PREEK · VRIJE STOFFEN

U hebt heden uw God verworpen - 1 Samuël 11

27 juli 2014

1 Samuël 11:17: Is het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot den HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan en ziet, dat uw kwaad groot is dat gij voor de ogen des HEEREN gedaan hebt, dat gij een koning voor u begeerd hebt.

INLEIDING

In Mizpa roept Samuël Israël samen om de nieuwe koning aan te wijzen. Eerst klinkt Gods scherpe verwijt: Israël heeft de Heere als Koning verworpen. Dan wijst het lot Saul aan, die zich veelzeggend tussen de bagage verstopt heeft. Samuël geeft volk en koning Gods blijvende wetten mee, en na afloop blijkt het volk verdeeld: sommigen volgen Saul, anderen verachten hem. Ds. IJsselstein laat zien hoe Saul, in zijn falen, uitloopt op de tegenstelling met Koning Jezus: gewillig, eensgezind, en volkomen bekwaam.

THEMA

U hebt heden uw God verworpen - 1 Samuël 11 | PDF

KERNPUNTEN

  1. Gods spreken in Mizpa is scherp
  2. Gods woord wijst aan, wijst de koning aan
  3. Gods woord is een blijvende wet of regel
  4. Gods woord brengt verdeeldheid

1 SAMUËL 11:17-21

17 Is het niet vandaag de tarweoogst? Ik zal tot den HEERE roepen, en Hij zal donder en regen geven; zo weet dan en ziet, dat uw kwaad groot is dat gij voor de ogen des HEEREN gedaan hebt, dat gij een koning voor u begeerd hebt.
18 Toen Samuël den HEERE aanriep, zo gaf de HEERE donder en regen te dien dage; daarom vreesde al het volk zeer den HEERE en Samuël.
19 En al het volk zeide tot Samuël: Bid voor uw knechten den HEERE uw God, dat wij niet sterven; want boven al onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons een koning begeerd hebben.
20 Toen zeide Samuël tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den HEERE af, maar dient den HEERE met uw ganse hart.
21 En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden navolgen, die niet bevorderlijk zijn, noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.

VOLLEDIGE TEKST

U hebt heden uw God verworpen - 1 Samuël 11

ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 11:17

THEMA

U hebt heden uw God verworpen - 1 Samuël 11 | PDF

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over het tweede deel van 1 Samuël 10. Misschien is het goed om even terug te kijken naar de voorgaande hoofdstukken van Bijbelboek. Nadat Israël in het verleden in tijden van nood altijd tot de Heere geroepen had om verlossing, is het in 1 Samuël 8 anders gegaan. Ze willen het nu zelf oplossen. Ze zeggen tegen Samuël: Geef ons een koning, zoals de andere volken die ook hebben! Dat was verwerping van God, de Koning van Israël. Die wilden ze niet meer. ‘Wij willen niet dat Hij Koning over ons is.’ Toch heeft God het volk van Israël niet verworpen, niet weggedaan. Hij is hun blijven noemen: Mijn volk. Dwars door hun zonde heen, is de Heere doorgegaan met Zijn eigen plan. Met Zijn plan, dat uiteindelijk zal laten zien, dat hun eigen keuze uitloopt op een totale mislukking. En dat Zijn keuze, Gods keuze straks voor koning David, Israël uiteindelijk tot eeuwige zegen zijn zal. God heeft hen hun zin gegeven: u zult een koning krijgen. Hoewel Hosea later zegt: dat was niet in Gods gunst.

En nu, daar is hij! Vandaag is de grote dag. Vandaag zal het gebeuren. Iedereen, heel het volk, is samengeroepen in Mizpa. En we gaan vanmorgen zien wat daar gebeurt. We overdenken met elkaar het Schriftgedeelte dat u voorgelezen is 1 Samuël 10:17-27. Het thema voor de preek is: Gods spreken in Mizpa En we letten op vier aandachtspunten. 1. Gods woord is scherp (dat ziet u in vers 17-19) 2. Gods woord wijst aan (dat ziet u in vers 20-24) 3. Gods woord is een blijvende wet of regel (dat ziet u in vers 25) 4. Gods woord brengt verdeeldheid (dat ziet u in vers 26-27) Dus bij het thema Gods spreken in Mizpa zijn vier aandachtspunten: Gods woord is scherp, Gods woord wijst de koning aan, Gods woord is een blijvende wet of regel, en Gods woord brengt verdeeldheid. Als eerste dus:

1. Gods spreken in Mizpa is scherp

Doch Samuël (leest u maar mee in vers 17, 18 en 19) riep het volk samen tot de HEERE, te Mizpa. En hij zei tot de kinderen Israëls: Alzo heeft de HEERE, de God Israëls, gesproken: Ik heb Israël uit Egypte opgebracht, en Ik heb u van de hand der Egyptenaren

gered, en van de hand van alle koninkrijken, die u onderdrukten. Maar u hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht des HEEREN, naar uw stammen en naar uw duizenden. Samuël, dit is een blijde dag! Dit is een feestdag! Onze Koningsdag! Goed, je wilt het woord van de Heere brengen, maar kan het misschien met een beetje meer tact? Kan het misschien wat fijngevoeliger? In plaats van zo stellig en streng: God heeft u verlost uit Egypte, uit nood en dood gered, maar u (!) hebt Hem verworpen, toen u zei: zet een koning over ons! Samuël, moet dat nou? Moet dat nu zo?

U zegt: ja, dat ik verkeerde dingen doe, dat weet ik wel. Ik ben geen volmaakt mens, ik ben een zondig mens. Maar waarom moet ik dat iedere zondag weer horen? En waarom altijd zo scherp? Kan het niet gewoon wat vriendelijker, wat fijnbesnaarder? In plaats van: God heeft u altijd gedragen, gered en bewaard, maar u hebt Hem verworpen!

Waarom? Misschien wel omdat God te veel bewogen is met uw lot. Hij heeft u te lief om vriendelijk te zijn. Ja, u hoort het goed: Hij heeft u te lief om vriendelijk te zijn. Zijn woord wil u overtuigen, scherp en snijdend, totdat u toegeeft. Zijn woord wil u raken, totdat u buigen gaat. Zijn woord wil hameren op uw stenen hart, totdat u uiteindelijk breken gaat. Is dat onvriendelijkheid? Nee, dat is… liefde. Dat God alle omstandigheden van uw leven, alle gelegenheden, zelfs de gelukkigste dagen en perioden van uw leven wil gebruiken om uw hart te raken. Als Hij zegt: kijk, wat Ik gedaan heb! Ik heb voor u gezorgd, ik heb gespaard en gedragen: 40, 50, 60 jaar getrouwd, uw verjaardag gevierd: 70, 80, 85 jaar geworden. Kijk toch wat Ik gedaan heb! En zie toch wat u gedaan hebt: u hebt met Mij gebroken! Het is liefde die uw hart wil raken. Het is enkele trouw. Hier kijkt u de God van Israël, hier kijkt u onze God in Zijn hart.

En… de plaats, Israël, waar u staat, is een stille getuigen: Mizpa… Wat was daar ook alweer? Wat gebeurde daar ook alweer? Daar riepen ze tot de Heere (zoals we gezien hebben in 1 Samuël 7). Daar klaagden ze Hem achterna, daar beleden zullen hun zonden. En daar staat die stille getuige. Kijk, daar…, die grote steen, Eben-Haëzer. Tot hiertoe heeft de Heere (de God, de Koning van Israël) ons geholpen. En nu, jaren later zegt de Heere (in liefde; kon Hij tranen hebben in Zijn ogen, u zou ze zien!): U hebt met Mij gebroken

Dat huisje in [plaatsnaam], waarvan u zegt: daar wonen wij nu alweer 30, 40, 50 jaar, dat huisje is een stille getuige tegen u. Daar hebt u vroeger wel eens gezeten met tranen in uw ogen. Daar hebt u wel eens zonden voor de Heere beleden. Maar, daarna bent u toch weer doorgegaan. Inmiddels al weer jaren lang…

En nu… Nu komt de Heere nog een keer. Jaren later, en Hij zegt: keert toch terug! Buig toch opnieuw! Hier, in Mizpa! Het is zonder twijfel ook de stille hoop geweest in het hart van Samuël: zou het weer gebeuren, hier, in Mizpa? Maar nee, er gebeurt helemaal niets. Ons tweede aandachtspunt:

2. Gods woord wijst aan, wijst de koning aan

We lezen verder in vers 19: Nu dan, stelt u voor het aangezicht des HEEREN, naar uw stammen en naar uw duizenden. Toen nu Samuël al de stammen van Israël had doen naderen, zo is de stam van Benjamin geraakt. Toen hij den stam van Benjamin deed aankomen naar zijn geslachten, zo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul, de zoon van Kis, werd geraakt. Ook dit, ook wat nu gebeurt, roept zonder twijfel herinnering op aan vroeger tijden. Het is lang voor hun tijd geweest, maar iedereen kent de geschiedenis, zoals wij die ook kennen. Toen, toen ze uit Egypte dit land binnenkwamen, ook toen was de toorn van de Heere over Israël. We lezen in Jozua 7:16-18: Toen maakte zich Jozua des morgens vroeg op, en deed Israël aankomen naar zijn stammen; en de stam van Juda werd geraakt. Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zo raakte hij het geslacht van Zarchi. Toen hij het geslacht van Zarchi deed aankomen, man voor man, zo werd Zabdi geraakt… man voor man... en toen Achan (de man die gestolen had van de buit van de stad Jericho) En nu weer, stam voor stam. Het is voelbaar. Hier rust niet de zegen van de Heere. Hier is iets voelbaar van lading, van de dreiging van de toorn van God. Toorn, jongens en meisjes, wat is dat precies? Toorn is liefde, die geweigerd is. Waarvan iemand zegt: die wil ik niet, die mag U voor uzelf houden. Toorn is liefde, die veracht is, die op het hart getrapt is. Hier is in Mizpa een stille, liefdevolle oproep tot bekering: toe nu, buig nu opnieuw voor Mij. Maar daartegenover een harde weigering. En dan wordt het voelbaar (hoewel de Heere Zijn volk nog spaart): de toorn van God.

Hier dringt aan alle kanten door de Bijbeltekst heen het bewijs van onze diepe vijandschap tegen God en Zijn beleid. Wat U, Heere God, ook tegen ons zegt: wij willen niet dat U Koning over ons bent. Dat is in het paradijs al begonnen. Daar hebben we gebroken met God, daar zijn we tegen Hem opgestaan. Ja, dat zegt u mij zonder twijfel na, maar u gaat ermee door! Tot op de dag van vandaag! Erken en belijd dat toch voor de Heere.

Het lot wordt geworpen. Hoe, dat weten we niet precies. Eigenlijk doet dat er ook niet zoveel toe. Op de een of andere manier wijst de Heere de stam van Benjamin aan. Hè, de stam van Benjamin? De stam die destijds de verschrikkelijke zonde die in Gibea plaatsvond goedkeurde? Bijna was Benjamin uitgemoord door de burgeroorlog die daarna ontstond… Moet die stam nu de nieuwe koning gaan leveren? Wie trouwens de boeken van Mozes en beetje kent, weet nu al, dat dit hem niet gaat worden. Had Jakob niet gezegd: de scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever

van tussen zijn voeten, totdat Silo (de Messias) komt, en Dezelve zullen de volken gehoorzaam zijn? De koning, de Messias, hij komt uit de stam van Juda! Maar Benjamin, had Jakob gezegd, zal als een wolf verscheuren; ‘s morgens zal hij roof eten en ‘s avonds zal hij buit uitdelen.

Op een of andere manier wijst de Heere de stam van Benjamin aan. En dan Matri, dan Kis, en dan Saul. Hij is het! Hij zal de nieuwe koning van Israël worden! Eerder heeft de Heere het stilletjes gefluisterd in het oor van Samuël, maar nu wordt hij in het openbaar aangewezen.

Saul! Tot koning gekozen over Israël! Onze nieuwe koning! Saul! Mensen…, waar is Saul? Waar is hij eigenlijk? Zou hij thuis gebleven zijn op deze bijzondere dag? In vers 21 staat: en zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden. Saul is er niet.

Al lezend voelt u iets van de spot van de Bijbelschrijver. Saul was niet in staat om de ezelinnetjes van zijn vader te vinden, maar Israël kan haar nieuwe koning niet eens vinden. En wie moeten ze nu vragen? De Heere, Die ze verworpen hebben… Toen (vers 22) vraagden zij verder den HEERE, of die man nog derwaarts komen zou? De HEERE dan zei: Zie, hij heeft zich tussen de vaten verstoken (verstopt). Onverwachts laat de Heere (hun eigen eigenlijke Koning) voelen hoe afhankelijk ze zijn van Hem. Ze kunnen wel denken, dat ze iets zijn met hun nieuwe koning, maar ze zijn helemaal niets. En wij kunnen wel denken dat we iets zijn, maar zonder God zijn we helemaal niets. Zoals de Heere dat ons ook zo vaak laat voelen: in alles bent u afhankelijk van Mij! Als je bij alle zegen en voorspoed ineens iets voelt van Gods hand, die je leven aanraakt. Door een plotselinge ziekte, door die zorgwekkende uitslag, door dat onverwachte ongeluk. En je zo laat voelen: zonder Mij kunt u niets doen, zonder Mij ben u nergens, ben u machteloos.

Waarom doet de Heere dat? Dat is weer een klop op de deur van je hart. Het is een vingerwijzing. Zoals ook hier: Boven jullie nieuwe koning, Israël, waar die dan de ook is, sta Ik, de God van Israël. En u bent totaal afhankelijk van Mij, van die God, Die u verworpen hebt! Beef toch, zingt de dichter van Psalm 2, verdoolde stervelingen.

Tussen de vaten, daar zit hij, zegt de Heere. Hoe de Heere dat zegt weten we niet, maar de boodschap is duidelijk: hij zit tussen de bagage, in het bagagedepot, tussen de spullen. Daar heeft die grote, lange man zich verstopt. Waarschijnlijk was het bescheidenheid. Zoals Samuël later zegt (in hoofdstuk 15:17): u was klein in uw ogen. Heeft Saul stiekem gehoopt, terwijl hij zich verstopte, dat alsnog iemand anders gekozen zou worden tot koning? Saul moet in ieder geval geweten hebben: ik word geen koning in de gunst van de Heere. En hij moet gevoeld hebben: wie zou er als mens kunnen staan in de plaats van God, als koning van Israël?

Maar… gevonden! We hebben hem! Vers 23-24: Zij nu liepen, en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des volks; en hij was hoger dan al het volk, van zijn schouder en opwaarts. Toen zei Samuël tot het ganse volk: Ziet u, die de HEERE verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve! Ze zeggen: wij hebben hem! En ze namen hem van daar, en hij gaat (lang als hij is) in het midden staan van het volk. Nou, ze zijn het helemaal eens met de keuze van de Heere. Terwijl ze tegen hem opkijken, denken ze: dit is onze man! Een boom van een vent, die met kop en schouder boven iedereen uitstijgt. En dan Samuël… Zonder twijfel met een vleugje spot op zijn gezicht: ‘kijk, dat is ‘em! Jullie koning! Niemand is er zoals hij: lang…, sterk…, knap…’

Zonder de gunst van de Heere, krijgen ze wat ze gevraagd, wat ze geëist hebben, waar ze om gezeurd hebben. Met een beetje spot als ondertoon. Hij doet denken aan wat de Spreukendichter geschreven heeft in Spreuken 1:25-28: U hebt al Mijn raad verworpen, u hebt Mijn bestraffing niet gewild. Zo zal Ik ook in uw verderf lachen; Ik zal spotten, wanneer uw vreze komt. Wanneer uw vreze komt gelijk een verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt; dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden. Dreiging, waar ook liefde in doorklinkt, als u de verzen leest die daarvoor staan. Als u laat doordringen wat er staat in vers 22-23: Gij slechten! hoe lang zult u de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest u overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken. Zijn scherpe woorden zijn enkel liefde. Voordat we verder gaan met ons derde aandachtspunt gaan samen eerst zingen uit Psalm 72:5, terwijl we alvast vooruit blikken op ons volgende punt. Het woeste volk zal voor Hem knielen; Zijn vijand lekt het stof; En Tarsis voert, met rijke kielen, Geschenken naar Zijn hof; Met giften zullen langs de stromen De koningen der zee, En Scheba nevens Seba komen, Hem smekend om den vreê.

Ons derde aandachtspunt. Het gaat in deze preek over het spreken van God in Mizpa, en we letten nu op:

3. Gods woord is een blijvende wet of regel

We lezen in vers 25: Samuël nu sprak tot het volk het recht des koninkrijks, en schreef het in een boek, en legde het voor het aangezicht des HEEREN (waarschijnlijk ergens in het heiligdom).

Samuël geeft voorschriften voor volk en koning, regels over hoe het koningschap in Israël moet gaan functioneren. Hij geeft wetten die het koningschap regelen, zoals de wetten die gegeven zijn in de Deuteronomium 17. Goddelijke regels, omdat de koning van Israël altijd alleen maar plaatsvervanger is, en onderkoning blijft onder de grote, hemelse Koning.

Wat opvalt, is dat de Heere wel toegeeft aan de wil van het volk. Hij geeft hen een koning. Maar dwars daar doorheen trekt de Heere Zijn eigen plan. Die koning die Ik u geef, die moet zich wel gaan houden aan Mijn wetten en aan Mijn voorschriften. Denk niet, Israël, dat je Mij zomaar kunt verlaten, dat je zomaar los van Mij kunt raken. En trouwens, die nieuwe koning is helemaal geen koning zoals al de volken hebben. Hij staat onder Mij. Ja, je kunt wel denken dat je je eigen weg kunt gaan in het leven, maar God is Rechter. Hij staat overal boven. Hij is de Baas. Nooit kun je je in je leven ontworstelen van het gezag, aan de majesteit van de allerhoogste Schepper en Maker.

Wetten en regels. Zoals de Heere die ook nu nog geeft aan Zijn volk en aan Zijn kinderen. Niet om iets te verdienen of om daardoor de zaligheid te krijgen. Maar om in dankbaarheid gehoorzaam te leven naar Gods goede geboden, tot Zijn eer, en ook tot onze bescherming en bewaring. Ons vierde aandachtspunt:

4. Gods woord brengt verdeeldheid

We lezen verder vanaf vers 25b: Toen liet Samuël het ganse volk gaan, elk naar zijn huis. En Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, en van het heir (leger) gingen met hem, welker hart God geroerd had. Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zou ons deze verlossen? en zij verachtten hem, en brachten hem geen geschenk. Doch hij (Saul) was als doof. Soms is wat na een vergadering gebeurt minstens zo belangrijk als wat tijdens de vergadering gezegd wordt. Zo ook hier. Iedereen gaat naar huis, maar het volk is verdeeld. Het hart van sommigen (vers 26) is door de Heere aangeraakt. Zij gaan mee met de nieuwe koning, met Saul, als een soort van nieuw lijfwacht. Anderen (vers 27), kinderen Belials (letterlijk: nietsnutten) verachten hem. Wat kan die lange boerenslungel uit de stam van Benjamin voor ons doen? Die zoon van Kis? Zou hij ons kunnen verlossen? Was het jaloezie? Omdat ze misschien zelf koning wilden zijn? Maar Saul verdraagt het. Hij reageert niet: hij was als doof, staat er.

Ondertussen komen er steeds meer dingen naar voren, die ons misschien wel een beetje doen denken aan de andere Koning. Aan de komende koning, de grote Davidszoon, de Messias, de Heere Jezus Christus. Is Saul soms een type van de Heere Jezus, zo vragen we onszelf af? Een type, jongens en meisjes, is iemand die lijkt op de (toen nog) komende Heere Jezus Christus. Iemand die bijvoorbeeld op de Heere Jezus lijkt in zijn gedrag, zijn doen en laten, zijn karakter of in

wat hij zegt. Iemand die dus als het ware vooruit wijst naar de komende Messias, de Heere Jezus. Die uiteindelijk ook gekomen is. Is Saul zo iemand? Is hij zo’n type van de Heere Jezus? Lijkt hij op Hem? Lijken ze op elkaar?

Nee. Helemaal niet. Als je goed kijkt zie je eigenlijk vooral verschillen. Ik ga drie verschillen noemen, maar misschien kun je er thuis nog wel meer bedenken. a. Als eerste: Saul verstopt zich achter de bagage. Misschien is hij zich wel bewust van zijn onvermogen. Misschien weet hij heel goed bij zichzelf, dat hij niet zal kunnen staan in de plaats van God, als Koning van Israël. Hij kruipt weg, hij verstopt zich. Maar Koning Jezus is precies tegenovergesteld. Hij kon (overtuigd van Zijn bevoegdheid, van Zijn aanstelling, Zijn zalving, Zijn vermogen, Zijn kracht, Zijn macht en bekwaamheid) zeggen: Hier ben Ik! Hij verstopte Zich niet, maar Hij trad naar voren. Hij is trad naar voren in de stilte van de eeuwigheid. Toen Hij zei: Zie, ik kom; in de rol des boeks is van mij geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands (Psalm 40:7-8). En toen Hij geëist werd in de donkere nacht van Gethsémané, toen stapte Hij vooruit en zei: hier ben Ik, indien u dan Mij zoekt, zo laat deze discipelen heengaan. Een gewillige Koning, voor een volk dat God verworpen had en hun Messias verwerpen zou. In het paradijs al met Hem gebroken, voor Hem verstopt en weggekropen. En uiteindelijk hebben ze geroepen: kruis Hem!

b. Een tweede verschil: Saul heeft een verdeeld volk. Er zijn trouwe aanhangers, maar er zijn ook kinderen Belials, nietsnutten die hem verachtten. Maar de grote Davidszoon, de Heere Jezus Christus, heeft een volk dat in veel opzichten een is, dat een eenheid vormt. Wij (die nu door genade de Heere mogen dienen) waren allemaal schurken, nietsnutten, vijanden van de Koning. We waren allemaal tegen Hem. Niemand heeft zich ooit opgeworpen als een vriend, beschermeling of trouwe onderdaan van deze Koning. Maar al die vijanden, al die opstandelingen en deserteurs, heeft Hij met liefde in het hart gegrepen en op de knieën gebracht. Hij heeft ze met liefde onderworpen en uiteindelijk geheel gewillig gemaakt. Ja, dat verzet heeft misschien wel heel lang geduurd, en duurt bij perioden nog steeds voort. Maar toch, in beginsel gewillig gemaakt, om in te stemmen met de regels van Zijn koninkrijk. Met misschien wel de belangrijkste regel van het koninkrijk der hemelen: de wet, de regel van genade: u hebt de dood verdiend, maar de doodstraf was op Mij. En Ik bied u genade. Maar zelf verdienen, dat is uitgesloten! Wat een wonderlijke Koning is Hij. Tegen weglopers, deserteurs, die Hem verworpen hebben, tegen kinderen Belials, nietsnutten, zegt Hij: zij zullen Mij tot een volk zijn, en blijven. Mijn volk.

c. Een derde verschil: Saul is gebleken onbekwaam. Hij is geestelijk onbekwaam: hij bidt niet, hij vraagt niet naar de wil van de Heere, en (in 1 Samuël 9) kent hij de profeet Samuël niet eens. En hij is daadwerkelijk onbekwaam om koning te zijn, want hij kan niet eens een stel ezelinnen vinden.

Maar daartegenover staat koning Jezus, in alle opzichten een bekwame Koning. Geestelijk, een biddende Koning voor een biddeloos volk, een gehoorzame Koning voor ongehoorzame onderdanen. En ook daadwerkelijk is Hij bekwaam tot Zijn hoge ambt: wat Hij zoekt, dat vindt Hij altijd. Hij zocht en zoekt de eer van Zijn Vader, en vond en vindt die in alles en altijd. En Hij zocht en zoekt verloren zondaars, geen verloren ezelinnen maar verloren schapen. En dat doet Hij nog steeds. Hij zoekt ze, Hij houdt ze vast en laat ze nooit meer los.

Saul en koning Jezus zijn zo verschillend. Hij is zeker geen type van de Heere Jezus. Maar er zijn wel overeenkomsten als het gaat over de gevolgen van het koning zijn van Saul en van het koning zijn van de Heere Jezus. Daar zit wel een zekere analogie in. Niet in de persoon van Saul en de Heere Jezus, maar in het koningschap, in de gevolgen van het koning zijn. Het koningschap van Saul brengt verdeeldheid een scheiding onder het volk. En dat doet het koningschap van de Heere Jezus ook. Dat heeft Hij zelf gezegd in Lukas 12:51: Meent u, dat Ik gekomen ben, om vrede te geven op de aarde? Nee, zeg Ik u, maar veeleer verdeeldheid. Want de een zegt (en dat geldt ook nu), wat ze destijds ook zeiden: is deze niet Jezus, de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt Deze dan: Ik ben uit de hemel neergedaald? Wat moet ik met deze Koning? Ja, u zegt het wel anders, maar u bedoelt hetzelfde. U voelt u gepasseerd, net als die nietsnutten in Israël destijds. Waarom zou u zelf geen koning kunnen zijn? Ja, dat dachten we vroeger ook al, in het paradijs…

De een zegt: ik wil niet dat Hij koning over mij is! De ander zegt: o, dat ik Zijn onderdaan mocht zijn, en dat Hij mijn Koning zou willen zijn. Maar, vergis u niet. U mag zijn onderdaan zijn. En Hij wil uw Koning zijn. Maar het probleem zit hier, in mijn eigen hart. Ik heb zoveel moeite met en verzet mezelf zo tegen Zijn voorwaarden, tegen de wetten van Zijn koninkrijk en vooral tegen de hoofdwet van Zijn genade. Tegen die hoofdregel van het Koninkrijk der hemelen, die zegt: u bent een vijand, u moet voor de Koning buigen als een vijand en verloren zondaar. Kom op die manier, in die weg, smekend, met het koord van de veroordeling om de hals, dan zal Ik u Mijn genade geven. Niet omdat u die verdiend hebt, maar dat is de weg die u gewezen wordt in het Koninkrijk der hemelen. Verdienste of prestatie? Nee, dat is niet de manier van Zijn koning zijn, van Zijn regeren en overwinnen. En als u nu voelt, in het diepst van uw hart, dan voelt u dat juist daar de knoop zit. Al uw verzet balt zich daar tegen samen: want ik wil geen zondaar zijn, ik wil geen verlorene zijn. Ik wil niet buigen voor die regel van genade, voor de hoofdregel van het Koninkrijk der hemelen. U zegt: wat moet ik dan doen? Nu ik dat verzet in mijn hart zo voel, en zie dat ik niet buigen wil voor deze Koning?

Zegt u maar met Jeremia, wat we lezen in Klaagliederen 5, als eerste dit: de kroon is van mijn hoofd gevallen, o wee nu mij, dat ik zo gezondigd heb! (16,22). En dan als tweede dit: Heere, bekeer ons tot U, zo zullen wij bekeerd zijn (21).

Heere bekeert U ons, dan zullen wij voor U buigen. Wij willen niet buigen voor U, wilt U ons dan buigen? Want als U dat doet, dan zal het echt gebeuren, dan zullen we echt buigen. En dan zullen we U ook alle lof daarvan geven: van Uw werk, van Uw genade en van Uw eeuwige welbehagen. En dan zullen ook wij, voor de Koning buigende onderdanen, roepen: de Koning leve! Want onze Koning is door Israëls God gegeven. En dat is alleen om Uw genade, om Uw eeuwige welbehagen.

Amen.

Slotzang Psalm 40:4,8:

Brandofferen, noch offer voor de schuld, Voldeden aan Uw eis, noch eer. Toen zeide ik: "Zie, ik kom, o HEER; De rol des boeks is met Mijn naam vervuld. Mijn ziel, U opgedragen, Wil U alleen behagen; Mijn liefde en ijver brandt: Ik draag Uw heilige wet, Die Gij den sterveling zet, In 't binnenst' ingewand."

Verheug het volk, verblijd hen allen, HEER, Die naar U zoeken t' elken stond'; Leg steeds Uw vrienden in den mond: "Den groten God zij eeuwig lof en eer." Schoon 'k arm ben en ellendig, Denkt God aan mij bestendig; Gij zijt mijn hulp, mijn kracht, Mijn redder, o mijn God, Bestierder van mijn lot, Vertoef niet, hoor mijn klacht.