PREEK · VRIJE STOFFEN

Saul als koning aangewezen - 1 Samuël 9-10

13 juli 2014

1 Samuël 10:11: En het geschiedde als een iegelijk die hem van tevoren gekend had, zag dat hij, zie, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, eenieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?

INLEIDING

Saul zoekt de zoekgeraakte ezelinnen van zijn vader en komt zo, door een keten van schijnbaar toevallige gebeurtenissen, bij Samuel terecht. Achter dit gewone verhaal werkt de Heere verborgen: Hij heeft Saul al aangewezen als koning, uit barmhartigheid over Zijn volk, ook al hebben zij Hem verworpen. Saul wordt gezalfd, ontvangt gaven en wordt "een ander mens", maar blijft ongehoorzaam en onbekeerd. Alleen Koning Jezus, gezalfd met de Geest, is de ware Verlosser Die vrede brengt.

THEMA

Gods verborgen werk

KERNPUNTEN

  1. Voorzienigheid en trouw
  2. Roeping en bevestiging
  3. Waarschuwing en vooruitblik

1 SAMUËL 10:6-11

6 En de Geest des HEEREN zal vaardig worden over u en gij zult met hen profeteren, en gij zult in een anderen man veranderd worden.
7 En het zal geschieden als u deze tekenen zullen komen, doe gij wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.
8 Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen om brandoffers te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven dagen zult gij daar beiden, totdat ik tot u kom en u bekendmaak wat gij doen zult.
9 Het geschiedde nu, toen hij zijn schouder keerde om van Samuël te gaan, veranderde hem God het hart in een ander; en al die tekenen kwamen ten zelven dage.
10 Toen zij daar aan den heuvel kwamen, zie, zo kwam hem een hoop profeten tegemoet; en de Geest des HEEREN werd vaardig over hem en hij profeteerde in het midden van hen.
11 En het geschiedde als een iegelijk die hem van tevoren gekend had, zag dat hij, zie, profeteerde met de profeten, zo zeide het volk, eenieder tot zijn metgezel: Wat is dit, dat den zoon van Kis geschied is? Is Saul ook onder de profeten?

VOLLEDIGE TEKST

Saul als koning aangewezen - 1 Samuël 9-10

ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 10:11

THEMA

Gods verborgen werk

LITURGIE

Psalm 122:1

Lezen 1 Samuël 9 - 10:16

Psalm 33:5,6,7

Psalm 119:17

Psalm 128:1

Gemeente, soms lees je hoofdstukken in de Bijbel waarvan je denkt: ja, dat is mooi, dat is interessant, dat is spannend, maar waarom staat dat eigenlijk in de Bijbel? Dat je nu op de zondagsschool daarover vertelt, maar is dat wel geschikt voor een preek? Dat lange verhaal over de ezelinnen van Saul en wat er allemaal verder gebeurt voordat hij tot koning wordt gezalfd en gekozen? Toch is ook dit het Woord van God. God vond dat het opgeschreven moesten worden voor ons, voor ons leven en voor onze zaligheid. Dus luisteren wij vanmorgen ook met heilige eerbied naar het Woord van God en de bedoeling daarvan vanuit het Schriftgedeelte dat ons voorgelezen is, 1 Samuël 9 tot en met 1 Samuël 10:16. We schrijven boven de preek als thema: Gods verborgen werk En we letten op die aandachtspunten: 1. Voorzienigheid en trouw (denkend aan 1 Samuël 9: 1-19) 2. Roeping en bevestiging (denkend aan 1 Samuël 9:20 – 10:8) 3. Waarschuwing en vooruitblik (denkend aan 1 Samuël 10:9-16) Als eerste letten we dus op:

1. Voorzienigheid en trouw

‘Samuël, we willen een koning, zoals al de volken hebben!’ ‘Samuël, hoor naar hun stem, en stel hun een koning’, zo was het antwoord van de Heere. En nu, in 1 Samuël 9 begint de geschiedenis verhaal van die nieuwe koning, die Saul blijkt te heten.

Kis, een rijke boer uit de stam van Benjamin, heeft een zoon. Saul. Een grote, sterke, knappe kerel. Een reus van een vent, die met kop en schouder boven iedereen uitsteekt. Dit is de man, zo’n man zouden ze zelf ook gekozen hebben. Dit is ongetwijfeld de keus van het volk. Soms moet je je namelijk ook al lezend afvragen wat je niet leest. Er staat niets over zijn Godsvreze, over zijn wijsheid. Van Samuël staat dat hij de Heere diende, al toen hij nog klein was. Maar Saul is groot, knap en sterk...

En dan volgt een heel lang verhaal. De ezelinnen van vader Kis zijn kwijt. Saul en zijn knecht gaan op pad om ze te zoeken. En onderweg vragen zijn iedereen: hebben jullie onze ezelinnen gezien? Hebben jullie onze ezelinnen gezien?

Het wordt een lange tocht rond Gibea, de plaats waar ze wonen. Ze zoeken, ze zoeken overal, maar de ezelinnen zijn nergens te vinden. Uiteindelijk zegt Saul: laten we maar naar huis gaan, want straks is vader meer ongerust over ons, dan over zijn ezelinnen. Nee, zegt de knecht, misschien moeten we de man Gods vragen. Ja, maar wat geven we die man als hij ons helpt? Na veel zoeken vinden ze een muntje, een kwart van een sikkel zilver. In ieder geval iets om hem te geven (vers 8). En dan gaat het verhaal nog verder. Want in de stad komen ze een paar meisjes tegen die op weg zijn om water te putten. Als ze die vragen naar de profeet, gaan ze omstandig uitleggen waar hij is. De een zegt dit, de ander zegt dat. Je krijgt de indruk dat die meisjes het wel interessant vinden om met zo’n grote, knappe man te praten.

Kon dit alles niet in één zin worden samengevat? Wat wil de Heere ons hiermee toch zeggen, met dit lange en gedetailleerde verhaal? Dit, dat God het leven van Saul, en ook ons leven, bestuurt door de meest gewone dingen van alledag. Door zogenaamde ‘toevalligheden’. Nee, dat zijn het niet. Dat is Gods leiding. Een lange keten van kleine dingen brengt Saul, als vooruit geduwd door Gods hand, op de plek waar hij wezen moet. Gods besturing. Kan het niet rechtstreeks op het doel af? Nee, God doet het op Zijn manier. De Spreukendichter zegt (16: 9): het hart des mensen overdenkt zijn weg, maar de HEERE stuurt zijn gang. Hier ligt de basis van het onderwijs van de Heidelbergse Catechismus, zondag 10, over Gods voorzienigheid. Alle dingen worden door God bestuurd en geleid. Niets gebeurt bij toeval. Alles wordt bestuurd en geleid tot Zijn goede doel. Of kijkt u nooit met verwondering terug op uw leven? Nee, toen het allemaal gebeurde, toen begreep u het niet. Maar nu, misschien is het al jaren later, nu zegt u: kijk, daar, en daar, en overal zie ik sporen van Gods besturing en wijs beleid. Als je er midden in zit en alles niet begrijpt, kan het ook tot troost zijn voor degene die de Heere vreest. Dat je weet, dat alles wat gebeurt besturing en leiding is door Gods hand. En dat er niets is dat toevallig plaatsvindt. Zoals de apostel zegt in Romeinen 8:28: En wij weten, dat degenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk degenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn.

Ondertussen geeft de Bijbelschrijver ons ook een indruk van Saul, van wie die zogenaamde nieuwe koning van Israël is. Wat moeten we toch denken van die man? U zegt: het is toch bijzonder dat hij naar de man Gods gaat met zijn vraag, nota bene voor een paar ezelinnen. Ja, dat is waar, maar dat was toch vooral het idee van zijn knecht (vers 6). En die moet nog aandringen ook. Maar wat vooral opvalt, is dat Saul Samuël helemaal niet kent. Hij heeft geen idee waar hij woont. En zo groot is de stam van Benjamin nu ook weer niet. En we herinneren ons nog dat in 1 Samuël 3:20 stond: En gans Israël, van Dan tot Berseba toe, bekende, dat Samuël bevestigd was tot een profeet des HEEREN. Maar Saul kent hem niet. Dat is geen goed teken.

En Saul blinkt vooral ook uit door onvermogen en gebrek. Hoe moet deze man straks koning zijn? Hij kan nog niet eens een stel ezelinnen terugvinden. Hij neemt ook geen enkel initiatief. Hij laat zich in alles leiden door zijn knecht.

De koning die Israël zelf gewild heeft. Voor het oog een sterke kerel, knap, indrukwekkend. Maar als geestelijk leider onbekwaam. Dat belooft weinig goeds. Later zegt de Heere (1 Samuël 16:7): de mens ziet aan wat voor ogen is, maar Ik zie het hart aan. Dit is wat de mensen willen. Maar wat is begerig in Gods oog? Later schrijft Paulus dat in 1 Korinthe 1:27-28: het dwaze der wereld, het zwakke der wereld, het onedele der wereld, het verachte en hetgeen niets is. Opdat het ons beschamen zou, en op dat God alleen eer en heerlijkheid zou ontvangen.

Een lang verhaal over ezelinnen en water puttende meisjes, en dan ineens tilt de Bijbelschrijver even de sluier op die over het verhaal ligt, leest u maar mee in vers 15-17: Want de HEERE had het voor Samuëls oor geopenbaard, een dag eer Saul kwam, zeggende: Morgen omtrent deze tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, die zult u ten voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand, want Ik heb Mijn volk aangezien, dewijl deszelfs geroep tot Mij gekomen is. Toen Samuël Saul aanzag, zo antwoordde hem de HEERE: Zie, dit is de man, van welken Ik u gezegd heb: Deze zal over Mijn volk heersen.

Even kijken we achter het verhaal. En we zien: Gods verborgen werk. De Heere fluistert het in het oor van Samuël, maar voor andere mensen is het totaal onzichtbaar en verborgen. Wat is de Heere precies aan het doen? Wat is Zijn verborgen werk? Zij hebben Hem verworpen. Wij willen niet dat Deze (God) koning over ons zij. En nu, zegt de Heere, stuur ik toch een man om hen te verlossen uit de hand van de Filistijnen. Want (vers 16) hun geroep over hun ellende is tot Mij gekomen. Hoewel er geen tekenen van bekering zijn! Want ze roepen alleen maar over de gevolgen van hun zonden, over hun ellende. Ze belijden hun zonden niet. Hoewel er geen tekenen van bekering zijn, is God toch barmhartig en medelijdend met Zijn volk. Hij is barmhartig, dat wil zeggen Zijn hart brandt van liefde, ontferming en zorg, over dit volk dat Hem geworpen heeft. Want dat zij God verworpen hebben, heeft Hem niet veranderd! En de zonden van Israël kan de fontein van Gods genade en ontferming niet laten opdrogen!

We lezen nog een keer in vers 16, en ik vat even samen in eigen woorden: die man die morgen komt, moet u zalven tot een leider, tot een prins over Mijn volk. Ik heb hun geroep gehoord. Hij zal Mijn volk verlossen, want Ik heb Mijn volk aangezien. Hun geroep is tot Mij gekomen. En als Samuël Saul ziet, zegt de Heere het weer: deze zal over Mijn volk heersen. Hoort u de echo? Zij hebben Mij verworpen! Maar: Mijn volk… Mijn volk… Ik hoor hun geroep, want zij zijn Mijn volk…

En straks in hoofdstuk 10:1 heet het: Mijn erfdeel, het erfdeel van de HEERE, de God van het eenzijdige en onwankelbare verbond. Hier schittert, in deze donkere tijd (waarin Israël God als koning verworpen heeft), hier schittert de eenzijdige liefde van God tot Zijn volk Israël. De eenzijdige liefde van God, Die Israël uit alle volken uitverkoren heeft. Zij wilden niet. Zij wilden niet anders zijn. Zij wilden net als alle andere volken zijn. Zij wilden geen bijzondere plaats. Maar dwars daar doorheen doet de Heere toch wat Hij wil. Hij heeft ze uitgekozen, Hij heeft ze uitverkoren, al in de eeuwigheid. En nu in deze tijd zet Hij hen apart en Hij houdt hen apart. Verkiezende liefde draagt hen, hoewel zij God verworpen hebben. Eenzijdige liefde houdt hen vast.

En als dat nu geldt voor dit volk, dat zich niet bekeert, dat alleen maar roept vanwege de gevolgen van de zonde… Als dat nu geldt van dit volk, dat de Heere verworpen heeft, hoeveel te meer geldt het dan Zijn volk nu. Zijn kinderen, die Hij van eeuwigheid verkoren heeft en die Hij verkregen heeft door loskoppeling, door de prijs van het bloed van Zijn lieve Zoon. Zou Hij dan hun geroep niet horen, uit een hart vol van berouw, als zij dag en nacht tot hem roepen? Onze tweede gedachte:

2. Roeping en bevestiging

Ze komen elkaar tegen in de poort van de stad. Samuël is op weg naar de offermaaltijd (vers 19). Het valt op dat niets hem onderscheidt van andere mensen. Hij heeft geen lijfwachten, hij draagt ook geen aparte kleding, hoewel hij naar een bijzondere gelegenheid gaat. Hij is een gewoon mens.

Saul, maak je geen zorgen over de ezelinnen, want alles in Israël wordt toch van u. Samuël geeft Saul instructies, hij krijgt een bijzondere plek aangewezen bij de offermaaltijd, en ook een groot stuk vlees, hij mag overnachten bij de profeet, en dan… De volgende morgen, als Saul en zijn knecht de stadspoort uitgaan op weg naar huis, dan zegt Samuël: stuur je knecht alvast maar vooruit. Ik heb een Godswoord voor u. Zijn knecht loopt vooruit. En dan pakt Samuël een breekbare kruik met olie, giet de olie op Sauls hoofd en kust hem, als teken van eer en van hartelijke verbondenheid.

Saul tot koning gezalfd, tot koning aangewezen en aangesteld: Saul, je zult koning worden van Israël. Gezalfd met olie uit een kruik, die breken kan. Straks blijkt het ook een teken te zijn van de breekbaarheid van zijn koningschap. David is de echte, de door God bedoelde koning. Die wordt straks gezalfd met olie uit een onbreekbare hoorn. Tot een teken van het koningschap dat blijft, totdat de Messias komt, Die Koning zal zijn tot in eeuwigheid.

Saul tot koning gezalfd. Met zalfolie, als een bijzonder teken bij het krijgen van een ambt. Als je priester werd, maar nu ook, nu Saul koning wordt. Wat opvalt, en dat is een les voor ons, ook nu (zeker als het gaat over de roeping tot de dienst van de Heere): Saul reageert niet.

Toen Salomo tot koning gezalfd werd, vroeg hij de Heere ernstig om wijsheid. Toen Mozes zijn aanstelling kreeg, zei hij: ik ben niet geschikt. En hij probeerde er onderuit te komen. Toen Jesaja geroepen werd tot profeet, zei hij: wee mij, ik ben een man van onreine lippen. Hoe zou ik kunnen bestaan voor de heilige God? En Jeremia deinsde terug, met de opmerking: ik kan niet spreken, want ik ben jong. Maar Saul laat het gebeuren… Je gaat je afvragen: Is dit nu wel de juiste man op de juiste plaats, om koning te worden? Om dat verantwoordelijke ambt te bekleden? Heeft hij wel zicht op zijn eigen onbekwaamheid? Kent hij de zwaarte van zijn ambt wel? Kent hij wel het onvermogen van zijn eigen hart?

Saul krijgt bij zijn zalving drie tekenen mee. Hij zal (10:2) twee mannen tegenkomen bij het graf van Rachel, op de grens van de stam van Benjamin, en die zullen zeggen: de ezels zijn gevonden. Bij de eik Thabor (vers 3 en 4) zal hij drie mannen ontmoeten die op weg zijn naar Beth-El, om daar te gaan offeren. Ze dragen offermateriaal met zich mee: drie jonge geitenbokken, drie bollen brood en een zak wijn. Ze zullen vragen hoe het gaat, en Saul zal twee bollen brood van hen krijgen. En bij Gibea (vers 5) zal hij een groep profeten tegengekomen, waarschijnlijk van de profetenschool van Samuël, die afkomen van de hoogte, zingend en spelend met instrumenten. En (vers 6) de Geest des Heeren zal vaardig worden over u, en u zult met hen profeteren; en u zult in een andere man veranderd worden. En zo gebeurt het ook. En vooral dat laatste voorbeeld wordt verder uitgewerkt in vers 9 tot en met 13. We gaan dat zo meteen zien in onze derde gedachte, maar zingen eerst uit Psalm 119:17:

Leer mij, o HEER, den weg, door U bepaald; Dan zal ik dien ten einde toe bewaren; Geef mij verstand, met Godd'lijk licht bestraald; Dan zal mijn oog op Uwe wetten staren; Dan houd ik die, hoe licht mijn ziel ook dwaalt; Dan zal zich 't hart met mijne daden paren.

Ons derde aandachtspunt:

3. Waarschuwing en vooruitblik

De Geest des Heeren komt over Saul, zoals Samuël gezegd heeft. Ineens loopt hij mee met die profeten: zingend en sprekend over de grote werken van God. Een poosje, en daarna is het over… De Geest van God komt over hem, om hem bijzondere gaven en talenten te geven om het volk te leiden. De gift van leiderschap. Dat had hij ook wel nodig ook. Dat talent had hij tevoren niet. Hij heeft trouwens ook nog een belofte gekregen van Samuël (vers 7): God zal met u zijn. En tegelijkertijd heeft hij een opdracht gekregen: je moet naar Gilgal gaan, en daar zal ik (Samuël) zeggen wat je moet doen.

Dus Saul krijgt drie dingen: de gift om leider te zijn, de belofte (Ik zal met u zijn), en (niet onbelangrijk!) de opdracht om blijvend te luisteren naar het woord van Samuël, naar het woord van God.

Daar liggen voor ons wat lessen in. Wat wil de Heere ons daarmee eigenlijk leren? Ik noem er drie dingen. a. In de eerste plaats geeft God met al die kleine gebeurtenissen, al die kleine details (zoveel mannen, zoveel bollen brood) aan Saul de bevestiging dat hij in Gods weg is. We kunnen in ons leven vragen om grote dingen, om teksten uit de hemel, om heel bijzondere aanwijzingen. Maar hier zien we dat Gods leiding vaak te zien is in het kleine, in de gewone dingen van het dagelijkse leven. Ook als de Heere roept tot Zijn dienst, tot een taak in Zijn Koninkrijk. Let dan ook op Gods leiding in het leven van iedere dag, op die zogenaamde ‘kleine dingen’. b. In de tweede plaats valt het ons op dat de Geest die over Saul komt en het woord van Samuël, bij elkaar horen. Die twee, Geest en woord, mag je nooit van elkaar los maken. Saul krijgt bijzondere gaven van de Geest, de gift van leiderschap om koning te zijn om een tijd van crisis en oorlog te overleven. Maar direct daarna (vers 8) krijgt hij ook de opdracht om te luisteren naar het woord dat Samuël zeggen zal. Het is een slecht teken als je je mond vol hebt over de Geest, over de gaven van de Geest en allerlei andere geestige zaken meer, maar als je leven verder los is van het woord. Dat is niet uit God. Dat kan niet. De Heilige Geest brengt tot gehoorzaamheid aan het woord. c. Het derde wat onze aandacht trekt is de zinsnede: God veranderde hem het hart in een ander (vers 9). Saul wordt een ander mens. Zoals je ook nu nog kunt zeggen: ik ben (vergeleken met vroeger) een ander mens geworden. Hoe? Kijk maar naar het leven van Saul. Er gebeuren wonderlijke dingen. Hij krijgt bijzondere talenten om leiding te geven, om te regeren in crisistijd. En de Geest voert hem mee op het hoogtepunt van de profetie, waar hij spreekt en zingt van Gods lof. Als je naar je eigen leven kijkt en vergelijkt met vroeger, dan zeg je misschien ook: ik heb een bijzondere taak gekregen in de kerk, of ik zie ernaar uit. Geestelijk, innerlijk meermalen aangeraakt, en gebracht op hoogten van gevoel en beleving die te voren nooit gekend heb. Met Saul een ander mens geworden… Maar de vraag is: is dat genoeg?

De Heere Jezus zegt in Mattheus 7:21: Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal ingaan in het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil Mijns Vaders, Die in de hemelen is. Zeggen en… doen. Echte verandering, wedergeboorte, blijkt uit de vrucht van nieuwe gehoorzaamheid. U zegt: dat klopt, het gaat om een nieuw hart en een nieuw leven. Dat is waar. Laten we met elkaar nog maar eens luister naar wat de profeet Ezechiël daarover zegt: En Ik zal (zegt God) u een nieuw hart geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlesen hart geven. En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u; en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen (36:26-27).

Niet los te maken, niet los verkrijgbaar. Bij een nieuw hart, hoort een nieuwe wandel: in gehoorzaamheid aan Gods geboden. Wat je bij Saul ziet, is dat hij wel een ander mens geworden is. Hij doet ook allerlei andere dingen, maar je ziet geen nieuwe gehoorzaamheid aan Gods Woord en geboden. Saul is en blijft een wat bescheiden type, hij krijgt nieuwe talenten, maar verder…? Wij zouden zeggen: hij heeft wel nieuwe interesses gekregen, in het geestelijke, in het spirituele, maar verder…? Van geloof en vertrouwen op het Woord van God, en van wachten op Gods tijd blijkt straks maar weinig. Laat staan van een leven in gehoorzaamheid aan Gods geboden.

Kortom, Saul is (en dat is ons tot grote waarschuwing) wel anders geworden, maar niet echt bekeerd. En Saul is geen uitzondering in Israël, geen uitzondering onder verbondskinderen. Wel anders. Veel dingen zijn verleden tijd geworden. Vroeger deed ik dit en dat, nu doe ik dat niet meer. Wel anders in doen en laten, wel anders in gedrag, maar toch niet echt anders geworden. Dus moeten we bij de vraag wie we zijn voor God, dieper kijken! Niet alleen naar wat zichtbaar is, naar wat de mensen kunnen zien, niet alleen luisteren naar wat zij van ons vinden. Want echt een nieuw hart hebben, dat wil zeggen dat je een band hebt met de hemel. Zoals de jonge Samuël. Hij bad de Heere aan. Van Saul lees je dat nergens… En echt een ander leven hebben, wil ook zeggen vermaak hebben in de wet van God. Daar sterkt zich al mijn lust en liefde heen. Hier is de waarschuwing van de profeet Zefanja wel op zijn plaats (2:1): doorzoek u zelf nauw, ja, doorzoek nauw, gij volk, dat met geen lust bevangen wordt!

De mensen zien en horen: Saul is onder de profeten (vers 11). Hoe is dat toch mogelijk!? Dat hij, die eenvoudige boerenjongen, meeloopt in die groep profeten, die spreekt en zingt over de grote werken van God. Ja, daar kan je ook verbaasd over zijn. Over dat wonderlijke, dat de Heere vaak eenvoudige mensen uitkiest in Zijn dienst. En wat ook verbazing wekt is dat andere. Dat wonderlijke, dat bijna niemand weet heeft van alles wat er gebeurt en wat eerder gebeurd is. Alleen Saul en Samuël weten ervan. Maar voor alle andere mensen ligt er een groot sluier over. De uitvoering, het openbaar worden, het zichtbaar worden van alles wat gebeurd is, dat wacht op Gods tijd. God doet al dat voorbereidende werk, dat toeleidende werk in het verborgen. Er zijn maar weinig mensen die zien en weten wat er gebeurt. Straks, op Gods tijd, dan wordt het zichtbaar.

Dat is Gods manier van regeren. Zijn werk is vaak verborgen. a. Dat geldt het geestelijk werk in het hart van de mens. Alles wat direct veel kabaal maakt en veel aandacht vraagt, alles wat snel tevoorschijn komt, daar is vaak heel veel van de mens bij. Gods werk groeit langzaam, is langere tijd ondergronds: het zaad valt in de goede aarde, ontkiemt en schiet wortel, voordat het opkomt.

In stilte, vol schaamte, zondaar worden voor God. Leren buigen en belijden, bidden, roepen uit de diepte, totdat (op Gods tijd) het eerste groene knopje boven de grond zichtbaar wordt, en daarna de vrucht. Dat is Gods manier van regeren. Zijn werk is vaak verborgen. b. Dat geldt ook het geestelijke werk in het hart van een mens, het geldt ook de manier waarop mensen een taak toebedeeld krijgen in Gods koninkrijk. Gods weg kan lang onbegrepen zijn, Zijn bedoeling onzichtbaar. Het wacht alles op Gods tijd. En dan, op Zijn tijd, dan zal blijken (maar misschien is het wel jaren later) dat alle details, tot de kleinste toe, tot het meest toevallige onderdeeltje toe, het beleid geweest zijn van Gods hoge hand. En tot die tijd is het goed, dat wij ons in stilte voegen in Gods weg (15-16).

Gemeente, wij zijn aan het eind van de preek over dit lange Bijbelgedeelte uit 1 Samuël 9 en 1 Samuël 10. Als je alles overziet, valt vooral één ding heel erg op. Je voelt aan alle kanten: Saul is niet de koning die in staat zal zijn om Israël echt te verlossen. Voordat hij aangetreden is, roept alles al om een andere koning. Om de koning die door Israëls God Zelf is voorzien, is bedoeld, is aangesteld, en die straks gegeven zal worden in Zijn gunst.

Aanstaande koning Saul blijkt vanaf het begin weinig interesse te hebben in wie God is. Hij weet niet eens waar de profeet woont, rept niet over God en over Zijn wil, en straks struikelt hij daarover. Wie zal toch de breuk herstellen tussen God en ons, die wij verworpen hebben? Koning Jezus alleen is geschikt. Zijn spijs was het, dat Hij deed de wil van Degene die Hem gezonden had en dat Hij Zijn werk volbracht. De gehoorzame koning.

Aanstaande koning Saul krijgt een kort moment de Geest tot bekwaammaking, om Israël van de Filistijnen te verlossen. Wie zal toch de breuk herstellen tussen ons en God, van Wie wij vijanden geworden zijn? Koning Jezus, de grote Davids zoon. Want aan Hem is de Geest zonder mate gegeven. De Geest des Heeren HEEREN is op Hem, omdat de Heere Hem gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen; Hij heeft Hem gezonden om te verbinden de gebrokenen van harte, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis.

Aanstaande koning Saul zoekt de ezeltjes van vader Kis. Hij weet ze niet eens te vinden. Rijden op een ezelin was in Israël teken van ‘de Koning die vrede brengt’. Wie toch zal dan de breuk herstellen tussen ons en God, en vrede met de hemel maken? Koning Jezus. Hij zoekt geen ezelin, maar gebiedt er een te halen (Mattheüs 21:2-9) opdat vervuld zou worden wat gesproken is door de profeet, zeggende: zegt der dochter Sions: zie, uw koning komt tot u, zachtmoedig en gezeten op een ezelin en een veulen, zijnde een jong van een jukdragende ezelin.

Een koning die vrede maakt. Niet door de Filistijnen te verslaan. Maar door de prijs van de verzoening met de hemel Zelf te betalen, met Zijn eigen bloed, met Zijn eigen hart, voor mensen die God verworpen hebben.

Bent u al onderdaan van deze Koning? Of…, zit u zelf nog steeds op de troon?

Amen.

Slotzang Psalm 128:1:

U mag men zalig heten, Dien 's HEEREN vrees bekoort; Die, met een goed geweten, Steeds wandelt naar Zijn woord. Gij zult uw nooddruft vinden Door d' arbeid van uw hand; Wat g' u moogt onderwinden, Komt, naar uw wens, tot stand.