PREEK · KERKELIJK JAAR

Raak Mij niet aan (II) - Johannes 20

Pasen - 1 april 2024

Johannes 20:17: Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.

INLEIDING

Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.

THEMA

Ik vond Hem, ik hield Hem vast

KERNPUNTEN

  1. Anders in de verhouding tot Christus
  2. Anders in de verhouding tot God
  3. Anders in de verhouding tot de broeders

JOHANNES 20:15-18

15 Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij, menende dat het de hovenier was, zeide tot Hem: Heere, zo gij Hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij Hem gelegd hebt, en ik zal Hem wegnemen.
16 Jezus zeide tot haar: Maria. Zij zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd: Meester.
17 Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.
18 Maria Magdaléna ging en boodschapte den discipelen dat zij den Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.

VOLLEDIGE TEKST

Raak Mij niet aan (II) - Johannes 20

ds. J. IJsselstein - Johannes 20:17

THEMA

Ik vond Hem, ik hield Hem vast

Wat was het donker in het leven van Maria Magdalena. Ze hebben mijn Heere weggenomen, en ik weet niet waar ik Hem vinden kan (vers 2). Zoals het nog steeds zo donker kan zijn in het leven van Gods kinderen. Ik zocht Hem, ik zoek Hem, maar ik vond Hem, ik vind Hem niet (Hooglied 3:1-2). Maar hoe donker ooit Gods weg mogen wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen.

Maria Magdalena, ze zoekt, maar ze zoekt een dode Jezus, en ook nog op de verkeerde plaats ook. Maar, wonder van genade, de Heere Jezus heeft haar in al haar tranen en verdriet niet laten gaan. Maar Hij heeft haar opgezocht met Zijn opzoekende liefde. ‘Vrouw, wat weent u? Waarom huilt u zo? Wie zoekt u?’ (vers 15) ‘Ik zoek Hem, Die mijn ziel liefheeft. Ik zoek mijn Heere.’ Jezus zei tot haar: ‘Maria!’ En: zij, zich omkerende, zeide tot Hem: Rabbouni, hetwelk is gezegd, Meester (vers 16).

Hij noemt haar naam. En dit dwalende schaap hoort Zijn stem. ‘Maria’. Ik ken je. Ik ken je bij je naam. Ik ken je al van voor de tijden der eeuwen. Ik ken je al van eeuwigheid. En sindsdien heb Ik je hartelijk lief. Ik ken je van toen af, dat je bezeten was door zeven duivels. Ik ken je van je eertijds, toen je nog leefde zonder Mij. Ik ken je van toen Ik je gevonden heb.

‘Maria’. Ik ken je. Ik ken je verdriet, je gemis, je tranen. Ik ken ook je dwalen, je vergeten van Mijn woorden, je ongeloof. Ooit heb Ik je gevonden. En nu, na eerder gekregen genade, vind Ik je weer.

‘Rabbouni’, Rabbi, maar dan in het Aramees. Maar persoonlijker en vol eerbied en liefde. Wanhopig had ze Hem gezocht. En nu staat Hij voor haar. En zegt: Ik zal Mij over u ontfermen, en Ik zal tot u zeggen: u bent Mijn, en u zult zeggen: o, mijn Heere en mijn God (zie Hosea 2:23).

Zo’n persoonlijke ontmoeting met de Heere vergeet je nooit weer. Als Hij je zo opzoekt en ontmoet, als teken en bewijs, na al je tranen en na al je dwalen, van Zijn weergaloze, onverdiende en blijvende liefde voor je.

Het was de vraag van de bruid in het Hooglied, het was de vraag van Maria Magdalena: Hebt u Die gezien, Die mijn ziel liefheeft? En toen…, toen zocht Hij haar, toen zocht Hij mij op. En: Ik vond Hem, Die mijn ziel liefheeft, ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan (Hoogl. 3: 4).

Ik hield Hem vast. Dat is ook wat Maria Magdalena doet. Net als de vrouwen (zo lijkt het tenminste) in Mattheus 28:9, van wie staat: En zij, tot Hem komende, grepen Zijn voeten en aanbaden Hem.

Maar, bij Maria Magdalena vindt de Heere Jezus dat niet goed. We gaan het vanmorgen zien in onze tekst, die u vinden kunt in Johannes 20:17-18. We lezen daar het Woord van God als volgt: Jezus zeide tot haar: Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader; maar ga heen tot Mijn broeders, en zeg hun: Ik vare op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. Maria Magdalena ging en boodschapte de discipelen, dat zij de Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.

Het thema voor de preek van vanmorgen is (en u hoort dat het een citaat is uit Hooglied 3:4), het thema voor de preek is: Ik vond Hem, ik hield Hem vast

Maar, als we de tekst goed lezen, dan zien we dat ondanks dat vasthouden en dat vast willen blijven houden, er wel dingen veranderd zijn voor Maria Magdalena. Er zijn voor haar drie dingen veranderd, en dat zijn ook de drie punten van de preek.

Het wordt voor Maria Magdalena vanaf nu anders: 1. In de verhouding tot Christus 2. In de verhouding tot God 3. In de verhouding tot de broeders Ons eerste punt:

1. Anders in de verhouding tot Christus

Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader (vers 17). Ze ontmoet haar Heere en Meester, die ze de laatste jaren van zo dichtbij heeft leren kennen. En haar hart loopt over. Eerder van tranen en verdriet. En nu van liefde en blijdschap. Hij is het! Mijn Liefste! Ze valt ongetwijfeld voor Hem neer, en aanbidt Hem, terwijl ze Zijn voeten vastgrijpt. Maar… ‘Stop! Niet doen. Raak Mij niet aan…!’ Haar Meester, ze heeft Hem gevonden, maar… het is anders dan voorheen. ‘Raak Mij niet aan!’

Waarom eigenlijk niet? a. Dit ‘raak Mij niet aan’, is zeker geen gebaar van afweer, irritatie of verwijt. Zo van: ‘Waarom was je, Maria, zo ongelovig? Waarom heb je zo gedwaald? Waarom heb je Mijn woorden zo vergeten?’ Nee, dat is het zeker niet. Hij is het, Die mild geeft en niet verwijt. Hij gedenkt onze zonden niet (Jak. 1:5).

b. Dit ‘raak Mij niet aan’ is in de tweede plaats ook geen absoluut verbod op aanraking. Immers tegen Thomas zei de Heere: ‘Voel maar, de littekens in Mijn handen en in Mijn zij.’ En de andere vrouwen, die wat eerder naar huis gegaan zijn met vrees en grote blijdschap, die grepen Zijn voeten en aanbaden Hem (Matth. 28:9). En dat mocht!

Maar, waarom mag Maria Magdalena het dan niet? ‘Nee, raak Mij niet aan!’ Hier zien we, dat iedere ontmoeting van de Heere met Zijn kinderen bedoeld is, niet alleen tot troost en bemoediging, maar ook en vooral om ons te leren. Want we hebben niet alleen troost nodig, we hebben niet alleen nodig dat onze tranen gedroogd worden, maar we hebben vooral ook onderwijs nodig.

En dan, wat blijkt dan? Twee dingen. a. De Heere geeft haar iets. De Heere geeft haar heel erg veel, vreugde en blijdschap. b. Maar Hij neemt tegelijkertijd in Zijn wijsheid ook iets van haar af. Zoals het vroeger was…, zo zal het niet meer worden…

‘Raak Mij niet aan, Maria. Vroeger, Maria, kon je Mij vasthouden. Vroeger was je leven een leven van dagelijks omgaan met Mij. Ik was er altijd om je te leren, om je te onderwijzen, om je te troosten en te helpen. Dat merkte je, dat zag, dat kon je zien, dat kon je voelen.’ Later schrijft dezelfde evangelist Johannes: Vroeger, toen hebben we het gehoord, toen hebben onze ogen het gezien en onze handen het getast: het Woord des levens (1 Joh. 1:1). Maar nu: ‘Raak Mij niet aan, Maria’.

Maar Maria Magdalena moet gaan leren, om dat leven los te laten. Ze moet leren om de voeten van haar Heere los te laten, als symbool voor het loslaten van haar vroegere leven: zo dichtbij, genietend van troost en nabijheid, die er altijd was, die ze altijd kon zien en voelen.

Zeker, dat is ook een wezenlijk deel van het geloof van Gods kinderen. Ons geloof is geen zaak van louter denken, redeneren en concluderen. Ons geloof is een zaak van het hart. Van een persoonlijke band, en van persoonlijke ontmoetingen. Wat zijn het onvergetelijke momenten, als de Heere (net als hier bij Maria Magdalena) tot ons komt, met ons spreekt, en ons omhelst.

Dan zeggen we met Asaf: Het is mij goed om nabij God te zijn (Ps. 73:28). Dan wordt mijn hart vervuld met heilbespiegelingen. Als ik Christus in het oog mag krijgen. Als Zijn liefde mijn hart vervult.

Zo was het ook bij de discipelen op de berg van de verheerlijking. En wat zeiden de discipelen toen? ‘Heere, mogen we hier altijd blijven? Mogen we hier drie tenten maken, dan hoeven we hier nooit meer weg (Luk. 9:33)’. Zo is het ook bij Maria Magdalena, nu de Heere Jezus haar vindt en zij Hem. Dit zou ze voor altijd wel willen vasthouden!

Maar, hoe moet het dan straks? Als de Heere Jezus straks weggaat? Als Hij straks naar de hemel gaat? Hoe moet het dan? Gaat Maria Magdalena dan weer helemaal in paniek raken van angst en verdriet?

Nee! Maar daarom moet ze dit leren. Ze moet leren geloven, zonder te zien. Leren geloven in Zijn woorden, zonder Hem te zien. En dus zegt de Heere: ‘Raak Mij niet aan, Maria’.

Dat is wat al Gods kinderen moeten leren. Als er na een tijd van worstelen om onze zonde en schuld, licht doorbreekt in onze ziel, en we leven in onze eerste tijd van vreugde en blijdschap, waarin de Heere zo dichtbij kan zijn… Dan kan je zo zingen van blijdschap in de Heere: we gaan van kracht tot kracht steeds voort…

Maar, als dat gevoel, als die ervaring ook maar even weg is, dan wordt je hart vervuld met zorg, met vrees, met angst. Dan wordt het benauwd van binnen. Je denkt: ‘Zou het wel goed met me zijn?’ Maar, gelukkig, dan spreekt de Heere weer, Zijn Woord raakt je weer, en de tranen van verdriet, en van hoop en blijdschap zijn er weer. Bij de eerste ontmoetingen met Christus, wat een vreugde en blijdschap wordt er dan in ons hart ervaren.

Maar de weg moet wel verder. En de weg gaat ook verder. Na Elim, na die oase van rust, komt de woestijn weer. Want je bent er nog niet. Je bent nog niet in Kanaän. De weg gaat verder de woestijn in. En dat woestijnleven is moeilijk, dat is anders…

En dus moeten we leren, kinderen van God, om anders te gaan leven. En vandaar: ‘Maria, raak Mij niet aan!’ Met andere woorden: ‘Maria, je moet het nu en in de toekomst niet meer hebben van wat je ziet, van wat je voelt, van je tranen (voorheen van verdriet, en nu van blijdschap).’

‘Maria, je moet leren geloven’. Ook al zie je Mij niet. Ook al ben je Mij kwijt. Ook al voel je Mijn aanwezigheid niet meer. Ook al beschuldigt je geweten je, dat je tegen al Gods geboden gezondigd hebt. Ook al springt de satan op je rug, terwijl hij zegt: ‘Het is allemaal niet waar, je hebt geen heil bij God!’ Ook al moet je door een donker dal. Door het dal van de schaduw van de dood. ‘Maria, je moet leren geloven in Mijn woorden’.

Leren geloven… Ook als ik Hem niet zie, dan zal ik nochtans van vreugde opspringen. Zoals Habakuk schrijft: Alhoewel de vijgenboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan de wijnstok zijn zal (hoewel alles tegenzit en alles verloren lijkt, want ik zie Hem niet meer!), zo zal ik nochtans in de HEERE van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in de God mijns heils (Hab. 3:17-18).

Als ik Hem zie…? Nee, zegt Jona, ook als ik Hem niet meer zie! Want, zo schrijft hij (en het is zijn roep uit de buik van de vis, in de diepte van de zee!): Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen (het lijkt alsof U er niet meer bent, alsof U me niet meer hoort en alsof U me niet meer kent, maar toch…!), nochtans zal ik de tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen (Jona 2:4). Leren geloven, als ziende de Onzienlijke (Hebreeën 11:27).

Daarom zijn tijden van donkerheid, duisternis en aanvechting, tijden waarin je de Heere kwijt bent, tijden waarin alles wankelt, zo nuttig en nodig. Ik zeg: ‘Heere, ik zou U zo graag vastgrijpen en aanbidden. Vastgrijpen en nooit meer loslaten’. ‘Nee’, zegt de Heere, ‘ik wil je leren geloven, zonder dat je Mij ziet, en ook als je het niet voelt (2 Kor. 5:16). ‘Houd Mij niet vast, raak Mij niet aan, Maria!’ Leer (in de eerste plaats) leven door het geloof.

Welke redenen zijn er nog meer, waarom de Heere tegen Maria Magdalena zegt: ‘Raak Mij niet aan’? De Heere zegt het Zelf: Want Ik ben nog niet opgevaren. Maria, Mijn weg gaat niet verder. Het gaat nu niet weer gewoon verder zoals voorheen. Want Mijn weg gaat straks omhoog.

Ik zal opvaren naar de hemel. Want Mijn werk is nog niet klaar. Het is pas klaar als Ik in de hemel ben. Dan zal Ik Mijn Geest zenden, met Pinksteren. En Die zal u leren leven door het geloof in Mij, terwijl u Mij niet meer ziet.

Denk maar aan wat Petrus schrijft: Welke u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Welke u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8). Je moet leren, Maria Magdalena, je te verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, terwijl je Mij niet meer ziet… En dus: ‘Raak Mij niet aan’.

Houd Mij niet vast! Waarom nog meer niet? Maria, ook hierom: Ik heb een taak voor je. Je kunt hier niet blijven, je moet Mijn voeten loslaten. Je moet boodschapster worden van Mijn goede boodschap, van het goede nieuws dat Ik ben opgestaan. En dus: Ga heen tot Mijn broeders.

Ik noem ze niet ‘verraders’, maar broeders. Ik schaam me niet voor hen (Hebr. 2:11). En zeg tegen hen: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God.

Maria Magdalena heeft de Heere Jezus ontmoet. Maar er is wel veel veranderd. In de eerste plaats is er nu een andere verhouding tot Christus. Ze moet leren leven, in Zijn afwezigheid, door het geloof.

Het is voor Maria Magdalena na haar ontmoeting met de Heere Jezus, als eerste anders geworden in de verhouding tot de Heere Jezus. Maar het is vanaf nu (in de tweede plaats) voor Maria Magdalena ook:

2. Anders in de verhouding tot God

‘Maria, raak Mij niet aan. Want: Ik vaar op tot onze Vader…?’ Nee, dat staat er niet. Dat zou de indruk wekken dat de Heere Jezus en de discipelen, dat de Heere Jezus en Maria Magdalena op hetzelfde niveau staan. En dat is niet zo! Zeker God is haar Vader, God is hun Vader geworden, maar niet, maar nooit in een gelijke verhouding.

Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. Van nature is, vanwege onze zonden, vanwege onze diepe val in Adam, God onze Vader niet meer. Zeker, je mag in algemene zin zeggen dat God onze Vader is vanwege onze schepping. Maar wij hebben als Zijn schepsel voor onszelf wel een andere vader gekozen: de duivel! Hem zijn we willens en wetens toegevallen, hem dienen we, hij is van nature onze heer en meester (Joh. 8:44). Dat wordt anders, als je opnieuw geboren wordt, als je wedergeboren wordt. Alleen door dat bijzondere werk van de Heilige Geest word je als verloren mens weer kind van God. Dat ben je niet van jezelf, dat ben je niet door je doop of door je belijdenis, dat word je alleen door hartvernieuwende genade. Alleen daardoor, alleen in die weg, word je kind van God.

Door…? Door het sterven, door de dood en de opstanding van de Heere Jezus Christus. Als de Heilige Geest dat toepast in je hart. Door het ware geloof in je hart te werken. Alleen door die weg wordt een verloren mens uit genade weer aangenomen tot een kind van God.

Het is de Heere Zelf, Die Zijn kinderen leert geloven. Hijzelf leert ze instemmen met Zijn manier van zalig maken: uit genade, door het geloof, zonder iets van ons. Hij werkt het in het hart, Hij past Zijn werk toe, Hij leert geloven, wat Hij uit onverdiende genade gegeven heeft. Zoals Paulus zegt in 1 Korinthe 2:12: Doch wij hebben niet ontvangen de geest der wereld, maar de Geest, Die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen, die ons van God geschonken zijn.

Hoe de Heere dat leert? Door persoonlijke ontmoeting met Hem (ook nu in deze tijd), in het Woord, in de prediking, in onze verborgen gebeden. Juist door ons afstand te laten nemen van dat gevoelige leven, van dat leven door gevoel, door gevoel van verdriet en troost, van gemis en bezit…

En dus zegt de Heere: ‘Maria, raak Mij niet aan, laat Mij los…! Leer geloven wat Ik u zeg: door Mijn werk (door Mijn verdienste, door Mijn sterven, door Mijn dood, door Mijn opstanding en door Mijn hemelvaart straks), daardoor is Mijn Vader uw Vader, daardoor is Mijn God uw God.

Voor Mij geldt het op een heel bijzondere manier. Ik ben de eniggeboren Zoon van de Vader. God uit God en Licht uit Licht. Maar door Mijn werk heeft de Vader ook u en de discipelen tot Zijn kinderen aangenomen. En daardoor bent u geen bijwoners meer, geen vreemdelingen meer, maar leden van Gods huisgezin (Ef. 2:19).

En daardoor, Maria (Ik zeg het u, geloof Mij op Mijn woord), daardoor is er nu geen verdoemenis meer voor degenen die in Mij zijn (Rom. 8:1). Daardoor, Maria, is er nu vrede met God, door het geloof in Mij (Rom. 5:1). De vastheid daarvan ligt niet in het blijvende vredige gevoel in uw hart, maar die vastheid ligt in de eerste plaats buiten u, bij God: vrede met God, bij God. Uw schuld is uit Zijn boek gedaan. En dus, Maria: ‘Raak Mij niet aan’.

Maria, Ik heb u liefgehad. Zeker. Maar, raak Mij niet aan, laat Mijn voeten los. Want Mijn doel was en Mijn doel is om u terug te brengen bij God de Vader. Dat was het doel van Mijn werk. Ik was en Ik ben Middelaar om u (door het geloof in Mijn werk, voor u) terug te brengen bij het Vaderhart van God. Want de Vader Zelf heeft u lief (Joh. 16:27). En dat gaat veel langer terug dan uw ontmoetingen met Mij. Dat gaat terug naar de stille eeuwigheid, waar Hij u, Maria, liefgehad heeft met een eeuwige liefde.

En nu, omdat Ik in Mijn diepste worsteling heb gebeden: Abba, Vader! alle dingen zijn U mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg, doch niet wat Ik wil, maar wat U wilt (Mark. 14:36). Daarom mag u, Maria, nu zeggen, door de Geest der aanneming tot kinderen: Abba, Vader! (Rom. 8:15). Mijn Vader, omdat U om Christus’ wil, mijn Vader geworden bent.

Zoals Zondag 9 van de catechismus zegt: De eeuwige Vader van onze Heere Jezus Christus, is om Zijns Zoons Christus' wil mijn God en mijn Vader; op Wie ik zo vertrouw, dat ik niet twijfel of Hij zal mij met alle nooddruft des lichaams en der ziel verzorgen, en ook al het kwaad dat Hij mij in dit jammerdal toeschikt, mij ten beste keren; dewijl Hij zulks doen kan als een almachtig God, en ook doen wil als een getrouw Vader.

Om Christus’ wil, mijn Vader, mijn almachtige en getrouwe Vader. O, wat maakt de weeklacht in het leven van Maria Magdalena plaats voor een blijde rei.

Wat verandert er toch veel in ons leven, als de Heere na ontvangen genade opnieuw tot ons komt. En ons dit leert geloven. Door het ons voor te zeggen, door ons in te fluisteren wat we na mogen zeggen: ‘Om Christus’ wil, Abba, Vader…’

Is dat iets wat je dan vanaf dan hebt? Door een hele bijzondere ervaring, waardoor je ook een heel bijzonder mens geworden bent? Wordt dat dan je bezit? Nee, want Johannes schrijft in Johannes 1:12: Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij(!) macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven(!) Het is en blijft een zaak van: door Zijn genade geloven in Zijn Naam.

Alleen als ik in mijn armoede mijn lege bedelaarshand mag uitstrekken, en Hem door een geschonken geloof mag omhelzen. Ook al zie ik Hem niet, ook al voel ik het niet, ook al ben ik arm, ook al pleit alles tegen me: ik ben slecht, ik ben ondankbaar, ik ben ongelovig, biddeloos en liefdeloos. Maar toch, nochtans…!

Alleen door het werk van de Heere Jezus Christus is er toch, nochtans vrede met God. Denk maar aan Zondag 23, aan antwoord 60, waar onze catechismus schrijft: Hoe bent u rechtvaardig voor God? Alleen door een waar geloof in Jezus Christus, alzo dat, al is het dat mijn consciëntie, (mijn geweten) mij aanklaagt, dat ik tegen al de geboden Gods zwaar gezondigd en geen daarvan gehouden heb, en nog steeds(!) tot alle boosheid geneigd ben, nochtans (daar heb je dat nochtans, maar toch!) nochtans schenkt God en rekent Hij mij uit enkel genade de volkomen genoegdoening gerechtigheid en heiligheid van Christus toe, zonder iets van mezelf, zonder: enige verdienste van mijn kant!

Hoe? Door de weg van aannemen met een gelovig hart. Mijn lege hand neemt door Gods genade aan, de genade die Hij mij geeft. Hoewel alles tegen pleit: mijn geweten, mijn zonden, mijn blijvende zondige neigingen, alles! Een gelovig toch, een gelovend nochtans. En dat kan alleen maar door genade. En dat richt zich alleen maar op Gods genade.

Nooit wordt het bezit. Altijd blijft het genade. Altijd blijft het gekregen. En juist daarom is het zo zeker. Omdat we uit Zijn volheid ontvangen genade voor genade (Joh. 1:16).

Wat je bezit is, wat je eigendom is, wat van jezelf is, dat is onzeker. Dat kan je vandaag hebben en morgen weer kwijt zijn. Maar hierin ligt alle vastheid en zekerheid (buiten ons!): in het werk van Christus. Door het geloof in Hem, Die zegt: ‘Om Mij, is Mijn Vader uw liefhebbende Vader, is Mijn God uw trouwe God.’

Wat zijn de voorrechten van dat kindschap groot. Het geeft ons gebed een vrije toegang tot de Vader. Met de zekerheid dat Hij ons gebed, als het naar Zijn wil is, zeker zal horen en verhoren (Rom. 8:15).

En als God mijn Vader is, dan zal Hij mij zonder twijfel ook leiden door Zijn raad. Dan zal Hij mij leren hoe ik wandelen moet. En dan zal Hij mij daarna, aan het einde van dit moeilijke leven, in heerlijkheid opnemen.

Als de Heere je daar iets van leert, dan blijft dat niet zonder gevolgen. Dan komt er ook een derde verandering. Dat zien we in ons derde aandachtspunt:

3. Anders in de verhouding tot de broeders

We lezen nog even onze tekst in vers 17 en 18, waar Heere Jezus zeg tot Maria Magdalena: Maar ga heen tot Mijn broeders(!), en zeg hun: Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, en tot Mijn God en uw God. Maria Magdalena ging en boodschapte de discipelen, dat zij de Heere gezien had, en dat Hij haar dit gezegd had.

Raak Mij niet aan, Maria. Want je leven wordt vanaf nu anders. Ik heb een taak voor je. ‘Zeg die mannen, die voorheen in duisternis leefden, die Ik daarna gevonden heb, die Mij gevolgd zijn, ongelovig, hardleers en blind in de Schriften, vergeetachtig wat betreft Mijn woorden, ze zijn gevlucht, ze hebben Mij verloochend…’ ‘Zeg die mannen niet alleen dat God om Mij hun Vader is, maar noem ze ook Mijn broeders. Ik ben hun oudste Broeder, Die Zich niet voor hen schaamt (Hebr. 2:11). En dus bent u ook broeders en zusters onder elkaar.

Voor de eerste keer worden hier in het Evangelie van Johannes de discipelen ‘broeders’ genoemd. Leden van Gods huisgezin, huisgenoten Gods (Ef. 2:19), broeders van hetzelfde huis. Levend gemaakt door dezelfde Geest. Gewassen door hetzelfde bloed. Burgers van dezelfde stad, uitziende naar het hemelse Jeruzalem. Slaven van dezelfde Meester. Lezers van hetzelfde Woord. Aanbidders van dezelfde Heere in de hemelen.

Of u nu van elkaar houdt of niet, u bent leden van dezelfde familie. En u bent medeverantwoordelijk voor elkaar. U bent liefde aan elkaar verschuldigd. Omdat Ik u met Mijn liefde heb vrijgekocht, omdat Ik Mijn leven voor u gesteld heb, daarom bent u, broeders en zusters, schuldig voor elkaar het leven te stellen (1 Joh. 3:16).

‘Maria, raak Mij niet aan, want Ik heb een taak voor je: Breng dit goede nieuws aan Mijn broeders’. Er is een taak, er is een bijzondere opdracht voor Maria Magdalena. Het is opvallend: voordat straks de discipelen uitgezonden worden om het Evangelie te prediken, komt de boodschap eerst tot hen door de mond van Maria Magdalena en door de mond van de andere vrouwen die bij het graf geweest zijn.

Vrouwen hebben een grote en gewichtige taak in de gemeente. U mag boodschapsters zijn van het goede nieuws van het Evangelie. De Bijbel geeft geen ruimte voor de vrouw in het ambt, maar u hebt wel een grote en belangrijke taak in het Koninkrijk van God.

Godvrezende vrouwen onder ons, u die het uit genade gegeven is, dat u de Zaligmaker mocht ontmoeten (Hij heeft u opgezocht, u hebt Hem gevonden), zeg de broeders, dat Hij leeft! Zeg het voort in uw gezin, in de gemeente, buiten de gemeente, en in deze verloren wereld, waarin miljoenen mensen leven die deze boodschap nog nooit hebben gehoord.

En leef, u die God vreest, eensgezind, als Godvrezende broeders en zusters, als leden van één huisgezin, door het geloof in de gekruisigde en opgestane Heere. Door het geloof in Hem, Die u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Dewelke u nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde (1 Petr. 1:8).

Vertelt Zijn Naam de broederen, prijs Hem in het midden der gemeente (naar Ps. 22:23). En: Boodschapt Zijn heil van dag tot dag (Ps. 96:2).

Amen.

Slotzang Psalm 89:12:

‘Gij,’ zal hij zeggen, ‘zijt mijn Vader en mijn God, De rotssteen van mijn heil’. 'k Zal hem ook stellen tot Een eerstgeboren Zoon, door al zijn broeders t' eren; Als koning zal hij zelf de koningen regeren; Mijn goedertierenheid zijn rijks troon eeuwig stijven, En Mijn gemaakt verbond met hem bestendig blijven.’