PREEK · KERKELIJK JAAR

Gaven voor wederhorigen - Psalm 68

Hemelvaart - 18 mei 2023

Video

Psalm 68:19: Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o HEERE God!

INLEIDING

Op Hemelvaartsdag klinkt in Psalm 68 het loflied op de grote Overwinnaar, Die na Zijn diepe vernedering is opgevaren in de hoogte: Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen (Psalm 68:19). Deze leespreek over Psalm 68 laat zien hoe Christus als Overwinnaar Zijn buit meebrengt en Zijn gaven uitdeelt, ook aan wederhorige zondaren.

THEMA

De Hemelvaart van de Heere Jezus Christus.

KERNPUNTEN

  1. Zijn triomf
  2. Zijn buit
  3. Zijn uitdeling

PSALM 68:16-24

16 De berg Basan is een berg Gods; de berg Basan is een bultige berg.
17 Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Dezen berg heeft God begeerd tot Zijn woning; ook zal er de HEERE wonen in eeuwigheid.
18 Gods wagens zijn tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid.
19 Gij zijt opgevaren in de hoogte, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen, om bij U te wonen, o HEERE God!
20 Geloofd zij de Heere; dag bij dag overlaadt Hij ons; die God is onze Zaligheid. Sela.
21 Die God is ons een God van volkomen zaligheid; en bij den HEERE, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.
22 Voorzeker zal God den kop Zijner vijanden verslaan, den harigen schedel desgenen die in zijn schulden wandelt.
23 De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan, Ik zal wederbrengen uit de diepten der zee;
24 Opdat gij uw voet, ja, de tong uwer honden moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.

VOLLEDIGE TEKST

Gaven voor wederhorigen - Psalm 68

ds. J. IJsselstein - Psalm 68:19

THEMA

De Hemelvaart van de Heere Jezus Christus.

LITURGIE

Psalm 110:1,2

Psalm 110:3

Lezen Psalm 68:1-20 – Lukas 24:50-53

Psalm 68:1,2,9

Psalm 142:7

Psalm 3:4

Gemeente, de tekst voor de preek op deze Hemelvaartsdag (of: op deze zondag na Hemelvaartsdag) kunt u vinden in Psalm 68:19. Daar lezen we het woord van God als volgt: Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen; ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen, o HEERE God!

Het thema voor de preek van vanmorgen is: De Hemelvaart van de Heere Jezus Christus.

We letten op drie aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op Zijn triomf: Gij zijt opgevaren in de hoogte. We letten in de tweede plaats op Zijn buit: Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd. En we letten in de derde plaats op Zijn uitdeling: Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen. Drie gedachten dus: 1. Zijn triomf 2. Zijn buit 3. Zijn uitdeling.

Gemeente, Psalm 68 is een overwinningslied. De oorlog is voorbij. De vijand is verslagen. De overwinning is behaald. Omdat het volk Israël zo machtig en sterk was? Nee, het is vanwege de God van Israël. Zo begint Psalm 68 ook in vers 2: God is opgestaan, Zijn vijanden zijn verstrooid.

De ark, de plaats waar de Heere wilde wonen (boven het verzoendeksel waarop het bloed werd gesprengd), de ark is tijdelijk van zijn plaats geweest. Waarschijnlijk nadat de ark was meegenomen door de Filistijnen. Maar nu is de ark weer terug. En vanuit het huis van Obed-Edom wordt hij Jeruzalem binnengehaald (2 Samuël 6). Wellicht is dat de aanleiding geweest voor het dichten van deze psalm. De heilige ark, met het gouden verzoendeksel, wordt in triomf de stad binnengebracht. Als teken, na eerdere vernedering, van grote overwinning. Maar, zoals Paulus zegt in Efeze 4:8, dit gaat ten diepste en vooral over de grote Ark der behoudenis, dit gaat ten diepste over de hemelvaart van Christus.

Want Paulus zegt in Efeze 4:8: Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij (de Heere Jezus Christus) de gevangenis gevangengenomen, en heeft den mensen gaven gegeven. Hij, Christus, is opgevaren in de hoogte. Over Hem gaat het in Psalm 68. Vandaar ons eerste punt:

1. Zijn triomf

Gij zijt opgevaren in de hoogte. U bent opgevaren. Maar, zo zegt Paulus, daarvoor was het anders. Hij is opgevaren, maar Hij is eerst nedergedaald in de nederste delen van de aarde. Paulus zegt in Efeze 4: Die nedergedaald is, is Dezelfde ook, Die opgevaren is verre boven al de hemelen, opdat Hij alle dingen vervullen zou (Efeze 4:9-10). Eerst was er Zijn diepe vernedering. Diep daalde Hij neer. Bij Zijn nederige geboorte in Bethlehem, waar Hij gewonden werd in doeken en gelegd werd in een kribbe. In Zijn leven vol van verachting, spot en laster. In Zijn diepe vernedering in Gethsémané, in Zijn smartelijke lijden aan het kruis op Golgotha. Hij is nedergedaald ter helle, Hij is gelegd in het graf van Jozef van Arimathea. Hij is diep vernederd. Maar God heeft Hem uitermate verhoogd en Hem een naam gegeven boven allen naam (Filippenzen 2:9). En nu is Hij met eer en heerlijkheid gekroond (Hebreeën 2:9). Nu is Hij binnengeleid in de hemel der hemelen: Zit aan Mijn rechterhand, Mijn Zoon (Psalm 110:1).

De triomftocht van de ark was beperkt: vanuit het huis van Obed-Edom naar de stad Davids. De triomftocht van de Heere Jezus Christus was veel groter. Toen Hij voor de ogen van Zijn discipelen opvoer naar de hemel. Een wolk nam Hem weg van hun ogen (Handelingen 1:9). Maar de grote triomf was daarachter. Bezongen door de dichter van Psalm 24: Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga! Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in de strijd (Psalm 24:7-8). Overwinnaar in de strijd!

Gij zijt opgevaren in de hoogte. Wat opvalt is de echo van het eerste woordje: Gij! U alleen! Net zoals in Psalm 3, in de psalm die we straks aan het einde van deze dienst zullen zingen: Gij, HEERE, alleen, Gij zijt Verwinnaar in de strijd, en geeft Uw volk de zegen (Psalm 3:4, ber.). Zo ook hier heel nadrukkelijk: Gij zijt opgevaren, Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, Gij hebt gaven genomen. Gij! Gij alleen!

Ooit begon het, in de stille eeuwigheid, met: Ik kom. Ik zal. Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij geschreven (Psalm 40:8). Ik zal Uw Naam Mijn broederen vertellen (Psalm 22:23). En toen, toen alles verloren leek in het paradijs, toen klonk het opnieuw: Ik zal. Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw (Genesis 3:15).

En later klonk het: Ik moet lijden (Mattheüs 16:21), Ik moet de drinkbeker te drinken (Johannes 18:11). En nu is alles vervuld. En dus wordt de eerbiedige uitroep gehoord: Gij! Gij alleen! U zegt: ‘dit is een mooi tekst’. Ja, maar dit is, wat het meest verzet oproept in ons menselijke hart. Dit ‘Gij alleen’, dit ‘U alleen’ wordt een wonder voor arme en verloren mensen die God kwijt zijn, die niets meer hebben van zichzelf en die in hun nood tot God roepen. Als Christus tot zulke mensen gaat zeggen: ‘Ik, Ik voor u, Ik alleen!’, wat wordt dat dan een wonder! Maar voor de overige mensen is dit een bron van verzet en vijandschap. Want ik zeg, sinds Adam: ‘Ik, ik alleen! Maar genade maakt alles anders: ‘Gij! U alleen! Niets van mij, alles kwam en alles komt van U.’ U bent gekomen. U hebt Uzelf gegeven. U hebt de prijs betaald. U hebt ons Gode gekocht met Uw bloed. En nu bent U opgevaren en hebt U ons meegenomen naar de hemel. U hebt voor ons een weg bereid om toe te gaan tot de troon der genade. U hebt ons Uw Geest gegeven, om Uw werk in onze harten te werken. U zult ons leiden door Uw raad. En daarna zult U ons in heerlijkheid opnemen. Het is allemaal van U. En het is niets van ons. Het komt allemaal voort uit Uw eeuwige welbehagen.

Dit is de dag, dit zijn dagen om met de dichter van Psalm 3 vol verwondering en aanbidding uit te roepen: Gij, HEERE, alleen, Gij zijt Verwinnaar in de strijd, en geeft Uw volk de zegen. Met triomf is Christus de hemel ingegaan. En, Hij heeft Zijn buit meegenomen. Dat zullen we zien in onze tweede gedachte:

2. Zijn buit

Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd. Want dat deden koningen en keizers in het verleden altijd. Als ze terugkwamen uit de oorlog, als ze thuiskwamen van de strijd, en ze hadden de vijand overwonnen, dan namen ze die mee. Niet alleen de gewone buit van goud en zilver en kostbaarheden, van wapens en vee. Maar ook de overwonnen koning zelf. Die bond je vast aan je zegenwagen. Zo kwam je door de poort de stad in, zo reed je de stad door, terwijl het volk je toejuichte. En dus zegt David: Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd, U hebt de gevangenis als buit meegenomen. Uw buit was: de gevangenis.

Hoe kom je, als je daar in zit, ooit uit? Uit de gevangenis? Je kan ook zeggen, en misschien is het wel beter dat dat eerst helder wordt: ‘Hoe ben ik daar ooit ingekomen? En wat is dat voor een gevangenis?’ Hoe? Paulus zegt: dat was door onze eigen schuld. Dat was het loon op onze zonden (Psalm 51:4, Romeinen 5:12). Als opstandelingen tegen God zijn we in geestelijke zin gevangenen geworden. Jesaja heeft het over gebondenen, over blinden, over mensen die in duisternis zitten, over mensen die in de gevangenis zitten (Jesaja 42:7, 61:1).

Over mensen die in de gevangenis zitten, als gevangenen van een machtige tegenstander, van een machtige dictator en tiran. Continu levend in slavernij, in gevaar, in gevaar zelfs van de dood (Hebreeën 2:15). En dat is allemaal onze eigen schuld.

Maar, zo profeteerde Jesaja ooit: Doch alzo zegt de HEERE: Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tirans zal ontkomen; want met uw twisters zal Ik twisten, en uw kinderen zal Ik verlossen (Jesaja 49:25).

Daarvoor is een strijd gestreden. Een oorlog, een hevige strijd tussen het zaad van de slang (de duivel en zijn rijk) en het zaad van de vrouw, de Heere Jezus Christus (Genesis 3: 15). En nu is de strijd beslecht. Hij, Christus heeft overwonnen. Hij is de Overwinnaar in die strijd.

En nu? Nu komt Hij de hemel binnen met Zijn buit. En wie is er gebonden aan Zijn zegenwagen? De satan, de duivel. Die is overwonnen. Maar, goed kijken, want de buit is veel groter! Ook de dood en de macht van de hel zijn gebonden aan Zijn triomfwagen. En niet alleen degenen die de Zijnen gevangenhield, de duivel is verslagen, maar Zijn gevangenen zelf zijn ook bevrijd. Heel de gevangenis zelf is buit gemaakt. De macht van de boze is gebroken. En de gevangenen zijn vrij.

U hebt de gevangenis (de baas van de gevangenis, de gevangenen zelf, ja, heel de gevangenis) buitgemaakt. Paulus schrijft aan de Kolossenzen: God heeft ons, die door genade Zijn kinderen mogen zijn, getrokken uit de macht der duisternis (Kolossenzen 1:13). En Petrus schrijft: God heeft ons verlost uit de gevangenis van de zonde en de satan, uit de gevangenis van onze zondige levenswandel, niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam (1 Petrus 1:18-19). Verlost van de toekomende toorn (1 Thessalonicenzen 1:10).

U hebt de gevangenis buitgemaakt. Wat ligt daarin een troost. Juist voor mensen die tot hun grote verdriet en tot hun grote zorg ervaren, weten en geloven dat ze gevangen zitten. Door eigen schuld. Ze zijn God kwijt, ze zijn onderworpen (door eigen schuld, en dat belijden zo ook) aan hun onwil en onmacht, ze liggen onder de vloek, ze zitten in duisternis en wonen in het land van de schaduw van de dood. ‘Hoe kom ik hier ooit uit?’ Waarop moet u uw hoop stellen? Vanuit uzelf is het hopeloos. U kunt uzelf niet bevrijden uit de gevangenis van de sterk gewapende. En toch is het niet hopeloos. De profeet Zacharia heeft het over gebondenen die hopen (Zacharia 9:12). En Psalm 72 zingt u hoop toe: Nooit zal Hij Zijn gevangenen begeven. Nooddruftigen, gevangenen die daar hoopt, hoop op God!

Stel uw hoop op Christus alleen en vlucht met uw boeien en gevangenschap tot Hem.

En zeg: ‘Heere, U hebt toch de gevangenis gevankelijk gevoerd? Nu dan, Heere, bevrijd mijn ziel. Ik ben wel ellendig en nooddruftig, maar Heere, denk toch aan mij. Wees toch mijn Hulp en mijn Bevrijder. O, God, vertoef niet (Psalm 40:18). Red mij door Uw gerechtigheid en bevrijd mij. Neig Uw oor tot mij en verlos mij (Psalm 71:2).

U hebt de gevangenis buitgemaakt. Wat ligt daarin een troost. Ook voor allen, die de Heere vrezen. Je kan je, juist ook na ontvangen genade, zo gebonden voelen door jezelf, door je zondige ik, door het lichaam der zonde. Zodat je moet zuchten met Paulus: ‘Ik, ellendig mens, wie zal mij toch verlossen uit de gevangenis van dit lichaam der zonde en des doods (Romeinen 7:24)? Verlos me toch Heere van mijn vijanden (Psalm 7:2), verlos me toch van mijn overtredingen (Psalm 39:9), verlos me toch van mezelf?

Kent u die roep om verlossing? Of zit u nog steeds rustig en berustend in uw gevangenis, in uw dodencel? Als een gewillige slaaf van die meester, die u uiteindelijk zal vermoorden en naar de ondergang zal voeren? Wachtend, o zo rustig en gerust, op de dag van de voltrekking van uw doodsvonnis? U zegt: ‘Wat kan ik daaraan doen? Ik ben veroordeeld, ik moet mijn straf uitzitten, ik moet mijn lot ondergaan.’ Maar ik vraag u: Waarom bent u te trots, waarom bent u te hoogmoedig, om als een veroordeelde misdadiger gratie te vragen? Waarom buigt u niet in het verborgen uw knieën? Waarom zegt u daar niet in stilte: ‘Heere, ik heb deze gevangenschap wel verdiend, maar genâ, o God, genâ hoor mijn gebed en bevrijd mijn ziel?’

Waarom niet? U wilt er niet om vragen. U zit mokkend in uw gevangenis en geeft ondertussen God de schuld van uw gevangenschap. U wilt uw hoofd niet buigen. O, keer toch terug. Zeg toch: ‘Heere, ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. Dit ben ik waard, om wat ik gedaan heb (Lukas 23:41). Maar, Heere, denk aan mij. Verlos me van al mijn overtredingen en wees me toch genadig!’ Laten we dat samen zo ook eerst biddend zingen, met de woorden van Psalm 142:7.

Voer mij uit mijn gevangenis, Tot roem Uws naams, die heerlijk is; Dat mij 't rechtvaardig volk omring', En vrolijk van Uw weldaân zing'.

Gemeente, het gaat vanmorgen over de hemelvaart van de Heere Jezus Christus. We hebben gelet op Zijn triomf, op Zijn buit, en letten nu in de derde plaats ook nog op:

3. Zijn uitdeling

Want zo zegt onze tekst: Gij hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen, ja, ook de wederhorigen om bij U te wonen.

U hebt gaven genomen. Als Paulus dit aanhaalt in de Efezebrief, dan zegt hij: Hij (Christus) heeft aan de mensen gaven gegeven (Efeze 4:8). Gekregen, genomen en gegeven. Gekregen en ontvangen van de Vader, als loon op Zijn werk. Omdat Hij Zich vernederd heeft tot in de dood, tot in de dood van het kruis. Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is (Filippenzen 2:9). Hij heeft Zich vernietigd, Hij heeft Zich (letterlijk) leeggegoten. Maar als loon op Zijn werk heeft de Vader Hem volgegoten. Hij heeft gaven gekregen en genomen. Het was Zijn verdiende loon. Hij mocht die nemen, om die uit te delen.

Welke gaven? In de eerste plaats de gave van de Heilige Geest. Die met Pinksteren uitgestort zal worden en uitgestort is. Als vervulling van de belofte van de Heere Jezus Christus uit Johannes 14: Maar de Trooster, de Heilige Geest, Welke de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren, en zal u indachtig maken alles, wat Ik u gezegd heb (Johannes 14:26).

In de tweede plaats zal de Heilige Geest Zelf ook gaven uitdelen, door Zijn werk in het hart van Gods kinderen. De gave van een nieuw hart, de gave van ontdekking aan zonde, de gave van geopende ogen en droefheid naar God, van het breken met de zonde en het terugkeren naar God toe met smeking en geween, de gave, de gift van de genade van de verzoening door het bloed van Christus.

Eén bijzondere gift noemt Paulus (direct nadat hij de tekst uit Psalm 68 heeft aangehaald) heel nadrukkelijk. Welke gaven geeft de eerst neergedaalde en nu verhoogde Christus? Paulus zegt: En Dezelfde heeft gegeven (en dit is Zijn gave:) sommigen tot apostelen, en sommigen tot profeten, en sommigen tot evangelisten, en sommigen tot herders en leraars (Efeze 4:11). Hij geeft de gift van de prediking van het Woord: herders en leraars als uitdelers van de menigerlei genade Gods, werkend onder de grote Opperherder, onder het toezicht en de zorg van de grote Profeet en Leraar. Een bemoedigend woord in een tijd waarin we uitzien naar meer arbeiders in de wijngaard: meer predikanten, meer zendelingen, meer evangelisten. De Heere Zelf geeft ze. Alle geestelijke giften en gaven worden door de Heere Jezus Christus vanuit de hemel uitgedeeld. En de eerste van die giften, van die gaven die Paulus noemt is: de prediking van het Woord. Want door die weg, door dat middel geeft de Heere ook andere gaven.

Maar, ja, dat is wel zo, maar er is iets merkwaardigs… Als er wat te halen valt, dan zijn we er bij. Als er aanbiedingen zijn, dan lopen we ze achterna. De bonusaanbiedingen van Albert Heijn, 35% korting, en natuurlijk zeker als er iets gratis is, als er iets weggegeven wordt.

‘Morgenochtend, gratis het nieuwste mobieltje voor de eerste 100 bezoekers.’ Vannacht zit je op de stoep te wachten. Nummer 85. Yes, ik heb er een! Gratis!

Maar nu: gaven uit de hemel. Ontvangen, genomen, uitgedeeld… De gift van de prediking van het Evangelie, van het aanbod van genade. Gratis! Hier! Maar, u zegt: ‘Nee, niet voor mij!’ Hoe komt dat toch? Waar ligt dat toch aan? Het ligt er in ieder geval niet aan, dat u er niet voor in aanmerking zou kunnen komen. U bent wel, net als ik, van nature vol van vijandschap, weerstand en verzet, we zijn van nature wel allemaal rebellen en opstandelingen, maar u bent op voorhand niet buitengesloten. Kijk maar: U hebt gaven genomen om uit te delen onder de mensen. Wel, u bent ook een mens, dus wat dat betreft bent u niet buiten gesloten. Ja, ook de wederhorigen. Nou, die kwalificatie past ook precies: wederhorigen, opstandelingen, rebellen! Zoals de Heere Jezus zei: de Zoon des mensen is gekomen om zalig te maken, dat verloren was (Mattheüs 18:11). En: die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering (Markus 2: 17).

Maar toch, geen interesse voor deze hemelse gaven, giften en genade. Hoe komt dat toch? Waarom ga je niet naar die winkel, waar je gratis het nieuwste mobieltje kan krijgen? Omdat je zegt: ‘Ik heb er al drie. Ik heb geen gebrek. Ik heb trouwens geld genoeg ook, ik koop er liever zelf een’. Omdat je zegt: ‘Ik heb zo’n hekel aan die winkel, daar ga ik nooit meer naar toe’.

Zo ook hier. ‘Gaven die U uitdeelt? Nee, dank U. Geen belangstelling’. De prijs is nihil, het is gratis? ‘Nee, dat wil ik niet. Ik ben geen bedelaar. Ik wil er gewoon voor betalen’. De aanbieding is ruim? Aan wederhorigen, dwarsliggers en opstandelingen? ‘Nee, als U me zo noemt, dan hoeft het voor mij niet. Dan kom ik niet’.

Wat is ons probleem? Onze rijkdom, onze hoogmoed en onze vijandschap! O, wat is uw ellende, onbekeerden onder ons, toch groot? Er is zoveel te krijgen, maar u wilt niet. O, wat beledigt u de Koning diep! En wat hebt u zeldzaam veel lef. Nee, u bent geen slachtoffer, u bent misdadiger!

Maar hoor nu toch, nog één keer! Dit zeldzame aanbod van de verhoogde Koning. Kom, misdadigers, wederhorigen, u bent welkom. Aan Zijn voeten. Stel het toch niet uit. Want de dag komt snel dichterbij, dat u zult moeten komen en bukken en buigen. Maar dan is het te laat.

U zegt: ‘Maar ik zit zo vast, ik zit zo gevangen! O, wat zou ik graag onderdaan zijn en worden van deze Koning! Ik ben juist zo’n wederhorige, zo’n misdadiger. Maar ik voel zo, dat ik niet kan en niet wil komen. En ik weet en geloof, dat het mijn eigen schuld is dat ik zo ben. Mijn hart wil niet buigen. Ik wil niet arm worden, ik wil geen bedelaar zijn!’

Luister. Uw toestand is ellendig, diep ellendig, maar niet hopeloos. Want één van de gaven, die deze verhoogde Koning door Zijn Geest wil geven, is een heel bijzondere gave. Die gave, die gift, die heet: armmakende genade. Je krijgt iets, en je wordt er armer van. Hanna zong ervan: de Heere maakt rijk en maakt arm; Hij vernedert, ook verhoogt Hij (1 Samuël 2:7). U hoeft het niet zelf te doen. Van uzelf kunt u het ook niet verwachten. Het is allemaal (zoals ik begon; en daarom is het niet hopeloos!), het is allemaal: Gij! Gij alleen! Het is allemaal Zijn werk. Hij maakt arm. En Hij zal aan armen uit genade Zijn hulp ter verlossing tonen.

Wat is dat een troost voor u, armen, bedelaars, daklozen. Hebt u niets meer? Dan alleen lege handen? Alles kwijt? Bij Hem, bij de verhoogde Christus, zijn gaven voor wederhorigen. En door Hem is er een plaats, voor zulk soort van mensen, om bij God te wonen. O, alle gij dorstigen, kom dan toch tot de wateren. En drink van het water des levens om niet (Jes. 55:1, Openb. 22:17). U die geen woning hebt, kom, u mag uit genade, om niet, om het werk en de verdienste van de Heere Jezus Christus, door Hem(!) vernachten in de schaduw van de Almachtige (Psalm 91:1). Er is plaats bij God voor wederhorigen. Om bij Hem te wonen. Door Zijn Heilige Geest wil Hij zeker wonen in de harten van armen en wederhorigen die Hem liefhebben, die Hem zoeken, die naar Hem verlangen. U durft het wel niet te geloven, maar het is wel zo. Johannes schrijft: Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zo iemand Mij liefheeft, die zal Mijn woord bewaren; en Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken (Johannes 14:23). U, armen en wederhorigen, u mag door Hem, door het werk van Christus en door Zijn hemelvaart, weer wonen bij God. Omdat Hij weer bij u wil wonen.

Wat is het een troost voor al Gods kinderen. De Heere wil wonen en blijven wonen in het hart van wederhorigen. In het hart van mensen die ook na ontvangen genade zo geneigd zijn om te zondigen, om eigen wegen te gaan, om niet te luisteren, om ongelovig te zijn en om te dwalen en zich te verzetten tegen de Heere en Zijn wegen. Maar desondanks, de Heere laat ons niet gaan, Hij zoekt ons altijd weer op en geeft opnieuw genade aan wederhorigen. Wat is de Heere toch geduldig, wat is Hij toch goed, wat is Hij toch genadig en trouw, voor een ontrouw volk, voor een wederhorig kroost. De Heere wil wonen en blijven wonen bij wederhorigen.

Wat er dan gebeurt? Wat er dan overblijft? Dit: Gij! Gij alleen, U alleen bent Verwinnaar in de strijd, en geeft Uw volk (uit genade) de zegen.

Onze tekst eindigt ook met een zucht van aanbidding en verwondering. Daar herken je in je eigen leven ook genade aan. Alles wat van jezelf is, daar word je trots op. Alles wat van God is, leidt tot stille verwondering en aanbidding. Hoor maar: Gij zijt opgevaren. Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd. Gij hebt gaven genomen… En dan komt de zucht van verwondering en aanbidding: O, HEERE God! O, HEERE, eeuwige ‘Ik zal zijn die Ik zijn zal, Ik ben die Ik ben’. O, Almachtige God.

U, o Vader, Die naar Uw verkiezend welbehagen Uzelf een volk verkoor in eeuwige liefde. U, o Zoon, Die onze ziel wilde loskopen met de kostbare prijs van Uw dierbare bloed. U, o Heilige Geest, Die in ons wilde komen wonen, om die verdiende gaven uit te delen. Drie-enig God, U zij al de eer!

Amen.

Slotzang Psalm 3:4:

Sta op, verlos mij, HEER! Gij hebt, o God, weleer Getoond voor mij te waken, Mijn haters onderdrukt; En mij 't gevaar ontrukt; Gij sloegt hen op de kaken, Verbrekend onverwacht Hun tanden door Uw macht; 'k Heb d' overhand verkregen. Gij, HEER, alleen, Gij zijt Verwinnaar in de strijd, En geeft Uw volk de zegen.