3 augustus 2014
1 Samuel 12:5: Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij een Getuige tegen ulieden en Zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijn hand niets gevonden hebt. En het volk zeide: Hij zij Getuige.
INLEIDING
Laatste preek over 1 Samuel. Het hoogtepunt van Saul en het afscheid van de profeet.
Alleen audiopreek.
Het hoogtepunt van het koningschap van Saul - Afscheid van Samuel
1 SAMUEL 12:1-5
1 Toen zeide Samuël tot gans Israël: Zie, ik heb naar ulieder stem gehoord in alles wat gij mij gezegd hebt, en ik heb een koning over u gezet.
2 En nu, zie, daar trekt de koning voor uw aangezicht heen, en ik ben oud en grijs geworden, en zie, mijn zonen zijn bij ulieden; en ik heb voor uw aangezicht gewandeld van mijn jeugd af tot dezen dag toe.
3 Zie, hier ben ik; betuigt tegen mij voor den HEERE en voor Zijn gezalfde, wiens os ik genomen heb en wiens ezel ik genomen heb en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijn ogen van hem zou verborgen hebben; zo zal ik het ulieden wedergeven.
4 Toen zeiden zij: Gij hebt ons niet verongelijkt en gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand iets genomen.
5 Toen zeide hij tot hen: De HEERE zij een Getuige tegen ulieden en Zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijn hand niets gevonden hebt. En het volk zeide: Hij zij Getuige.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Samuel 12:5
THEMA
Het hoogtepunt van het koningschap van Saul - Afscheid van Samuel
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, na alles wat er gebeurd is in de voorgaande hoofdstukken, ademt 1 Samuël 11 een sfeer van hoop. 1 Samuël 11 beschrijft eigenlijk het hoogtepunt van het koningschap van Saul. Wij weten, en er waren er ook vast in Israël die het wisten, dat Israël geen koning kreeg in de gunst van de Heere. Maar toch, de Heere heeft Zijn volk Israël niet losgelaten, niet in de steek gelaten. Het was en bleef Zijn volk. Dat blijkt heel duidelijk in het Schriftgedeelte dat wij samen overdenken, 1 Samuël 11, waarbij we doorlezen (zoals voorgelezen is) tot hoofdstuk 12:5.
Het thema voor de preek is: Het hoogtepunt van het koningschap van Saul. En we letten op drie aandachtspunten. 1. De haat van de vijand (dat ziet u in vers 1 en 2) 2. Het werk van de Geest (dat ziet u in vers 3-11) 3. De verlossing door de koning (dat ziet u in vers 12 - 15) 4. Het afscheid van de profeet (dat ziet u in vers 1-5 van hoofdstuk 12) Dus: het hoogtepunt van het koningschap van Saul. De haat van de vijand, het werk van de Geest, de verlossing door de koning en het afscheid van de profeet. Als eerste dus:
Jongens en meisjes, de Ammonieten zijn er weer. Jeftha heeft ze ooit verslagen, maar nu zijn ze weer terug. Dat vijandige volk van de Ammonieten, met koning Nahas als hun koning. Een door en door gemene man. Hij belegert (zo lezen we in vers 1) Jabes in Gilead. Een stad aan de overkant van de Jordaan, ongeveer 35 km ten zuiden van het meer van Galilea.
‘Nahas, laten we vrede maken. Alstublieft, geen oorlog.’ ‘Goed, maar dan onder één voorwaarde. Dat kost jullie allemaal je rechteroog!’ ‘Wat?’ ‘Ja, je rechteroog. Dat steek ik uit. En (vers 2) dat wil ik lekker doen, om een schande op heel Israël te leggen. Niet alleen op Jabes, op jullie, maar op heel jullie volk. Dat wil ik doen om jullie volk en jullie God diep te beledigen.’ Ja, want je voelt direct: hier is de eer van God in het geding.
Je rechteroog uitsteken. Wat moet je nu zonder rechteroog? Ja, behalve dat het geen gezicht is, dat je zo’n gat hebt in je gezicht waar ooit je oog gezeten heeft, maar je ziet ook helemaal niets meer met die kant. En als je wilt vechten, dan zit je linkeroog juist achter je schild, en met je rechter moet je langs je schild heen turen om naar de vijand te kijken. Maar dat kan dan niet meer, want rechts zie je dan niets meer. Kortom: zonder rechteroog ben je weerloos, ben je machteloos.
‘Koning, we vragen zeven dagen uitstel.’ Prima. Nahas vindt het best. Hij heeft eigenlijk wel plezier in zijn wrede spel. Dat merk je. Ze krijgen toch geen hulp. Ze zijn toch machteloos. Heel arrogant zegt hij: goed hoor, ik hoor het wel.
Is dat normaal? Dat een goddeloos mens het volk van God zo gewetenloos onder druk zet? Nee, dat is niet normaal, maar het gebeurt wel. Johannes heeft daarover geschreven in 1 Johannes 3:13Verwondert u niet, mijn broeders, zo u de wereld haat.: verwonder u niet, wees er niet verbaasd over, mijn broeders, als u de wereld haat. Het is haat! En de Heere Jezus heeft het ook gezegd: als de wereld uw haat, weet dan, dat zij Mij eerder dan u gehaat heeft (Johannes 15: 18). En vlak daarvoor zei Hij: u, discipelen, heb Ik vrienden genoemd. En bij die vriendschap, hoort deze haat.
En dat maakt het leven van Gods volk, ook nu nog, het leven van die vrienden, hier op aarde niet altijd gemakkelijk. Maar Calvijn is (net als altijd) heel nuchter, als hij schrijft: als wij die vijanden niet hadden, en als wij door geen moeilijkheden getroffen werden, zouden we niet denken dat we ooit Gods hulp nodig hadden. God staat toe dat de vijand ons verdrukt, anders zouden we niet tot Hem vluchten en Zijn hulp niet inroepen. Gelukkig. Het is dus wel moeilijk, maar het is tot ons nut. En het is met toestemming van God dat de duivel, dat Nahas dit doet. En God heeft het ook allemaal in Zijn eigen hand. Het glipt Hem niet door de vingers. En dat blijkt ook.
Trouwens, even tussendoor, Nahas is ook een beeld van de zonde. Nahas wil de Israëlieten ontwapenen, blind maken, machteloos maken. Dat wil ook de zonde doen in ons leven, en zeker ook in het leven van Gods kinderen. Hen vernederen, beschamen, weerloos en machteloos maken. En dat is reden te meer om het wapen van het gebed in deze strijd niet te verwaarlozen. Ons tweede aandachtspunt:
‘Nahas, graag zeven dagen uitstel. Dan zullen we (staat in vers 3) tot u uitgaan.’ Het klinkt een beetje als een woordspel. Want het is maar de vraag hoe je het opvat. We zullen uitgaan om ons rechteroog aan u uit te leveren, of… we zullen uitgaan om met u te vechten.
Snel sturen de mensen van Jabes boden, boodschappers naar Gibea. Dat is aan de andere kant van de Jordaan, in de stam van Benjamin. Daar woont heel veel familie van de
mensen in Jabes. Vroeger zijn de meisjes van de Jabes namelijk getrouwd met mannen van Benjamin. Als men daar in Benjamin hoort wat er in Jabes gebeurt, dan begint heel het volk te klagen en te jammeren (kijk maar, dat staat in vers 4). Saul hoort het ook. Hij komt (staat in vers 5) van achter de runderen. Hij is bezig geweest op het land. Het is de tijd van de tarweoogst (12:17).
Er zijn geweldige dingen gebeurd in het leven van Saul. Hij is tot koning gezalfd, aangewezen en uitgeroepen als koning. En nu… werkt hij weer op de boerderij van vader Kis. ‘Saul, wil je even de koeien melken, wil je nog even de stal uitmesten? Saul, wil je vandaag de tarwe binnenhalen?’ Het leven is gewoon doorgegaan. De mannen die met hem meegegaan zijn, zijn waarschijnlijk ook ondertussen weer naar huis. Saul wacht…
De geroepen koning moet wachten. Totdat de Heere duidelijk maakt wat hij moet gaan doen. Zoals Mozes 40 jaar lang moest wachten op de boerderij van zijn schoonvader Jethro in Midian. Was dat verloren tijd? Nee, dat was voorbereidingstijd voor zijn toekomstige taak. Zoals Paulus, na zijn bekering en de roeping tot dienaar van het Evangelie, drie jaar moest wachten in de woestijn van Arabië. Zelfs de Heere Jezus was veertig dagen in de woestijn, nadat de Geest op Hem neergedaald was, als voorbereiding op Zijn toekomstige taak. Zo is het nog steeds goed, ook in deze tijd, als de Heere geroepen heeft tot een bijzondere taak, om te wachten op Gods tijd. Terwijl Hij ons ondertussen voorbereidt op onze toekomstige taak.
Maar als Saul de woorden van de mannen van Jabes hoort, dan ineens gebeurt er iets. Er staat in vers 6: toen werd de Geest des Heeren vaardig over Saul. De Heilige Geest komt, komt heel snel over hem. Dat betekent dat ‘vaardig worden’: de Geest valt op hem, stort Zich over hem, grijpt hem aan. En dat maakt dat er in dit hoofdstuk 1 Samuël 11 hoop gloort. We zien in 1 Samuël 11 eigenlijk niet wat Saul doet, maar we zien wat er gebeurt als de Geest van de Heere gaat werken. Als God zelf gaat ingrijpen om Zijn volk uit de nood te verlossen. Daar gaat het eigenlijk over in dit hoofdstuk.
Het gaat over verlossing. Verlossing door God, de Koning van Israël. U ziet dat woordje tot drie keer toe staan in dit hoofdstuk, in vers 3, vers 9 en vers 13. Het gaat in 1 Samuël 11 om verlossing. Verlossing door God, door het werk van de Heilige Geest. Het is die Geest, Die Saul maakt tot koning zoals hij eigenlijk moest zijn. Vol van moed en dapperheid. Nu verstopt hij zich niet achter de bagage, maar nu hij zegt (vers 7): achter mij, mensen, en achter Samuël! Dat laatste is bijzonder. Als de Geest komt, dan ziet Saul dat hij in zichzelf geen kracht heeft. Dan ziet hij dat hij Samuël, dat hij het Woord, dat hij de Heere Zelf nodig heeft.
Hij neemt een paar runderen, een paar stieren, hij slacht ze, en stuurt de stukken vlees van deze beesten door heel Israël met de boodschap: als u niet meedoet met de oorlog, dan zal men straks ook zo met uw dieren, met uw veestapel doen. Toen (vers 7) viel de vreze des Heeren op het volk. En zij gingen uit als een enig man. Weer zien we, dit is niet wat Saul bewerkstelligt, maar dit is wat de Geest van de Heere doet.
De Geest van de Heere geeft Saul moed en dapperheid. De Geest van de Heere maakt het volk gehoorzaam. Waar het vroeger verdeeld was, gaat het nu als één geheel achter de koning aan. 330.000 man! En de Heere maakt duidelijk (kijk maar naar vers 9): morgen zult u de overwinning behalen en de vijand verslaan. En zo gebeurt het ook de volgende morgen. Een goed bewapend leger zal het waarschijnlijk niet geweest zijn. Maar een verrassingsaanval in de vroege morgen (de morgenwake is tussen twee en zes uur ‘s ochtends) brengt het leger van koning Nahas in totale verwarring. Er breekt (vers 11) totale paniek uit. Iedereen vlucht alle kanten op. Er zijn er geen twee die bij elkaar blijven. Totale chaos!
Israël had de Heere als koning verworpen. Maar de Heere laat Zijn volk niet los. Weer redt Hij hen uit gevaar. Het is de Heere, Die verlossing brengt. Dat is vooral de les voor Israël, dat is vooral de les voor ons: verlossing komt niet van een mens, komt niet van Saul, de zelfgekozen koning. Maar verlossing is Gods werk. Verlossing komt van God. Verlossing komt als de Geest van de Heere gaat werken, de Heilige Geest, die onverwachts over Saul kwam. Hebben wij diezelfde Heilige Geest nu, in deze tijd, ook niet nodig? Vooral ook in ons persoonlijk leven? Tot bekering, tot levendmaking van ons hart, tot vernieuwing van ons leven? Maar ook als de haat van de wereld ons treft? En ook voor de verlossing van het gevaar van de zonde in ons leven?
Hoe krijgen we nu, in deze tijd, die Geest van de Heere? De Bijbel wijst ons op twee wegen, op twee middelen, op twee manieren: a. Als eerste lees ik een tekst voor uit Lukas (11: 13): indien dan u, die boos bent, weet uw kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelse Vader de Heiligen Geest geven aan degenen die Hem daarom bidden? Dus: de Heilige Geest ontvangen we door de weg van het gebed. b. En als tweede lees ik een tekst voor uit Galaten (3:2): dit alleen wil ik van u leren: hebt u de Geest ontvangen uit de werken der wet (door eigen inspanning, door eigen prestatie), of uit de prediking des geloofs? Dus: De Geest wordt ontvangen door de weg van de prediking van het Woord. Je ziet trouwens ook de plaats van het Woord hier in deze geschiedenis. Men gaat achter Saul aan, en achter Samuël!
Door de weg van Woord en gebed wil de Heere ook nu nog Zijn Heilige Geest schenken. In het bijzonder aan Zijn eigen volk. Niet door kracht (niet door menselijk vermogen, niet
door ons werk, door onze inspanning en prestatie) en niet door geweld. Dat zou je eigenlijk wel boven dit hoofdstuk kunnen zetten: niet door kracht, noch door geweld, maar door de Geest van God. Als Die werkt, wie zal het dan keren? Wie kan het dan tegenhouden? En… als Die werkt, dan is alle roem van onze kant uitgesloten.
Zo bevestigt de Heere Saul in zijn taak, in zijn ambt als koning van Israël. Hij wacht in stilte op Gods tijd. Hij gaat ondertussen gewoon door met zijn gewone werk. Totdat de Geest van de Heere over hem komt. Niet luisteren naar mensen, je niet in verwarring laten brengen door kinderen Belials, maar wachten op God. Ook u, broeders, die de Heere geroepen heeft tot Zijn dienst, u allen, die geroepen bent tot een bijzondere taak in het koninkrijk van God. Wacht op Gods tijd.
We zien ook hoe de Heere ingrijpt om Zijn volk in tijden van nood, verdrukking en haat te beschermen en te bewaren. Ik zal voor u strijden, u zult stil zijn! Maar we zien vooral, hoe goed het is om ook in ons persoonlijke leven, als het gaat om het zielenheil, niet te vertrouwen op onszelf. Om niet te vertrouwen op eigen keuzes, op eigen werk, op eigen plannen. Het is uiteindelijk allemaal tot mislukken gedoemd. Echte verlossing komt alleen door het werk van de Heilige Geest. Dit hoofdstuk, 1 Samuël 11, gaat niet over Saul, gaat niet over prestaties van een mens, maar over het werk van de Heilige Geest. Echte verlossing in uw eigen leven zult u ook nooit kunnen vinden in een weg van eigen werken, zelf plannen maken, zelf strijd voeren tegen de zonde en tegen de wereld. We hebben de Heilige Geest nodig. Door de weg van Woord en gebed. Zoals ook nu samen gaan zingen uit Psalm 119:9. Doe bij Uw knecht weldadigheid, o HEER, Opdat ik leev', Uw woorden moog' bewaren, En dat Uw Geest mij ware wijsheid leer', Mijn oog verlicht', de nevels op doe klaren; Dat mijne ziel de wonderen zie en eer', Die in Uw wet alom zich openbaren.
Ons derde aandachtspunt:
De slag is geleverd. De overwinning is behaald. De oorlog is gewonnen. Het koningschap van Saul is bewezen. Want de koning heeft verlossing gebracht. Verlossen, verlossing, dat is het kernwoord uit dit hoofdstuk. Verlossen, verlossing brengen, redden, dat is bij uitstek het werk, het recht van de koning, de kern van het koningschap. Daar is de koning voor. Om zijn volk te verlossen, te redden en te bewaren. Zoals bijvoorbeeld ook staat in Psalm 72: Voor Salomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings. Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht. De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid. Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.
Dat is het werk van de koning, vooral van de grote Koning. Als de Heilige Geest werkt: nooddruftigen, mensen in nood, verlossen.
Verlossing is gekomen, en nu (vers 12) zegt het volk tegen Samuël: wie is hij, die zei: zou Saul over ons regeren? Geef hier die mannen, dat wij hen doden! Waar zijn ze, die Belials kinderen, die nietsnutten? Laten we afrekenen met die lui. Laten we ze nu een kopje kleiner maken. Maar Saul, de koning, zei (vers 13): er zal te dezer dagen geen man gedood worden, want de Heere heeft heden een verlossing in Israël gedaan. Hoort u, hoe Saul erkent: dit alles, deze verlossing, is niet mijn werk. Dat is het werk van de Heere, de God van Israël. Jabes, heel Israël is verlost, en daarom mag er niemand gedood worden. Want bij verlossing hoort leven en niet de dood. Hier is ten diepste de naam van Israëls God, van de grote Koning in het geding. En Saul erkent dat. Niet hij, maar de God van Israël heeft verlossing gebracht.
Ineens staan ze tegenover elkaar. Twee partijen. De volgzame Israëlieten, die Saul aanvankelijk gevolgd waren: gehoorzaam en braaf. En nu zeggen ze: het wordt tijd om af te rekenen met die goddeloze mensen, met die Belials kinderen. Zoals later Abisaï zei tegen David. Toen David vluchtte had Simeï hem gevloekt, en met stenen, met stof en rommel naar hem gegooid. Maar, als David terugkomt en Simeï ontmoet, dan zegt Abisaï: moet die man niet gedood worden? Hij heeft toch de gezalfde van de Heere gevloekt? Moeten we niet afrekenen met dat slechte, dat goddeloze mens? Moeten die Belials kinderen niet gedood worden?
Volgzame, brave Israëlieten, en daartegenover: Saul. Maar eigenlijk is het de Heilige Geest die op Saul is. Het is de grote Koning Zelf Die zegt: nee! Mijn vijanden worden niet gedood. Nietsnutten, Belials kinderen, vijanden, deserteurs, vloekers, zou Ik ze doden? Is het niet juist het recht van de Koning om genade te bewijzen aan zulke mensen? Juist aan vijanden?
Dat is de boodschap van dit woord. Dat is de boodschap die door deze tekst heen dringt. Omdat het de Heilige Geest is Die hier werkt en spreekt. Dit is de manier van regeren, niet van koning Saul, maar ten diepste van de grote Koning, van koning Jezus. Zullen we ze doden, die nietsnutten. Zullen we bidden dat er vuur van de hemel neerdaalt? Nee, Petrus, ga achter mij satan! Want Ik ben gekomen om vijanden te sparen, om vijanden te verlossen en met God te verzoenen.
Dat is de goede boodschap, dat is het Evangelie vanuit deze tekst. Voor u, vijanden… Die met recht (door God, niet door mij) nietsnutten genoemd kunnen worden. De grote Koning zoekt niet uw dood, maar uw leven. Dit is de goede boodschap, het Evangelie vanuit deze tekst voor u, brave volgelingen... De grote Koning zoekt niet uw dood, maar uw leven.
Hoe dan? Het is Samuël die het woord neemt en de weg wijst. Kijk maar in vers 14: verder zeide Samuël tot het volk: kom en laat ons naar Gilgal gaan, en het koninkrijk (of beter vertaald: het koningschap) daar vernieuwen. Het lijkt een beetje rare opmerking van Samuël. Dit is het hoogtepunt van koning Saul. Dit is de dag die de Heere gemaakt heeft. De dag van de verlossing van de vijand. Als het ooit duidelijk is dat Saul is aangesteld als koning, dan is het nu! En uitgerekend nu zegt Samuël: laten we het koningschap vernieuwen, laten we het nieuw maken.
Het koningschap, het koning zijn… Van wie eigenlijk? Van Saul? Ja, ook een beetje. Want straks (staat in vers 15) maakt heel het volk hem koning voor het aangezicht van de Heere. Hoe dat precies gegaan is weten we niet, maar nu is het volk een eenheid. Iedereen accepteert hem als de koning. Maar gaat het hier eigenlijk wel om het koningschap van Saul? Gaat het eigenlijk niet veel meer om het koningschap van de Heere Zelf, de Koning van Israël? Dat koningschap wordt vernieuwd.
Hoe? Mensen, kom mee, naar Gilgal! Wat is daar dan? Nou, niks. Geen mooi tempel, geen prachtig gebouw. Daar is niks van de mens. Gilgal is een historische plaats. Een plaats met een geschiedenis. Toen Israël door de Jordaan gegaan is, zijn daar twaalf stenen neergezet. Niet als teken van hun prestatie, maar als teken van de wonderen die God gedaan had. Daar zijn ook de mannen die niet besneden waren in de woestijn alsnog besneden, voordat zij Kanaän binnentrokken. Daar heeft het volk het Pascha gegeten. Gilgal is de plaats waar God hen wilde ontmoeten. Waar ze vroeger voor God gestaan hebben. Gilgal is de plaats waar Saul heen moest om op de Heere te wachten, en waar nu ook het volk heen moet: al het volk (vers 15). Ze moeten voor God komen.
Wanneer? Op het hoogtepunt van het koningschap van Saul. Als de overwinning binnen is, als het volk verlost is. Dan zegt Samuël: kom, Saul, mensen, voor God verschijnen! En ze doen het, allemaal. En daar (vers 15) wordt Saul opnieuw koning gemaakt. Maar dwars door alles wat daar gebeurt heen, schittert vooral het koningschap van de God van Israël. Want ondertussen roken de offers, dankoffers voor Gods aangezicht.
Wat moeten we daar nu van leren? En welke les ligt daarin voor Gods volk nu? Deze. Dwars door hun zonden heen, heeft Israël grote zegen ontvangen. Ze zijn gered en verlost. Dit is een hoogtijdag. Zoals er ook hoogtijdagen kunnen zijn in het leven van Gods kinderen. Dagen waarop we rijk gezegend worden, dagen waarin alle gevaar geweken lijkt te zijn. Dagen van zegen, bijvoorbeeld bij en na de viering van het Heilig Avondmaal. Na het ontvangen van een zegen onder de dienst van het Woord. En we denken: het gaat goed. Er is een tijd van voorspoed aangebroken. Ja, maar pas op! De duivel ligt op de loer. Juist dan.
Dus: naar Gilgal! Je moet altijd weer opnieuw belijden, buigen, bidden, bij het offer. Alleen met een blijvend zicht op het offer mag je je verblijden. Het koningschap van God en het kindschap moeten vernieuwd worden. Door… voor God te komen. Blijvend, biddend, buigend, met zicht op het offer. Daar waar je klein wordt, waar je klein blijft. Daar waar je buigt en aanbidt met het zicht op het offer, daar mag je je hartelijk verblijden. Zoals (vers 15) Saul en al de mannen van Israël zich daar verheugden met grote blijdschap. Maar als je dat los maakt van elkaar, als je je gaat verblijden zonder te buigen, zonder blijvende aanbidding, en zonder blijvend zicht op het offer, dan gaat het fout. Dus: naar Gilgal!
Dus, als we samenvattend nog even terugkijken: verlossing is in de eerste plaats het werk van de Heilige Geest, het is overwinning door God Zelf. Het is geen mensenwerk, en daarom: alle roem is uitgesloten. Verlossing is in de tweede plaats bestemd voor vijanden, voor kinderen Belials. En in de derde plaats: verlossing brengt (als het goed is) terug naar Gilgal, naar de plaats van het offer. Waar de Heere meer en weer koning wordt, en wij meer en weer kind. Hij groter, wij kleiner. Hij meer, wij minder. Ons vierde aandachtspunt:
Samuël gaat met emeritaat, hij gaat met pensioen. En we nemen afscheid van hem. Nauwelijks zijn de offers gebracht of Samuël gaat een toespraak houden. Hij zegt: ik heb naar u geluisterd. U hebt een koning gekregen en nu ben ik oud geworden. Van mijn jeugd af (vers 2) heb ik voor u gewandeld. Ik ben u voorgegaan in het dienen van de Heere. Wat is dat toch een zegen, jongens en meisjes, als je dat zeggen mag en kunt: vanaf dat ik klein was, heb ik de Heere gediend! Zal je de Heere vroeg zoeken? Je zult Hem zeker vinden.
En nu, mensen, nu ben ik oud geworden. Zeg maar tegen me, wat ik tegen u gedaan heb (vers 3). Heb ik iemand bestolen, heb ik iemand onrecht aangedaan, heb ik iemand onderdrukt, heb ik steekpenningen aangenomen? Zegt u het maar.
De ambtsdrager Samuël stelt zich heel kwetsbaar op. En dat (vers 3): voor de Heere! Een voorbeeld voor ons, ambtsdragers, en ook voor u als gemeente. Als u iets tegen iemand van ons hebt, zegt u het maar. Niet tegen een ander, niet met elkaar erover praten, en zeker niet weglopen (dat is het kenmerk van kinderen Belials), maar zegt u het maar: rechtstreeks, en voor de Heere. En wij beloven dat we eerlijk zullen luisteren naar wat u zegt. Zegt u het maar, als we oneerlijk zijn, als we partijdig zijn, als we on-Bijbels zijn, als we aan vriendjespolitiek doen, als we geld aannemen.
Het antwoord van het volk (vers 4) is helder: Samuël u hebt dat nooit gedaan. Maar voor Samuël is het niet genoeg (vers 5). Hij zegt: de Heere zij tot een Getuige!
En het antwoord van het volk is kort en krachtig (het is eigenlijk maar één woordje (eind van vers 5): Getuige! Het gaat voor ons, ambtsdragers, verder. Niet alleen wat u van ons zegt (jazeker, wij willen daar eerlijk naar luisteren), maar het gaat ons vooral ook om wat de Heere van ons zegt. En wie van ons, broeders, zou dan zo vrijmoedig durven zijn als Samuël. Als God ons tot een Getuige is, moeten we dan niet zeggen, voor de Heere: Heere, het is zo vaak mislukt. Ons bezoekwerk, onze pastorale gesprekken, onze huisbezoeken, onze preken, ze zijn zo vaak mislukt, omdat ik mezelf weer heb bedoeld.
Maar, Gode zij dank, en daarom is de dienst van de Heere ook zo goed (niet alleen als het gaat om het persoonlijke leven met de Heere, maar ook als we mogen werken in Zijn koninkrijk): omdat we mogen schuilen achter de grote Ambtsdrager, de Heere Jezus Christus. Achter Hem, Die nooit zonde gekend of gedaan heeft en in al Zijn dienstwerk altijd de eer van Zijn Vader heeft gezocht. Als Profeet riep Hij ons, broeders, om vissers van mensen te zijn. En als Priester brengt Hij ons steeds weer terug (en Hij weet hoe nodig dat is) naar de plaats van het offer. Als Priester bidt Hij altijd voor ons. En Hij wil een Koning zijn en blijven van mensen die van zichzelf vijanden, weglopers, deserteurs en ontrouwe ambtsdragers zijn.
Ja, en dan zeggen we het Samuël toch na, terwijl we achter hem, achter Christus wegschuilen en wegkruipen. Nee, niet achter de vaten, maar achter Hem. Zo zeggen we het Samuël toch na: de Heere zij tot een getuige!
Amen.
Slotzang Psalm 118:13:
Ik werd benauwd van alle zijden, En riep den HEER ootmoedig aan. De HEER verhoorde mij in 't lijden, En deed mij in de ruimte gaan. De HEER is bij mij, 'k zal niet vrezen; De HEER zal mij getrouw behoên; Daar God mijn schild en hulp wil wezen, Wat zal een nietig mens mij doen?
Andere preken over 1 Samuël