PREEK · VRIJE STOFFEN

Rechtszaken tussen broeders - 1 Korinthe 6

15 november 2015

1 Korinthe 6:1: Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te rechte gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?

INLEIDING

Waar de gemeente van Korinthe in 1 Korinthe 5 zonden nog stilzwijgend liet begaan, sleepten broeders elkaar in 1 Korinthe 6 juist openlijk voor de rechter: “Maar de ene broeder gaat met de andere broeder te recht, en dat voor ongelovigen… Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade?” (1 Korinthe 6:6-7). Deze leespreek laat zien wat de praktijk in de gemeente van Korinthe blootlegt, hoe Paulus daarop reageert, en hoe het voorbeeld van Christus ons daarin voorgaat.

THEMA

Rechtszaken tussen broeders

KERNPUNTEN

  1. De praktijk in de gemeente
  2. De reactie van Paulus
  3. Het voorbeeld van Christus

1 KORINTHE 6:1-9

1 Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te rechte gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?
2 Weet gij niet dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtszaken?
3 Weet gij niet dat wij de engelen oordelen zullen? Hoeveel te meer de zaken die dit leven aangaan!
4 Zo gij dan gerechtszaken hebt die dit leven aangaan, zet die daarover die in de gemeente minst geacht zijn.
5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzo onder u geen die wijs is, ook niet een die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders?
6 Maar de ene broeder gaat met den anderen broeder te rechte, en dat voor ongelovigen.
7 Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtszaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet liever schade?
8 Maar gijlieden doet ongelijk en doet schade, en dat den broederen.
9 Of weet gij niet dat de onrechtvaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?

VOLLEDIGE TEKST

Rechtszaken tussen broeders - 1 Korinthe 6

ds. J. IJsselstein - 1 Korinthe 6:1

THEMA

Rechtszaken tussen broeders

Gemeente, in de eerste hoofdstukken van de 1e Korinthe brief gaat het in het bijzonder over de zonden die er zijn in de gemeente van Korinthe. Dat geldt niet alleen het zesde hoofdstuk, dat ons zojuist is voorgelezen, maar ook in het vorige hoofdstuk, in 1 Korinthe 5 ging het om bepaalde zonden in de gemeente van Korinthe. In 1 Korinthe 5 ging het om de zonde van een buitenechtelijke, incestueuze relatie, die onder de tafel gehouden werd, die stil gezwegen werd. Men liet het gebeuren. In 1 Korinthe 6 gaat het om iets anders. Daar gaat het bijna om het tegenovergestelde. Het gaat niet om zonden die stilzwijgend getolereerd worden, maar nu gaat het om situaties waarin met veel rumoer zaken en problemen publiek worden uitgevochten, intern binnen de gemeente, en uiteindelijk zelfs voor de rechter.

We overdenken met elkaar 1 Korinthe 6:1-8, waarvan ik u samenvattend de verzen 6 en 7 nogmaals voorlees: Maar de ene broeder gaat met de andere broeder te recht, en dat voor ongelovigen. Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkander rechtszaken hebt. Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade?

Het thema voor de preek van vanmorgen is: Rechtszaken tussen broeders We letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats letten we op de praktijk in de gemeente van Korinthe. In de tweede plaats op de reactie van Paulus. En in de derde plaats op het voorbeeld van Christus. Dus drie aandachtspunten: 1. De praktijk in de gemeente 2. De reactie van Paulus 3. Het voorbeeld van Christus Als eerste dus:

1. De praktijk in de gemeente

Paulus zegt in vers 1: Durft iemand van ulieden, die een zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen?

Kennelijk zijn er in de gemeente van Korinthe mensen die ruzie met elkaar hebben. Die, zoals Paulus dat noemt: een zaak hebben tegen een ander. Wat waren dat voor zaken? Waar ging dat over? Nee, het gaat in hoofdstuk 6 niet meer om de zaak, om de kwestie van hoofdstuk 5. Dat ging om een heel specifiek geval. Dit is veel algemener: ‘als iemand van u zoiets heeft…’ Als iemand van u zoiets heeft, van die (vers 2) minste gerechtszaken, kwesties over kleine, triviale dingetjes... En het gaat, zo staat in vers 3 en 4, om zaken die dit leven aangaan. Het gaat waarschijnlijk om onderlinge geschillen en conflicten bijvoorbeeld over geld of eigendommen, over het verdelen van een erfenis, om conflicten in gezinnen of vetes in families. En dat blijkt ook uit vers 7. Want in het slechtste geval kun je hooguit wat schade lijden over het verwijt krijgen dat je geen gelijk hebt.

Wij zouden zeggen: het gaat om civielrechtelijke zaken. Het gaat hier zeker niet om strafzaken. Het gaat hier niet om huiselijk geweld, om kindermishandeling, om seksueel misbruik, diefstal, fraude, afpersing, oplichting of meineed. Dat zijn allemaal dingen die strafwaardig zijn en die de overheid wil en moet straffen, zaken die bij politie en justitie thuishoren. Die melden we, daar doen we aangifte van. Laten we als kerkelijke gemeente geen misdaden onder het tafelkleed vegen of onder de tafel houden. Dat is niet goed.

Maar, daarover gaat het hier in 1 Korinthe 6 niet. Het gaat hier om onderlinge geschillen in de gemeente. Om dat soort van geschillen waar je een tijdlang met elkaar over kunt bekvechten, terwijl je elkaar niet meer fatsoenlijk aankijkt, en die daarna (soms jarenlang) blijven bestaan als een blijvende vete of bron van verwijdering.

Wat doen we daarmee? Dat is de vraag, die hier aan de orde is. U zegt: ‘maar, dit is zo gewoontjes..., dit gaat helemaal niet over het geloof of bekering.’ Ja, maar dit is de Bijbel, dit is de Heilige Schrift, dit is het Woord van God! En zeker, dit gaat over het gewone leven. Maar geloof en bekering hebben alles te maken met en gaan ook over het gewone, dagelijkse leven. Dit is eigenlijk een heel bevindelijk deel uit deze brief van Paulus. Dit gaat over de zichtbare praktijk van de bevinding van het hart. Want dit lijkt wel te gaan over kleine of onbenullige dingen, maar hier zit veel meer achter.

Wat doen we met dit soort verschillen van inzicht, met dit soort conflicten, ruzies, familievetes? Dat is de vraag die hier aan de orde is. In Korinthe ging men daarmee naar de rechtbank. Bedoeld is waarschijnlijk de publieke rechtbank op de markt. Daar werd een arbiter, een scheidsrechter, een mediator (iemand van boven de 60 jaar) aangewezen om de kwestie op te lossen. Lukte dat niet, dan kwam de zaak voor een jury. In kleine zaken bestond die jury uit 201 mensen, in grotere kwesties uit 401 mensen.

Je kan je voorstellen hoeveel uren tijd dat kostte en hoeveel aandacht zo’n kwestie kreeg, die op de markt werd gebracht.

Maar, zegt Paulus met verbazing en verontwaardiging: Gaat u terecht voor de onrechtvaardigen en niet voor de heiligen? (vers 1) Die rechters op de markt, dat zijn heidense mensen, die God niet dienen! Verwacht u daar heil van? Van die mensen? Kunt u daar niet samen onder elkaar uitkomen? U draagt toch niet voor niets de naam heiligen? Apart gezet, toegewijd aan God, en geleerd om de dingen in een ander, in een hoger licht te zien?

Veracht Paulus daarmee (met die uitdrukking ‘de onrechtvaardigen’), veracht Paulus daarmee de publieke rechtspraak, minacht hij daarmee de rechterlijke macht? Zeker niet. Paulus heeft daar zelf ook gebruik van gemaakt, bijvoorbeeld in Handelingen 18, om zijn zaak te verdedigen. En in de Romeinen 13 schrijft hij dat de overheid, de rechterlijke macht niet voor niets het zwaard draagt, maar tot straf van degenen die kwaad doen. Maar, nogmaals, het gaat hier niet om strafzaken. Het gaat hier om dingen die onderling spelen in de gemeente, die (zo zegt Calvijn) door hebzucht, ongeduld, gevoelens van braak en koppigheid bij de rechter komen, in plaats dat ze een sfeer van kalmte en verdraagzaamheid naar de wet van Christus in de gemeente worden opgelost.

Wat is daar dus aan de hand in de gemeente van Korinthe? Er zijn onderlinge problemen, ruzies en conflicten, en die worden op de markt gebracht. Daar hangt men de vuile was buiten. Mijn gaat vechtend de straat over en het eindigt op de markt, waar heidense scheidsrechters en arbiters of jury’s uiteindelijk aan christenen vertellen wat oprecht en eerlijk is. Wat Paulus daarvan zegt? Dat zien we in onze tweede gedachte:

2. De reactie van Paulus

Hoe durft u! (vers 1) Schaamt u! (vers 5) Dat is zijn eerste reactie. En zijn tweede reactie is: Weet u niet, dat de heiligen de wereld oordelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, bent u onwaardig de minste gerechtszaken (vers 2). U zult straks, als kind van God, jazeker, eerst zelf geoordeeld worden. Maar, als u van Christus bent, dan zult u vrijgesproken worden en daarna toegelaten worden tot de hemelse rechtbank. Om met Hem te oordelen (Romeinen 8:17, 2 Timotheüs 2:12).

Denk maar aan wat de Heere Jezus gezegd heeft in Mattheus 19:28: En Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat u, die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal gezeten zijn op den troon Zijner heerlijkheid, dat u ook zult zitten op twaalf tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls (zie ook Daniël 7:22).

Denk ook maar aan wat Johannes schrijft in zijn Openbaring: Die overwint, Ik zal hem geven met Mij te zitten in Mijn troon, gelijk als Ik overwonnen heb, en ben gezeten met Mijn Vader in Zijn troon (3:21; 5:10).

Weet u niet (vers 3), dat wij de engelen (de gevallen engelen, de duivels) oordelen zullen? Als u dan zo hoge waardigheid gekregen hebt en krijgen zult (u zult wereldrechters zijn!), waarom dan dit? Dan moet u de kleine dingen van de aarde toch ook kunnen oplossen, de zaken die dit leven aangaan? (vers 3)

Zo u dan (vers 4) gerechtszaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover, die in de gemeente minst geacht zijn. Eigenlijk is dit vers ook een vraag: Als u dan van die kleinigheden hebt met elkaar, vertrouwt u die dan toe aan de minst geachten?’ Letterlijk: ‘aan degenen die waardeloos zijn’? Bedoeld worden opnieuw die ongelovige rechters. Nee, dat is geen verachting van hun ambt als rechter. We zijn hen onderdanig (Romeinen 13:5). Maar hier staan (en daar gaat het om) twee soorten, twee groepen van mensen tegenover elkaar: de ongelovigen, de onrechtvaardigen tegenover de gelovigen, de heiligen.

‘Schaam u (vers 5), voor wat u doet’, zegt Paulus. Is er dan alzo onder u geen, die wijs is, ook niet een, die zou kunnen oordelen tussen zijn broeders? Hebt u dan werkelijk in de gemeente geen vertrouwensman, geen raadsman, geen vredestichter? Is er dan werkelijk bij u in de gemeente geen scheidsrechter, arbiter of mediator?

Nu gaat (en je proeft de afkeer in de woorden van Paulus), nu gaat de ene broeder met de andere broeder te recht en dat voor de ongelovigen (vers 6). Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u, dat u met elkander rechtszaken hebt (vers 7). Zo is er dan nu ganselijk gebrek onder u… Letterlijk staat er: ‘u hebt al verloren!’ U denkt dat u nog steeds bezig bent met uw gelijk, met uw voordeel, met het winnen van uw zaak. Maar dat is een vergissing! U bent nog bezig te denken aan winnen, maar het feit alleen al dat u met uw sores naar buiten gaat en vechtend over straat rolt, maakt dat u al verloren hebt. Waarom? Omdat u alleen maar bezig bent om hun eigen falen en dwalen te etaleren. Omdat u alleen maar bezig bent om te laten zien dat u leeft in een sfeer van vijandigheid. Omdat u alleen maar bezig bent om te laten zien hoe groot uw gebrek aan liefde is. Laat staan dat er nog een goed getuigenis van u uitgaat naar de wereld om u heen.

Terwijl het daar wel om gaat! Wat brengen we als gemeente naar buiten? Het goede nieuws van de gekruisigde Heere Jezus Christus? Want daar gaat het om! Dat anderen zich niet verbazen om onze ruzies en conflicten en daardoor afgestoten worden van het geloof, maar dat anderen door onze goede levenswandel en goede woorden juist getrokken worden tot de dienst van de Heere (zondag 32; 1 Petrus 3:16-17).

Laten wij, voordat wij verder gaan eerst samen zingen uit Psalm 35, een psalm die gaat over aangedaan onrecht en over hoe de Heere Zelf zorgt voor recht. We zingen Psalm 35:11: O HEER’, Gij ziet het; zwijg niet stil; Uw recht beslisse mijn geschil; Ontwaak, treed toe tot mijn bescherming; Mijn God, betoon mij Uw ontferming; Doe mij, o hoogste Majesteit, Eens recht naar Uw gerechtigheid; En laat die wreden, dag aan dag, Niet juichen om mijn droef geklag.

Wat moet je dan doen met dit soort van problemen: kwesties over erfenissen, ruzies en vetes in de familie? In ieder geval niet naar de wereldlijke rechter stappen. Dat staat hier. Als een ander je daar roept, dan moet je wel gaan, dan mag je jezelf verdedigen. Maar niet zelf als eerste gaan.

Wat moet je dan wel doen? a. In de eerste plaats proberen het te voorkomen en (als het er is) het samen op te lossen. Door een wandel, door een levenshouding van nederigheid, ootmoed en vergevings- gezindheid. Kan je echt, na jaren van verwijdering (misschien weet je wel niet eens meer goed waar het destijds mee begonnen is), kan je echt na jaren van verwijdering niet een stap zetten in de richting van de ander om het weer goed te maken? Dit moet je proberen te voorkomen en samen op te lossen door een wandel die niet gericht is op de dingen van deze wereld die voorbijgaan, door een levenshouding die niet gericht is op geld en goed. Ons leven, ons hart en oog, moet gericht zijn op de hemel. En dan kan die erfenis waar het allemaal om draait, je misschien wel gestolen worden. Dit moet je proberen te voorkomen en samen op te lossen door niet je eigen rechten te zoeken, niet de zinnen op wraak en vergelding, en door geen aards bezit en goede naam te zoeken. Want het gaat toch in het leven van een christen niet om aards bezit, om een aardse erfenis? Het gaat toch om de hemelse erfenis? En het gaat toch niet om een goede naam op de aarde? Het gaat een christen als het goed is toch om een naam ‘beter dan der zonen en der dochteren’? (Jesaja 56:5) Dit moet je proberen te voorkomen en samen op te lossen door te bedenken dat het in dit leven niet gaat om onze eer en roem, maar dat het in dit leven gaat om de eer en glorie van God en om de zaligheid van de zielen van ons, mensen. Wordt de Naam van de Heere niet gelasterd door die slepende conflicten en familievetes, en dat soms jarenlang?

b. En (in de tweede plaats), als je er samen dan niet uitkomt, wat dan? Dan zijn er in de gemeente oudsten, broeders van de kerkenraad of oudere gemeenteleden, die je samen als scheidsrechters, als arbiters, als mediators kunt vragen.

Ja, dat is een oefening in zelfverloochening en nederigheid. Want misschien krijg je wel geen gelijk... Nou, dan lijd je maar ongelijk (vers 7). En misschien gaat het je wel wat kosten... Nou, dan lijd je maar schade (vers 7). Is dat nu zo erg? Als je alles bekijkt in het perspectief van wat echt telt in dit leven? En bedenkt u ondertussen dat de ambtsdragers van de gemeente gekozen zijn door de gemeente en middellijkerwijs daardoor gezag gekregen hebben van de grote Ambtsdrager Jezus Christus. En van Hem hebben ze de macht en de bevoegdheid gekregen om op aarde te binden en te ontbinden (Mattheüs 18). Dus, geef uw zaak aan hen. Dan geeft u ten diepste uw zaak aan de Heere Zelf.

En dat is tot eer van God. Die, hoe het ook gaat, recht beloofd heeft. Als u denkt aan wat de spreukendichter zegt in Spreuken 20: Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden. Zeg niet: Ik zal het kwaad vergelden, wacht op de HEERE, en Hij zal u verlossen. (20:21-22) U ziet dat ook in het leven van Jozef. Hoe onrechtvaardig is hij behandeld door zijn broers? Maar uiteindelijk maakt de Heere het goed.

Waarom doet u dat niet liever, zegt Paulus… Waarom lijdt u niet liever ongelijk? Waarom lijdt u niet liever schade? (vers 7) Naar…. (en dat is onze derde gedachte)

3. Het voorbeeld van Christus

Ja, want het lijkt hier allemaal wel te gaan over kleinigheden, maar dat is zeker niet het geval. Dit heeft alles te maken met bekering, met geloof, met kind van God zijn… of niet. Dit heeft alles te maken met de vraag of je nog leeft volgens het principe van het oude leven, of dat er vruchten van een nieuw leven merkbaar en zichtbaar zijn in je leven van iedere dag.

Wat is dat principe van het oude leven? Dit principe. Het principe van Adam: ik heb wel gezondigd, maar ik geef God en de ander de schuld (Genesis 3:12). Het principe van Kaïn: ik sta zelf in het middelpunt, en bekommer mij niet om mijn broeder. Ben ik mijns broeders hoeder? (Genesis 4:9). Het principe van de goddeloze Lamech: ik vecht voor mijn eigen recht, en zo nodig zal ik mezelf wreken ook (Genesis 4:23-24). Omdat ik… God niet in het oog heb, en mezelf goed en beter voel dan een ander. Een trots, rechthebbend mens.

Maar al dat oude verandert, als God gaat ingrijpen in mijn leven. Plotseling krijg ik God in het oog. Voor Wie ik niet kan bestaan. Voor Wie ik geen rechten heb. Ik zeg met de dichter van Psalm 130: Als U de ongerechtigheden gadeslaat, wie zal dan bestaan? (130:3) Rechten heb ik niet meer.

Mijn mond gaat dicht (Romeinen 3:19). Als ik zo, door Gods genade God in het oog krijg, dan ga ik ook ernstig de zaligheid zoeken. En mijn buigende hart gaat nog veel meer buigen, als de Heere Zelf mijn oog gaat richten op Hem, die wel voor God kon staan en niet hoefde te buigen. Maar toch vrijwillig boog en onrecht verdroeg: Jezus Christus.

En die dat nu juist wilde doen in de plaats van zulke hardleerse en hoogmoedige mensen. Zoals Paulus schrijft aan de gemeente van Filippi: Die in de gestalten is Gods zijnde, Zichzelf vernietigd heeft. Hij heeft Zichzelf vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot de dood, ja de dood van het kruis (2:6-8). Hij deed afstand van Zijn rechten. Hij vernederde Zichzelf. Hij vocht niet voor Zijn gelijk en voor Zijn rechten. Maar Hij boog onder de onrechtvaardige rechter Pontius Pilatus, in de wetenschap dat het oordeel van Zijn Vader rechtvaardig was, namelijk het oordeel over de zonden, die Hij voor de Zijnen droeg. Hij boog vrijwillig, zo diep, dat Hij de vervloekte dood van het kruis aanvaardde voor opstandelingen. Voor mensen, die altijd weer geneigd zijn om te vechten voor hun rechten, terwijl ze eigenlijk helemaal geen rechten meer hebben. Mensen die vechten voor hun gelijk, terwijl ze de dood verdiend hebben...

Nooit heeft deze Christus een moment Zijn Eigen eer, Zijn Eigen voordeel op het oog gehad. Maar altijd had Hij de eer van Zijn Vader op het oog, en de zaligheid van de zijnen. Is deze Christus u ooit dierbaar, is Hij u ooit kostbaar geworden? Is Hij alles voor u geworden? Omdat Zijn gehoorzaamheid betaling werd voor uw ongehoorzaamheid? Omdat Zijn straf betaling werd voor uw hemelhoge schuld? Omdat Hij voor u wilde buigen, terwijl u van uzelf niet wilde buigen? Omdat Hij afstand deed van al Zijn rechten, terwijl u dat niet wilde, hoewel u in feite helemaal geen rechten had, dan het recht alleen op een eeuwige veroordeling?

U moest aan uw kant omkomen, uzelf veroordelen en veroordeeld worden. Maar de straf die u de vrede aanbracht, nam Hij op Zich (Jesaja 53:5). Uw doodstraf werd Zijn dood… Als dat zo is, dan kan het niet anders, dan is Zijn leven ook uw leven geworden. Dan is er in uw leven tot uw groot verdriet nog wel een oude mens, maar dan komt er (hoe dan ook) ook in uw leven iets openbaar van een nieuwe mens, van een nieuw leven, van een nieuwe gehoorzaamheid.

Dan komt er (hoe dan ook) in uw leven iets openbaar van het Beeld van Hem, van Wie Petrus schrijft: Die, als Hij gescholden werd, niet wederschold, en als Hij leed, niet dreigde; maar gaf het over aan Dien, Die rechtvaardiglijk oordeelt (1 Petrus 2:23). Als Jakobus denkt aan de oude mens, dan zegt hij: Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen zij niet hiervan, namelijk uit uw wellusten, die in uw leden strijd voeren? (4:1)

Maar als Paulus denkt aan een nieuwe mens, dan zegt hij: Vervult mijn blijdschap, dat u moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van een gemoed en van een gevoelen zijnde. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelf. Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is. Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was (Filippenzen 2:2-5; Kolossenzen 3:10).

De vrucht van het werk van Gods genade is, dat deze hoogmoedige Adam ootmoedig gaat buigen. In die zin sluit dat wat hier staat in hoofdstuk 6, toch ook heel erg nauw aan bij alles wat Paulus eerder gezegd heeft in hoofdstuk 3, 4 en 5: Niet rechtop staan, niet hoogmoedig zijn, niet opgeblazen zijn, maar buigen. Buigen, in het verborgen buigen voor God… Buigen, in het openbaar buigen voor een broeder of zuster… Waarom? Omdat God de wortel van de hoogmoed in mijn hart gebroken heeft. Als dat zo is, dan krijg je een mild, gunnend, nederig en ootmoedig hart. Dan breekt ook de wortel van je betweterigheid, van je zucht naar gelijk en naar eigen eer, naam en roem.

a. Dat is de vrucht van het nieuwe leven.

b. Dat is ook de belofte van het werk van de Heilige Geest (en dat is tot troost van al Gods kinderen, die zo moeten zuchten onder hun hoogmoedige hart, dat nog steeds zo slecht wil buigen), het is de belofte van de Heilige Geest, die gezegd heeft door de mond van Ezechiël: En Ik zal Mijn Geest geven in het binnenste van u en Ik zal maken, dat u in Mijn inzettingen zult wandelen, en Mijn rechten zult bewaren en doen (36:27). U doet het niet van uzelf. Maar Ik zal maken dat u het gaat doen. Dat is, o Mijn kinderen, Mijn Woord, Mijn belofte voor u.

c. Maar het is voor u, Mijn kinderen ook een dure plicht en roeping. Niet alleen voor Gods kinderen in de gemeente van Korinthe, maar ook hier bij ons in de gemeente van [plaatsnaam]. Opdat u moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God (Kolossenzen 1:10, 1 Thessalonicenzen 2:12).

d. En tegelijkertijd is dat alles geen prestatie die we kunnen leveren in eigen kracht. Die levensvernieuwing, die levensheiliging is Gods Eigen werk. Die in Zijn kinderen werkt beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen. Want er is noch verstand, noch wil, aan het verstand en de wil van God gelijkvormig, of Christus heeft ze in de mens gewerkt, wat Hij ons leert, als Hij zegt: Zonder Mij, kunt u niets doen (artikel 14, NGB).

En dus kan je je leven hier ook aan toetsen. Je kan je leven toetsen aan de vraag: ken ik iets van de drie stukken die nodig zijn om wel getroost te leven en te sterven: ellende, verlossing en dankbaarheid? Ben ik een wedergeboren kind van God, die iets ken van deze drie dingen?

Maar, zegt u, hoe kan je dat eigenlijk weten? De Heere Jezus zegt: dat kan je zien! Want iedere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend (Lukas 6:44). Hieraan kan je zien, of je een levend geloof in je hart hebt, of dat daar alleen maar onkruid groeit.

Je kan voor dat zelfonderzoek terugkijken naar wat je in je leven geleerd, meegemaakt en ervaren hebt, of niet… Naar alles wat je door genade hebt mogen leren kennen, of niet... En dat is ook goed, dat is ook Bijbels. Maar hier, vandaag, gaat het over iets anders. Het gaat hier over wat Jakobus later zegt: Laat het maar eens zien! Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen (2:18b).

Voor mij, voor u is de vraag (en dat is een vraag van zelfonderzoek, dat is een ontdekkende vraag): is er in mijn hart en leven een beginsel van een nieuwe mens? Ken ik (zoals de catechismus zegt in Zondag 44, 114) een klein beginsel van die nieuwe gehoorzaamheid, zo, dat ik met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden van God beginnen te leven? Gemeente, onderzoek uzelf, of u in het geloof bent, beproef uzelf (2 Korinthe 13:5).

Tot slot. Kinderen van God, medeambtsbroeders, als Hij onze Heere is, laten we Hem dan navolgen, Zijn voetstappen drukken. In stil vertrouwen, dat wij zelf geen rechter behoeven te zoeken voor alledaags onrecht. De Heere Zelf zal (vroeg of laat) recht doen. En laat ons gehoorzaam luisteren naar zoveel Schriftwoorden die ons opwekken tot de liefde, ootmoed en vergevingsgezindheid.

Denkend aan de woorden Petrus: Maar vooral hebt vurige liefde tot elkander, want de liefde zal menigte van zonden bedekken. Vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen, wetende, dat u daartoe geroepen bent, opdat u zegening zou beërven. (1 Petrus 3:8-9)

Want, zo schrijft Petrus verder: wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijn tong van het kwaad, en zijn lippen, dat zij geen bedrog spreken, die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage dezelve na (1 Petrus 3:9-11; zie ook Mattheus 5: 25; 1 Thessalonicenzen 5:15).

Ziende op Hem, die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij, der zonden afgestorven zijnde (onze oude mens moet sterven), der gerechtigheid leven zouden (in een nieuw leven), door Wiens striemen u genezen bent (1 Petrus 2:24).

Amen.

Slotzang Psalm 35:12,13:

Laat hen niet zeggen in het hart: "Geluk, mijn ziel, hij is benard!" Men hore nimmer uit hun monden: "Wij hebben hem in 't eind verslonden!" Wil hen veeleer met schand' belaân, Om al den smaad, mij aangedaan; Opdat mijn trotse weêrpartij, Zich niet verheffe tegen mij.

Laat vromen, juichend t' allen tijd', Om mijn gerechtigheid verblijd, Dien lust, dien ijver nooit bedwingen; Maar zeggen, onder 't vrolijk zingen: "Verheerlijkt zij de hoogste God; Hij schenkt Zijn knecht een vreedzaam lot!" Dan meldt mijn tong, met diep ontzag, Uw recht, Uw lof den gansen dag.