PREEK · KERKELIJK JAAR

Maria Magdalena (I) - Johannes 20

Pasen - 31 maart 2024

Johannes 20:15: Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.

INLEIDING

Maria Magdalena, eerder verlost van zeven duivelen, staat wenend bij het lege graf, haar Heere kwijt. Engelen en de onherkende Jezus vragen naar haar tranen en haar zoeken. Zij zoekt verkeerd: een gestorven Jezus, ver weg, terwijl Hij dichtbij en levend is. Niet haar eigen keus, maar Zijn stem brengt de wending: Hij noemt haar naam, en zij herkent Hem als Rabbouni. Zo zoekt Christus Zelf hen die Hem, ondanks dwaling en verdriet, waarachtig liefhebben.

THEMA

Hebt u Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?

KERNPUNTEN

  1. Het verdriet van Maria
  2. De vraag van de engelen
  3. De vraag van Jezus
  4. Zijn ontmoeting met haar

JOHANNES 20:11-16

11 En Maria stond buiten bij het graf, wenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf,
12 En zag twee engelen in witte klederen zitten, een aan het hoofd en een aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had.
13 En die zeiden tot haar: Vrouw, wat weent gij? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar zij Hem gelegd hebben.
14 En als zij dit gezegd had, keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus staan, en zij wist niet dat het Jezus was.
15 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.
16 Jezus zeide tot haar: Maria. Zij zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd: Meester.

VOLLEDIGE TEKST

Maria Magdalena (I) - Johannes 20

ds. J. IJsselstein - Johannes 20:15

THEMA

Hebt u Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?

Ze zijn die ochtend al heel vroeg op pad gegaan. Enkele vrouwen, die in alle vroegte specerijen klaar gemaakt hebben om het lichaam van de gestorven Heere Jezus te zalven. Maria Magdalena hoort ook bij dat groepje vrouwen, dat al heel vroeg, als het nog donker is, op weg gaat.

Samen gaan ze - terwijl het in het oosten langzaam begint te lichten - op pad, naar het graf van de Heere Jezus. Totdat ze, tot hun grote schrik, als ze bij het graf aankomen, zien dat de steen van het graf weggerold is. Het graf staat open! Eén van die vrouwen, Maria Magdalena, loopt snel terug naar de stad om Petrus en Johannes op te halen: ‘Kom, het graf van de Meester staat open! Zij hebben de Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar zij Hem gelegd hebben’ (vers 2).

Petrus en Johannes rennen naar de ‘plaats des onheils’ (althans ze denken, dat het een plaats van onheil is). Johannes komt als eerste aan bij het graf. Hij bukt…, hij kijkt in het graf… Hij ziet de doeken liggen, waarin het lichaam van de Heere gewikkeld was. En ook de zweetdoek die om Zijn hoofd was, maar die ligt op een andere plek. En dan komt ook Petrus dichterbij. Hij gaat het donkere graf in. En ziet het. En gelooft: de Heere is hier niet! Maar, begrijpen doen ze het niet... Want zij wisten nog de Schrift niet, dat Hij van de doden moest opstaan.

En dan…, ja, dan gaan die twee mannen weer terug naar huis. En de meeste vrouwen gaan ook terug (Matth. 28:8). Ze gaan naar huis, met vrees en grote blijdschap. En dus, wie staat er nu nog, alleen, bij dat open graf? Maria Magdalena.

Wie was dat eigenlijk, Maria Magdalena? Maria Magdalena kwam uit het dorpje (dat hoor je in haar naam) Magdala. Dat was een klein dorpje in het noorden van Israël, in Galilea. In het ‘Galilea der heidenen’, waarover de profeet Jesaja ooit profeteerde, toen hij zei: Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen (Jes. 9:1).

En die profetie van Jesaja is in het leven van Maria Magdalena vervuld. Immers zij was, dat was haar vroegere leven (zo vertelt Lukas), zij was voorheen bezeten door zeven duivels (Mark. 16:9; Luk. 8:2-3). Ze werd gevangengehouden door de ketenen van de macht der duisternis. Ze was het lijdende voorwerp van een demonisch spel van zeven duivels, die haar kwelden met uitzichtloosheid, angst, wanhoop en geestelijke duisternis (zie Luk. 6:18, Hand. 5:16).

Maar aan die geestelijke kwelling kwam een einde toen Jezus tot haar kwam. Door Zijn kracht zijn die zeven duivels uit haar uitgeworpen. Zij is door Jezus overgezet uit de duisternis tot Zijn wonderbare licht (1 Petr. 2:9).

En sindsdien dient ze de Heere door Hem, samen met andere vrouwen, te volgen en voor Hem te zorgen (Luk. 8:2-3). Ze zorgen waarschijnlijk met elkaar niet alleen voor onderdak, maar bijvoorbeeld ook voor het eten en voor de was. En zodoende leven deze vrouwen, zodoende leeft ook Maria Magdalena, heel dicht bij de Heere Jezus.

Waarom wil ze dat zo graag? Waarom heeft ze zoveel voor Hem over? Omdat ze zoveel van de Heere houdt, omdat ze Hem zo liefheeft. Het was Zijn liefde die haar destijds verloste uit de banden van de duisternis. Hij was het, Die haar een nieuw hart en een nieuw leven gaf. En sindsdien brandt haar hart van wederliefde, van liefde terug tot Hem. En dus volgt ze de Heere, in alle omstandigheden van Zijn moeilijke leven.

Zo stond ze een paar dagen geleden ook bij Zijn kruis. Eerst dichtbij, later van verre. Het staat in Johannes 19:26: En bij het kruis van Jezus stonden Zijn moeder en Zijner moeders zuster, Maria, Klopas’ vrouw, en… Maria Magdaléna.

En toen…, toen stierf Hij. Haar Heere, haar Meester, haar alles. En sindsdien is Maria Magdalena hopeloos verdrietig in haar hart. De Heere, Die zoveel voor haar heeft betekend, Die haar verlost heeft van die zeven duivels, Die altijd zo vriendelijk voor haar is geweest, die Heere en Meester is gestorven. Wat een verdriet!

Kijk maar in vers 11: Maria stond buiten het graf (iedereen is ondertussen weer naar huis), wenende. Ze moet heel erg hard huilen. Waarom? Haar Heere Jezus is gestorven. Dat was al zo erg! En nu is Zijn graf ook nog open ook! Wat is er toch gebeurd?

Over die Maria Magdalena, over haar verdriet en haar liefde tot de Heere Jezus, maar vooral over de liefde van de Heere Jezus tot haar, daarover gaat vanmorgen de preek. De tekst kunt u vinden in Johannes 20:11-16, waarvan ik u nu als samenvatting het eerste deel van vers 15 nog een keer voorlees, waar staat: Jezus zei tot haar: ‘Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij?’

Het thema voor de preek, en u hoort dat het een citaat is uit Hooglied 3, het thema voor de preek is: Hebt u Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft? (Hoogl. 3:3)

Er zijn vier aandachtspunten. We letten samen op: 1. Het verdriet van Maria (dat ziet u in vers 11) 2. De vraag van de engelen (dat ziet u in vers 12 en 13) 3. De vraag van Jezus (dat ziet u in vers 14 en 15) 4. Zijn ontmoeting met haar (dat ziet u in vers 16) Als eerste dus:

1. Het verdriet van Maria

Maria moet, terwijl ze staat in de buurt van het geopende graf, heel erg hard huilen. Je zegt: ‘Laat ze dan ook, net als de anderen, weer snel naar huis gaan. Het is ook allemaal zo verdrietig en zo eng. En er is ook zoveel gebeurd: eerst die aardbeving, en nu is het hier in vroege ochtend bij het graf ook zo angstig stil. Er is verder niemand!’

Je voelt met haar mee, toch? Met die mengeling van verdriet, huiver, en angst…. Wat is hier toch gebeurd? Dat openstaande graf…?

En toch, jongens en meisjes, blijft ze staan. Ze komt zelfs dichterbij. Ze loopt naar het graf toe (zo staat er), ze bukt, en ze kijkt in het graf… (vers 11).

Waarom gaat ze niet naar huis? Waarom bleef ze eerder altijd al bij Jezus? En waarom wil ze ook nu niet naar huis? Omdat ze de Heere liefheeft. Ze heeft Hem, de Heere Jezus, zo lief. Hij heeft zoveel voor haar betekend. Hij heeft de duisternis van haar leven tot licht gemaakt. Hij heeft haar een nieuw hart en een nieuw leven gegeven. Hij heeft haar weeklacht en geschrei, veranderd in een blijde rei. Ze heeft zoveel gehad aan Zijn preken, ze is zo vertroost door Zijn woorden, ze heeft zoveel geleerd van Zijn onderwijs. En ze geloofde dat Hij het was, de Messias, Die Israël verlossen zou.

Maar nu…, nu is Hij niet meer. Letterlijk ook. Want nu is Zijn lichaam ook nog weggehaald!

Vroeger had ze zoveel. Ze had zoveel van de Heere gekregen: geloof, hoop, vertrouwen en liefde. Maar is er eigenlijk nog wel iets van dat alles overgebleven? Nou, haar geloof ligt in ieder geval helemaal overhoop. En haar hoop, die is vervlogen. Maar…, ja, dat is er nog wel, en dat houdt haar op haar plek: haar liefde!

Ja, dat zeg ik wel zo, maar eigenlijk is die liefde niet van haar, maar van de Heere Jezus. Hij heeft Zijn liefde in haar hart uitgestort en daarom heeft ze Hem lief (Rom. 5:5).

Het is Zijn liefde in haar hart, Zijn werk dat Hij Zelf in het leven behoudt (Hab. 3:2). Hij heeft haar liefgehad tot het einde. Zijn liefde (de liefde van de Heere Jezus) is sterk als de dood, als vlammen van vuur. Heel veel water, vele wateren kunnen die liefde niet uitblussen (zie Hoogl. 8:6-7). Zijn liefde voor haar, en haar gekregen liefde tot Hem, die houden haar op haar plek.

En dus? Is het graf open? Dan moet ze Jezus nog meer zoeken! Want dan is ze Hem helemaal kwijt. Ze mist Hem zo… En als je je liefste mist, als je je liefste kwijt bent, dan ben je alles kwijt. Dat is nog steeds zo, toch? Zegt onze belijdenis niet, dat als de Heere zich voor Gods kinderen verbergt, dat dat dan voor ons hart bitterder is dan de dood (DL V, 13)? Dat geeft in ons hart een diep en intens verdriet.

Uit heel de Bijbel blijkt (kijk maar hier, kijk maar naar het Psalmenboek en op tal van andere plaatsen), uit heel de Bijbel blijkt dat God, dat Christus Zich soms of vaker voor Zijn kinderen verbergt. Hij lijkt weg te zijn. We zien Hem niet meer. Hoe dat komt, dat zullen we straks wel zien. Maar het feit is er wel: Hij lijkt afwezig. En als dat zo is, dan lijkt alles weg te zijn! En vervolgens doet de duivel er ook nog een schepje bovenop, door ons in te fluisteren: ‘U kent Hem niet eens! Waar is uw geloof, uw hoop, uw vertrouwen? U hebt geen heil bij God!’

Datzelfde zien we hier ook bij Maria Magdalena. Ze mist haar Heere. En ze gaat (en daarmee is tegelijkertijd de weg aangewezen voor andere mensen die Hem missen), ze gaat Hem zoeken. Want tot wie moet ze anders heengaan, Hij alleen heeft toch de woorden van het eeuwige leven? (Joh. 6:67) En dus gaat ze Hem zoeken.

Het eerste wat ze doet is: ze bukt in het graf (vers 11). En daar ziet ze twee engelen zitten, één aan het hoofdeinde en één aan het voeteneinde, bij de plaats waar de Heere Jezus gelegen heeft. En dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. De vraag van de engelen

Je ziet het in gedachten voor je. Die heel hard huilende Maria. Ze bukt in het graf en door haar tranen heen probeert ze in het donker naar binnen te kijken. En dan… Dan zien twee engelen in het graf die twee ogen vol verdriet en tranen. Ik zoek Hem, Die mijn ziel liefheeft.

Je ziet, je proeft de geraaktheid en de verbazing van deze heilige engelen. Ze zeggen ook niet: ‘Vrees niet!’ Nee, want ze zien geen angst, ze zien geen vrees. Ze zien bittere tranen! Zulk verdriet, zulke tranen, hebben ze nog nooit eerder gezien. Nee, dat klopt ook. Want zij weten niet wat het is, om verlost te zijn uit de greep van de duisternis, uit zo grote nood en dood.

En ze weten ook niet wat het is, om hun Heere te moeten missen. Je proeft, je hoort ook hun verbazing en geraaktheid, als zij zeggen in vers 13: ‘Vrouw! wat weent u? Waarom moet u toch zo hard huilen?’ Ze voelen het, ze zien het: hier is geen troosten aan! Deze tranen kunnen zij niet wegnemen. Dit kan alleen hun opgestane Heere en Zender.

En zij (Maria) zei tot hen: Omdat zij mijn Heere weggenomen hebben, en ik weet niet, waar zij Hem gelegd hebben (vers 13b). Ze schrikt niet van de engelen, ze heeft geen interesse in de doeken die op de grond liggen (tekenen en bewijzen van Zijn opstanding!), er is maar één ding in haar hart: Waar is mijn Heere?

Hoor je wat ze zegt? Ze is de Heere kwijt, maar de liefde in haar hart heeft Hem als het ware vastgehouden, want ze zegt: Waar is mijn(!) Heere? Hebt u Hem soms gezien? Wie? Hem, Die mijn ziel liefheeft!? Ik heb Hem zo(!) lief, mijn Heere... Maar Hij is weg. Ze hebben Hem weggenomen.

Ze hebben hem weggenomen. Wie die ‘ze’ dan ook mogen zijn. Misschien denkt Maria Magdalena aan grafrovers, die Zijn lichaam gestolen hebben. Maar misschien denkt ze ook wel gewoon aan Nicodemus en Jozef van Arimathea en hun helpers, die de Heere na die haastige begrafenis op vrijdag, nu wellicht op een andere plaats gelegd hebben. Maar hoe dan ook, ze moet Hem hebben! Anders zullen haar tranen nooit opdrogen!

Misschien zitten hier ook wel van die mensen. Als u Hem niet vindt, dan zullen uw tranen nooit opdrogen. U zoekt Hem, Die uw ziel liefheeft… Zoekers…

Zoekers…, die zijn er in verschillende soorten. Er zijn (laat ik dat eerst zeggen) ook heel veel mensen die niet zoeken. Die heb je trouwens ook weer in twee soorten. a. De eerste soort van mensen die niet zoeken, dat zijn mensen die helemaal geen interesse hebben in Jezus. Het leven van nu heeft genoeg leuks te bieden. Waarom zou je zo moeilijk doen? Waarom zou je bidden, Bijbellezen, zoeken? Zo zijn we van nature allemaal. Er is door onze diepe val in het paradijs van nature helemaal niemand die God zoekt (Ps. 14:1-3).

b. Er is ook nog een ander soort van mensen die niet zoeken. Dat zijn mensen die zeggen: ‘Nee, we hoeven Hem niet te zoeken, want we hebben Hem al lang! Waarom zou je Hem zoeken? Wij zijn naar Hem toe gegaan, wij hebben Hem gevonden en nu is en blijft Hij gewoon voor altijd van ons.’ Maar hier in deze geschiedenis zie je, dat de echte Jezus anders is. Die laat Zich wel degelijk (ook na gekregen genade) zoeken! En uiteindelijk vindt Hij Zelf degenen die Hem zoeken.

Maar er zijn ook mensen die wel zoeken. Echte zoekers… Die heb je ook in twee soorten. a. Er zijn mensen die heel veel dingen zoeken, maar Jezus zoeken ze niet. Ze zoeken hun leven in uiterlijke netheid, in stiptheid en in een leven volgens Gods geboden. Maar Jezus? ‘Nee’, zeggen ze, ‘Die kan je niet zoeken. Maar, als je goed je best doet, dan komt het misschien toch wel goed, dan maak je misschien toch wel een kans…’

b. En dan zijn er gelukkig ook nog mensen zoals Maria Magdalena. Ze zoeken. Ze zijn zoekend gemaakt. Dat is Gods werk! Want dat deden ze van zichzelf ook niet. Er is immers niemand die van zichzelf uit God zoekt. Ze zoeken. Ze zijn zoekende gemaakt. Maar, ze zoeken vaak zo verkeerd.

Maar, ze zoeken wel! En ze zoeken met groot verdriet. Want Jezus is hun alles geworden! Maar waar en hoe zullen ze Hem toch vinden? Ze zuchten met de bruid uit het Hooglied: Ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet (3:2).

Hoe komt dat, dat u Hem niet vindt? Hoe komt het, dat Maria Magdalena Hem niet vindt? Omdat u, omdat ook zij verkeerd zoekt.

Hoe dan? Nou, ze zoekt een Jezus van Wie ze denkt dat Hij weg is. Ze denkt dat Hij weggenomen of gestolen is. Maar Hij is niet ver weg! Hij is heel dichtbij. En, ze zoekt een gestorven Jezus, een levenloos lichaam. Maar dat is er niet, dat is nergens meer! Want de Heere is opgestaan.

Zoals ook nu nog zoekende mensen vaak zo verkeerd zoeken. Naar dingen zo ver weg, zo onbereikbaar. Terwijl de Heere zo dichtbij is. Waar dan? Hier, in de prediking van het Woord, hier in de Schriften (Deut. 30:14, Rom. 8:10).

Hoe komt dat? Dat wij vaak zo verkeerd zoeken? Dat Maria Magdalena zo verkeerd zoekt? Nee, aan haar liefde ligt het niet. Waaraan dan wel? Aan het goed luisteren naar, aan het geloof in de woorden van de Heere Jezus Christus. Hij had het toch vaak gezegd? Zo vaak! Na drie dagen zal Ik opstaan. En nu staat het graf open op de derde dag. De vijanden weten het nog, maar zij is het (net als de discipelen) vergeten!

Toen de Heere het destijds zei, had ze het ook al niet begrepen. Ook toen verstond ze Zijn woorden, ook toen verstond zij de Schriften niet. Welke woorden, welke Schriften? Deze, dat de Christus moest lijden, sterven en opstaan, ook vanwege haar schuld voor God (Matth. 16:21 ev.). Ze had het nooit goed begrepen, dat dat echt nodig was, dat het moest met een Goddelijk moeten. Omdat God rechtvaardig was en is. En dus moest de zonde gestraft worden.

En nu juist in de tijd dat de Heere haar dat wil leren, juist in die tijd verbergt Hij Zich. Juist om haar dat te leren. Juist daarom, met dat doel, ontneemt Hij haar haar hoop en geloof. En nu lijkt alles weg, nu lijkt alles zo verloren… Maar, en dat is wonderlijk, hoe meer ze kwijtraakt, hoe harder haar liefde gaat branden en hoe meer ze Hem nodig krijgt.

Misschien is dat bij u of bij jou ook wel zo. Uw hart gaat zo naar Hem uit. O, wat zou u Hem graag vinden. U hebt overal gezocht, maar niet gevonden. En ondertussen bent u zoveel, bent u alles van voorheen kwijtgeraakt. En de stemmen van mensen, zelfs de vriendelijke gezichten van engelen, het is allemaal goed bedoeld, maar het kan u geen geloof geven. Zelfs de doeken in het graf kunnen u geen hoop geven. U moet Hem hebben!

En nu…? Hoe moet nu verder? Met haar? Met u, met jou? Lieve mensen, zoek Hem niet langer, daar waar Hij niet te vinden is. Hij is niet te vinden in uw werken, in de specerijen die u draagt. Hij is niet te vinden in uw liefde, in uw tranen, in uw ijver, in uw gebeden. Hij is niet te vinden in de offers die u brengt, in de tranen die u plengt. Hij is hier! In het Woord. In de prediking. Waarin Hij zegt, vooral tegen u, zoekers: Ik heb tot het zaad van Jakob niet gezegd: Zoekt Mij te vergeefs (Jes. 45:19).

U zegt: Hem zoekt mijn hart, mijn oog blijft op Hem staren (Ps. 119:5, ber.) Ik antwoord u met een citaat van Matthew Henry: Is het Christus die u hebben wilt? Christus zult u hebben! Voordat we verder gaan met onze derde gedachte, zingen wij nu eerst uit Psalm 63:1,2: O God, Gij zijt mijn toeverlaat; Mijn God, U zoek ik met verlangen, Zo ras wij 't morgenlicht ontvangen, Bij 't krieken van den dageraad. O HEER, mijn ziel en lichaam hijgen, En dorsten naar U in een land, Dat, dor en mat, van droogte brandt, Waar niemand lafenis kan krijgen.

'k Heb U voorwaar in 't heiligdom Voorheen beschouwd met vrolijk' ogen; Hoe zag ik daar Uw alvermogen! Hoe blonk Uw Goddelijk' eer alom. Want beter dan dit tijdelijk leven Is Uwe goedertierenheid. Och, werd ik derwaarts weer geleid! Dan zou mijn mond U d' ere geven.

Het gaat vanmorgen in de preek over de hartevraag van Maria Magdalena: Hebt u Hem gezien, die mijn ziel liefheeft? Ons derde aandachtspunt:

3. De vraag van Jezus

Maria Magdalena draait zich om, en ineens ziet ze een man staan. Is dat… de tuinman, de hovenier misschien? Het is de Heere Jezus, maar ze herkent Hem niet.

Waarom zou zij Hem niet herkennen? Misschien ziet ze door al haar tranen heen niet zo helder. Want je weet wel, jongens en meisjes, als je heel veel tranen in je ogen hebt, kan je moeilijk kijken, dan ziet alles er een beetje anders, een beetje wazig uit. Of misschien worden haar ogen ‘gehouden’, misschien belemmert de Heere Zelf, dat zij Hem herkent. Zoals later ook bij de Emmaüsgangers en bij de discipelen aan de zee van Tiberias gebeurt. Maar het is vooral ook: ze ziet Hem niet, want ze verwacht Hem hier niet. Ze denkt dat Zijn gestorven lichaam ergens anders is.

Zoekende mensen onder ons, waarom verwacht u Hem zo weinig? Hier, onder de prediking van het Woord? Waarom denkt u, dat de Meester zo ver weg is? Hij is dichtbij. En Hij zoekt u…

Trouwens, wat een wonder is dat! Dat de Heere uit enkel genade, uit opzoekende liefde, Zijn dwalende kinderen niet laat dwalen. Maar ze in al hun dwalen opzoekt. Omdat Hij hen heeft liefgehad. Hij was het in de eerste plaats, die hen liefhad. En die Hij liefgehad heeft, die heeft liefgehad tot het einde (Joh. 13:1).

Hoor maar in vers 15: Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent u? Wie zoekt u? Waarom vraagt de Heere dat aan Maria Magdalena? Wat Hij ook aan u, zoekende mensen, vanmorgen vraagt? ‘Zeg eens tegen Mij: Wat huilt u? Wie zoekt u?’ De Heere weet dat toch wel? Waarom vraagt Hij het dan? Omdat Hij het zo graag uit uw eigen mond wil horen.

Zoekende zondaars, zeg het maar! Man, vrouw, wat weent u, wat huilt u toch? Wie zoekt u? Mijn duive, zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene van een steile plaats, toon Mij uw gedaante (kom toch tevoorschijn met al je armoede, met je gemis, met je tranen), doe Mij uw stem horen (zeg Mij: wie zoekt u?); want uw stem is zoet, en uw gedaante is liefelijk (Hoogl. 2:14).

Maar zij, menende dat het de hovenier was, zei tot Hem: ‘Hebt u Hem misschien gezien, die mijn ziel liefheeft?’ Heere, zo u Hem weggedragen hebt, zeg mij, waar u Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen (vers 15).

Hier ziet u, gemeente, wat zo’n zoekend hart verlangt. Maar één ding! Ik heb alles verloren, ik ben alles kwijtgeraakt. Maar, Heere, één ding: Geef me Jezus! Voor het eerst, en ook na ontvangen genade, in tijden dat het geestelijk donker is: ‘Heere, naar wie moet ik anders heengaan? U alleen hebt toch de woorden van het eeuwige leven? Geef me Jezus, of ik sterf van verdriet.’ Wat gaat daar vaak een tijd van twijfel en ongeloof, een tijd van worstelen en weerstand aan vooraf. Wat gaat daar vaak een tijd van heel veel zoeken aan vooraf…

Totdat we alles kwijt zijn. Wat we ten diepste niet willen! Maar uiteindelijk worden we gewillig gemaakt, uiteindelijk staan we het toch gewillig af. Al die gronden die geen gronden kunnen zijn voor de eeuwigheid. En leren we instemmen met Gods manier van zalig worden.

Ik heb niets. Alleen maar schuld, alleen maar gemis, alleen maar tranen. En dan? Hoe komt de zaak dan uiteindelijk tot een oplossing? Door de ontmoeting met Christus. Dat zien we in onze vierde en laatste gedachte

4. Zijn ontmoeting met haar

Als we lezen in vers 16: Jezus zei tot haar: Maria! Komt er in een zoekende ziel uiteindelijk een oplossing door een zelf gemaakte beslissing, door een eigen keus? Nee, het hart van Maria is vol van ongeloof, verwarring en verdriet. Het komt van de andere kant. Ondanks al haar ongeloof en dwalen. Wat is dat toch een wonder! Van ons komt het nooit. Maar het is Jezus, Die zegt: Maria!

Alleen haar naam. En dat is genoeg. Want ze hoort direct, dat Hij haar kent. Hij kent haar. Hij weet alles van haar. Hij weet van haar verleden. Hij weet wie ze vroeger was. Hij kent haar gemis, haar armoede, haar liefde en haar tranen. Hij weet alles van haar. En nu noemt Hij, vol van liefde, zorg, ontferming en hartelijkheid, haar naam: Maria! En Zijn stem breekt haar ogen open.

Dit is de stem van haar Liefste, Die haar naam noemt. Immers Hij kent, zegt Mozes, de Zijnen bij naam (Ex. 33:12). En de schapen horen, de schapen herkennen Zijn stem (Joh. 10:4). En als dat zo is, dan roepen ze uit, met de dichter van het Hooglied: Dat is de stem mijns Liefsten, ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen! (Hoogl. 2:8)

In die stem kan je je niet vergissen. Als die stem je naam noemt: Maria! Zij zocht verkeerd, zij dwaalde zo in haar zoeken. Maar nu blijkt dat Hij haar als eerste van iedereen heeft opgezocht.

En wat overtreft alles haar verwachtingen. Ze zocht een dode Jezus, maar nu staat Hij levend voor haar. Ze zocht Hem in het graf, maar nu blijkt dat Hij haar zoekt buiten het graf.

Is dat niet vaak Gods patroon, Gods manier van werken? Dat Hij mensen zoekend maakt? En dat dat zoeken daarna vaak steeds moeizamer en angstiger wordt? Want ik vind Hem niet, daar waar ik Hem zoek. En wat ik dacht dat ik had, blijkt het niet te zijn. Ik raak steeds verwarder en het lijkt steeds hopelozer te worden. Ik raak steeds meer, ik raak alles kwijt.

Totdat ik mijn tranen, de tranen van mijn hart ga uitstorten en ga roepen: ‘Heere, waar toch kan ik U vinden? U zoekt mijn hart!’ Maar, ga ik voorwaarts, zo zie ik U niet, ga ik achterwaarts, ik merk U niet op (Job 23:8). Bent U vergeten genadig te zijn? (Ps. 79:10). Gena, o God, genâ, hoor mijn gebed? Ik zoek U in de dageraad, mijn ziel dorst naar U, in een land dor en mat zonder water (Ps. 63:2).

Totdat Hij, op Gods tijd, Zelf tot ons komt. Met een enkel woord. En wat overtreft Hij dan in alles onze verwachtingen. Eén woord uit Zijn mond, dat zien we hier, is genoeg om ons hart te vullen met blijdschap en geloof. Dit is mijn Liefste! Mijn liefste is mijn, en ik ben Zijn (Hoogl. 2:16). Dan roepen we uit met Thomas: Mijn Heere en mijn God! (Joh. 20:28).

Die stem, dat noemen van mijn naam, dat kan alleen maar weerklank geven in mijn hart met een hartelijk ‘amen’, met een gewillige aanvaarding, met een hartelijke toe-eigening. Kijk maar in vers 16: Zij, zich omkerende, zei tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester. Vol van eerbied, vol van liefde, zegt ze: ‘Mijn Heere, mijn Meester!’

Nu dan, u die Hem liefhebt, u die Hem zoekt, leer toch uit deze geschiedenis twee dingen. Als eerste dit: dat u Hem niet moet blijven zoeken op verkeerde plaatsen. Daar waar Hij niet te vinden is. Maar ook, in de tweede plaats: Grijp moed. U die God zoekt in al uw zielsverdriet, houd aan, grijp moed, uw hart zal vrolijk leven (Ps. 69:13, ber.).

Want Jezus is niet meer in het graf. Maar Hij leeft. En Hij zoekt juist zulke harten, vol van verwarring en ongeloof, en toch ook vol van liefde. Harten van mensen die Hem niet meer kunnen missen.

Dit zijn de eerste woorden van de opgestane Christus. Tot u gericht, zoekende zondaars, in al uw zielsverdriet. Hij kent uw verdriet, als Hij zegt: ‘Wat weent u? Wat huilt u?’ Hij weet van uw zorgen en van uw verlangen, als Hij zegt: ‘Wie zoekt u?’

Zeg het dan maar tegen Hem: ‘Ik zoek Hem, Die mijn ziel liefheeft. Ik zoek U!’ Zoekers, u zoekt Hem niet tevergeefs. Want Hij zoekt u!

Amen.

Slotzang Psalm 43:5:

Mijn ziel, hoe treurt ge dus verslagen? Wat zijt g' onrustig in uw lot? Berust in 's HEEREN welbehagen; Hij doet welhaast uw heilzon dagen; Uw hoop herleev', naar Zijn gebod; Mijn redder is mijn God.