, denken of zeggen dat je er zelf ook de hand in had gehad. Hoop nu maar op God. Geloof nu maar, dat het zaad van het Woord, naar Gods eeuwige Raad leidt tot de weg van het Koninkrijk. Want, zo zegt de profeet Jesaja: Want gelijk de regen en de sneeuw van de hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve de zaaier, en brood de eter, alzo zal Mijn woord (zegt God), dat uit Mijn mond uitgaat (dat mosterdzaad), ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zend (Jesaja 55:10-11).

We moeten biddend wachten, ouders. Ook al zien we nog geen vrucht op het gestrooide zaad. Ook al zijn onze kinderen ver weg. God kan ze overal bereiken. Een gelovige moeder heeft nooit tevergeefs gebeden. Houd aan in het gebed. God zal niet één van Zijn woorden op de aarde laten vallen. Ook oudertranen worden eens gedroogd. Want God zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken.

Amen.

Slotzang Psalm 105:5:

God zal Zijn waarheid nimmer krenken, Maar eeuwig Zijn verbond gedenken. Zijn woord wordt altoos trouw volbracht, Tot in het duizendste geslacht. 't Verbond met Abraham, Zijn vrind, Bevestigt Hij van kind tot kind.