PREEK · VRIJE STOFFEN

Zegen en nut van tegenspoed en duisternis - Psalm 30

8 juli 2018

Psalm 30:5-6: Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten, en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid. Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.

INLEIDING

Psalm 30 leert dat in Gods werk altijd eerst donker komt, dan licht. David, ernstig ziek geweest, ziet terug op zijn hoogmoed - "ik zal niet wankelen in eeuwigheid" - waarna God Zijn aangezicht verbergt om hem tot roepen en smeken te brengen. Zo leert de Heere Zijn kinderen ootmoed en afhankelijkheid. Maar op Gods tijd verandert Hij weeklacht in gejuich, ten diepste door het kruis, waar Christus Zelf de uiterste duisternis droeg. Zo blijft: des avonds geween, des morgens gejuich.

THEMA

De zegen en het nut van wegen van tegenspoed en duisternis

KERNPUNTEN

  1. Het donker van de nacht
  2. Het aanbreken van de morgen

PSALM 30:1-13

1 Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.
2 Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
3 HEERE mijn God, ik heb tot U geroepen, en Gij hebt mij genezen.
4 HEERE, Gij hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd; Gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.
5 Psalmzingt den HEERE, gij Zijn gunstgenoten, en zegt lof ter gedachtenis Zijner heiligheid.
6 Want een ogenblik is er in Zijn toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid; des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.
7 Ik zeide wel in mijn voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid.
8 Want, HEERE, Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
9 Tot U, HEERE, riep ik; en ik smeekte tot den HEERE:
10 Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
11 Hoor, HEERE, en zijt mij genadig; HEERE, wees mij een Helper.
12 Gij hebt mij mijn weeklage veranderd in een rei; Gij hebt mijn zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord,
13 Opdat mijn eer U psalmzinge en niet zwijge. HEERE mijn God, in eeuwigheid zal ik U loven.

VOLLEDIGE TEKST

Zegen en nut van tegenspoed en duisternis - Psalm 30

ds. J. IJsselstein - Psalm 30:5-6

THEMA

De zegen en het nut van wegen van tegenspoed en duisternis

Gemeente, jongens en meisjes, was het in het paradijs eerst licht of eerst donker? Wat was er het eerst? Het licht of het donker? Als je de Bijbel openslaat bij Genesis 1, dan lees je in de eerste verzen: De aarde nu was woest en ledig, en duisternis(!) was op de afgrond en de Geest Gods zweefde op de wateren. En God zei: Daar zij licht! En daar werd licht (Genesis 1:2-3). Dus, het was eerst donker. En toen zei God: Er zij licht! En in de dagen daarna hoor je steeds dezelfde echo: Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest. Eerst was het avond geweest. Eerst werd het donker. En na het donker kwam het licht. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de eerste dag, de tweede dag, de derde dag en zo verder. In het werk van God in de schepping wisselen donker en licht elkaar af. Maar voordat het licht wordt, is het steeds eerst donker. De Bijbelse volgorde is: eerst donker, dan licht. Zo was het in de schepping. En zo is het ook in het werk van God in de herschepping, in het maken van nieuw leven in zondige harten van mensen die uit het paradijs verdreven zijn. Het was donker, het was donker geworden door de zonde, maar God schept nieuw licht.

Je zegt: ‘Zou het niet beter zijn, als het altijd licht was? Als het nooit donker zou zijn?’ Ja, maar zou het goed zijn voor het gras, en voor de bloemen en de bomen, als altijd alleen zon zou schijnen? Als het nooit donker zou zijn en nooit zou regenen? Nee, dat zou niet goed zijn. Het gras, de planten en de bomen hebben ook het donker van de nacht nodig en ook de wind en de regen. En grote bomen hebben stormen nodig, zodat hun wortels steeds dieper en vaster in de grond gaan groeien.

In Psalm 30 gaat het ook over het donker van de nacht en over het ‘Er zij licht’ uit de mond van de Heere. De tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Psalm 30, daarvan het zesde vers, het tweede gedeelte. Psalm 30 vers 6b, waar staat: Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.

Gemeente, de preek van vanmorgen gaat over: De zegen en het nut van wegen van tegenspoed en duisternis Er zijn twee aandachtspunten.

We letten in de eerste plaats op het donker van de nacht. Immers de tekst zegt: des avonds vernacht het geween. Vernachten, jongens en meisjes, betekent eigenlijk gewoon: blijven slapen. Dus als er staat ‘des avonds vernacht het geween’, dan betekent dat eigenlijk: huilen blijft de hele nacht. In de tweede plaats letten we op het licht van de morgen, immers in de tekst staat: Maar des morgens is er gejuich. Letterlijk staat er: ‘s morgens een uitroep van vreugde! Het staat er heel kort en bondig: ‘s morgens gejuich!

1. Het donker van de nacht

2. Het licht van de morgen Als eerste letten we dus op:

1. Het donker van de nacht

Deze psalm, Psalm 30, is gemaakt, is gedicht in een moeilijke tijd. Welke tijd dat precies was, laat ik voor nu maar even rusten. Wat wel duidelijk is, is dat David ernstig ziek is geweest, zo erg dat hij bijna stierf. Kijk maar in vers 3, waar hij schrijft: HEERE, mijn God! Ik heb tot U geroepen, en U hebt mij genezen. Hij was dus heel erg ziek. En kijk eens in vers 4: HEERE! U hebt mijn ziel uit het graf opgevoerd (zoals je een emmer ophaalt uit een waterput), U hebt mij bij het leven behouden, dat ik in de kuil (in de put van het graf) niet ben nedergedaald David was dus heel erg ziek, bijna tot stervens toe. Maar gelukkig, nu mag hij zingen in vers 5: Psalmzingt de HEERE, gij Zijn gunstgenoten! en zegt lof tot gedachtenis van Zijn heiligheid. Wonderlijke zin trouwens, die laatste zin: Zegt lof tot gedachtenis van Gods heiligheid... Want uit alles blijkt dat David in zonde geleefd heeft, en nu zegt hij toch: loof en prijs Gods heiligheid.

Je zegt bij jezelf, jongen en meisjes, als je dit leest: Hoe is het eigenlijk gegaan? Eerst was David bijna gestorven, en nu zingt hij psalmen voor de Heere? Hoe is dat precies gelopen? Hij zegt het zelf: Want een ogenblik is er in Gods toorn, maar een leven in Zijn goedgunstigheid. En dan komt onze tekst: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.

Eerst gaan we met elkaar nadenken over dat eerste: ‘s Avonds vernacht het geween. Huilen blijft de hele nacht. Waarbij we bij dat woordje nacht niet per se hoeven te denken aan een nacht van zes, zeven of acht uur, maar we mogen even zo goed (zoals het ook was bij David) denken aan een bepaalde periode, van een nacht, van een dag, van dagen, van weken, van maanden, of zelfs van jaren. Tien jaar lang was David bijvoorbeeld op de vlucht geweest voor koning Saul. Dat was voor David een tijd van tranen en verdriet. Denk maar aan wat we samen zongen uit Psalm 42: Mijn tranen zijn mij tot spijs, ik eet en drink die, de ganse, de hele dag. Dag en nacht.

Iedereen van ons kent nachten van duisternis, iedereen kent perioden van tranen en verdriet. Want sinds het verloren paradijs is het donker geworden in het leven van ons allemaal. Donker vanwege de moeite en het verdriet van het tijdelijke leven. Maar het is ook en vooral geestelijk donker geworden in onze harten, omdat wij heel opzettelijk onze God en Schepper verlaten hebben.

Maar het erge is, dat veel mensen daar eigenlijk helemaal niet zo’n erg in hebben. Ze voelen wel dat ze iets missen, maar ze weten niet wat ze missen. Het is wel donker in hun hart, maar ze zien het niet, want ze zijn tegelijkertijd ook blind, geestelijk blind. Ja, hun hart is zelfs geestelijk dood. En dus, hoe erg het ook met hen is, ze voelen en zien het niet.

Maar hier, in deze psalm gaat het eigenlijk toch over een ander soort van donker zijn. Want David is een kind van de Heere. Hij kent (kijk maar in vers 8) de goedgunstigheid, dat wil zeggen de genade, de nabijheid, het dichtbij zijn van de Heere. Hij kent het licht van Gods vriendelijke aangezicht.

Maar toen ineens werd het anders in zijn leven. David werd ernstig ziek. Maar, erger nog, er gebeurde ook nog iets anders: de Heere verborg Zijn aangezicht voor David. Dat we zeggen: David zag de Heere niet meer. De Heere was er nog wel, maar David kon de Heere niet meer vinden. Hij raakte de Heere kwijt, althans in het gevoel van zijn hart.

Zoals het ook nu kan zijn in het leven van Gods kinderen. De Heere kan erge ziekte, tegenspoed en verdriet op ons pad brengen. Dat komt niet uit de hand van de duivel, maar uit Gods Vaderlijke hand. Eenzaamheid, pijn, moeite, maar vooral ook het verdriet om het verlies van geliefden, van man of vrouw, van een lief kind of kleinkind. Jaren later schrijnen de wonden nog diep in ons hart. Er kunnen grote zorgen zijn in het gezin, in de familie of op het werk. Er kunnen zoveel onopgeloste vragen zijn over Gods leiding in ons leven. Maar er kan ook vooral zoveel geestelijke verwarring zijn, zoveel geestelijke duisternis in het hart. Verzoeking, zoals bij David, tot de zonde. We kunnen zo meegesleurd worden door de verleiding van de dingen van deze wereld. We kunnen (niet waar, kinderen van God?), we kunnen in de ervaring van ons hart God kwijt zijn! Zodat we zuchten met David in Psalm 42: Heere, waarom vergeet u mij? En onze vijanden wrijven zout in onze wonden, als zij ons spottend influisteren: Waar is uw God nu?

Toch moeten we ook eerlijk zijn. We moeten niet alleen maar zuchten en klagen, maar ook nadenken. En ons biddend afvragen: Waarom leidt de Heere mij, nu, op deze weg? Dat is niets iets, wat je je moet afvragen wat betreft iemand anders, maar wel wat betreft jezelf. Anders val je in dezelfde valkuil als waar de vrienden van Job in vielen. En ik heb het ook niet over de wijsheid van Gods onzichtbare plan, waarom Hij de dingen zo doet, zoals Hij ze doet.

Nee, ik heb het over de vraag: Wat wil de Heere mij, nu Hij mij op deze moeilijke weg brengt, daarmee leren? Wat is de persoonlijke les voor mij? Niet denken dus aan iemand anders, maar ik en u, we denken aan onszelf. Waarom vindt de Heere dit alles, wat zo moeilijk voor me is, voor mij toch nuttig en nodig?

Laten we eens kijken hoe dat was bij David. God heeft David in ieder geval (dat zegt hij zelf) drie dingen willen leren. Dus de vraag is: Wat wil God ons met die donkere nachten vol van verdriet en tranen, wat wil de Heere ons met die tijden van geestelijke verlating (waarin God Zijn aangezicht voor ons verbergt), wat wil Hij ons met die perioden in ons leven leren? Zeker, ze zijn bitter. Ziek zijn is erg, maar geestelijke verlating is erger. Want Hij is ons leven! En zonder Hem is er voor ons geen leven. En dus zegt onze belijdenis: de verberging van dat liefdevolle gezicht van de Heere is voor ons verschrikkelijker, ja, bitterder dan de dood zelf.

Waarom moet dat zo? Waarom kan het niet altijd licht zijn in het leven van Gods kinderen? Waarom gaan aan het licht steeds duisternis en hartetranen vooraf? Wat wil God Zijn kinderen toch leren met die donkere nachten, met die duistere perioden in het geestelijke leven, met die tijden vol van verdriet en van tranen? Ik zie in deze psalm, in Psalm 30, in ieder geval drie dingen.

a. Ik lees als eerste in vers 7, leest u maar mee in uw Bijbel, ik lees als eerste in vers 7, dat David zelf zegt: Ik zeide wel in mijn voorspoed: ‘Ik zal niet wankelen in eeuwigheid!’ De Heere heeft David veel zegen en voorspoed gegeven. En wat was het resultaat? Hoogmoed. Ik zal niet wankelen in eeuwigheid! Het gezang van vers 5: Psalmzingt de Heere, gij Zijn gunstgenoten en zegt lof ter gedachtenis van Zijn heiligheid, is verstomd en verdrongen door: Ik zal! Ik zal niet wankelen in eeuwigheid! En u voelt die trots ook in vers 8: Mijn berg (de berg Sion, de berg waar ik woon), mijn berg staat vast door Uw goedgunstigheid. Ja, dat laatste klinkt nog wel mooi: door Uw goedgunstigheid. Maar toch, dat andere: ‘Mijn berg! Sion, Jeruzalem, dat is mijn berg! Is dat zo? Is Jeruzalem, is Sion niet Gods berg? Maar nee, ‘Mijn berg wankelt niet in eeuwigheid.’ Ik zit hoog en droog. Mij overkomt niets.

Hoogmoedig, trots, schijnbaar onkwetsbaar. Ons hart verlokt en ingenomen door voorspoed en gezondheid, door geluk en geld, door zekerheid over onze bekering en roeping, over de weg die we gingen en gaan. Vol van zelfvertrouwen en…? Vol van het vergeten van de Heere. De Heere klaagt erover in Jeremia 2: Nochtans heeft Mijn volk Mij vergeten, dagen zonder getal (Jeremia 2:32). Ik zeg het met schaamte, maar het is een kenmerk, en het is een slecht kenmerk van het hart van al Gods kinderen: we vergeten de Heere zo vaak, zo

veel, zo lang: dagen zonder getal. Hoogmoedig, trots en vol van zelfvertrouwen. En waarom stuurt de Heere nu David deze ernstige ziekte? Hij zegt (en dat is het eerste): Dat doet de Heere om daarmee dat zelfvertrouwen en die hoogmoed in mijn hart aan te wijzen en aan het licht te brengen.

b. En het tweede wat de Heere David ermee wil leren, is dat hij niet kan leven in het vertrouwen op zichzelf, maar dat hij in alles de Heere nodig heeft. En dat is wat de Heere ook nu Zijn kinderen steeds weer wil leren. En de Heere heeft veel manieren om ons dat te leren. En één ervan is, om met één vingerwijzing het hele kaartenhuis onze hoogmoed en van ons zelfvertrouwen in elkaar te laten storten.

Het ene ogenblik denk ik, zoals staat in Psalm 49: Mijn huis, mijn(!) huis, zal eeuwig staan! En het volgende ogenblik voel ik dat het waar is, wat Paulus zegt in 2 Korinthe 5: Dit lichaam is een kwetsbare tabernakel, een voorbijgaande tent. Eén ongeluk, één gesprek met de dokter over de uitslag van het onderzoek, één incident… Maar vooral ook: één wolk, die het liefdevolle gezicht van de Heere bedekt, en David moet uitroepen: Toen U Uw aangezicht verborg, werd ik verschrikt. Ik werd verbaasd, verstomd, doodsbenauwd, heel erg bang…

We vertrouwen op onze gezondheid. En God stuurt een ziekte. We vertrouwen op onze vrienden. En God neemt ze van ons. We vertrouwen op onze reputatie. Maar God neemt die weg en brengt ons tot schaamte. We vertrouwen op onze bevinding. Maar God brengt ons in twijfel en duisternis. Waarom? Om ons ootmoed te leren, om ons afhankelijkheid te leren, zodat we Hem weer nodig krijgen.

De Heere verbergt Zijn aangezicht. Vroeger wandelde ik in het vrolijke levenslicht, maar nu: God kwijt. Mijn tranen zijn mij tot spijs dag en nacht. Heere ik zie U niet meer! Waar bent U toch? En de duivel spot met me en zegt: Waar is uw God? Aan vroegere ervaringen heb ik geen houvast meer. Teksten die vroeger zo levend tot me spraken, waar ik houvast aan vond, als aan beloften aan mij gegeven, ze zeggen we niets meer. Het leven lijkt eruit te zijn.

Maar wat, wat is (als het goed is) de diepste kern van dit verdriet? De diepste kern van dit verdriet is (als het goed is) dat ik weet, dat ik God kwijt ben om mijn zonden. Om die zonden van zelfvertrouwen, hoogmoed, trots en zelfverzekerd- heid. Wat is het daarom dan ook nuttig en nodig, wat ons Avondmaalsformulier iedere keer weer opnieuw zegt: Een ieder bedenke bij zichzelf zijn zonden en vervloeking. Want waren die er niet, dan was er geen duisternis en dan waren er geen tranen. Het is mijn zelfvertrouwen, het is mijn hoogmoed en het zijn al mijn andere zonden, die altijd weer scheiding maken tussen God en mij.

Dus wat leert de Heere met tranen van tegenspoed en tijden van duisternis? Hij leert ons, dat was het eerste, iets zien van onze hoogmoed en van ons zelfvertrouwen. Hij leert ons, dat is het tweede, iets te voelen van wie wij zijn zonder God. Als Hij Zijn aangezicht verbergt, dan ben ik maar een klein mensje, dat verschrikt en bang en benauwd wordt. En dat (en dat is het derde, wat de Heere leert):

c. Dat verbergen van het aangezicht van de Heere brengt ons hart weer in beweging om de Heere weer te zoeken. Daarom, zie toch, kinderen van God, dat in wegen van duisternis en vertwijfeling, Gods Vaderlijke hand tot ons komt. Als Hij ons altijd licht gaf, dan zouden we Hem altijd vergeten. Maar nu leert Hij ons met Vaderlijke kastijding, om dicht bij Hem te leven. Kijk maar naar David. Toen, zegt hij, toen ik zag wie ik was (vol van trots en zelfverzekerd- heid), toen ik voelde wie ik was zonder U (helemaal niets), toen riep ik en smeekte ik. Toen riep ik in angst tot U gevloden: Ai, haast U tot mijn hulp en red! Toen, lees maar mee in vers 9 en 10, toen riep ik tot de Heere: Tot U, HEERE! riep ik, en ik smeekte tot de HEERE: Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal Uw Naam geloofd worden, als ik sterven moet? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen? Heere, hoe moet het dan toch met de eer van Uw grote Naam? Hoor, HEERE! en wees mij genadig; HEERE! wees mij een Helper. Wees mij een Helper, dat wil zeggen: wees mij toch een Redder, een Zaligmaker!

U hoort aan dit roepen van David, dat het (als eerste) een (a) ernstig roepen is. Zoals we dat in tijden van licht en voorspoed vaak niet meer doen. Ik riep, ik schreeuwde tot U. Ik smeekte, ik bedelde aan Uw genadetroon.

Het is in de tweede plaats ook (b) een roepen dat de Heere argumenten geeft, wijzend naar de eer van Zijn Naam. David zegt: Wat gewin is er voor U in mijn bloed, in mijn nederdalen tot in graf? Zal U het stof loven? Met andere woorden: Heere, het gaat toch niet om mij, het gaat toch om U? Hoe moet het toch met eer van Uw Naam, als ik omkom? Om Uws Naams wil, zo vergeef mijn ongerechtigheid want die is groot!

Het is (in de derde plaats) (c) een roepen dat ons losgerukt van de dingen waar we zo trots op waren. Het is een hopeloos roepen dat ons terugwerpt op God: O, Heere, wees mijn Helper!

En toch is het ook (in de vierde plaats) (d) geen hulpeloos, geen wanhopig roepen. Want deze bidder, dit in het donker roepende kind van God, houdt zich vast aan de Naam van de HEERE, de trouwe God van het verbond, geschreven met vijf hoofdletters. En doet u dat ook maar, u die in het donker en in het duister zucht om licht: HEERE, om Uw Naam, heilig en rechtvaardig, barmhartig, genadig en groot van goedertierenheid en waarheid, wees mijn Helper en red mijn ziel. Zo gaan we, voordat we verdergaan met ons tweede punt, ook samen zingen uit Psalm 141, het eerste en het negende vers.

'k Roep, HEERE, in angst tot U gevloden, Ai, haast U tot mijn hulp en red; Hoor naar de stem van mijn gebed, Daar ik U aanroep in mijn noden.

Doch op U zien mijn schreiende ogen; Op U betrouw ik in 't verdriet; Verlaat, ontbloot mijn ziel toch niet, O HEERE, o eeuwig Alvermogen!

We gaan verder met onze tweede gedachte:

2. Het aanbreken van de morgen

Wie vaak slecht kan slapen, kan zich hier iets bij voorstellen. Nachtenlang lig je te draaien, lig je te woelen in je bed. Het is donker. Wat duren de nachten toch lang… Wat duurt wachten op de morgen toch lang. Maar dan ineens, misschien is het vier uur of vijf uur ‘s ochtends, dan ineens zie je, als door een kier van de gordijnen naar buiten kijkt, dat het langzaam licht wordt. De twinkeling van de sterren verbleekt, en het donker van de nacht wordt langzaam maar zeker weggeduwd door de kracht van de aanbrekende dag. Bij ons in Nederland gaat dat langzaam, maar in het Midden-Oosten en ook in Cambodja gaat dat heel snel. Het ene moment is het nog donker, maar een half uur later is het stralend licht. De vogels zingen vrolijk en begroeten blij het licht van hun Schepper. En alles is doortrokken van het licht van Gods vriendelijke aangezicht.

Zo is het ook in onze tekst. Het donker, het geween vernacht. Het duurt zo lang… In het donker van de nacht wachten op de morgen, dat schijnt eindeloos te duren… Maar dan ineens, plotseling: Morgengejuich! ‘Daar zij licht! En daar is licht.’

Wat een onbegrijpelijk wonder is het in het leven van ontdekte zondaars, als in het donker van de nacht, plotseling de dag begint te lichten. In hun harten is zoveel verdriet en oprecht berouw om hun zonden. Ze schreeuwen naar God toe, maar het is en het blijft zo donker. En hoe langer het duurt, hoe meer ze gaan roepen: ‘Hoor, HEERE! En wees mij genadig. HEERE! Wees mij een Helper.’ Totdat ineens, op Gods tijd, het licht van Gods vriendelijke aangezicht in Christus Jezus begint te stralen.

Wie doet dat? Wie ontsteekt dat licht in de duisternis? Ook als het na ontvangen genade, zoals in het leven van David, door mijn eigen schuld weer zo donker is geworden? Wie ontsteekt dan op Gods tijd het licht in mijn duisternis? Wie doet de zon opgegaan? Wie laten vogels weer vrolijk zingen?

David zegt het zelf in vers 12: U! U hebt mijn weeklacht en geschrei veranderd in een blijde rei. U hebt mijn verdriet weggedaan. En U hebt mij met blijdschap omgord. U hebt het gedaan! Dus, wie doet dat? De Heere. De Heere Zelf. Dus, hoopt op de Heere, gij vromen. Is Israël in nood, er zal verlossing komen. Zijn goedheid is zeer groot. Wie doet het? De Heere Zelf.

En waar doet Hij het? Hoe en waar wordt het licht? Waar is ooit de diepste duisternis opgeklaard? En waar klaart dus ook de duisternis op het leven van Gods kinderen? Bij het kruis op Golgotha. Waar in de stikdonkere nacht van Godsverlating (donkerder kon het niet worden!), de Heere Jezus uit moesten roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? Waarom hebt U het licht van Uw vriendelijk aangezicht voor Mij verborgen? Als ik met al mijn zonden (met mijn zonde van hoogmoed en trots, met mijn vergeten van de Heere, met mijn vertrouwen op mezelf, met mijn vastzitten aan de dingen van deze wereld), als ik met al mijn zonden, met tranen van berouw eerbiedig mag buigen aan de voet van het kruis… En als ik daar mag zien dat Hij, de Heere Jezus Christus uit enkele en eenzijdige liefde en genade, daar mijn duisternis wilde dragen, wilde doordragen tot het einde toe, opdat ik nimmermeer door God verlaten zou worden… Als ik daar met verwondering en innige blijdschap iets mag zien van de schoonheid van de Zaligmaker van zondaars, veel schoner dan wie dan ook van de mensenkinderen, omdat genade op Zijn lippen is uitgestort, voor zo iemand als ik ben... Als ik met al mijn schuld voor het eerst of weer opnieuw mijn gebroken oog mag richten op de verhoogde koperen slang, Jezus Christus, die Zichzelf zo diep vernederd heeft, voor een van zichzelf zo hoogmoedig mens… Dan breekt, als de Heere me daar brengt, daar niet alleen mijn hoogmoed (dat ook!), maar dan breekt na de nacht van duisternis daar ook het licht van de nieuwe dag weer aan. Dan mag ik daar (o, wat een heerlijke tijden in het leven van Gods kinderen!), dan mag ik daar voor het eerst of opnieuw weer iets zien van het heerlijke licht van Gods vriendelijk aangezicht in Christus Jezus. Door mij was het zo donker geworden, maar nu om Hem (Heere, het is door U alleen!), om Jezus Christus straalt de glans van Gods gunst en genade me weer toe.

Als God Zelf in het donkerst van de nacht voor mijn ziel een pad baant. Het nooit ontdekte spoor. Door het onmogelijke van mijn kant heen. Zoals bij het volk Israël, staande aan de oever van de Rode Zee. Aan alle kanten worden ze bedreigd. Het wordt omkomen. Maar God…! U hebt onze weeklacht en ons geschrei veranderd in een blijde rei! Want, zo zingt de dichter van Psalm 66: Hij heeft de zee veranderd in het droge (Hij heeft het gedaan!). Ze zijn te voet doorgegaan door de rivier (Hij heeft een pad gebaand!). En: daar (daar waar het eerst zo donker en uitzichtloos was), daar hebben wij ons in Hem verblijd.

Want die moeilijke weg, die zo uitzichtloos leek, die leerde ons afzien van onszelf, en die leerde ons omhoog te zien, die leerde ons op Christus te zien. Die leerde ons alle hoop op onszelf te verliezen, en ons in al onze hopeloosheid aan Zijn voeten te werpen. Die leerde ons in Hem ons te verblijden.

Zo maakt de Heere het Zelf licht in het leven van zondige adamskinderen. Er zijn mensen die altijd wandelen in het licht. ‘Ik wandel in het licht, ik wandel in het licht met Jezus.’ Maar, het is te vrezen dat zij de echte Jezus nog nooit hebben ontmoet. Want de Heere werkt altijd, in de schepping en in de herschepping, van de duisternis tot het licht. Zoals ik zei: Om onze hoogmoed te breken, om ons te leren dat we een helper, dat we een redder, dat we de Zaligmaker nodig hebben. En dat door een weg van roepen en smeken tot God.

Dat is ten diepste ook de inhoud van het woord bekering. We gaan tot in het diepst van ons bestaan, tot in het diepst van onze gedachten van richting veranderen: weg van onze zonden, weg van ons zelfvertrouwen, en terug (roepend en smekend) naar God toe. En Hij helpt, Hij redt. Om Jezus’ wil, die in al Zijn Godverlating, in het diepst van de meest donkere nacht, voor zulke mensen aan het kruis wilde hangen.

Daarom, u die God zoekt, houd toch mond. Grijp moed, uw hart zal vrolijk leven. En is het trouwens ook niet zo, dat in het zoeken zelf al iets ligt van onuitsprekelijke vreugde? Immers, zou u dat zoeken in al uw donkerheid willen ruilen voor de vreugde en de blijdschap van uw vroegere leven? ‘Nee’, zegt u, ‘maar, daar kan ik niet mee doen. Geef me Jezus (ik hoop dat u dat zegt), geef me Jezus of ik sterf.’ Zo was het ook bij David. Hij zegt in vers 4: Mijn ziel is bijna tot in het graf gedaald. En hij roept, in de nood van zijn ziel, als aan de mond van het graf: Heere, wees mij genadig, wees mij een Helper. Wees toch mijn Redder! En de Heere doet het! Hij helpt en Hij redt. Op Zijn tijd, wordt weeklacht en geschrei, door Hem veranderd in een blijde rei.

Zulke bidders, zulke zoekers, zullen nooit voor altijd in het donker blijven. Waarom niet? Omdat God Zijn doel wil en zal bereiken. Om de eer van Zijn Naam en om de heerlijkheid van Zijn Christus. Want wat is het uiteindelijke doel van God met dit alles? Kijk maar naar wat er staat in vers 13: Opdat mijn eer U(!) psalmzinge en niet zwijge. HEERE, mijn God! In eeuwigheid zal ik U(!) loven! Die mond, die door de Heere Zelf dichtgestopt is vanwege schaamte over de zonde, die mond wordt op Gods tijd door de Heere Zelf ook weer geopend, maar nu om Hem te loven. Was dat ook niet het grote doel van de schepping? En ook van de herschepping? God loven? En dus worden op Gods tijd gesloten monden geopend om te zingen: Heere, U hebt het gedaan! U hebt mijn weeklacht veranderd, U hebt voor mij het donker opgeklaard.

Is er dan uiteindelijk vaak licht of juist vaak donker in het leven van Gods kinderen? Daar is de Heere vrij in. Toch is het niet voor niets, dat de Prediker zegt: De dagen der duisternis zullen veel zijn (Prediker 11:8). Maar het is ook niet voor niets, dat de dichter van Psalm 97 zingt: Het licht is voor de rechtvaardigen gezaaid en vrolijkheid voor de oprechten van hart (Psalm 97: 10).

Hoe het ook zij, soms is de nacht een nacht, soms een week, soms een maand, soms een jaar, soms jaren. Maar één ding is waar en blijft waar: God maakt de duisternis in het leven van Zijn kinderen op Zijn tijd altijd tot licht. Zodat uiteindelijk al Gods kinderen, ook de aangevochten en bestreden kinderen van God, zij die zo vaak in het donker lopen, zullen zingen: Nu zingen wij in God verblijd, aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen. We zullen zingen van…? Ja, ook van die wegen van duisternis, van die perioden van verdriet en van heimwee naar God toe. Want zo, juist door die wegen, leerde de Heere ons om ons zelfvertrouwen te verliezen en om ons als hulpeloze en arme zondaars op Hem te werpen.

Gemeente, niet iedereen kent iets van de wegen die de Heere met Zijn kinderen gaat. Ik bedoel u, die voor uw gevoel altijd in het licht wandelt, omdat u uw geestelijke duisternis niet ziet. En ik bedoel ook u, die de duisternis van de zonde liever hebt dan het licht van het berouw. Lieve mensen, wees gewaarschuwd! U kent misschien wel tranen, maar geen tranen van Godsgemis. U kent misschien wel verdriet, maar u kent geen droefheid naar God. Wee u, die nu lacht, want u zult huilen. Uw nacht zal, als u zo doorgaat, blijven en nooit overgaan in het stralende morgenlicht. Ook de weinige lichtstralen van het Evangelie die u nu beschijnen, zullen straks uit uw leven verdwijnen, om plaats te maken voor de definitieve, eeuwige nacht. Nooit zal er meer een tijd aanbreken van licht en vreugde en blijdschap. Als voor anderen de dag van het eeuwige licht zal aanbreken, zult u aan handen en voeten gebonden worden, en de koning (luister, dit zijn woorden uit de mond van Christus Zelf, die nu nog klopt op de deur van uw hart…!), de koning zal tot Zijn dienaars zeggen: Neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden (Mattheüs 22:13). Het licht schijnt in uw duisternis, maar u hebt het niet begrepen (Johannes 1:5). O, kom toch heden tot het licht. Opdat uw werken, uw goddeloze werken openbaar zullen worden. En ook u zult gaan roepen: Heere, wees mij genadig. Wees toch ook mijn Helper, wees toch ook mijn Zaligmaker! Uw echte nacht moet nog komen.

Maar, kinderen van God, onze echte dag moet ook nog komen. Want er is niet alleen een morgen van bekering, van het voor het eerst zien en omhelzen van Christus. Er is niet alleen het morgenlicht van het opklaren van het duister van geestelijke verlating. Maar eens zal op de grote morgen de definitieve dag aanbreken. Het zal moeten gaan door de zwarte nacht van de dood heen. Maar ons graf zal slechts een rustplaats zijn, een

wachtkamer, waar onze ziel zal wachten op de dag dat de bazuin klinken zal: Morgengejuich! Dan zijn de eerste dingen voorbijgegaan. Johannes schrijft erover in Openbaring 21. Hij zegt: Aldaar zal geen nacht zijn. Wij zullen geen kaars noch licht der zon van node hebben; want de Heere God zal ons verlichten; en wij zullen als koningen heersen in alle eeuwigheid. En God zal alle tranen van onze ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt (noch geschreeuw), noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan (zie Openbaring 21:4-5).

Dan zullen, zo schrijft Jesaja: De vrijgekochten des HEEREN wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden (Jesaja 35:10). Dan is het voorbij! Dan is de nacht definitief voorbij! Kinderen van God, we zijn reizigers door de nacht. Op weg naar huis! Onze nacht gaat voorbij. En onze tranen worden op Gods tijd voor altijd gedroogd.

Ouders, die hun kinderen in de Heere verloren hebben, zullen ze daar weer terugkrijgen. Echtgenoten, van wie geliefden in de Heere ontslapen zijn, zullen ze daar terugzien. Daar is, zo zegt de puriteinse dominee Samuël Rutherford, een welkom thuis. Hij zegt: We komen allemaal thuis met bedroefde gezichten en betraande ogen (na een nacht van tranen), maar Christus zal ons ontmoeten aan de deur van hemel met een schone en zachte doek in Zijn hand. Hij zal onze gezichten afwissen en zeggen: Stil maar, Mijn lieve kinderen, u zult nooit meer huilen’. ‘s Avonds vernacht het geween. Maar hoe donker ooit Gods weg op deze aarde moog wezen, op die laatste morgen zal onze blijde tong roemen in de Heere en alle vlees juichen tot Gods eer! Vertroost elkaar met deze woorden.

Amen. Slotzang Psalm 145: 6 en 7:

De HEER is recht in al Zijn weg en werk; Zijn goedheid kent in 't gans heelal geen perk. Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht; Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht; Dat ongeveinsd, in 't midden der ellenden, Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden; Hij geeft den wens van allen, die Hem vrezen; Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.

De HEER bewaart de ziel, die Hem bemint; Maar Hij verdelgt, dien Hij godd'loos bevindt. Mijn blijde tong zal roemen in den HEER, En alle vlees zal juichen tot Gods eer.