PREEK · VRIJE STOFFEN

Simsons bruiloft in Timnath (III) - Richteren 14

7 november 2021

Richteren 14:1: En Simson ging af naar Timnath, en gezien hebbende een vrouw te Timnath, van de dochteren der Filistijnen,

INLEIDING

Onderweg naar de bruiloft vindt Simson honing in het karkas van de leeuw: een bittere plaats werd zoet. Maar op zijn feest speelt hij met vuur: een raadsel en weddenschap, tot zijn bruid hem met tranen ontfutselt en het verklapt. Simson verliest en ontkent zijn eigen schuld. Toch grijpt God hem opnieuw aan: de Geest komt over hem en hij verslaat de Filistijnen. Dwars door menselijke zonde en falen heen voert God Zijn plan van verlossing door.

RICHTEREN 14:1-7

1 En Simson ging af naar Timnath, en gezien hebbende een vrouw te Timnath, van de dochteren der Filistijnen,
2 Zo ging hij opwaarts en gaf het zijn vader en zijn moeder te kennen en zeide: Ik heb een vrouw gezien te Timnath, van de dochteren der Filistijnen; nu dan, neemt mij die tot een vrouw.
3 Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijn moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broederen en onder al mijn volk, dat gij heengaat om een vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijn vader: Neem mij die, want zij is bevallig in mijn ogen.
4 Zijn vader nu en zijn moeder wisten niet dat dit van den HEERE was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heersten te dien tijde over Israël.
5 Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder henen af naar Timnath. Als zij nu kwamen tot aan de wijngaarden van Timnath, ziedaar, een jonge leeuw, brullende hem tegemoet.
6 Toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem, dat hij hem vaneenscheurde gelijk men een bokje vaneenscheurt, en er was niets in zijn hand; doch hij gaf zijn vader en zijn moeder niet te kennen wat hij gedaan had.
7 En hij kwam af en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Simsons ogen.

VOLLEDIGE TEKST

Simsons bruiloft in Timnath (III) - Richteren 14

ds. J. IJsselstein - Richteren 14:1

LITURGIE

Psalm 116:1,5

Psalm 119:52

Lezen Richteren 14

Psalm 89:13,14

Psalm 73:13 Gebed des Heeren:7

Psalm 106:4,24

Gemeente, we gaan verder met de geschiedenis van Simson. God heeft een verborgen plan met Simson. Ondanks het feit dat hij een verkeerde beslissing heeft genomen, om te trouwen met een Filistijnse vrouw.

Maar, wat doen zijn vader en moeder eigenlijk? Ze hebben, zo zagen we vorige keer, indringend hun bezwaren geuit tegen dit on-Bijbelse huwelijk. Maar ze hebben hun beloftekind niet losgelaten. Leest u maar mee in vers 5. Daar staat: Alzo ging Simson met zijn vader en zijn moeder henen af naar Timnath.

Ontroerend om te lezen. Deze godvrezende ouders laten hun kind niet los. Hoe hun verwachting ook gebroken is, ze gaan met hem mee. Hun hart zal gebloed hebben. Hoe is het mogelijk, dat dit Gods weg is? Maar ze gaan mee om de bruiloft te regelen met de aanstaande schoonfamilie van hun zoon bij de Filistijnen. De buren zullen wel gekeken hebben… De mensen op het dorp zullen wel gedacht en gepraat hebben… Maar ouderliefde is sterk!

Het geeft aan, hoe ook wij als ouders onze kinderen altijd vast moeten houden. Ook al gaan ze lijnrecht in tegen Gods verbond en woorden. Ook al gaan ze een on-Bijbelse relatie aan, waar de toorn van de Heere op rust. Ze zeggen wat ze ervan vinden, onomwonden, en ze gaan mee met Simson naar Timnath. God laat toch ook nooit een van Zijn kinderen los? Ondanks alles wat wij doen? Zingt de dichter van Psalm 89 niet: Zo Mijn kinderen ooit Mijn zuivere wet verlaten? Toch zal Ik over hen Mijn gunst en goedheid nooit doen enden!

Het is een poosje later. Vers 8 zegt: na sommige dagen. De bruiloft komt eraan. Weer gaan ze met zijn drietjes dezelfde weg. En weer gaat Simson even van de weg af, datzelfde paadje als toen… We lezen in vers 8: En na sommige dagen kwam hij weder om haar te nemen; toen week hij af om het aas van de leeuw te bezien, en zie, een bijenzwerm was in het lichaam van de leeuw, met honing.

Soms is het, gemeente, goed om terug te gaan (in gedachten, of echt) naar plaatsen waar de Heere in ons leven ingegrepen heeft. Je kan teruggaan naar plekken waar je je eigen prestaties kan bewonderen. Maar het is beter om terug te gaan naar de plaatsen van Gods grote daden. Die maken verwonderd, ootmoedig en klein. Naar de plaats van het doodsgevaar vanwege de dreiging van deze of gene zonde, die als een leeuw op ons afkwam. Maar de Heere heeft ons gered. Naar de plaats waar je in doodsgevaar was, vanwege de nood van je ziel, om de nood van je zondige hart. Maar nu zing je: U hebt, o Heere, in dodelijkst tijdgewricht, mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen.

Simson moet stil en verwonderd zijn geweest. Op deze plaats had hij bijna het leven gelaten. En nu, terwijl hij in stilte dichterbij komt, nu blijkt dat in dat karkas, in die dode, verdroogde en door de zon gemummificeerde leeuw, een zwerm bijen huist. En ze hebben ondertussen heel veel honing gemaakt. Hij pakt ervan met zijn hand, hij eet ervan, en even later geeft hij er ook van aan zijn vader en moeder.

Er is iets triests… Weer breekt Simson zijn nazireeërbelofte. Hij moet zich ver houden van wat dood is. Dit is onrein!

Maar dit is toch ook een beeld, voor hem, en ook voor al Gods kinderen nu in deze tijd. Dit was een plaats van groot gevaar. Dit was een bitter Mara. Hier werd gevochten op leven en dood, in doodsgevaar, in schuld voor God. Maar door Gods wonderlijke leiding is dit nu een plaats geworden van veel zoetheid. Een Elim. Een plaats vol van de goedheid en van de trouw van de Heere en van de genade van Hem. ‘Hier, Heere, hebt U mijn ziel gered!’ ‘Nu smaak ik, nu proef ik, hoe goed U bent!’

Is dat in ons leven niet vaker zo, kinderen van God, geliefde medechristenen? a. In de eerste plaats in ons geestelijke leven. Op de plaats waar schrik en angst ons aangreep, omdat we zagen dat we zo tegen God gezondigd hadden, dat we voor God niet konden bestaan... Op de plaats waar we ons berouw over onze zonden voor de Heere hebben uitgesproken, biddend en smekend in het verborgen voor God… Op diezelfde plaats wordt later zo vaak zoetheid ervaren, als de Heere ons oog richt op Christus en op Zijn verdienste in onze plaats. Dan wordt het waar wat de dichter zingt in Psalm 30: ‘s avonds vernacht het geween, ‘s morgens is er (op diezelfde plaats) gejuich. Hoe groter de nood was, hoe groter het wonder. Hoe dieper de schaamte was, hoe zoeter de honing. Hoe donkerder de weg, hoe groter de verbazing bij het achterom kijken naar de grote nood en dood, waaruit de Heere ons verloste.

Is dat in ons leven niet vaker zo, kinderen van God, geliefde medechristenen? b. Als we in de tweede plaats denken aan het werk van de Heere Jezus Christus, en als we daarbij ook terugdenken aan de viering van het sacrament van het Heilig Avondmaal? Waren daar niet de tekenen van het bittere lijden en van de diepe smart van onze Heere Jezus Christus? In het overdenken van Zijn lijden en sterven was bitterheid. Al de machten van de hel zijn als een woedende leeuw op Hem aangevallen. Om onze zonden… Maar Hij overwon en verscheurde de macht van de zonde! Van de zonde, die nu als een verdroogde leeuw ligt aan de voet van het kruis. En dus zijn de tekenen van de bitterheid van Zijn dood en van Zijn liefdevolle trouw tegelijkertijd zoet als honing, voor mensen zoals Simson: die altijd weer dwalen en eigen wegen gaan.

Is dat in ons leven niet vaker zo, kinderen van God, geliefde medechristenen? c. In de derde plaats ook in onze persoonlijke strijd tegen de zonde? We strijden ermee, we worstelen ermee en dreigen onder te gaan. Maar door de kracht van het gebed, door kracht uit Christus halen we toch de overwinning. Waardoor de zonde niet alleen als een dode leeuw aan de voet van het kruis ligt, maar ook aan onze voeten. Stille rust, stille vrede komt in ons hart, zoeter dan honing. Omdat wij…? Nee, omdat de Heilige Geest de overwinning behaald heeft, omdat Hij ons leerde kracht putten uit Christus.

Is dat in ons leven niet vaker zo, kinderen van God, geliefde medechristenen? d. In de vierde plaats wat betreft allerlei dingen in ons tijdelijke leven? Lettend op de weg van Gods voorzienigheid? De wegen van de Heere kunnen zo bitter zijn, zo beangstigend… Terwijl de Heere zegt: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar na dezen zult u het verstaan (Joh. 13.7) En later is er honing, als we zingen van Gods wonderlijke wegen. Dan zingen wij, in God verblijd, aan Hem gewijd, van ’s Heeren wegen. Als Hij kromme wegen recht maakt en door woeste baren een pad baant. Heilig zijn, o God, Uw wegen!

Dan is er, na bange tegenspoed: honing en zoetheid. Want wat is er zoeter dan honing? Want wat is er beter dan Gods gunst, dan Gods genade en zegen? Wat is er beter dan dat we ons verblijden in de Heere? En zeggen: Het is goed voor mij verdrukt te zijn geweest?

Is dat in ons leven niet vaker zo, kinderen van God, geliefde medechristenen? e. In de vijfde plaats bij het naderen van de dood zelf? Want dan blijkt, dat de leeuw dood is. Zeker de omstandigheden verschrikken ons. Wie van ons zou niet schrikken bij het zien van een dode leeuw? Maar zijn kracht is vergaan. De angel, de zonde, is eruit (1 Kor. 15.56). Want de zonde is dood. En dus is de dood dood, door de dood van Christus.

Laat dat ons in het gezicht van de dood niet zingen: Ik zal niet sterven maar leven? Bezwijkt mijn vlees en mijn hart, God is de Rotssteen van mijn hart en mijn Deel in eeuwigheid. We gaan er samen van zingen uit Psalm 73:13: Wie, ver van U, de weelde zoekt, Vergaat eerlang en wordt vervloekt; Gij roeit hen uit, die afhoereren En U de trotsen nek toekeren; Maar 't is mij goed, mijn zaligst lot, Nabij te wezen bij mijn God; 'k Vertrouw op Hem geheel en al, Den HEERE, Wiens werk ik roemen zal.

Simson pakt met zijn hand van de honing en eet ervan, en even later geeft hij er ook van aan zijn vader en moeder. Maar hij zegt niet waar het vandaan heeft. Dat is bescheidenheid. We hoeven niet altijd trots te vertellen wat er nu weer is gebeurd. Het gaat zo snel om de mens. Het gaat zo snel om onszelf! De apostel Petrus heeft het over een zachtmoedige en stille geest, die kostelijk is voor God (1 Pet. 3.4) Toch deelt Simson er wel van met zijn ouders. Wat we van de Heere gekregen hebben, houden we niet egoïstisch voor onszelf. We delen graag iets van de zoetheid ervan met anderen.

En dan volgt vers 10: Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zo maakte Simson aldaar een bruiloft, want alzo plachten de jongelingen te doen. Simson maakt een groot feest. Het woord dat in het Hebreeuws gebruikt wordt, doet denken aan een feest waar heel veel gedronken wordt. Simson, hoe staat het met je nazireeërbelofte? Gemeente, hoe staat het met ons drankgebruik? Jongeren, ouderen? Hoe staat het met ons leven, kinderen van God? Komen leer, roeping en ambt overeen met ons leven? Of leiden we een dubbelleven? Uiterlijk vroom, maar verborgen: verblind en verleid door vrouwelijk schoon en door teveel alcohol?

Dertig mannen krijgt hij om zich heen. Zoals staat in vers 11: dertig metgezellen. Het lijken ordinaire bruidsjongens, maar het heeft er alle schijn van, dat het een soort van geheime agenten zijn. ‘Mannen, pas op deze Simson, houd hem goed in de gaten!’ De vijand ziet het gevaar blijkbaar nog beter, dan Simson zelf.

Zeven dagen duurt het feest. En onder het genot van veel drank en met veel plezier probeert Simson de mannen aan te zetten om hun hersens te laten kraken. Met een raadsel, met hersengymnastiek, met een wedstrijd wie de slimste is. En met een leuke weddenschap eraan vast. Inzet: 30 stuks linnen onderkleding en 30 stuks nieuwe bovenkleding.

Dit is het raadsel. En dan blijkt dat Simson niet alleen richter is, maar ook dichter. Vers 14: En hij zeide tot hen: Spijze ging uit van de eter En zoetigheid ging uit van de sterke. In het Hebreeuws is het eigenlijk een gedicht. Zoals een oude Nederlandse dichter het vertaalt: Het is sterk en het verslindt altijd, (maar) nu biedt het een maal van zoetigheid.

Een eter… Ja, die eet. Maar deze eter, daar komt eten uit... En een sterke, waar zoetigheid uitkomt…? ‘Mannen, doe je best! Ik hoor het wel. Je hebt een week de tijd.’

Weer speelt Simson met vuur. Dat hij de Filistijnen uitdaagt, dat is van de Heere. Maar hoe hij het doet, dat is van hem.

Gemeente, let toch op de verleiding, op de zuigkracht van de zonde, juist bij een goede slok alcohol. Of dat nu in een café is of thuis, bij een lekker etentje of in een refotent. De remmen zijn er af. Simson, hij vergeet zijn taak, hij schendt zijn nazireeërplicht, hij gaat trouwen met een mooie, maar heidense vrouw, en nu zet hij zijn bijzondere geestelijke ervaring en troost in als spel en weddenschap.

Nota bene op het terrein van de vijand! Maar je kunt geen kat en muis spelen met geestelijke vijanden. Je kunt geen kat en muis spelen in de strijd tegen de zonde. Je moet er mee breken! Je moet je roeping volgen!

Want, Simson, je vergist je. Deze bruidsjongens zijn geheime agenten. En die mooie vrouw is een gevaarlijk ding. Je bent, Simson, op gevaarlijk terrein, op een plek waar je niet hoort te zijn. Je kan overmoedig denken, dat je immuun bent voor het gevaar van een bepaalde plek, van een bepaalde website, van de bepaalde club die gerund wordt de Filistijnen… Of ook van een gezellig gezelschap, zelfs binnen de gemeente… Maar vroeg of laat ga je onderuit!

Geweldig is de frustratie bij de Filistijnen. Dit is natuurlijk hun tegenstander. Het leek een goede deal, maar dit raadsel is niet te kraken. En dus wordt er aan het eind van de week dreiging en chantage in het spel gebracht. ‘Zeg, aanstaande vrouw van Simson -vers 15-, heb je er wel eens aan gedacht dat je huis kan afbranden? Het huis van je vader?’ En beetje druk op de bruid…

En dat helpt. Zij weet hoe ze deze Simson om haar vinger kan winden. Met een paar traantjes, en met -vers 16- ‘Als je het niet zegt, Simson, hou je echt niet van me…!’

Ziet u ondertussen, wat hier werkelijk gebeurt? Hier staat een nazireeër, tegenover een heidense, goddeloze vrouw. Hier staat het zaad van de vrouw, tegenover het zaad van de slang.

En Simson breekt! Hij verliest! Duizend Filistijnen zijn niet in staat om hem te breken. Maar één vrouw met een paar traantjes wel.

Dit is echt tot waarschuwing opgeschreven. Je kan denken, ook als kind van God, dat je sterk bent in de strijd tegen de zonde en dat je overal komen kan. Maar de satan, die nog steeds rondgaat als een briesende leeuw, weet onze zwakke plekken en valt ons aan. Weg dus van die plekken! Weg van die gesprekken, van die plaatsen, van die internetsites, waar het zo vrolijk en gezellig lijkt. En bidden: Leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze. Want eenmaal zover gekomen, is niets in staat om ons te beschermen dan alleen het wapen van het gebed. Dat enkel en alleen een beroep doet op Gods kracht. Op Hem, op Christus, Die als het Zaad van de vrouw, staande tegenover de slag, niet brak en niet verloor. En daarom zingen we, voordat we verder gaan uit het Gebed des Heeren, het zevende vers: Leid ons in geen verzoeking ooit; Verberg voor ons Uw aanzicht nooit; Gij weet het, onze kracht is klein; De driften veel, en 't hart onrein, Wat wordt er van ons in dien staat, O Vader, zo Gij ons verlaat?

Het spel van Simson mislukt. Foutje? Mis gegokt? Nee, het is God Zelf, Die inbreekt. Het is God Zelf, Die dit huwelijk gaat voorkomen. Die Simson gaat weghouden van de zonde van een huwelijk met een heidense vrouw.

En wat een zegen is dat! Als de Heere ons tegenkomt, ook in de kerk. Ons, als nazireeërs, als ambtsdragers. En de zonde gaat verhinderen. Dat kan veel pijn doen, want je wilde zo graag verder op je eigen weg en op je eigen manier. Op school, op je werk, in je gezin, in je huwelijk of in de kerk. Maar de Heere zegt: ‘Stop! Tot hiertoe en niet verder!’ De weg is afgesloten. Of zoals de Heere door de mond van Hosea zegt: Ik zal uw weg met doornen betuinen (Hos. 2.5). Je kan niet verder. Je had anders in gedachten, maar de Heere komt ertussen. Dat kan bitter zijn, dat kan veel tranen kosten. Maar in je hart moet je zeggen (en het is eerlijk om dat te doen): het is mijn eigen schuld dat ik hier nu zo sta, dat ik hier nu zo in de problemen zit.

Wat je dan doen moet? Op je schreden terugkeren. Dat is beter dan verdergaan, als God je tegenkomt. Nee, ik heb het niet alleen over mensen die openlijk voor de zonde kiezen. Het gaat hier over een man Gods, over een nazireeër, over een ambtsdrager. God komt hem tegen, zet Zijn voet dwars en Simsons plan mislukt.

Moet je dan…? Wat moet je dan doen? God danken, dat Hij je de pas heeft afgesneden. Want een dwarse voet van de Heere, is beter dan een kus van de duivel. Het is een teken van Gods gunst en goedheid. Want anders was je doorgegaan op je eigen weg. God zet Zijn voet dwars. En Simson loopt vast. Zijn vrouw blijkt een verraadster. Eerst perst ze hem (vers 17), ze wringt hem met haar traantjes als een sinaasappel uit. En dan verraadt ze hem, door zijn raadsel te verklappen aan haar volk.

De mannen wachten tot het allerlaatste moment, tot -vers 18- vlak voor het moment dat de zon ondergaat. En dan komen ze triomfantelijk tevoorschijn. Ook met een soort rijmpje. Zij kunnen ook dichten: Wat is er zoeter dan honing? En wat is er sterker dan een leeuw?

Verraden! Maar voordat u verder leest over wat Simson nu gaat doen, moet u eerst met mij nog even nadenken over wat God hier doet. Want, zo zei ik vorige keer: Simson heeft eigen plannen en gaat zijn eigen weg. Maar in het verborgen is God bezig met Zijn plannen. Zeker, met Zijn plannen met Israël, Zijn volk. Maar ook met Zijn plannen met Simson, Zijn kind en knecht. Simson staat voor schut, hij staat volledig te kijk voor al die bruiloftsgasten.

Wat kan de Heere ons hard treffen, als we onze eigen wegen gaan. In ons persoonlijke leven, maar ook in de gemeente, in het kerkelijke leven. Maar vooral: wat kunnen wij lang doorgaan, op onze zelfgekozen wegen. Totdat de Heere wel moet ingrijpen. Want Hij haat de zonde. In mijn leven, in ons leven (broeders van de kerkenraad), en in uw leven (gemeente). Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen. Wij kunnen er vaak nog wel mee leven. Want ja, wij hebben zo onze excuses. Maar de Heere kan er niet mee leven. En grijpt in. En maakt ons beschaamd. Meer dan dat Hij ooit die mensen beschaamd maakt, die niet in Hem geloven, beschaamt Hij ons. Ons, die het zo goed weten, die iets kennen van de ernst van de zonde, van Gods heiligheid en van de grote prijs die daarom voor de zonde betaald werd. Want, zo zegt de schrijver van de Hebreeënbrief, dien die de Heere liefheeft, kastijdt Hij. En Hij geselt een iegelijken zoon dien Hij aanneemt (Hebr. 12.6). Waarom?

Om ons te laten breken met onze zonden. Persoonlijk, in ons gezin, op ons werk of in de kerk. Opdat we Zijn heiligheid deelachtig zouden worden.

Simson houdt zijn gezicht in de plooi. Dat zouden wij ook doen. Simson verraadt hoe wij zijn. ‘Mensen, houd je gezicht recht!’ Petrus deed beter: naar buiten gaande weende hij bitter (Mt. 26.75).

Simson komt ook weer met een gedichtje. In zekere zin speelt hij zijn spel verder. Doorgaan is gemakkelijker dan erkennen, buigen en belijden. Hij zegt in vers 18: Zo u met mijn kalf niet had geploegd, u zou mijn raadsel niet hebben uitgevonden. Een boer is bezig om te ploegen met zijn kalf, in de hoop verborgen schatten te vinden in zijn akker. En dat hebben jullie, Filistijnen, gedaan. Jullie hebben mijn schat gevonden, door te ploegen met mijn kalf.

De Heere zet Zijn voet dwars op de weg die Simson gaat. Zoals dat ook bij ons kan gebeuren. Reactie? Mijn kalf (niet echt aardig tegen de bruid) en jullie, bruidsjonkers. Zonder een spoor van zelfverwijt. En dat is gevaarlijk. Dat gebeurt meestal, als het aan ons ligt. Als het gaat om zonde, om mijn zonden, om onze zonden. We hebben altijd wel een excuus. Wijzend naar anderen: Hij…! Zij…! Het duurt vaak zo lang voordat we buigen en zeggen: Ik heb het gedaan. Ik heb gedaan dat kwaad was in Uw oog. Wij hebben God op het hoogst misdaan. Wij zijn van het heilspoor afgegaan.

Maar, de afspraak staat. Nu gaat blijken, wat beloofd was: Hij zal beginnen (zei de Engel des Heeren tegen zijn moeder), Hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen (13.5). Opnieuw komt De Geest des HEEREN over Simson. In vers 19 staat: toen werd de Geest des HEEREN vaardig over hem. Dat wil zeggen: de Heilige Geest port hem aan om zijn roeping gehoorzaam te zijn. Hij grijpt hem aan met grote kracht en drang. God neemt het op voor Simson! God neemt het op voor Zijn volk. En dat is nog steeds zo, hoewel Zijn volk ook een volk is vol van zonde en schuld. Toch neemt de Heere het voor hen op. Wie hen aanraakt, raakt Gods oogappel aan (Zach. 2.8).

De Geest van de HEERE neemt Simson opnieuw helemaal in beslag. Hij gaat naar het (waarschijnlijk dichtbij gelegen) kleine dorpje Askelon en doodt daar dertig mannen. Hij ontdoet ze van hun kleding, geeft die aan zijn tegenstanders, en gaat woedend terug naar zijn ouderlijke huis. Kijk maar naar vers 19: Doch zijn toorn ontstak en hij ging op in zijns vaders huis. Is dit de wraak van een ongrijpbare, onbeheerste man? Nee! Dit is de Geest des HEEREN, zo staat er. Dit keer niet om een leeuw te doden, maar de vijanden van het volk Israël.

Dit gaat helemaal niet meer over Simson en zijn karakter, dit gaat over God en Zijn macht. En zo eindigt dit hoofdstuk, vol van menselijk drama en menselijke zonde, uiteindelijk met de beginnende overwinning van God over Zijn vijanden.

De vijand denkt: De overwinning is binnen. Simson is uitgeschakeld. Dat dacht de vijand ook op Golgotha. En dat denkt de vijand ook zo vaak in het leven van Gods kinderen. Maar God volvoert Zijn raad, dwars door ons verliezen heen. De Heere zal opstaan tot de strijd! Het loopt om Hem uit op overwinning, op verlossing. Hij zal Zijn en onze vijanden verslaan (HC, Zondag 19). De beschuldigers worden verjaagd. De wet wordt de vloek ontnomen. De zonde wordt gedood. En uiteindelijk wordt zelfs de dood verslonden tot overwinning (1 Kor. 15.54). En dan zingen wij, in God verblijd, van Zijn wegen.

De geschiedenis van Simson is een ernstige waarschuwing voor het gevaar van de zonde, in ons persoonlijke leven, en ook in ons kerkelijke leven. Maar deze geschiedenis bewijst ook vooral de kracht van God en de overwinning door Christus. Die deze onbekwame dienstknecht van God vasthoudt in Zijn eenzijdige liefde en trouw. Waarom? Omdat de liefde van God tot Zijn kinderen een eeuwige, eenzijdige en blijvende liefde is. En omdat Christus de Zijnen, ondanks onze ontrouw, liefgehad heeft tot het einde. Hij, de Leeuw uit de stam van Juda, overwon satan, zonde en dood. En door Hem (zegt Paulus in Romeinen 8) zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, Die ons liefgehad heeft (Rom. 8.37).

Amen.

Slotzang Psalm 106:4,24:

Wij hebben God op 't hoogst misdaan; Nochtans was God met hen begaan; Wij zijn van 't heilspoor afgegaan; Hij zag hun angst, hun tranen aan, Ja, wij en onze vaad'ren tevens, En hunner hateren verwoedheid; Verzuimend' alle trouw en plicht, Hij dacht aan Zijn gestaafd verbond, Vergramden God, den God des levens, En had berouw, naar al Zijn goedheid, Die zoveel wond'ren had verricht. Meêdogendheid met Isrels wond.