PREEK · VRIJE STOFFEN

Gelijkenis van het net, het visnet – Mattheüs 13

28 juli 2024

Mattheüs 13:47-48: Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt; Hetwelk, wanneer het vol geworden is, de vissers aan den oever optrekken, en nederzittende lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg.

INLEIDING

Bij het strand, waar vissers geduldig hun net optrekken en de vangst sorteren, spreekt de Heere Jezus in Mattheüs 13:47-50 een gelijkenis vol ernst: “Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt.” Deze leespreek volgt de lijn van mensenwerk, Gods werk en engelenwerk, en roept op tot zelfonderzoek voor de grote scheiding aanbreekt tussen wat bewaard en wat weggeworpen wordt.

THEMA

De waarschuwende gelijkenis van het visnet

KERNPUNTEN

  1. Mensenwerk
  2. Gods werk
  3. Engelenwerk

MATTHEÜS 13:47-53

47 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt;
48 Hetwelk, wanneer het vol geworden is, de vissers aan den oever optrekken, en nederzittende lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg.
49 Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden,
50 En zullen dezelve in den vurigen oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.
51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja Heere.
52 En Hij zeide tot hen: Daarom, een iegelijk schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijn schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.
53 En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok Hij vandaar.

VOLLEDIGE TEKST

Gelijkenis van het net, het visnet – Mattheüs 13

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 13:47-48

THEMA

De waarschuwende gelijkenis van het visnet

Gemeente, toen ik een keer in Indonesië was, op één van de eilanden, zag ik op een gegeven moment op het strand bij de zee een groepje jonge mannen. En een heel eind verderop stond nog zo’n groepje. Ze waren zo te zien druk bezig. Ik dacht bij mezelf: wat zijn die toch aan het doen? Toen ik beter keek, bleek dat ze heel hard aan het trekken waren. Ze trokken heel hard aan twee hele lange touwen, die heel ver de zee in liepen. Verder was er niets te zien. Hoewel, in de verte lag een klein vissersbootje. En toen ik goed keek, zag ik ook gekleurde stippen in het water, een soort drijvende bollen.

Ik wilde er het mijne van weten, en dus dacht ik: ik blijf kijken. Eindeloos leek het te duren. Bij iedere golf die aan land spoelde, trokken de mannen met vereende krachten, en… weer haalden ze een stukje van die twee touwen binnen. En daarbij, bij een van die groepjes, liep een klein jongetje. Hij was te klein om mee te helpen. Hij liep heerlijk te spelen met een hele grote bak, met een soort van mand.

Eindelijk, maar het was ondertussen wel een half uur later, kon je zien wat ze aan het doen waren. Aan die touwen zat een heel groot en een heel lang net, een net dat ze bezig waren binnen te trekken. Een visser, de man op het bootje in de verte, had dat hele lange net uitgezet. Dat net had de vorm van een soort scherm, een heel langgerekt scherm, dat in het water gehangen was. Aan de bovenkant ervan zaten drijvers, dat waren die gekleurde bollen die ik zag, en aan de onderkant zaten gewichten waardoor het net naar beneden zonk, tot op de bodem van de zee. De touwen aan de uiteinden van het net had de visser naar de kant gebracht of daar gelaten toen hij de zee op ging. En nu trokken de mannen die op het strand stonden (overigens met steeds meer enthousiasme) langzaam dat grote net naar de kant.

Eindelijk, misschien wel een uur later (de mannen op de kant liepen steeds verder het water in), kwam het net in beeld. Het was (zoals ik zei) een heel lang scherm, dat nu in de vorm van een halve cirkel, aan de twee uiteinden naar binnen gesleept werd, met hopelijk daar binnen (in die halve cirkel) alle vis die gevangen zou worden. Als men het scherm eerder zou ophalen, dan zou de vis natuurlijk ontsnappen. Dus moesten we allemaal tot op het laatst geduldig zijn. Dan pas zou de vangst blijken. Het laatste deel van het net was een soort van grote zak, waar uiteindelijk alle vissen in terechtkwamen. En toen eindelijk was alles aan land gesleept…

Ondertussen was de visser zelf nog bezig in zijn bootje. Iemand anders, die had meehelpen trekken aan het net, pakte vakkundig het net beet. En daarna pakte hij één voor één de vissen eruit. Er zaten allerlei soorten van vissen in het net: grote vissen, kleine vissen, ook hele kleintjes. Hij pakte ze één voor één beet, bekeek ze, en ja toen ging het twee kanten op. Een deel van de vissen, die blijkbaar niet goed waren, gooide hij gewoon op de kant, op het zand van het strand. Die waren gewoon voor de vogels, of gewoon voor niemand: waardeloos, weg ermee… De andere vissen, die blijkbaar goed waren, deed hij in de bak, in die mand, waar dat kleine jongetje mee liep. Trouwens niet alleen grote vissen, maar ook hele kleintjes. En toen was het klaar…

Dat is wat we ook zien gebeuren in de gelijkenis die we samen gelezen hebben uit Mattheüs 13. De tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Mattheüs 13, daarvan de verzen 47 tot en met 50. Mattheüs 13:47-50, waar we Gods Woord en onze tekst als volgt lezen: Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk aan een net, geworpen in de zee, en dat allerlei soorten van vissen samenbrengt, hetwelk, wanneer het vol geworden is, de vissers aan de oever optrekken, en nederzittende, lezen het goede uit in hun vaten, maar het kwade werpen zij weg. Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen. De engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden. En zullen dezelve in den vurige oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: De waarschuwende gelijkenis van het visnet

We letten samen op drie aandachtspunten: op mensenwerk, op Gods werk en op engelenwerk. Dus: De waarschuwende gelijkenis van het visnet. 1. Mensenwerk 2. Gods werk 3. Engelenwerk Als eerste dus:

1. Mensenwerk

Aanvankelijk zat de Heere Jezus, toen Hij de gelijkenissen in Mattheüs 13 vertelde, aan de oever van de zee van Tiberias (ook wel het meer van Galilea genoemd), maar ondertussen zit Hij samen met Zijn discipelen binnen in een huis (vers 1, 2, 36). Maar het beeld staat hen natuurlijk allemaal wel voor ogen. Immers, meerderen van deze mannen zijn vroeger zelf visser geweest. En dit beeld kennen ze allemaal: dat prachtige beeld van vissen op het meer van Galilea. Dat beeld van die onbeweeglijke waterspiegel, van de nevel van de ochtendschemering, van de bergen eromheen, en… natuurlijk, van die daar, ver uit de kant dobberende vissersbootjes, vanwaar vissers hun netten uitzetten.

Er zijn trouwens niet veel plaatsen aan de oever van het meer van Galilea waar strand is, maar vooral wel en juist bij de stad Kapernaüm. Zij, de discipelen, weten meer dan wie dan ook, hoe het er bij het vissen op het meer van Galilea aan toegaat. Meestal visten ze ‘s nachts, totdat de morgen begon te schemeren. Zeker, je kon met allerlei verschillende soorten van netten vissen, maar dit net, waar deze gelijkenis over gaat, kennen zij natuurlijk ook. Zo’n, laat ik het noemen ‘schermnet’, zo langgerekt net, dat je uiteindelijk als een halve cirkel met vereende krachten het strand optrok, waarna het sorteren van de vissen kon beginnen: de goede werden bewaard, de verkeerde, de onreine, de nutteloze, de waardeloze vissen werden weggegooid.

En nu zitten zij hier. Want de Heere heeft hen in het verleden geroepen om vissers van mensen te worden, toen Hij zei: Van nu aan zult u mensen vangen (Lukas 5:10). Hoe dan? Hoe kunnen zij, hoe kunnen wij (dienaars van het Woord, predikanten, ambtsdragers), hoe kunnen wij mensen vangen?

Wat deden zij? Wat doen wij? Eigenlijk iets heel eenvoudigs. Hoewel het soms wel zwaar werk is, want de zee is niet altijd zo vriendelijk als dat ik zo-even schetste. Maar het werk zelf is heel eenvoudig: wij laten het net zakken.

Dat is het enige werk dat boven water, vanuit het vissersbootje gebeurt. En dat berooft als het goed is iedere visser in Gods Koninkrijk van alle overmaat aan eigenwaarde. Alle vissers hebben hetzelfde net. En in stilte doen zij zwijgend hun werk. Dit werk: het net overboord zetten. En meer niet. Alle drukte en lawaai wordt vermeden. Want vissen zijn schuw. Mensen worden niet toegebracht met geweld of met menselijk vernuft. Wij doen uiteindelijk, als dienaars van het Woord, als ambtsdragers, maar één ding. En de rest is bijzaak. Wij zetten het net overboord.

De één denkt dat hij slim is, de ander denkt dat hij handig is, een derde denkt weer iets anders (hij denkt misschien met zorg aan zijn gebreken, of met verwachting aan zijn eigen talenten), maar het doet er allemaal niet toe. Het gaat maar om één ding, namelijk dat we dat kleurloze, grijze net overboord zetten. Want als we zwak zijn, dan zijn we machtig, ook in de prediking van het Woord, ook in de ambtelijke dienst. Het gaat niet om beweeglijke woorden van menselijke wijsheid (1 Korinthe 2:4). Want niet onze talenten, niet onze inspanning brengt de vissen binnen, dat doet het net! En als het goed is, brengt dat tot zelfverloochening en heel veel ootmoed. Die buurman visser, een eindje verderop, zijn bootje is misschien wel mooier, mijn bootje is misschien wel lelijk, het begint te roesten, het begint te rotten, maar: de vangst is niet uit mij. Het net zal de vissen vangen en dat is… (onze tweede gedachte)

2. Gods werk

Wij dobberen niet in ons vissersbootje op de wereldzee, op de volkerenzee met geraffineerd vangtuig, met heel veel menselijk vernuft, maar (zoals dat al eeuwen geweest

is) met niets dan het slappe vangnet van het Evangelie als wapen. Om uw zielen, gemeente, te vangen als een levende buit. In het vertrouwen, dat wij, zodra wij het net losgelaten hebben, zodra wij het Woord hebben gebracht, de Heere het werk van ons overneemt, om er in het verborgen Zijn werk mee te doen.

Dus je vergist je schromelijk, als je denkt dat de vrucht van de prediking afhangt van de persoon van de visser. Loop dus nooit, gemeente, een dominee achterna. Aanbid geen mens. Want de vangst hangt af van het net, van het Woord van het Evangelie. De vangst hangt uiteindelijk af van wat God naar Zijn raad in het verborgen wil doen met Zijn Eigen Woord.

Het echte werk gebeurt buiten het zicht van de visser. Die ziet niet wat er onder water gebeurt. Hij is zelfs niet in staat om de vangst te bevorderen. Wij denken dat misschien wel vaak, maar zo is dat niet. De visser kan de vissen niet in het net jagen. Niets in ons spreken heeft ooit één vis in het net gejaagd. Je kan als visser hooguit de vissen verjagen. Bijvoorbeeld door jezelf te laten zien. Daar schrikken vissen van. Of door lawaai te maken of door vroegtijdig het net op te halen om te kijken of er wat in zit, waardoor je de vissen weer kwijtraakt. Onder het wateroppervlak vangt het net de vis.

En nu zou ik kunnen proberen te vertellen, wat er allemaal gebeurt als een vis gevangen wordt in het net van het Evangelie. Dat is verleidelijk. Wat gebeurt er als een mens gevangen wordt door het visnet van het Woord? Nee, dat is geen onterechte vraag, maar dat is hier in deze gelijkenis eigenlijk niet aan de orde. De nadruk ligt hier in deze gelijkenis niet op het bijzondere werk van God, in bekering of bijzondere roeping, en op hoe dat toegaat als God werkt, maar de nadruk ligt op het feit dat er allerlei soorten van vissen in dat ene net komen: goede en kwade vissen. Goede vissen en slechte vissen, reine en onreine vissen, kwaden en rechtvaardigen, ze zitten allemaal ingesloten binnen die ene gesloten cirkel van de verkondiging van het Woord.

Verschillende mensen komen er onder het Woord, verschillende mensen zijn hier iedere zondag in de dienst van het Woord. En dat Woord keert niet ledig terug tot God. Het doet iets, het doet wat God behaagt (Jesaja 55:11), in het verborgen, waardoor er, bij alle verschillen die er zijn, uiteindelijk twee groepen mensen te onderscheiden zijn.

Voor de één is de verkondiging van het Woord een reuk des levens ten leven. Als het woord van de Wet het hart verbreekt, verslagen maakt in het hart en brengt aan de voeten van de Heere, in overtuiging van zonde en schuld. En als het woord van het Evangelie heenwijst, doet uitzien en verlangen naar de Zaligmaker, en uiteindelijk brengt aan de voeten van Hem, die gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was. Dat geldt voor de één.

Maar datzelfde Woord is voor een ander een reuk des doods ten dode. Als we ons blijvend verzetten tegen het Woord, of als de zorgvuldigheden van het leven het Woord

verstikken, of omdat we de duisternis van de zonde liever hebben dan het licht van het Evangelie, of omdat we ons van onszelf zo goed voelen, dat we de boodschap voor slechte mensen langs ons heen laten gaan (2 Korinthe 2:16).

Er loopt dwars door de gemeente van [uw woonplaats] een onzichtbare scheidslijn. Er zijn mondbelijders. Mensen die de weg weten. Mensen die de weg zo graag horen. Mensen die daar zelf ook zo goed over kunnen vertellen met hun mond. Mensen tegelijkertijd, die zichzelf altijd weer verontschuldigen, dat ze zelf niet op de weg zijn. Zij zullen uiteindelijk met vele slagen geslagen worden (Lukas 12:47). En er zijn hartelijke belijders, die God Zelf op de weg des levens heeft gebracht. Terwijl ze in hun hart nog zo vaak worstelen met de vraag: ‘Heere, zit het nu wel goed? Ben ik wel op de goede weg of ben ik op een schadelijke, op een verkeerde weg?’

En al die vissen worden gevangen in datzelfde net van het Evangelie: een net vol, een kerk vol. Van nature allemaal precies hetzelfde, allemaal zondaars, door onze diepe val in het paradijs verloren voor God. Maar door de goedheid van de Heere toch niet losgelaten, maar gebracht onder de ernstige en welgemeende verkondiging van het Evangelie, waarin de Heere ons toeroept: Kom toch tot Mij! Bekeer u, want waarom zou u sterven en verloren gaan? Bidt en u zult ontvangen, zoekt en u zult vinden, klopt en u zal worden opengedaan (Ezech. 33:11, Matth. 7:11). Allen worden genodigd, oprecht en welgemeend. En van die allen zijn sommigen door vrije genade gebracht tot de verzoening die in Christus is. Maar anderen zwemmen alleen uiterlijk mee, want innerlijk is hun hart nog altijd los gebleven van de waarheid van het Woord. Zeker, ze stemmen ermee in, ze vechten ervoor, maar ze hebben er nooit voor gebogen.

Hoe is dat eigenlijk met u, beste vrienden? Hebt u ooit gebogen voor het Woord? Hebt u ooit gebogen voor het veroordelende woord van de Wet? Van harte beleden en erkend: ‘ik ben verloren, ik ben een schuldenaar met een hemelhoge schuld, omdat ik God op het hoogst heb misdaan?’ Hebt u ooit gebogen voor het hemelse vredewoord van het Evangelie? Waartegen van nature zoveel vijandschap leeft in ons hart? Tegen dit woord: niet door uw werken, niet door de offers die u brengt en niet door de tranen die u plengt, niet door de werken der wet. Want er is alleen behoud en verzoening met God mogelijk buiten u en zonder u, door vrije en onverdiende genade voor een doodschuldig, verloren en verdoemelijk mens?

Tot nog toe zwemt u samen met ons in één net, in het net dat uitgeworpen is in de prediking van het Evangelie. Wij kunnen het onze van iemand denken, maar wij hebben ten diepste geen ogen om het binnenste van de mens te zien en te beoordelen. Dus laten we de verkeerde vissen niet wegzwemmen, door nu al het net omhoog te trekken. We laten het onkruid staan, om de tarwe niet te beschadigen (Mattheüs 13:30). Dat is voor straks, dat is werk voor anderen.

Het enige wat ons te doen staat in deze tijd, broeders ambtsdragers, is om zonder onderscheid, in alle eenvoud, steeds weer het net overboord te zetten. Daar hoef je niet hooggeschoold voor te zijn, dat deden en doen eenvoudige vissers van mensen. Want: het net doet het werk, en niet wij. Het Woord doet het werk. En dat is Gods werk.

Laten we daar samen eerst van zingen uit Psalm 34. We zingen samen Psalm 34:6: Komt, kinderen, hoort naar mij; Neem mijn' getrouwen raad in acht; Ik leer, opdat g' uw plicht betracht, Wat 's HEEREN vreze zij. Hebt gij in 't leven lust, In dagen, waar men 't goed' in ziet, Waarin men vrij is van verdriet, Waar niets ons heil ontrust?

In de prediking van het Evangelie zetten wij het net overboord, als vissers van mensen, om vissen, om mensen te vangen. Meer doen we niet. Sterker nog: zelfs dat staat er niet. Het staat er heel onpersoonlijk: het net is geworpen in de zee. Want het gaat niet om ons, het gaat niet om de vissers, het gaat niet om ambtsdragers, maar het gaat om Gods verborgen werk. En dat gebeurt in de diepte van de zee.

Maar, gemeente, toch ligt daar (bij dat verborgen werk van God) niet de spits van deze gelijkenis. En dus zal ik die er ook niet aan toevoegen. De kern van deze gelijkenis is: goed en kwaad komt in één net. In één net komt het reine en het onreine. Hier op aarde is er vereniging, hier is nog iedereen bij elkaar. Maar (en daar gaat het om in deze gelijkenis): straks komt er scheiding. Zoals in de gelijkenis van het onkruid en de tarwe. Onkruid en tarwe groeien samen op tot de oogst. En dan, niet eerder, wordt het gescheiden. Dan komt de tarwe in de schuur en wordt het onkruid met onuitblusselijk vuur verbrand (Mattheüs 3:12). Zo is het hier ook in deze gelijkenis. Het brengt me bij de derde gedachte:

3. Engelenwerk

Ik vertelde het al eerder, aan het begin van de preek: de visser op zee, in zijn vissersbootje, is niet degene die het net op de oever trekt. We lezen in vers 49: Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen (en nu komt de betekenis van de gelijkenis): de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden. In de voleinding, in de voltooiing van de eeuwen, op het strand van de eeuwigheid vindt de grote scheiding plaats.

Nu zijn, in de gemeente, de bozen en onbekeerden enerzijds, en de rechtvaardigen, de bekeerden anderzijds gemengd. De bozen, de verkeerden, de onreinen, de onbekeerden zwemmen binnen het net, binnen de kerk tussen de rechtvaardigen. Ze zingen even hard mee, misschien nog wel harder dan anderen, want… de woorden die ze zingen, raken hen niet. Ze luisteren geïnteresseerd naar de preek, misschien nog wel veel meer dan anderen gespitst op de details ervan, want… de woorden raken hun hart niet. Ze vouwen net als anderen eerbiedig hun handen. En ze verwachten misschien wel zalig te zullen worden.

Nu leven de bozen in het midden van de rechtvaardigen. Maar dan, zo zegt deze gelijkenis in vers 49, zullen ze uit het midden van de rechtvaardigen afgescheiden worden. Zoals vroeger op het strand van het meer van Galilea de onreine vissen (zonder vinnen en zonder schubben) gescheiden werden van de reine vissen: in de mand, bewaard in de ton, of… als waardeloos weggegooid. Dezen, één voor één door engelenhanden gedragen in eeuwige heerlijkheid. Anderen, één voor één door engelenhanden gegrepen. Nooit misgegrepen. Gegrepen met ijzeren greep, en hoe zij ook wringen of gillen van bittere wanhoop, ze worden geworpen in de vurige oven.

Nu nog, beste vrienden, zitten we samen in één kerk. We zingen samen, we bidden samen, we zitten samen zondag aan zondag onder het Woord. En het is ons als ambtsdragers tot vreugde en blijdschap. Want vissers vissen met hoop en verwachting. Maar straks zullen we worden gescheiden, in twee groepen. En die scheiding zal als een scherpe lijn dwars door de gemeente, door families, door huwelijken en gezinnen lopen. Denkt u maar aan dat andere woord van de Heere Jezus uit Mattheüs 25: En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op de troon Zijner heerlijkheid. En voor Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij (God Zelf) zal ze van elkander scheiden (engelenhanden zijn dus uitvoerders van Gods handen), gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten, maar de bokken tot Zijn linkerhand (25:31-33).

Mensen aan de rechterkant, ‘komt, gij gezegenden Mijns Vaders! beërft dat Koninkrijk, hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld’ (25:34). Mensen aan de linkerkant, ‘gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is’ (25:41). O, eeuwige, onherroepelijke scheiding. Een scheiding die ook onder ons zal plaatsvinden.

Kom, tot uw waarschuwing (en de Heere stelle het tot uw eeuwige behoud), wend uw blik niet af, maar kijk met mij vooruit naar de komende dag der eeuwigheid, naar het strand op de oever van de zee: Het goede lezen zij uit (sorteren zij) in hun vaten… U zegt: ‘ik ben goed’. Nee! Dat u dat zegt, is juist een teken van het kwade! Het kwade, het zichzelf bedrogen hebbende kerkmens denkt en zegt, misschien wel tot het laatste toe: ‘ik ben goed, ik ben beter, want ik heb mijn eigen gerechtigheid’. Maar, wees gewaarschuwd, die zal u niet redden van weggeworpen te worden op het strand van de eeuwigheid! Het kwade, dat dacht goed te zijn, zal weggeworpen worden!

Wie zijn dan de goeden? Dat zijn zij, die als slechte en verloren mensen gevonden en opgeraapt zijn door een goede Heere en Meester. En die door Hem, door Gods werk veranderd zijn van hart en leven. Mensen die blijvend leerden zeggen: ‘ik ben slecht, ik ben van mijzelf een ellendig mens, maar, ik dank God, want ik vond het leven buiten mezelf in Hem!’ (zie Rom. 7:24-25)

Hebben die ‘goede vissen’ iets om zichzelf op te beroemen? Waren ze van zichzelf beter? Nee. Zij kunnen alleen maar zeggen, en zij zullen het zingen: Het is door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen! (Psalm 89:8, ber.)

Alleen als je een nieuw hart hebt, jongens en meisjes, ouderen, alleen dan komt het goed. Zonder nieuw leven, zonder wedergeboorte, zonder persoonlijke kennis aan de genade van de Heere Jezus Christus komt u voor eeuwig om. Want de engelen werpen het kwade weg… Weggeworpen door God, weggeworpen van God… O, wat is dat toch een verschrikkelijk einde voor een kerkmens: weggeworpen! Door de engelen, door God, voor eeuwig bij

God vandaan. Je zou wensen, dat je nooit in het net van het Evangelie terechtgekomen was. Je zou wensen dat je nooit één voetstap over de drempel van deze kerk had gezet.

Troost u toch niet met de gedachte aan een gematigde afloop, omdat u netjes in het net gezwommen hebt. De kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis (Mattheüs 8:12), in, zo staat het hier in vers 50, de vurige oven.

Hoe zult u toch bestaan, geliefde vrienden, als de hand van Gods wraak op u rusten zal? Omdat u altijd de weg geweten hebt, omdat u altijd liefdevol gelokt en genodigd bent tot de verzoening door het bloed van Christus, maar vijandig en weigerachtig de dood gekozen hebt boven het leven, omdat u de duisternis liever had dan het licht? Onbekeerde vrienden, u gaat een ellendige en rampzalige toekomst tegemoet! U hebt het zelf gezongen uit Psalm 49: Een wis verderf is u ten lot beschoren (Psalm 49:7, ber.).

Waarom zeg ik dat? Om u wakker te schudden! Want nu is het nog de welaangename tijd, de dag der zaligheid (2 Korinthe 6:2). Leef toch niet, netjes binnen de grenzen van de kerk, alsof er straks geen hemel of hel aanstaande is! Zonder Christus zult u voor eeuwig omkomen. In de plaats, zegt de Heere Jezus (in vers 50) waar wening zal zijn en knersing van tanden.

Weggeworpen dus, in de plaats waar wening zal zijn, dat wil zeggen: waar gehuild wordt, van verdriet, van pijn, van spijt en berouw… Had ik het woord van het Evangelie maar nooit gehoord… Had ik, toen ik dat Woord hoorde in de kerk aan de [adres] maar geluisterd… Had ik de tijden van onrust in mijn ziel maar niet voorbij laten gaan… Had ik maar niet zo gejaagd naar de dingen van deze wereld… Velen van u, mijn lieve vrienden, zijn op weg naar dit hartverscheurende einde. Waarom? Omdat u willens en wetens doorgaat. Nu houdt u geschrokken uw adem in, maar morgen (God verhoede dat) gaat u weer door… O bedenk toch, tot uw eeuwige heil, dat u voordat het morgen is, al weggeworpen kunt zijn op het strand van de eeuwigheid. Daar waar wening is en (zo staat in vers 50) knersing van tanden. Tanden knersend van machteloze woede, tegen anderen, die u verleid hebben, die u niet gewaarschuwd hebben, tegen uzelf. Tanden knersend van machteloze woede tegen uzelf en anderen, maar vooral tegen God en Christus.

Wilt u zo eindigen? Ga dan door, zoals tot op de dag van vandaag... Nee, doe het niet. Ik bid u: Doe het niet! Als uw ziel u lief is, maak dan toch grote haast met het werk van uw zaligheid.

Hier in dit leven ben je als visser niet blij, als je kijkend vanuit je vissersbootje ziet, hoe een deel van de vangst weggegooid wordt als onrein, nutteloos of waardeloos. Was (zo denken wij) iedere vis maar goede vangst… De gedachte dat velen van u straks weggeworpen zullen worden, doet ons groot verdriet. En daarom, uit liefde en zorg, waarschuw ik u ernstig, onbekeerde vrienden onder ons:

Ga niet door! Straks is er geen plaats van berouw meer, hoewel u die met tranen zoeken zult (Hebreeën 12:7). Heden, zo u Gods stem hoort, verhardt u niet, maar laat u leiden (Psalm 95:7-8).

Denk niet dat uw lidmaatschap van de Gereformeerde Gemeenten u zal redden van de ondergang. Het zal uw straf slechts verzwaren. Want zo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zouden zich bekeerd hebben (Mattheüs 11:21). O gerusten in Sion, zekeren op de berg van Samaria, wordt toch wakker. Sta op en roep tot uw God (Amos 6:1, Jona 1:6).

En Jezus zei tot hen: Hebt gij dit alles verstaan? Zij zeiden tot Hem: Ja, Heere! (51) Gemeente, hebt u dit verstaan? Hebt u dit toegepast op uzelf? Zodanig dat u van nu af aan niet meer tevreden zult zijn met uiterlijk geloof alleen, met uw lidmaatschap van de kerk alleen? Zodanig dat u van nu af aan ernstig en ijverig de Heere zult zoeken? U zegt: ‘dat is Gods werk. Dat kan een mens van zichzelf niet’. Ik zeg u dat velen, duizenden, met die verstomde woorden op de lippen weggeworpen zijn en zullen worden. O, stop toch, om uws levens wil met dit soort van goddeloosheid, waarmee u zich, met al uw slechtheid en vijandschap, probeert te verbergen achter Gods raad. Haast u en spoed u om uws levens wil!

Hebt u dit, medebroeders ambtsdragers (want de Heere zei dit vooral tegen Zijn discipelen), hebben wij dit verstaan? Wat? Dit: Eenvoudig het net uitwerpen, meer niet. Niet denken dat wij vissen vangen, want dat is Gods werk. En niet vroegtijdig het net binnenhalen, want dat is engelenwerk. Maar ondertussen getrouw en ijverig een ieder waarschuwen voor zijn verderf, in alle eenvoud, in het perspectief van deze dreiging, in het perspectief van dit komende Godsgericht. Dat is het eenvoudige visserswerk dat ons opgedragen is, meer niet. Nog eenmaal, gemeente, roep ik u het beeld voor ogen, het beeld van dit grote gericht op het strand, op de oever van de eeuwigheid, nu met woorden uit Mattheüs 8. U zult deze woorden nooit vergeten. Al denkt u er nu, na uw naar huis gaan, niet meer aan, dan, in die dag zult u er toch weer aan terugdenken. Aan deze woorden: Doch Ik zeg u, dat velen zullen komen van oosten en westen en zullen met Abraham, en Izak, en Jakob, aanzitten in het Koninkrijk der hemelen; En de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal wening zijn, en knersing der tanden (Matth. 8:11).

Want: Alzo zal het in de voleinding der eeuwen wezen; de engelen zullen uitgaan, en de bozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden, en zullen dezelve in de vurige oven werpen; daar zal zijn wening en knersing der tanden.

De Heere Zelf zegene dit Woord, tot Zijn eer en tot bijtijdse redding van uw zielen.

Amen.

Slotzang: Psalm 9:8