PREEK · KERKELIJK JAAR

Wees niet bezorgd - Lukas 12

Dankdag - 24 november 2021

Lukas 12:22: En Hij zeide tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult.

INLEIDING

Christus spreekt Zijn discipelen liefdevol aan als kleingelovigen die bezorgd zijn over voedsel en kleding. Hij wijst op Gods zorg voor de raven en de lelies: hoeveel meer zorgt Hij dan voor Zijn kinderen. Hun hemelse Vader weet wat zij nodig hebben. Daarom moeten zij niet zoeken wat de wereld zoekt, maar het Koninkrijk van God, en al het andere zal hun toegeworpen worden. Vrees niet, klein kuddeke: het is des Vaders welbehagen hun dat Koninkrijk te geven.

THEMA

Wees niet bezorgd, of: Hoe een kind van God leven mag

KERNPUNTEN

  1. Let toch op Goddelijke zorg.
  2. Denk toch aan Gods Vaderlijke wetenschap.
  3. Zoek toch het hemelse Koninkrijk.
  4. Hoor de troostvolle verzekering

LUKAS 12:22-28

22 En Hij zeide tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult.
23 Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding.
24 Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogels te boven!
25 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn één el tot zijn lengte toedoen?
26 Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd?
27 Aanmerkt de leliën, hoe zij wassen: zij arbeiden niet en spinnen niet; en Ik zeg u: Ook Sálomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als een van deze.
28 Indien nu God het gras, dat heden op het veld is en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, hoeveel te meer u, gij kleingelovigen!

VOLLEDIGE TEKST

Wees niet bezorgd - Lukas 12

ds. J. IJsselstein - Lukas 12:22

THEMA

Wees niet bezorgd, of: Hoe een kind van God leven mag

Leven is hebben. Dat was het levensdevies van die rijke, maar de dwaze man, over wie de Heere Jezus zojuist een gelijkenis verteld heeft. Hoe meer je hebt, hoe zekerder je leven is, zo dacht hij. Maar wat was dat een vergissing, wat liep dat slecht af. Hij leek veel te hebben, heel veel bezittingen, genoeg voor heel veel jaren. Hij leek schatrijk, maar hij was arm. Hij was ten diepste straatarm. Want hij had wel voor zichzelf schatten vergadert, maar hij was niet rijk in God.

Er zijn ook mensen die geen schatten hebben. Die niet rijk zijn. Mensen die misschien wel gebrek hebben, mensen die het moeilijk hebben. Misschien zit u op deze (dank)dag ook zowel in de kerk. Voorspoed? Nee, ik heb in de afgelopen periode vooral veel tegenspoed gehad, verlies in mijn bedrijf, de hypotheek van mijn huis is onder water komen te staan, ik ben mijn baan kwijtgeraakt, ik ben arbeidsongeschikt geworden, ik heb nog steeds geen werk kunnen vinden… (*aan te vullen met actuele zorgen) Kortom zorgen, misschien wel heel veel zorgen…

Kijk, daar staan ze. Twaalf discipelen. Ooit heeft Jezus en opgezocht, geroepen om Hem te volgen in Zijn dienst. En ze hebben alles verlaten en zijn Jezus gevolgd. Twaalf discipelen. De meesten van hen zijn kinderen van God. Hun hart is veranderd. Er is een breuk gekomen met de wereld, met de wereld van de godsdienst ook. De liefde van God is uitgestort in hun hart. En zij zijn vol van hartelijke liefde tot hun Meester. Maar… ze zijn zo blind, zo hardleers, zo onverstandig… En daardoor zijn ze zo bezorgd… We kunnen wat een zorgen zijn in het hart, juist ook in het hart van Gods kinderen. Zelfs op een dankdag (*of: ook op deze dag).

Maar hoe anders is de aanspraak, vergeleken met hoe de rijke man in de gelijkenis aangesproken werd. Bij de rijke man die God niet kende, en die tot het laatste toe zijn eigen weg ging, klonk het: dwaas! Maar hier klinkt het als het ware: Mijn lieve kinderen. En straks klinkt het: u, mannen van kleingeloof, u kleine kudde.

Liefdevol aangesproken door de Zaligmaker. Die, ook nu onder de bediening van het Woord in het bijzonder Zijn kinderen aanspreekt: troostvol en bemoedigend. Hoewel Zijn woorden tot lering zijn voor iedereen van ons, toch zijn het in het bijzonder Zijn discipelen, kinderen van God, kleingelovigen…, die worden aangesproken in het Schriftgedeelte dat voor ons ligt.

Wij overdenken (*op deze dankdag) het voorgelezen Schriftgedeelte Lukas 12: 22-32. Het thema voor de preek is: Wees niet bezorgd, of: Hoe een kind van God leven mag

We zien een viervoudige aansporing in ons tekstgedeelte: 1. Let toch op Goddelijke zorg (vers 22-28) 2. Denk toch aan Vaderlijke wetenschap (vers 29-30). Uw vader wat u nodig hebt… 3. Zoek toch het hemelse koninkrijk (vers 31) 4. Hoor toch de troostvolle verzekering (vers 32).

Dus: ‘Wees niet bezorgd’. Vier aandachtspunten: Goddelijke zorg, Vaderlijke wetenschap, het hemelse Koninkrijk en troostvolle verzekering.

1. Let toch op Goddelijke zorg

We lezen in vers 22 en 23: En Hij zei tot Zijn discipelen: Daarom zeg Ik u: Zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleden zult. Het leven is meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleding. Er dreigt voor de discipelen gevaar. Ook zij lopen het gevaar, net als de rijke man in de gelijkenis die hiervoor is uitgesproken, ook zij lopen het gevaar om te denken: leven is hebben, en als je niet hebt, dan heb je geen leven. Hoewel ze het zien, hoewel ze het weten (net als wij) dat zoveel mensen juist ondergaan door een buitengewone liefde tot de rijkdom, plezier en genot. Toch lopen zij het gevaar (net als wij), dat ze toch denken: leven is hebben. Ook zij die weinig hebben, ook zij die alles verlaten hebben om Jezus te volgen, lopen gevaar. Het gevaar om angstig bezorgd te zijn voor levensonderhoud: heb ik wel genoeg eten? Genoeg kleding? Heb ik wel genoeg geld, genoeg middelen van bestaan?

Maar de Heere zegt: het leven is meer dan te eten, het lichaam is meer dan je kleding. Als God nu voor het meerdere zorgt, voor je leven en je lichaam, dan zal hij zeker toch ook voor het mindere zorgen? Daar kunt u, Mijn discipelen, Mijn kinderen, gerust op zijn.

Aanmerkt (vers 24) de raven, dat zij niet zaaien, noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelve; hoeveel gaat gij de vogelen te boven? Kijk eens omhoog! Daar vliegt er een! Kijk eens naar die vogels. Ze zijn onrein. Het zijn de meest verachte beesten die er zijn. Verstand van zaaien en maaien hebben ze ook niet.

De rijke man uit de gelijkenis (die vlak hiervoor is uitgesproken) had verstand van zaaien, maaien en schuren bouwen. Maar zij, die volgens, hebben dat niet. Ze hebben geen schuren, ze hebben geen voorraadkast, ze hebben geen diepvriezer. Maar, zij (onreine beesten!) krijgen eten uit Gods hand. God voedt ze. Discipelen, als God nu voor het minste zorgt… U bent zoveel kostbaarder in Gods oog. Denkt u dan dat Hij u dan zal laten omkomen?

Wie toch van u kan (vers 25 en 26), met bezorgd te zijn, een el tot zijn lengte toedoen? Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd? Uw bezorgdheid, uw zorgen, uw gepieker over hoe het verder moet… met u eten, met uw drinken, met uw gezondheid, uw huis, uw hypotheek, uw baan, uw inkomen… schiet dat echt op? Kunt u door bezorgd te zijn één el tot uw lengte toedoen? Je kunt hier denken aan een ‘el’ als lengtemaat, maar het gaat veel meer over tijd, over levenstijd, over levensdagen. En dan is een el misschien wel het beeld van een enkel uurtje, een heel klein stukje levenstijd. Kunt u met al uw zorgen (ongeneeslijk zieken onder ons) een uurtje aan uw leven toevoegen?

Kijk nu eens (vers 27), aanmerkt de lelies, hoe zij wassen; zij arbeiden niet, en spinnen niet; en Ik zeg u: ook Salomo in al zijn heerlijkheid is niet bekleed geweest als een van deze. Kijk eens om je heen. Naar die prachtige bloemen in het veld, tussen het gras: lelies, irissen, gladiolen, anemonen… Bij ons: sneeuwklokjes, krokussen, madeliefjes… Ze groeien vrij, onbezorgd. Ze werken er niet voor. Maar God kleedt ze met uitzonderlijke pracht, meer dan ooit aan Salomo was toebedeeld.

Indien nu God het gras (vers 28) dat heden op het veld is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzo bekleedt, hoeveel meer u, gij kleingelovigen! Wat klinkt dat liefdevol: mannen van kleingeloof… Zelfs het gras, het gras van het veld en de bloemen in het gras, zo wonderlijk mooi… Hoewel het morgen al gemaaid wordt, vandaag wordt het nog zo mooi onderhouden door God de Schepper. Als ik dan zo met het mindere omga, met het gras en de bloemen, wat maakt u zich dan (Mijn kinderen) toch zorgen? Dat gras, bestemd voor de oven, wordt door Mij zo mooi onderhouden. U bent veel kostbaarder. Mijn kind, Ik heb u niet bestemd voor de oven, maar voor de eeuwige heerlijkheid. Nu dan, met al uw zorg, gebrek en verdriet: wat maakt u zich zorgen…? Ik zorg voor u!

Gij kleingelovigen. Wat klinkt dat liefdevol en teer. Ik weet het: u bent niet in staat om in eigen kracht te geloven, om in eigen kracht Mijn troost een belofte te omhelzen, en u vast te houden aan Mijn liefde en trouw.

Het klinkt ook als een liefdevolle vermaning: Mijn kinderen, dit past niet bij u. Zo moet het niet. Zulke zorg, zulke onrust, zulke angst past niet bij hen die gebracht zijn onder vaderlijke zorg van een hemelse Vader. Je bent wel in de woestijn, en soms is het een land dor en mat zonder water, maar: ben Ik daar niet? Met Mijn dagelijkse manna uit de hemel? En zorg Ik niet voor uw kleding en voor uw schoeisel, dat hij niet verslijt? U, kleingelovigen, let toch op Goddelijke zorg en…

2. Denk toch aan Gods Vaderlijke wetenschap

U, Mijn kinderen, u moet anders zijn. Vers 29 en 30: En gijlieden (u), vraagt niet, wat u eten, of wat u drinken zult; en weest niet wankelmoedig. Want al deze dingen zoeken de volken der wereld; maar uw Vader weet, dat u deze dingen behoeft (dat u deze dingen nodig hebt). Het komt ineens dichterbij. Het is alsof de Heere met de vinger naar hen wijst: u, Mijn discipelen, u, Mijn kinderen…, waarom vraagt u altijd en alleen om eten, drinken, dat dit goed zal gaan en dat dat goed zal gaan? U moet anders zijn. Want zo zijn de mensen van de wereld. Die vragen: mag ik dit hebben, mag ik dat hebben, wilt U dit geven, dat U dat geven…? Maar u moet anders zijn. Uw innerlijke verlangen moet anders zijn. Uw hart moet anders gericht zijn. De manier waarop u reageert op teleurstelling en tegenslag moet anders zijn. Uw manier van leven, van doen en laten moet anders zijn. Wat u leest, wat u kijkt, hoort, zingt, hoopt, het moet allemaal anders zijn.

Het is alsof de Heere Jezus ondertussen ook naar ons wijst. Ik stel het maar in vragende zin: zijn wij echt anders? Anders in verlangen, in richting van hart, in manier van reageren op tegenslag en teleurstelling, in manier van leven, van doen en laten, in wat we lezen, kijken, luisteren, zeggen? Zijn we in alles echt anders?

U zegt: ‘het is allemaal zo weinig geestelijk…’ Nee, dit is geestelijk. Dit is een geestelijke vraag. Dit vraagt naar: hoe geestelijk is ons leven? En ten diepste is de vraag daarachter: wie dienen wij? Wie dient u? Bent u als de rijke man uit de gelijkenis die hiervoor geschreven staat: alleen maar bezig met werken, uw best doen, sparen en bewaren? Alleen maar bezig (op deze dankdag) met danken dat u dit gekregen hebt, dat u dat gekregen hebt, en dat dit geweldig ging, en dat dat geweldig ging? Of is je leven anders gericht? Zoekt u de dingen die de volken van de wereld zoeken? Of zoekt uw God?

Wat zoekt u? Wie zoekt u? Zoekt u de dingen van nu? Of zegt u: U, o God, zoekt mijn hart, mijn oog blijft op U staren? Zoekt u de dingen van deze aarde, of zoekt u zoals Paulus zegt tegen de gemeente van Kolosse: de dingen die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand van God?

Zoekt uw hart de dingen van deze tijd, of zegt u al zoekend: nee, Heere, want beter dan dit tijdelijke leven is Uw goedertierenheid?

U, die God zoekt, u, die de dingen zoekt die boven zijn: Uw Vader weet precies wat u nodig hebt.

Wat schittert die uitdrukking van genade: uw Vader! Hoe is dat mogelijk? Dat God Vader wil zijn van deze discipelen, van al deze Zijn kinderen? Hoe dat mogelijk is? Dat staat in zondag 9 van onze catechismus: Het is om Zijns Zoons Christus wil, daarom kan en wil God uit genade Vader zijn van aangenomen kinderen. Een zorgende en onderhoudende Vader van Zijn kinderen. Waarom? Hoe? Omdat er hier één tussenstaat: Christus Jezus. Een Middelaar tussen God en mensen, voor mensen die van zichzelf voor God niet kunnen bestaan.

Hij is het, die hier zo liefdevol en teer spreekt over de Vaderlijke liefde. Hij die Zelf vrijwillig die vaderliefde verlaten heeft. Toen Hij kwam in deze verloren wereld om mensen die die vaderlijke liefde veracht, geweigerd, miskend hebben, ja daarmee gebroken hebben, vrij te kopen. Om zo al hun schuld te verzoenen en de prijs van hun zielen te betalen. En om ze zo weer terug te brengen bij het vaderhart van God. Vrijwillig verliet hij deze liefdevolle Vader. En in eeuwige liefde liet deze Vader (die Zich zo ontfermt over Zijn kinderen) dit enige en liefste Kind los. Hij liet Hem los in helse angst en pijn. Hij die de raven voedt, liet Zijn eniggeboren Zoon over aan honger en dorst. Hij die de lelies bekleed, meer dan Salomo ooit bekleed geweest is in al zijn heerlijkheid, liet Zijn eniggeboren Zoon als Middelaar naakt hangen aan het kruis. Verlaten door Zijn Vader. O, liefde, die om zondaars te bevrijden, zo zwaar wilde lijden, zo zwaar liet lijden. Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten?

Opdat wij, zo zegt zondag 13, gekocht niet met zilver of goud, maar door Zijn dierbaar bloed in genade door deze Vader (om dit Zijn Kind) tot kinderen aangenomen zouden worden.

En daarom, om al die liefde die daarin schittert, bent u, moet u, mag u, kinderen van God, anders zijn. Anders, niet in excentrieke zin, maar wel anders: opvallend in vertrouwen, in gerustheid, in stille verwachting. Hoe het hier op de aarde ook mag tegen lopen, hoe het hier ook tegenzit, maar toch anders. Omdat Christus tegen u zegt: Uw Vader weet wat u nodig hebt. Is dat niet genoeg? We gaan samen eerst zingen uit Psalm 103:7.

Geen vader sloeg met groter mededogen Op teder kroost ooit zijn ontfermend' ogen, Dan Isrels HEER op ieder, die Hem vreest.

Wees niet bezorgd. Let toch op Goddelijke zorg, denk toch aan Vaderlijke wetenschap, en nu in de derde plaats

3. Zoek toch het hemelse Koninkrijk

Want zo staat er in vers 31: Maar zoekt het Koninkrijk Gods, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. De dingen van deze wereld zoeken? Geld zoeken, geluk zoeken? Jagen naar carrière, eer, rijkdom, plezier en vermaak? Als kind van God? U hebt wel wat anders te doen. Eenvoudig bidden: onze Vader die in de hemelen zijt, geef ons heden ons dagelijks brood. Dat is ons genoeg. En verder? Zoek het Koninkrijk van God! Wat betekent dat? Het Koninkrijk van God zoeken? Het betekent: zoek veiligheid, zoek behoud voor uw ziel. Zoek het persoonlijke ingaan in het Koninkrijk van God. Zoek deel te krijgen aan genade, vergeving en verzoening van uw schuld. Zoek een nieuw hart. Zoek de Heere, jongens en meisjes, denkend aan wat de Spreukendichter heeft gezegd: wie God vroeg zoekt, die zal Hem vinden. Zoek Christus, tot een Borg, tot een Middelaar, tot een Zaligmaker die de schuld van uw hart vergeeft. Zoek dat, ernstig en met alle kracht!

Want de rest? De rest gaat voorbij… Ja, dat blijkt uit de gelijkenis van de rijke man, die wel veel heeft, maar plotseling sterven moet zonder God. Maar hier staat: als je God zoekt, het Koninkrijk van God, dan zal de rest je toegeworpen worden. Je krijgt het, je krijgt het erbij, allemaal! Alles: geen gebrek aan enig goed. Je krijgt alles wat je nodig hebt.

Dus het Koninkrijk van God zoeken. Zoek veiligheid, zoek het behoud van je ziel. Zoek het persoonlijke ingaan in het Koninkrijk van God. Maar ook: zoek, discipelen, Mijn kinderen, de uitbreiding van dat Koninkrijk. Wees niet bevreesd om straks ‘huizen, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om Mijns Naams wil (te verlaten, want u zult) honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven. (Mattheus 19:29). Discipelen, jongemannen, jonge vrouwen (zeker, ieder krijgt zijn eigen taak in het Koninkrijk van God), maar dit zegt de Heere Christus ook tegen u: zoek de uitbreiding van Gods Koninkrijk. En wees gerust. Ook als je alles achterlaat, juist dan, zal de Heere in alles voor je zorgen.

Wees niet bezorgd. Let op Goddelijke zorg, denk aan Vaderlijke wetenschap, zoek het hemelse Koninkrijk en tot slot als vierde:

4. Hoor de troostvolle verzekering

Van vers 32: Vreest niet, gij klein kuddeken, want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven. Wat klinkt dat hartelijk en liefdevol: klein kuddetje. Ik weet het well: dat u zoekt en dat u uw ogen probeert te richten op het hemelse, maar dat het niet lukt. Dat u dat wel probeert, maar dat u zo weer vastzit aan de dingen van deze tijd. Ik ken uw zucht wel: Heere, hoe moet het…? Het lukt niet…

Vrees niet, mannen van kleingeloof, kleine kudde. Het is het welbehagen van de Vader Zelf. Het is Zijn wil, het zijn Zijn goede gedachten en het is Zijn werk. Hij doet het, Hij heeft het gedaan en Hij zal het doen. Wat? Dat koninkrijk aan u geven. Het is een gift. Het is genade, het is vrije genade. Dat u opgezocht bent, dat u geroepen bent, dat u gebracht bent onder Gods hoede en zorg, dat is Zijn werk. Dat u geleid wordt aan Zijn hand, dat is Zijn werk. En dat u in de moeilijkste periode van uw leven gedragen wordt, dat is Zijn werk. Meer nog: dat is Zijn welbehagen! Het is Hem een vreugde, om voor zulke aangenomen kinderen te zorgen. Kleingelovig, dwalend, twijfelend, gericht op het aardse, maar toch… Het is de Vader tot vreugde en blijdschap om voor zulke, Zijn aangenomen kinderen te zorgen. Hij weet wat maaksel wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn. Wat is die Vaderlijke zorg, dat Vaderlijke welbehagen voor Gods kinderen tot een troost… Een enige troost in leven, en in sterven.

Wat een gemis, wat een drama… Als je die Vaderlijke zorg niet kent. Als je alleen maar bezig bent met de wereld van nu: met je eten, je drinken, je kleding, je geld, je huis, met je auto, met je zaak… Totdat straks, wie weet hoe spoedig, de kille hand van de dood op je voorhoofd rusten gaat. Geen hand die je leidt, geen Vader die je draagt. O, lieve vrienden, stop toch met het zoeken van de dingen van nu. En zoek toch het Koninkrijk van God. Zoek het behoud van uw ziel en de gerechtigheid van Christus. Voordat u ziek, voordat u oud en moe bent, en geen kracht meer hebt om te zoeken. Zoek de Heere, voordat het te laat is.

Wat een gemis, wat een drama als u die Goddelijke zorg en die Vaderlijke leiding niet kent. Maar wat een troost is het voor Gods kinderen, in alle moeite, zorg en verdriet van dit leven. Een enige troost in leven, maar zelfs ook in sterven. Ja, juist dan, bij het naderen van de dood. Als die ongeneeslijke ziekte ons lichaam afbreekt… Dan te mogen weten: geen haar valt er van mijn hoofd, zonder de wil van mijn hemelse Vader. En mijn leven en mijn lichaam is geborgen in Zijn handen. Door uw bezorgdheid zal u levenstijd geen uur langer duren. Wees dan maar niet bezorgd. Wees dan niet wankelmoedig, als door de wind heen en weer geblazen. Want het is uws Vaders welbehagen, u het Koninkrijk, het hemelse Koninkrijk te geven. Dat Koninkrijk van God reikt verder dan deze tijd, het reikt over de grens van de dood en de eeuwigheid heen.

Het is een koninkrijk in deze wereld, wanneer we door Gods genade leven met God, gericht op God en op de komende dag van de eeuwigheid. Maar dat koninkrijk komt in volle glorie na dit leven. Een koninkrijk van hemelse heerlijkheid.

Die zulke dingen zeggen, die zulke dingen geloven, zoeken dat vaderland dat hierboven is. Als dat vaderland nu uw verlangen is, zoek dan niet meer de dingen die van de aarde zijn, maar zoek dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, aan de rechterhand van de Vader. En verwacht die stad, die fondamenten heeft, welker Kunstenaar en Bouwmeester God is. En wees in deze tussenliggende tijd, in geen ding bezorgd.

Amen.

Slotzang Psalm 68: 10 en 17:

Geloofd zij God met diepst ontzag! Hij overlaadt ons, dag aan dag, Met Zijne gunstbewijzen. Die God is onze zaligheid; Wie zou die hoogste Majesteit Dan niet met eerbied prijzen? Die God is ons een God van heil; Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil, Ons 't eeuwig, zalig leven; Hij kan, èn wil, èn zal in nood, Zelfs bij het naad'ren van den dood, Volkomen uitkomst geven.

Hoe groot, hoe vrees'lijk zijt G' alom, Uit Uw verheven heiligdom, Aanbidd'lijk Opperwezen! 't Is Isrels God, die krachten geeft, Van Wien het volk zijn sterkte heeft. Looft God; elk moet Hem vrezen.