PREEK · VRIJE STOFFEN

Mijn ziel dorst naar God - Psalm 42

9 juni 2013

Psalm 42:3: Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?

INLEIDING

Als een opgejaagd hert naar water dorst, zo dorst de dichter naar God, die hij door vijandschap, spot en afwezigheid van de tempeldienst diep mist. Dat gemis is bitter, maar tegelijk zoet: het bewijst dat de liefde tot God nog leeft, want wie God kwijtraakt en dat pijn doet, heeft Hem eerst liefgehad. Dit gemis drijft de ziel uit naar God Zelf, niet naar Zijn gaven. Door het bloed van Christus, Die Zelf de diepste Godsverlating droeg, is de weg tot Hem geopend, en de dichter leert zichzelf toespreken: hoop op God, want ik zal Hem nog loven.

THEMA

God kwijt

KERNPUNTEN

  1. Hoe dat Godsgemis is
  2. Wat dat Godsgemis doet

PSALM 42:1-6

1 EEN onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
2 Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn ziel tot U, o God.
3 Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
4 Mijn tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, omdat zij den gansen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?
5 Ik gedenk daaraan en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.
6 Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.

VOLLEDIGE TEKST

Mijn ziel dorst naar God - Psalm 42

ds. J. IJsselstein - Psalm 42:3

THEMA

God kwijt

Het zal je maar gebeuren… Je bent je tas kwijt… Overal zoeken… Weg! Vervelend… Maar je kunt er vast nog wel van slapen.

Het zal je maar gebeuren… Poes kwijt… Overal zoeken… Weg! Wat naar! Waar zou ze toch zijn? Er zal toch niets gebeurd zijn? Je kunt er moeilijk van slapen, je droomt ervan. Iemand anders zegt: ‘Joh, doe niet zo moeilijk, het is maar een poes.’ Maar jij zegt: ‘Nee, maar het is míjn poes! Ik hou zoveel van mijn poes!’

Het zal je maar gebeuren… Mama is kwijt… Iedereen zoekt… Maar ze is weg! Waar zou ze zijn? Er zal toch niets gebeurd zijn? Je kunt er niet meer van slapen. Je zegt: ‘Mama moet terug, anders word ik helemaal gek!’ Waarom? Omdat mama alles voor je is.

God kwijt… Weg! Ja, en dan komt het verschil. Als je zegt: ‘Ik heb niets met God’, dan mis je Hem ook niet. Als je zegt: ‘God is alles voor me’, dan zeg je: ‘Zo kan ik niet verder.’ Dan zeg je wat er staat in de tekst voor deze dienst, die u vindt in Psalm 42 vers 3a: Mijn ziel dorst naar God.

God kwijt! Dat is het thema voor de preek. God kwijt! Iets meer gezegd met woorden van vroeger: Godsgemis. Ik mis God en ik kan Hem niet missen. Er zijn twee aandachtspunten: 1. Hoe dat Godsgemis is: het is bitter… en zoet 2. Wat dat Godsgemis doet: het drijft uit naar God Als eerste dus:

1. Hoe dat Godsgemis is: het is bitter… en zoet

Wie is eigenlijk de dichter van deze psalm? Dat weten we niet zo goed. Is het David geweest, of een van de zonen van Korach?

Een onderwijzing (…), onder de kinderen van Korach. Zo begint deze psalm. De zonen van Korach zijn vroeger gespaard, toen hun stamvader Korach vanwege zijn zonde door de aarde werd verzwolgen, werd opgeslokt. Ze hebben hun leven in dankbaarheid gewijd aan het maken van muziek en aan het zingen van psalmen tot eer van God.

Maar wie de dichter ook is, nu is die man ergens in het noorden van Israël, bij het Hermongebergte. Rond de plaats waar de Jordaan ontspringt. Het water borrelt op uit bronnen in de grond, en baant zich vervolgens al bruisend een weg, als een wild stromende rivier in de richting van het Zuiderland. Kijkt u maar in vers 7: O mijn God, mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte. Waar op andere plaatsen stroompjes uitdrogen door de hitte, stroomt hier helder en fris water. Maar de dichter zit duidelijk niet zomaar in het Hermongebergte. Hij is er niet op vakantie of voor vrijetijdsbesteding. Hij wordt bedreigd! Hij wordt opgejaagd door vijanden, die hem onderdrukken. Kijk maar in vers 10: Met een doodsteek in mijn beenderen honen mij mijn wederpartijders, als zij den ganse dag tot mij zeggen: Waar is uw God?

Middenin dat bergachtige gebied van de Hermon zwerft een groot hert… Je weet wel, zo’n heel groot dier, met een heel groot gewei. Eenzaam in de wildernis. Misschien is het, net als de dichter van deze psalm, ook wel opgejaagd. Opgejaagd door een jager, die het met een pijl geraakt heeft… Of opgejaagd door een wild dier, een luipaard of een leeuw… Het moet vluchten voor zijn leven! Door dicht struikgewas, over scherpe en gladde rotsen… En nu is het hert moe. Het kán niet meer… Als dat hert zou kunnen praten, zou het zeggen: ‘Ik schreeuw naar rust, ik hijg naar water, ik heb dorst. Ik verlang intens naar het frisse water van de Jordaan. Maar ik kan en durf er niet bij te komen. Maar ik moet drinken, ik kan niet meer zonder water. Want de dorst breekt mijn kracht. Als ik niet drinken kan, dan zak ik neer in de struiken, dan sterf ik.’

En nu terug naar die man… God kwijt! ‘Zoals een hert verlangt naar water, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Ik dorst, niet naar water, maar naar U. Ik ben U kwijt. Ik mis U. En ik kan zonder U niet verder leven…’ God kwijt… Godsgemis… Daaraan weet je of er geestelijk leven is in je hart. Aan de droefheid naar God. Aan de schreeuw op de bodem van je hart, aan hartetranen van gemis. Als je mama kwijt bent, dan ben je heel verdrietig, want je zegt: ‘Ik hou zoveel van haar, ik kan niet zonder haar.’ Er is liefde in je hart voor mamma. Als God werkt in je hart, dan ga je zien: ik ben God kwijt. En dat is mijn schuld, want ik heb tegen God gezondigd. Tegen een goeddoend God, Die nooit enig kwaad tegen mij deed. Ik heb de band met God verbroken! Ik had eerst geen liefde in mijn hart tot God, maar nu is alles zo anders geworden. Je zegt: ‘Wat is er toch met me gebeurd? Alles is zo anders als vroeger. Er is droefheid, verdriet in mijn hart. Ik kan niet meer verder zonder de Heere. Mijn ziel dorst naar God.’ Weet je hoe dat komt? Als de Heere werkt, dan stort Hij liefde uit in het hart.

Laten we eerst eens wat preciezer kijken naar de tekst, naar de situatie van de dichter. Wat maakt zijn leven zo moeilijk? Wat veroorzaakt precies zijn dorst?

In de eerste plaats dit: hij kan niet meer naar de tempel. Dat was de plaats waar de gelovige Israëliet zo graag heen ging. Want daar waren de offers. Daar kon hij zo vol verlangen, hoop, uitzien, en soms ook in geloof voor zichzelf kijken naar de offers, naar het bloed dat van het altaar drupte. Naar het bloed dat heen wees naar het komende Godslam. Leest u maar mee in vers 5: Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feest houdende menigte. Misschien is de dichter een zoon van Korach. Dan is het niet alleen zijn verlangen, maar ook zijn werk, om de Heere te loven. Maar hij kan het niet, want de tempel is ver weg.

In de tweede plaats is er de spot, de laster van zijn vijanden, die, zoals staat in vers 4, de hele dag zeggen: Waar is uw God? Innerlijk is er een pijnlijk gemis en een smartelijk verdriet: God kwijt! En de vijand doet er een schepje bovenop: ‘Zie je wel, de Heere heeft je verlaten!’

In de derde plaats zijn er de herinneringen aan vroeger, zoals staat in vers 5. Ik ging met vreugde naar Gods huis. Ik ging vroeger zo graag naar de kerk, mocht zo met vreugde en met innerlijk vermaak luisteren naar het Woord van God. Het raakte mijn hart. Maar nu…?

In de vierde plaats zijn er de moeiten van het leven. De beproevingen. Al Uw baren (dat zijn de brekende golven in de branding) en Uw golven zijn over mij heen gegaan. Je staat tot je middel in de zee. En de ene golf is net over je heen gespoeld, je komt proestend weer boven, en gelijk komt er een andere golf achteraan. Ik kom er niet meer bovenuit! Ik verdrink!

En in de vijfde plaats zijn er nog de aanvallen van de vijanden, zoals staat in het begin van Psalm 43. Eigenlijk vormen Psalm 42 en 43 een geheel. In vers 1 zegt de dichter: Bevrijd mij (…) van de man van bedrog en onrecht.

En dat alles leidt bij de dichter tot grote neerslachtigheid en tot geestelijke moedeloosheid, zoals blijkt in vers 4: Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht. Dat is geen slappe emotionaliteit. Hier zit een man bij de Jordaan, die gevlucht is, die de hitte van de dag en de koude van de nacht verdraagt. Wij zouden zeggen: hier zit een kerel! En die kerel is in tranen! Of… kent u die hartetranen niet, kerels onder ons? Een boom van een vent, voor niemand bang, maar je zegt: ‘Mijn hart huilt; ik ben God kwijt! En ik kan niet nalaten om hand en oog op te heffen naar omhoog. Mijn ziel dorst naar God...’

U zegt misschien: Waarom staat deze psalm eigenlijk in de Bijbel? Het is niet echt een psalm om blij van te worden. Als het nu treurig zou beginnen en goed zou aflopen… Een

droevig begin, een happy end… Maar dat is niet zo. Het begint met de dorst naar God, en aan het einde, zowel in Psalm 42 als in Psalm 43, is er nog steeds de worsteling: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Waarom staat deze psalm in de Bijbel? Opdat we zouden zien en weten hoe de Heere handelt met Zijn kinderen. Opdat wij niet verbaasd zouden zijn over de wegen die de Heere gaat met Zijn kerk. En ook om troost en richting te geven aan dorstige zielen.

Want dit is geen uitzondering, ook niet in het leven van Gods kinderen. Denkt u maar een Psalm 63 vers 1 en 2: Een psalm van David, als hij was in de woestijn van Juda. O God, Gij zijt mijn God! Ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U; mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water. En aan Psalm 84 vers 3: Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God. En denkt u maar aan de klacht van Job in Job 23:3: Och, of ik wist dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel (tot Zijn troon) komen. Matthew Henry zegt: ‘Het treuren naar God (die hartetranen van gemis) zijn een zeker bewijs dat wij Hem liefhebben.’

We lezen ervan, we zingen ervan, opdat we ervan doordrongen zouden zijn dat de Heere zo handelt met Zijn kinderen. Opdat we er een voorbeeld aan zouden nemen, ons eraan zouden spiegelen, en opdat de woorden van de dichter ons tot troost zouden zijn. Zoals deze woorden: Al Uw baren en Uw golven zijn over mij heen gegaan. U zegt: ‘Wat is de troost daarin?’ Goed lezen, anders mis je de troost! Al Uw golven! Uw baren! Het zijn Zijn golven! Zijn baren! Het is waar, het zijn vaak onze zonden die ons brengen in de diepten van geestelijke verlating en geestelijke benauwdheid. Maar nooit vergeten: Hij verlaat ons niet! En… wat over ons heen gaat, dat zijn de golven van Zijn hand. Terwijl Hij zegt: ‘Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet verlaten, Ik heb u in beide Mijn handpalmen gegraveerd.’ Opdat de woorden van de dichter ons tot troost zouden zijn. Zoals deze woorden, bijvoorbeeld uit vers 10: Mijn Steenrots, waarom vergeet Gij mij? U vergeet mij, en toch: Mijn Steenrots! De band is niet verbroken. Dat roepen, dat dorsten en dat uitzien is er juist vanwege de band. Vanwege de liefdesband.

Een band van liefde. Maar de Heere verbergt Zich. Wij zien Hem niet meer. Het is donker. Na zoveel troost, liefde en zekerheid, is het toch weer donker. Het doet denken aan Psalm 30 vers 7: Want, HEERE, Gij had mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborg, werd ik verschrikt.

Onze Dordtse Leerregels zeggen: ‘Het zien van het aanschijn van een verzoend God is zoeter dan het leven.’ Zoeter dan het leven… Echt waar! ‘Maar de verberging van het aanschijn van een verzoend God is bitterder dan de dood.’ Bitterder dan de dood… Vroeger gezongen van de wegen des Heeren. De kinderen van Korach stonden op en juichten, met een stem van vreugdegezang en lof onder de feest houdende menigte! En nu: Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht…

Dorst, gemis… ook na ontvangen genade. Het Woord verheugt het hart niet meer. De genieting van de nabijheid van de Heere is weg. Je gaat naar de kerk, maar het raakt het binnenste van je hart niet meer. Vroeger zag je de liefde op het gezicht van de Zaligmaker, maar nu is alles verbleekt, alles lijkt wel weg te zijn. En je denkt met heimwee aan toen, toen je naar Gods huis ging met een stem van vreugdegezang. Maar het is weg… God kwijt… Bitterder dan de dood…

Dat is niet alleen de weg van Gods kleine kinderen, van de beginnenden in de genade. Al Gods kinderen kennen tijden van geestelijke verlating. En het breekt ons hart. Het perst de tranen uit ons hart: ‘O God, waar bent U? Bent U mij vergeten, o mijn Steenrots?’ Gemeente, daaraan kent u de liefde van uw hart. Dat is een kenmerk van genade. Dit, dat het verlies van het allerliefste, bitterder is dan de dood. Beroofd van innerlijke troost, blijdschap en genieting.

Mijn ziel dorst… O ja? Waarnaar dorst uw ziel? Moeten veel mensen niet eerlijk zeggen: ‘Ik dorst naar het geluk van deze aarde, naar voorspoed, vooruitgang, naar een snelle carrière…’ Merkwaardig geluk… De dorst ernaar leidt nooit tot echt genieten en tot echte verzadiging. Innerlijk blijft het leeg. U lest uw dorst met het zoute zeewater van de wereld die voorbijgaat, en het is nooit genoeg, het moet altijd méér zijn… Hoe weinig mensen dorsten echt naar God. Hoeveel mensen ook, die het gevaar van hun leven zien, die ontwaakt zijn uit hun dodelijke rust, voelen toch diep in hun hart geen dorst naar God. Ze zijn als een hert dat geraakt is door een pijl, maar ze proberen die pijl er zelf uit te trekken en de wond zelf te behandelen.

Hoe is het met u? Kent u in uw hart dorst naar God? Wat bindt een hart aan de Heere, waardoor we gaan dorsten naar Hem? Wat is, jongens en meisjes, het ergste om kwijt te raken? Je zegt: ‘Papa of mama, want daar hou ik zo van!’ Ja, want er is een band van liefde. De liefde van God is uitgestort in het hart. En wie een teugje daarvan gedronken heeft, wil nooit meer iets anders.

We gaan eerst samen zingen van die wisseling van licht en donker, van zon en wolken, en we doen dat uit Psalm 30 vers 5 en 6:

Ik sprak, door mijn geluk misleid: "Ik wankel niet in eeuwigheid". Want Gij hadt mijnen berg, o HEER, door Uwe gunst, Uw naam ter eer, Zo vast gezet, alsof gevaren en rampen nu verdwenen waren.

Maar, toen G' U slechts een ogenblik verbergdet, trof mij vrees en schrik. Dies riep ik om Uw heilgenot; ik smeekt', en zeid': "O grote God! Wat winst is uit mijn bloed te halen? Waartoe zou ik ten grave dalen?

Onze tweede gedachte:

2. Wat dat Godsgemis doet: het drijft uit naar God

Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Niet naar Zijn zegeningen of naar Zijn inzettingen alleen, maar naar Hém. Naar Hem Zelf. Uw aangezicht in gunst tot mij gewend, daarnaar verlangt mijn ziel. Gods des levens, ach, wanneer zal ik naderen voor Uw ogen, in Uw huis Uw Naam verhogen? Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God. Want in Hem is leven. Het leven, waar ik zo naar uitzie, maar ik zo naar verlang… Wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?

Matthew Henry zegt: ‘Dat begeert een oprecht (dat wil zeggen: echt) kind van God: voor Gods aangezicht verschijnen. De huichelaar schuwt het, een kind verlangt ernaar.’ Vrede met God, hersteld in Gods gunst. Dat is het diepste verlangen van een wedergeboren hart: voor God verschijnen. Ik heb het verzondigd. Van mij uit kan het niet. En toch is het de enige en innigste wens van mijn hart. Daar dorst mijn hart naar. Naar vrede met God.

Kan dat, voor Gods aangezicht verschijnen? Ja, dat kan. Bij de mensen is dat onmogelijk. Maar het is mogelijk bij God vandaan. Door de weg van het altaar, door de weg van het bloed van het Lam. Omdat er Eén geweest is, het Godslam, Die ingegaan is in de diepste verlating. Terwijl al Gods golven en baren over Hem heen gingen. En die diepte van geestelijke benauwdheid en verlating ontlokte Hem de schreeuw uit het hart: ‘Mij dorst! Mijn ziel dorst naar God. Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?’

Hij wilde ondergaan onder de golven van Gods toorn. Al Zijn vijanden werden op Hem losgelaten. Afgesneden van de tempeldienst. De band van Gods gunst en nabijheid doorgesneden. Zo is de hitte van Gods gramschap geblust op het altaar, op Golgotha. En zo is er een weg geopend naar de vrede met God. Daarom kunnen dorstige en God zoekende zondaren voor Gods aangezicht verschijnen: door Hem. U zegt: ‘Ja, dat weet ik. Maar kan het ook voor mij, persoonlijk?’ Ja, bij de mensen is dat onmogelijk, maar het is mogelijk bij God vandaan. Wat een wonder van vrije en goddelijke genade, als de Heere hierin Zelf de weg gaat wijzen. Als Hij door onze onwil en onmacht heen gaat breken. ‘Ik dorst, maar ik wil niet. Ik verlang, maar ik kan niet.’ En als de Heere dan met kracht gaat werken en spreken in het hart: ‘Ik wil, en u zult…’ Als Hij gaat spreken door het Woord, maar ook door de tekenen van de sacramenten.

Eerst die laatste. Als Hij gaat spreken door het sacrament van de Heilige Doop. Als u door genade, bij het licht van Gods Geest, op het teken mag zien van het water. Een teken en zegel, waarmee God zegt: zo zeker als dit water de vuiligheid van het lichaam wast, zo zeker ben Ik bereid om uw zonden weg te wassen. Als God gaat spreken door de tekenen van het sacrament van het Heilig Avondmaal. U zegt: ‘Mijn ziel dorst naar God, mijn hart hongert naar Hem, maar hoe zou ik het toch

weten, dat ik de Zijne ben, en dat Hij mijn Zaligmaker is?’ En Hij zegt, terwijl de Geest uw ogen richt: ‘Kom, hongerige en dorstige zielen, tot Mij! Dit is Mijn lichaam, dat voor u verbroken wordt. Dit is een teken van Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt.’ En u zucht: ‘Is het wel voor mij, persoonlijk?’ Maar Hij zegt: ‘Neem, eet, want de weg zou voor u teveel zijn. Ik ben het Brood des levens. Ik ben levend water voor een dorstige ziel.’

Als Hij ons zo gaat onderwijzen door de tekenen van de sacramenten, maar ook en vooral, en in de eerste plaats door Zijn levende Woord. Door de woorden van deze Psalm 42. Woorden die richting geven aan moedeloze zielen. Aan dorstige en hongerige harten. Want deze psalm geeft onderwijs. Zo begint het toch, in vers 1: Een onderwijzing, voor de opperzangmeester? De Heere wil eigenlijk met deze psalm laten zien wat u doen moet. Als ook u moet zeggen: ‘Al Uw golven en Uw baren zijn over mij heen gegaan, en mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht, het is mijn eten en drinken’, als ook u moet zeggen: ‘Waar is God, mijn Steenrots?’, wat is dan de Schriftuurlijke remedie, wat is dan het Bijbelse medicijn tegen deze geestelijke moedeloosheid?

Ik u graag vijf dingen noemen. In de eerste plaats dit, dat u met al uw vragen bij de Heere terecht moet komen, zoals ook de dichter dat deed. Mijn God, mijn Steenrots, waarom vergeet U mij? Sommigen zeggen: ‘Dat mag je niet zeggen, dat mag je zo niet vragen.’ En ja, misschien zegt de dichter het ook wel wat te stellig, maar dit zijn ook geen woorden van theologische precisie. Dit is een hartenkreet. En voor ons is het onderwijs daarin: ‘Wat mij ook moge treffen, ik zal mijn hart tot de God mijn levens heffen!’ Met al onze vragen terechtkomen bij de Heere Zelf.

In de tweede plaats moet u niet vergeten dat in al deze verlatenheid de Heere is. De wolken schuiven voor de zon, maar de zon ís er wel… En u ziet de liefde niet op het gezicht van Christus (zoals ooit Samuel Rutherford zei), maar de liefde is er wel in Zijn hart. En leest u ondertussen wel goed? Uw golven en Uw baren… Daar is Uw hand, Heere! U bent het Zelf, Die me laat roepen, Die mij doet schreeuwen, en Die mijn hart richt. Ook in de diepten van geestelijke verlatenheid geldt: Die nooit laat varen de werken van Zijn handen.

In de derde plaats moet u erop letten dat de dichter zíngt, zelfs in de diepten van zijn geestelijke benauwdheid. ‘Ik zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht.’ Kinderen van God, als het donker is in uw leven, wilt u dan niet vergeten om te zingen? God, waar bent u? Maar toch blijven zingen: ‘Zelfs vindt toch de mus een huis, o Heere, en de zwaluw legt toch haar jongen neer in het kunstige nest bij Uw altaren?’

In de vierde plaats moet het u opvallen dat de dichter gaat preken tegen zijn eigen hart.

Vers 6: Wat buigt gij u neder, o mijn ziel, en zijt onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts. En in vers 9: Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot de God mijns levens. En in vers 12: Wat buigt u u neder, o mijn ziel, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing mijns aangezichts, en mijn God. Hij spoort zichzelf aan om te hopen en te vertrouwen op het Woord.

En in de vijfde plaats wil ik u erop wijzen dat hij de daden van de Heere overdenkt. Het werk van de Heere in verleden tijden. Dat is geen nostalgie. Dat is ook geen schrale troost. Wat is dan de troost daarin? De diepe troost is deze: Ik, de Heere, ben niet veranderd, en daarom, o kinderen van Jakob, zult u niet verteerd worden. Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde, en Hij blijft dat tot in eeuwigheid. En omdat God niet veranderd is, daarom zeggen wij tegen onszelf: hoop op God! Bij ons is geen hoop en verwachting, maar bij de Heere is goedertierenheid en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden. En daarom zegt de dichter: Ik zal Hem nog loven!

Dorst naar God, verlangen naar God. Dat is een kenmerk van genade. Dat is een kenmerk van het leven van al Gods kinderen, niet alleen van de moedelozen en van degenen die in het donker leven. Dorst, vanwege mijn zonden en armoede. Vanwege innerlijk hartzeer en verdriet over mijn zonde voor God. Dorst die bitter is, en tegelijkertijd zoet, omdat het mij aan de Heere verbindt.

Dorst naar God, met een diep verlangen om hersteld te worden in de gemeenschap met God, door het bloed van de verzoening. En dorst naar Christus. Het is de Heilige Geest Die mij ervan overtuigt dat ik zelf de last van zonde niet kan dragen, en de straf niet kan voldoen. Het is ook de Geest Die ervan overtuigt dat er een Slachtoffer is, een Lam Gods, en dat Zijn bloed reinigt van alle zonde. Het is de Geest Die mij dringt, terwijl ik niet kan en niet wil. Maar Hij dringt me dwars door alle bezwaren heen. De Heilige Geest neemt als het ware mijn handen in Zijn hand. En terwijl Hij mijn handen legt op het hoofd van het Lam, zegt Hij mij de woorden voor, die ik Hem nazeg: ‘Mijn Heere en mijn God!’

De Geest dringt me dwars door de menigte heen en leert me te vluchten tot Christus om de zoom van Zijn kleed aan te raken. Om uit te roepen: ‘Heere, help mij!’ Het is de Heilige Geest Die dorstige zielen doet vluchten tot Christus, en Die hen te drinken geeft van de wateren des levens om niet.

U zegt: ‘Ja, dat dorsten ken ik. Mijn ziel dorst naar God. Maar als het nu straks Heilig Avondmaal is, mag ik dan wel aangaan? Mijn ziel dorst naar de levende God. Dat is alles

wat ik heb: dorst, honger, gemis, uitzien, verlangen…’ Weet u, Alexander Comrie schreef ooit een prachtig boekje. Als u het heeft moet u het nog eens lezen, als u het niet heeft moet u proberen het te krijgen en het ook lezen. Een prachtig boekje schreef hij met als titel: Het ABC des geloofs. Hij schrijft daarin als het gaat over het dorsten naar God: ‘Het is het zaligmakende geloof dat een dorstige ziel aan God verbindt. De rusteloze begeerte naar Jezus is geen vrucht van eigen akker.’

Laat dit de toets zijn voor uw hart. Wat is uw levensvraag? Wat wilt hebben? Rust, vrede? Of (dat is een andere vraag): Wie zoekt u? Uit de vrucht van het leven zal blijken: een oprecht hart vindt nooit rust buiten de persoon van Jezus. Het gaat zo iemand er niet om wat Jezus geeft, maar u zegt: ‘Ik moet Hem hebben. Geef me Jezus, of ik sterf!’ En de Heere zegt: Ik weet dat u zoekt Jezus (Mattheus 28:5). Tot zulke mensen zegt de Meester: Zalig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

En wie werkelijk, wie écht dorst, zal ook nooit kunnen rusten totdat zijn of haar ziel gedronken zal hebben van het water des levens om niet. O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk! Kom en drink van het water des levens om niet. Uit de fontein die nooit opdroogt. Die dorst heeft kome tot Christus, en hij drinke van het water des levens om niet! Wat buigt u u neder, o dorstige ziel, en wat bent u onrustig? Hoop op God, want u zult Hem nog loven; Hij is de menigvuldige Verlossing uws aangezichts, en uw God. Amen.

Slotzang Psalm 84:1 en 2:

Hoe lief'lijk, hoe vol heilgenot, O HEER, der legerscharen God, Zijn mij Uw huis en tempelzangen! Hoe branden mijn genegenheên, Om 's HEEREN voorhof in te treên! Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen; Mijn hart roept uit tot God, Die leeft, En aan mijn ziel het leven geeft.

Zelfs vindt de mus een huis, o HEER, De zwaluw legt haar jongskens neer In 't kunstig nest bij Uw altaren, Bij U, mijn Koning en mijn God, Verwacht mijn ziel een heilrijk lot; Geduchte HEER der legerscharen, Welzalig hij, die bij U woont, Gestaâg U prijst en eerbied toont.