Advent - 17 december 2023
Genesis 49:18: Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE.
INLEIDING
Op zijn sterfbed, omringd door zonen die zijn eigen zonden weerspiegelen, ziet de oude Jakob zich plotseling bloot voor Gods aangezicht — en toch breekt uit zijn hart de verwachtingsvolle roep: "Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!" Deze leespreek over Genesis 49:18 voert je in het diepste geheim van het christelijk sterven: niet op jezelf hopen (want daar is niets), maar wachtend en biddend op Gods Jezus, de enige Zaligheid.
De adventsverwachting van de stervende Jakob
GENESIS 49:8-18
8 Juda, gij zijt het, u zullen uw broeders loven; uw hand zal zijn op den nek uwer vijanden; voor u zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.
9 Juda is een leeuwenwelp, gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon. Hij kromt zich, hij legt zich neder als een leeuw en als een oude leeuw; wie zal hem doen opstaan?
10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn.
11 Hij bindt zijn jongen ezel aan den wijnstok en het veulen zijner ezelin aan den edelsten wijnstok; hij wast zijn kleed in den wijn en zijn mantel in wijndruivenbloed.
12 Hij is roodachtig van ogen door den wijn en wit van tanden door de melk.
13 Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen; en hij zal aan de haven der schepen wezen, en zijn zijde zal zijn naar Sidon.
14 Issaschar is een sterkgebeende ezel, nederliggende tussen twee pakken.
15 Toen hij de rust zag, dat zij goed was, en het land, dat het lustig was, zo boog hij zijn schouder om te dragen, en was dienende onder tribuut.
16 Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israëls.
17 Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterovervalle.
18 Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Genesis 49:18
THEMA
De adventsverwachting van de stervende Jakob
Gemeente, op deze ....e adventszondag preek ik u het Woord van God vanuit Genesis 49, daarvan het 18e vers. We lezen samen onze tekst, Genesis 49:18, waar de stervende aartsvader Jakob zegt: Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!
Het thema voor de preek van vanmorgen is: De adventsverwachting van de stervende Jakob We letten samen op twee aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op een onuitgesproken schuldbelijdenis. En daarna letten we in de tweede plaats op een verwachtingsvolle geloofsbelijdenis. Dus: De adventsverwachting van de stervende Jakob 1. Een onuitgesproken schuldbelijdenis 2. Een verwachtingsvolle geloofsbelijdenis Als eerste dus:
Jongens en meisjes, vader Jakob is oud. Hij is heel oud. Als iemand bij ons 100 jaar wordt, dan is dat heel bijzonder. Maar vader Jakob is ondertussen al 147 jaar oud. Toen hij 17 jaar geleden in Egypte kwam, dacht hij misschien wel, dat hij niet meer zo lang zou leven. Ik bedoel, toen hij tegen farao zei: ‘De dagen van mijn jaren zijn weinig en moeilijk geweest. En zo oud als mijn vaders Abraham en Izak ben ik niet geworden.’ Als iemand dat zegt, dan voelt het alsof hij denkt, dat hij binnenkort zal sterven. Maar ondertussen is het 17 jaar later. Nu is het wel de tijd dat Jakob sterven zal.
Gemeente, vroeg of laat moeten wij allemaal sterven. Want het is de mensen gezet (alle mensen), eenmaal te sterven, en daarna het oordeel (Hebreeën 9:27En gelijk het den mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel;). Zult u niet vergeten daaraan te denken, gemeente? Gedenk te sterven. U bent op weg naar de eeuwigheid, u bent op weg naar de grote ontmoeting met God.
Rond het bed van de oude Jakob staan zijn zonen. Het lijkt er vredig aan toe te gaan. En dat is een zegen. Als er rond een sterfbed geen spanningen voelbaar zijn.
Jakob zegt (u ziet het in vers 1 en 2): Verzamelt u, en ik zal u verkondigen, hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal. Komt samen en hoort, gij, zonen van Jakob! en hoort naar Israël, uw vader. Het is een plechtig moment. ‘Zonen van Jakob’. Het herinnert aan wie hij vroeger was. ‘Luister naar Israël’. Het wijst naar wie hij door Gods genade geworden is. Ooit heette hij Jakob, hielenlichter, bedrieger. Maar bij Pniël, waar hij worstelde met God, kreeg hij een andere naam: Israël.
Daar staan ze. Zonen van Israël, kinderen van het verbond. Wachtend op hun zegen… Hoewel, en het is goed dat ook wij ons dat realiseren, aan het verbond (aan het door de doop aan God verbonden zijn) is niet alleen zegen verbonden. Aan het verbond zitten twee kanten: belofte en waarschuwing, zegen en vloek. En dat hoor je ook, als Jakob ieder van zijn zonen een laatste woord meegeeft. Kom, kijk en luister mee, naar wat in die (verder zo stille) kamer gebeurt.
Jakob begint met de zonen van Lea. Dat is opvallend. Vroeger zou hij vast begonnen zijn met Benjamin en Jozef, de kinderen van Rachel. Maar nu begint hij met Ruben, Simeon, Levi en Juda. Maar Rubens leven is getekend door overspel. En het leven van Simeon en Levi is getekend door geweld en bloedvergieten. En dus klinken er waarschuwende woorden uit de mond van de stervende Jakob. En ook het ‘vervloekt zij’ de toorn van Simeon en Levi.
Zegen is er voor Lea’s vierde zoon, voor Juda. Juda, gij zijt het, u zullen uw broeders loven! En terwijl Jakob Juda zegent, kijkt hij ineens in geloof verwachtingsvol vooruit, als hij zegt: De scepter (de koningsstaf) zal van Juda niet wijken, noch de wetgever van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Denzelven zullen de volken gehoorzaam zijn (vers 8-10). Zijn oog licht even op. Verwachtingsvol kijkt hij over de eeuwen heen naar de komst van de Vredevorst, Silo, de Messias en Zijn wereldwijde Koninkrijk!
Jakob gaat weer verder, met de zegen voor Issaschar en Naftali. En dan komt Dan… En dan lijkt alle zegen weg. Voor Dan is er geen zegen, maar vloek. Kijk maar in vers 16 en 17: Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israëls. Dan zal een slang (een dodelijke slang) zijn aan de weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle. Dan is een verrader, een slang aan de kant van de weg, verstopt in het zand, die stilletjes wacht op een voorbijkomende ruiter te paard. Om onverwachts toe te slaan, in de hiel van het paard te bijten en de ruiter te laten struikelen. De zoon van de hielenlichter Jakob is een dodelijke hielenbijter. Dan wordt een belager, een vijand van Gods Koninkrijk. Straks dienen de mensen van de stam van Dan als eerste de afgoden (Richteren 18:30En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, de zoon van Gersom, den zoon van Manasse, hij en zijn zonen waren priesters voor den stam der Danieten, tot den dag toe, dat het land gevankelijk is weggevoerd., zie ook Amos 8:14Die daar zweren bij de schuld van Samaria, en zeggen: Zo waarachtig als uw God van Dan leeft, en de weg van Ber-seba leeft! en zij zullen vallen, en niet weder opstaan.). En opvallend genoeg, in Openbaring 7 is Dan niet meer bij de 12 stammen van Israël. De stam van Dan lijkt verdwenen, vanwege afgoderij en afval.
Gemeente, zo’n moment van afscheid nemen is niet alleen moeilijk vanwege het afscheid nemen zelf, maar het is vooral ook heel confronterend. Omdat onze kinderen, vaders, ons confronteren met onze eigen zonden. Je kunt, net als Jakob, veel van de Heere geleerd hebben, genade gekregen hebben, een nieuwe naam gekregen hebben, maar als ik sterven moet en mijn kinderen staan om mij heen, dan zie ik mezelf, mijn eigen Jakob. De zonden van Ruben, Simeon en Levi, herinneren Jakob aan zijn eigen schijnvroomheid en schijnheiligheid, uit een evenzo bedorven hart als dat zij hebben. En de zonden van Dan herinneren Jakob aan zijn afkomst: een hielenbijter, een bedrieger. Een adder, een slang, zoals de slang in het paradijs. Een instrument van satan. En: zo vader, zo zoon.
Jongens en meisjes, jullie doen zonden, omdat wij (vaders en moeders) zondaars zijn. En we kunnen dan misschien wel een nieuw hart van de Heere gekregen hebben, maar als we kijken naar jullie, en we zien tot onze schrik dat je tegen de Heere zondigt, dan…? Dan worden we boos? Dan kijken we op jullie neer, omdat jullie slechte dingen doen? Nee, dan denken we diep in ons hart: dat komt van ons, dat komt van mij. Zo was ik ook. En diep in mijn hart zit dat er nog steeds. Zo vader en moeder, zo kind.
Daarom, ouders, sla je kinderen niet om hun zonden. Spoor ze wel liefdevol aan om hun zonden te laten en de Heere te dienen. En ondertussen buigen wij ons hoofd. Weten dat wij met onze kinderen (en zij om ons!) in zonden ontvangen en geboren zijn. Wij buigen ons hoofd en belijden voor God: onze en hun zonden.
Ineens ziet Jakob het voor zich: slang, hielenbijter, Dan… Zo ben ik ook. De vloek die over Dan gaat, heb ik ook verdiend. Als u, o Heere, mijn ongerechtigheden zou gadeslaan, onderzoekend zou bekijken, wie zou dan voor U kunnen bestaan? Dan niet, en ik ook niet. Dan moeten en hij, en ik uitroepen: op Uw rampzaligheid wacht ik, HEERE! Want wij hebben gedaan dat kwaad is in Uw oog, wij zijn Uw gramschap dubbel waardig. De geschiedenis van mijn gezin, de geschiedenis van mij persoonlijk en de geschiedenis van mijn vaders is zondegeschiedenis. De mensen kunnen wel zeggen: ‘het is beloftegeschiedenis, het is heilsgeschiedenis’, maar het is zondegeschiedenis. En iedere zoon die langskomt, stapelt die zonden alleen maar verder op. Iedere zoon die langskomt, maakt de onwaardigheid van Jakob alleen maar groter, en maakt zijn schuld alleen maar meer. Als deze stervende Jakob steun zoekt bij zichzelf, bij zijn kinderen, bij vlees en bloed, in zijn leven als vader, in zijn leven als mens voor God, dan blijft er niets over om op te hopen. Dan blijft er alleen maar een arme zondaar over.
En zo is het ook. Niet alleen bij Jakob, maar ook bij al Gods kinderen. Zullen we het Koninkrijk der hemelen aan het einde van ons aardse bestaan binnengaan,
dan zal het kruipend op onze knieën zijn, als arme zondaars. Niet als goede christenen, niet als voorbeeldige ambtsdragers, niet als goede vaders en moeders, maar als mensen, die (zoals John Bunyan zegt) niets verdienen, dan dood en hel. In zichzelf: hopeloos.
Jakob sterft met een blik naar binnen, met een woordeloze, onuitgesproken zondebelijdenis. Maar, in de tweede plaats, ook met een uitgesproken, verwachtingsvolle geloofsbelijdenis. We gaan het zo meteen zien in onze tweede gedachte, maar zingen samen eerst uit Psalm 130, daarvan het tweede vers. Zo Gij in 't recht wilt treden, O HEERE, en gadeslaan Onze ongerechtigheden, Ach, wie zal dan bestaan? Maar neen, daar is vergeving Altijd bij U geweest; Dies wordt Gij, HEERE, met beving, Recht kinderlijk gevreesd.
Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Zo Gij, HEERE, de ongerechtigheden gadeslaat; HEERE! wie zal bestaan? Maar bij U is vergeving!
Zo breekt ook bij Jakob op zijn sterfbed ineens, door het invallende licht van de Heilige Geest, het licht door in zijn ziel. Als hij kijkt naar zichzelf, naar hoe hij zichzelf terug ziet in zijn zonen, dan is er geen hoop. Maar hij zegt ook niet: Op mijn zaligheid wacht ik. Want hij weet dat van zichzelf niets te verwachten is. Maar de Heilige Geest heft zijn hoofd omhoog, en richt zijn blik vooruit. En zijn hart stort de hartelijke geloofsbelijdenis uit: Op Uw(!) zaligheid wacht ik, HEERE!
Vroeger ging het om mij. Ik regelde mijn eigen zaken. Ik vertrouwde op mezelf. Ik ging mijn eigen weg. Maar nu, na alles wat U in mijn leven deed om mijn hoogmoed te breken, om me klein te maken, om me afhankelijk te maken, om me volgzaam te maken, om me mijn eigen ik af te nemen, na alles wat U deed, heb ik op mijn sterfbed niets anders meer over, dan…? Dan mijn zonde? Nee, nu heeft deze zondaar niets anders meer over dan U!
Mijn enige hoop, die nog overgebleven is, is: Uw zaligheid. Vroeger kon ik niet wachten, toen regelde ik zelf mijn eigen zaken, zoals bij het eerstgeboorterecht en de schotel linzenmoes voor Ezau.
Maar nu, nu Uw genade mijn leven veranderd heeft, nu U Uw goede werk in mijn leven, jaren geleden begonnen, bijna voltooid hebt, nu wacht ik op U. Nu verwacht ik U!
Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE! Letterlijk staat er: op Uw Jesjua. Op Uw Redder, op Uw Heiland, op Uw Jezus. Voor mij, stervende zondaar, is er maar één hoop: de Messias, de Zaligmaker, Die Zijn volk zal zalig maken van hun zonden. Die ene Naam, Die U onder de hemel geven zult en Die gegeven is tot zaligheid. Daaraan klem ik mij vast. En dus zal ik in de doodsrivier niet zinken.
Wetend dat U de HEERE bent, de trouwe God van het verbond, die Uw woord zult houden. Want U bent geen god die liegen zou, of een mensenkind dat berouw zou hebben van Uw belofte. En hoewel ik goddeloos ben in mezelf, toch ben ik rechtvaardig voor U, in Uw Jesjua, in Uw Christus. En hoewel ik zondaar ben in mezelf, toch zal ik als ik het hoofd zo meteen neerleg, om de Messias, om Christus’ wil, door engelen gedragen worden in de schoot van Abraham, en voor altijd verlost zijn van het lichaam der zonde en des doods.
Gemeente, dit is niet alleen de adventsroep van de stervende Jakob. Ten diepste is dit de verwachting van ieder kind van God. Wie van ons, geliefde medechristenen, zegt niet: ‘Ik hoop in al mijn klachten op Hem?’ Ik verwacht de HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord. Mijn ziel wacht op de HEERE, meer dan de wachters op de morgen; de wachters op de morgen. Israël hope op de HEERE; want bij de HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing. En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden (Psalm 130:5-8). Met mijn ongerechtigheden kan ik voor God niet bestaan, als Hij mij zou onderzoeken. Maar Hij! Niet ik, maar Hij! Hij zal Israël verlossen. En bij Hem is veel verlossing. En Hij zal (‘Heere, geef het uit genade ook mij’), Hij zal ook mij verlossen van al mijn ongerechtigheden.
Gemeente, laat ik deze adventsverwachting van Jakob op drie verschillende manieren toepassen. a. Het gaat hier in de eerste plaats om persoonlijke verwachting. b. Het gaat hier in de tweede plaats ook om de verwachting van de kerk. c. En het gaat hier in de derde plaats in het bijzonder ook om de enige verwachting en troost bij het sterven van Gods kinderen.
a. Het gaat hier als eerste om persoonlijke adventsverwachting. Zoals het was in het leven van Jakob, zo kan het ook zijn (en zo is het ook, als het goed is) in het leven van degenen die de Heere zoeken, voor het eerst en ook na ontvangen genade. Voor het eerst, als de Heere ons iets laat zien van wie wij zijn, van ons Jakobshart: bedrieglijk, goddeloos. Naar God niet gevraagd, de Heere nooit gezocht.
Maar ook na gekregen genade: zo vaak eigen wegen gegaan, eigen oplossingen gezocht, niet gewacht op de Heere. Door de Heere opgezocht in Bethel, in Pniël met God geworsteld, maar diep in het hart van Israël, zit nog steeds die oude Jakob. Zeker, anders dan voorheen: kleiner, afhankelijker, ootmoediger, volgzamer. Maar toch, wel verlost van de schuld, maar niet vrij van inwonende zonde en verderf.
En dus zuchten we in onszelf: ik ellendig mens. En de satan wijst ons, net als bij de hogepriester Jozua, op onze vuile kleding. En hoe meer we naar onszelf kijken, hoe erger het wordt: vaak zo koud, zo liefdeloos, zo biddeloos. Als ik wacht op mijn zaligheid, dan is het een verloren zaak. Maar als de Heilige Geest onze ogen richt, voor het eerst of opnieuw, en licht laat vallen buiten onszelf, op Gods zaligheid, op Zijn Jesjua, op Zijn Jezus, dan roepen we het uit in ons hart: Ja, HEERE, op Uw zaligheid wacht ik. Ik verwacht U, Heere. Mijn ziel verwacht, en ik hoop op Uw woord. Want bij U, HEERE, is goedertierenheid, en bij U is veel verlossing. Hebt U niet Zelf gezegd, dat U Israël zal verlossen van al zijn ongerechtigheden?
Hoopt u daar ook zo op? Wacht u ook zo op de Heere? Verwacht u Hem? Weet u dat de Heere niet veranderd is? Dat Hij altijd doet, wat Hij beloofd heeft? Want zo zegt de Heere, bij monde van de profeet Maleachi: Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd (Maleachi 3:6Want Ik, de HEERE, word niet veranderd; daarom zijt gij, o kinderen Jakobs! niet verteerd.).
De dichter van Psalm 72 zegt: Hij zal de nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders de ellendige, en die geen helper heeft (72:12). Hebt u geen helper? God Die helpt in nood! Hebt u geen redder? Kunt u uzelf niet redden? Hij zal de nooddruftige redden. Hebt u geen zaligmaker? God heeft een Zaligmaker gezonden, Zijn Eniggeliefde Zoon. Gelegd in een nederige kribbe, gehangen aan het vervloekte kruis. Om zalig te maken dat verloren was. Om Hem is er doen aan voor uw verloren hart. Omdat God de overtredingen en de straf op Hem gelegd heeft. Omdat God Hem overgegeven heeft tot de dood van het kruis. Daarom is er doen aan, daarom is er hoop en verwachting voor verloren zondaars.
Wat u doen moet? Niet: werken en hopen op uzelf. Maar: niet werken en hopen op (zoals Simeon Hem later noemt): de Vertroosting Israëls. Uitroepen met Jakob: Op uw zaligheid, op uw Jezus wacht ik, HEERE! Ook al ziet u Hem niet, ook al is het donker. Zeg dan juist maar met Jesaja: Daarom zal ik de Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem(!) verwachten (Jesaja 8:17Daarom zal ik den Heere verbeiden, Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis van Jakob, en ik zal Hem verwachten.).
Misschien moet u, die roept, wachten. Maar er zal verlossing komen. Want de Heere kan en zal roepende zondaars nooit afslaan. Er zal verlossing komen, want Zijn goedheid is zeer groot. En: wie de Heere verwachten, zullen niet beschaamd worden.
Jeremia zegt: de HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt (Klaagliederen 3:25Teth. De HEERE is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt.). In die wachttijd leren we onszelf meer kennen, net als Jakob. Leren we meer en meer alles uit handen geven. Leren we wat Jeremia schrijft: Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE, onzen God, is Israëls heil! (Jeremia 3:23Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE, onzen God, is Israëls heil!). Leren we God gelijk geven: Heere, ik heb het niet verdiend. Leren we God vasthouden, pleitend op Zijn onfeilbare Woord. In die wachttijd wordt onze liefde steeds hartelijker, onze verwachting steeds groter. Onze hoogachting voor Christus stijgt. Zelf worden we steeds kleiner. Waardoor uiteindelijk het wonder des te groter wordt.
Als op Gods tijd, de Heere Zijn zaligheid, Zijn Jesjua, Zijn Jezus ons Zelf aan het hart drukt. Zoals bij Simeon in de tempel. Hij verwachtte de Vertroosting van Israël. Niet de troost, maar de Vertroosting Zelf: de Messias. En hij kwam door de Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen, zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide: Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien (Lukas 2:27-30En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen; Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide: Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien,). De belofte wordt immer vervuld. Jesaja weet het zeker, als hij schrijft: En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem(!) verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem(!) verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid (Jesaja 25:9En men zal te dien dage zeggen: Ziet, Deze is onze God; wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons zalig maken. Deze is de HEERE, wij hebben Hem verwacht, wij zullen ons verheugen en verblijden in Zijn zaligheid.).
b. Het gaat in onze tekst, zoals ik u zei, als eerste om persoonlijke verwachting. Maar het gaat hier in de tweede plaats ook om de verwachting van de kerk. Want Jakob ziet zijn zonen, als zonen van Israël. Hij weet dat hij staat aan het begin van een groot volk (Genesis 17:20En aangaande Ismaël heb Ik u verhoord; zie, Ik heb hem gezegend, en zal hem vruchtbaar maken, en hem gans zeer vermenigvuldigen; twaalf vorsten zal hij gewinnen, en Ik zal hem tot een groot volk stellen;). En zo was ook de belofte van de Heere aan hem geweest, voordat hij naar Egypte vertrok. We lezen in Genesis 46: En Hij (de Heere) zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet van af te trekken naar Egypte; want Ik zal u aldaar tot een groot volk zetten (Genesis 46:3). Maar nu…, hoe moet het nu verder…? Als Jakob kijkt naar zijn jongens: Ruben, Simeon, Levi, Dan… Als Jakob kijkt naar zichzelf…
Hoe moet het verder met de kerk, broeders ambtsdragers, als wij kijken naar onze kinderen? Als wij kijkend naar hen, doorkijkend naar onszelf? Als wij denken aan de stormen die over de kerk heen gaan? Als we zien hoe onze harten kleven aan het stof, aan de dingen die voorbijgaan? Als we zien hoe weinig gerichtheid er is op het leven na dit leven? Als we zien hoe gemakkelijk er over de zonde wordt gedacht? Als we zien hoe de onderlinge liefde en verdraagzaamheid minder worden? Als we zien hoe weinig plaats er is voor de Zaligmaker? Als we zien hoe de Bijbel als het Woord van God in de opvattingen van mensen aan gezag inlevert?
Nee, het is (ook hier in [plaatsnaam]) niet beter dan elders. Ook wij hebben God op het hoogste misdaan en zijn van het heilspoor afgegaan.
En toch, mogen we te midden van (zoals Psalm 25 zegt) duizend zorgen en duizend doden, hopen op God. We mogen Hem verwachten, Die beloofd heeft: de poorten van de hel zullen Mijn gemeente niet overweldigen (Mattheüs 16:18En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.).
Maar de uitroep van Jakob leert ons wel, waar we onze hoop op moeten stellen. Niet op allerlei acties van onze kant. Niet op het aantrekkelijker maken van de kerk door allerlei sociale activiteiten en gepast vermaak. Dat past bij de roep: op onze creativiteit wachten we! Laten we onze hoop stellen op God! Door ruim baan te geven aan het Woord! Zondags en doordeweeks, altijd en overal. Want alleen het Woord houdt de kerk in stand. Want Christus is in het Woord. Laten we onze hoop stellen op God, door ruim baan te geven aan het Woord. En ook door veel verborgen gebed. En door een Godzalig leven, wat anderen aanraakt en aanspoort om ook de Heere te dienen.
c. Het gaat in onze tekst om persoonlijke verwachting, om verwachting voor de kerk, maar het gaat in de tekst in het bijzonder ook om de enige verwachting en troost bij het sterven. Want, gemeente, al word je zo oud als Jakob, al word je 147 jaar (en niemand van ons zal dat worden), eens moeten we allemaal sterven. En sterven is God ontmoeten. Je kunt het voor je uit duwen, maar tot uitstel van het moment zelf zal het niet leiden. Dus kunt u met mij beter maar de vraag eerlijk onder ogen zien: Hoe gaat u sterven?
Er zijn maar twee manieren: a. Zet u uw hoop en uw verwachting op de dingen van hier, die voorbijgaan? U zegt: dat zijn tenminste dingen die je ziet, die je voelt, die je kunt beleven, waar je van kan genieten. Die andere hoop, waar we het over hebben, die is zo onzichtbaar. En daarbij: die is zo gemengd met tranen. Zet u uw hoop en verwachting op de dingen van hier die voorbijgaan? Dan gaan uw hoop en uw verwachting ook voorbij. Dan sterft u straks zonder hoop, om voor eeuwig om te komen. In de plaats zonder hoop en zonder uitzicht, in de hel, in het eeuwige verderf. De Spreukendichter zegt: Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan (Spreuken 11:7Als de goddeloze mens sterft, vergaat zijn verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.).
b. Zet u uw hoop en verwachting op de dingen van hier, die voorbijgaan? Of hebt u uw hoop en verwachting gezet (zoals Jakob zegt) op: Uw zaligheid? Op Uw Jesjua? Op Uw Jezus? Omdat u al uw hoop (in dat pijnlijke proces van afbraak en tranen) op uzelf verloren bent? Omdat God Zelf uw ogen van richting ging veranderen? Omdat Hij naar Zijn grote barmhartigheid u heeft wedergeboren tot een levende hoop (1 Petrus 1:3Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijn grote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot een levende hoop, door de opstanding van Jezus Christus uit de doden.)?
Ja, maar is dat geen schrale hoop? Dat is hopen op iets wat je niet ziet? En dus moet je maar afwachten of je het krijgen zal, toch? Nee, wij geloven in dingen die zekerder zijn, dan de dingen die we zien met onze ogen. Want onze ogen kunnen ons bedriegen, maar God bedriegt ons niet. En we verwachten dingen (geen dingen die verdwijnen), maar: dingen die blijven. De blijvende stad die fundamenten heeft, waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God is. We verwachten met vaste hoop en zekerheid de plaats waar onze druk voor altijd zal worden ingewisseld voor geluk. Om voor altijd nabij God te zijn. Nee, meer. Ik moet het sterker zeggen. We verwachten na al ons gemis op deze aarde, en na al onze strijd tegen onze zonden, we verwachten Hem, onze Zaligheid, onze Zaligmaker. Vroeger hadden we Christus lief om de hemel. En nu verlangen we naar de hemel om Christus.
We zoeken hier op aarde onze rust in Hem, in Christus. En wij wachten op Hem. Blij vooruitzicht dat ons streelt. We zullen ontwaakt (na ons sterven) Hem aanschouwen. Zijn heerlijkheid, die al de volmaaktheden van de Vader weerspiegelen zal. Christus zal de hemel van de hemel zijn. De bekende Bijbeluitlegger Matthew Henry zegt: Het is de troost van een stervende heilige, dat hij zo op de zaligheid van de Heere gewacht heeft. Want dan zal hij hebben(!) waar hij op gewacht heeft, het langverwachte zal eindelijk komen: de Zaligheid, de Zaligmaker. Na wachten, komt hebben. Na geloven, komt zien. De belofte zal vervuld worden. De hoop zal niet beschamen.
Dan zullen alle Jakobs uiteindelijk aankomen in Immanuëls land. Ook zij, die zo vaak bestreden en aangevochten werden om hun Jakobshart. Ook zij, die zo vaak niet konden of durfden geloven, maar toch in stilte zuchtten: Heere, ik verwacht U, en ik hoop op Uw Woord. Wanneer zult U tot mij komen?
Al Gods kinderen, de kleinen en de groten, we zullen allemaal met Jakob thuis komen. Als arme zondaars met tranen om onszelf. Maar met deze woorden op onze stervende lippen en in ons stervende hart: Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE! Wie zo de doodsjordaan oversteekt, zal niet verdrinken. We zullen erdoorheen gedragen worden.
En, aan de overkant ervan zullen we zeggen: Heere, Uw Woord was waar, Uw belofte is ook aan mij vervuld. Mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien! Uw zaligheid, Uw Heiland, in Wie alleen alle heil is.
Kinderen van God, geliefde medechristenen, vertroost elkaar met deze verwachting. De Heere Zelf vertrooste u met deze Zaligheid, met deze Jesjua, met Zijn Jezus.
Amen.
Slotzang Psalm 130:4:
Hoopt op de HEERE, gij vromen; Is Israël in nood, Er zal verlossing komen; Zijn goedheid is zeer groot. Hij maakt, op hun gebeden, Gans Israël eens vrij Van ongerechtigheden; Zo doe Hij ook aan mij.
Andere preken over Genesis
Andere preken voor Advent
Andere gerelateerde preken