Pasen - 21 april 2024
Johannes 21:18: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt.
INLEIDING
Petrus mocht ooit gaan waar hij zelf wilde, drijvend op eigen ijver en kracht. Maar de Heere kondigt een nieuwe fase aan: straks zal een ander hem gorden en brengen waar hij niet wil, de weg van lijden en sterven aan zichzelf. Niet als straf, maar als genade, om Christus meer te leren kennen, te leren bidden, buigen en wachten. Zo wordt Zijn kracht in Petrus' zwakheid volbracht, en verheerlijkt hij De Heere juist door de weg van het kruis.
Een nieuwe periode in het leven van Petrus
JOHANNES 21:15-19
15 Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon, Jona’s zoon, hebt gij Mij liever dan dezen? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Weid Mijn lammeren.
16 Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male: Simon, Jona’s zoon, hebt gij Mij lief? Hij zeide tot Hem: Ja, Heere, Gij weet dat ik U liefheb. Hij zeide tot hem: Hoed Mijn schapen.
17 Hij zeide tot hem ten derden male: Simon, Jona’s zoon, hebt gij Mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat Hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij Mij lief? en zeide tot Hem: Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid Mijn schapen.
18 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt.
19 En dit zeide Hij, betekenende met hoedanigen dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Johannes 21:18
THEMA
Een nieuwe periode in het leven van Petrus
Wat is er veel gebeurd in de afgelopen jaren, in het leven van Petrus. Plotseling was de Heere in zijn leven gekomen. Toen hij met Andreas, zijn broer, aan het vissen was in het Meer van Galilea: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken. Zij dan terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd (Matth. 4:18-20En Jezus, wandelende aan de zee van Galilea, zag twee broeders, namelijk Simon, gezegd Petrus, en Andreas, zijn broeder, het net in de zee werpende (want zij waren vissers); En Hij zeide tot hen: Volgt Mij na, en Ik zal u vissers der mensen maken. Zij dan, terstond de netten verlatende, zijn Hem nagevolgd.).
Wat is er sindsdien veel gebeurd. Wat heeft de Heere veel aan hem geleerd. Wat heeft hij grote dingen gezien, toen hij met Johannes en Jakobus was op de berg der verheerlijking. Het heeft hem allemaal gedrongen tot die geweldige belijdenis: U bent de Christus, de Zoon van de levende God (Matth. 16:16En Simon Petrus, antwoordende, zeide: Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.).
En toen… De Heere had hem nog gewaarschuwd, maar hij had zichzelf schromelijk overschat. Voorwaar Ik zeg u, dat gij in dezen zelven nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen. Desgelijks zeiden ook al de discipelen (Matth. 26:34-35Jezus zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, Mij driemaal zult verloochenen. Petrus zeide tot Hem: Al moest ik ook met U sterven, zo zal ik U geenszins verloochenen! Desgelijks zeiden ook al de discipelen.).
Maar het gebeurde toch. In het donker van de nacht in Gethsémané. Hij vluchtte, hij verloochende Zijn Meester. Die hem aankeek, zodat hij zijn tranen niet meer kon bedwingen. Naar buiten gaande, weende hij bitter (Matth. 26:75).
Maar ondanks al die ontrouw van Petrus, is er aan de liefde en de trouw van de Heere Jezus niets veranderd. De Heere had voor Petrus gebeden, dat zijn geloof niet zou ophouden.
Direct na Zijn opstanding, klinkt het al door in de boodschap van de engelen aan de vrouwen: Doch gaat heen, zegt Zijn discipelen en Petrus(!), dat Hij u voorgaat naar Galiléa; aldaar zult u Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft (Mark. 16:7Doch gaat heen, zegt Zijnen discipelen, en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.). En dan verschijnt de Heere ook Zelf persoonlijk aan Simon. De discipelen zeggen het tegen de Emmaüsgangers: De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien (Luk. 24:34Welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien., 1 Kor. 15:5En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven.).
En hier in Johannes 21 is er opnieuw een ontmoeting van de Heere Jezus met sommigen van Zijn discipelen. Met daarbij een heel persoonlijk gesprek met Petrus, onder de ogen van de andere discipelen. Waar zijn roeping als apostel opnieuw bevestigd wordt. Terwijl de andere discipelen die daar bij zijn, dat zien en horen. Met andere woorden, het wordt voor iedereen helder: de Heere gaat verder met Petrus.
Het is een bijzonder, het is een hartelijk gesprek, waarin de Heere Jezus vraagt naar de liefde van Petrus, voor Hem. ‘Simon, hebt u Mij liever dan dezen? Hebt u Mij lief? Hebt u Mij lief… (vers 15-17)?’
En beroept Petrus zich uiteindelijk op het feit, dat zijn Meester hem beter kent, dan dat hij zichzelf kent. Op het feit dat zijn Meester weet wat Hij Zelf in het hart van Petrus gelegd heeft. ‘Heere, U weet alle dingen, U weet dat ik U liefheb (vers 17)’.
Wat een bijzondere afloop, na alles wat er gebeurd is… Je zou denken: ‘Met die Petrus komt het nooit meer goed.’ En dan nu zo’n hartelijke belijdenis van zijn liefde voor zijn trouwe Meester.
Je zou denken: ‘Nu moet Johannes (die dit schrijft) maar snel een punt zetten: eind goed, al goed. Nu moet de Heere Jezus maar stoppen. Zo is ’t mooi. Zo moet het blijven!’ Maar de Heere gaat verder, juist nu, met onderwijs te geven aan Petrus. Niet om de goede sfeer van het moment te vertroebelen. Maar omdat juist nu, het hart van Petrus, door alles wat gepasseerd is daar ontvankelijk voor is, daarvoor open staat.
Nu komt de les: Petrus, praten over liefde is één ding. Maar nu, wil Ik nog dat het uit je leven gaat blijken.
Is dat ook niet een les voor al Gods kinderen nu? Praten over je liefde tot Jezus, en over Zijn liefde tot u of jou, dat is één ding. Maar daar moeten we niet in blijven hangen. Zo is het in een goed huwelijk ook niet! Zeggen dat je heel veel van elkaar houdt, is heel goed. Doe dat vooral, en doe dat vaak! Maar het moet natuurlijk ook blijken. Dat dat echt zo is! En dus Petrus, krijg je opdracht van Mij.
Die we zien in onze tekst voor de preek van vanmorgen: Johannes 21:18-19. Daar lezen we Gods Woord als volgt: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Toen gij jonger waart, gorddet gij uzelven, en wandeldet alwaar gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt. En dit zeide Hij, betekenende met hoedanige dood hij God verheerlijken zou. En dit gesproken hebbende, zeide Hij tot hem: Volg Mij. Heb je Mij lief, Petrus? ‘Ja, Heere, dat weet U.’ Volg Mij dan!
Het thema voor de preek van vanmorgen is: Een nieuwe periode in het leven van Petrus
We letten samen op drie aandachtspunten: 1. Hoe het vroeger was 2. Hoe het straks zal worden 3. Wat het doel daarvan is Als eerste dus:
Toen u jonger was, gordde u uzelf, en wandelde alwaar u wilde. Als je in die tijd een lang kleed aanhad, dan was dat natuurlijk een beetje onhandig, als je snel wilde lopen. Dus wat deed je dan? Dan trok je dat lange kleed wat omhoog, je deed er riem omheen, en zo kon je er vlot mee uit de voeten. Wandelen waar je wilt.
U snapt: dat is beeldspraak. Dit is een beeld van (kort samengevat): zelfredzaamheid. Gaan en staan waar je zelf wilt. Doen wat je zelf wilt.
a. In gewone leven. Je bent jong. En dus ben je (althans dat geldt de meesten) gezond en sterk. Er is niets wat je belemmert of tegenhoudt.
b. Ook niet wat betreft je manier van leven, net als bij Petrus: altijd haantje de voorste, altijd vooroplopend. Johannes hoeft in vers 7 maar te zeggen ‘Het is de Heere’, of Petrus springt in de zee. Want zijn hart loopt over van liefde voor de Heere Jezus.
c. Bij u, bij jou misschien ook wel… De Heere is (net als bij Petrus) in je leven gekomen. Alles is anders geworden. Zo goed, zoveel beter, als dat het in het verleden was. En nu, je hart loopt over van vuur en ijver. Om te gaan en te staan, om te doen en te laten, wat jij zo graag wilt doen, voor de Heere! Geloven, liefhebben, leven! Lezen, bidden, stille tijd houden! Nee, het gaat allemaal zo maar niet. Je moet er echt je best voor doen, om dat in stand te houden. En Gods geboden doen? Natuurlijk met liefde en ijver! En nadenken over wat je nog meer zou kunnen en moeten doen. ‘Heeft iemand misschien nog wat tips voor me? Want ik zou graag nog wat meer doen!’
Dan al die dingen, die ik zelf al bedenk, die ik zelf al bepaal, die ik zelf al wil, die ik zelf al uitstippel, die ik zelf al beslis, die ik zelf al doe. Want… ja, ik wil dat zo graag…
Maar…, zeg eens even eerlijk: Ben je ondertussen niet een beetje veel bezig met jezelf? Met je eigen wil, met je eigen vuur, met je eigen ijver?
Is dat verkeerd dan? Nee hoor, niet per se. Maar je kan daar zo moe van worden, nietwaar? Als…? Als je ziet dat je vroeg of laat (net als Petrus) gaat struikelen en vallen. Als je gaat leren, dat je het vroeg of laat, zelf niet gaat redden.
Weet je? Ik denk dat veel mensen hier ook graag ‘een punt’ zouden zetten in hun leven. ‘Zo! Zo is mijn(!) nieuwe leven voor God. Ik ga van kracht tot kracht steeds voort. Ik ga gelukkig iedere keer weer: vooruit!’
Luister eens, u, jij, die de Heere hebt leren kennen, met wie het zo goed gaat: zoveel liefde voor de Heere, zoveel ijver voor Hem… De Heere wil je graag iets nieuws leren. Hij wil je graag bevorderen, Hij wil je graag over laten naar groep 2 van de geestelijke basisschool.
Want je zegt het wel, net als ik: ‘de Heere regeert’, maar ondertussen heb je (net als ik) behoorlijk het idee dat je zelf ook regeren mag. Jezelf gorden en wandelen waar je wil… En dus, ons tweede aandachtspunt:
Maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zo zult gij uw handen uitstrekken, en een ander zal u gorden, en brengen waar gij niet wilt.
Vroeger, Petrus, bepaalde je zelf je weg, je eigen weg. Je bedacht zelf hoe je kon geloven, hoe je kon bidden, hoe je je liefde tot de Heere vast kon houden. Je bedacht zelf wel hoe en waar je de Heere kon dienen in Zijn koninkrijk. Maar Petrus, er komt vanaf nu een andere tijd. Ik ga je zelfvoorzienend-zijn breken.
Ik ga je leren om je eigen gedachten en ideeën, om je eigen kracht en vermogen in te leveren. Je moet straks je handen gaan uitstrekken, om je mee te laten nemen naar Rome. Om je te laten vastbinden. Om je te laten kruisigen (of anderszins de marteldood te sterven). Ik breng je op de weg van het lijden, in navolging van Mij. Die weg ging Ik namelijk ook. ‘Petrus, volg Mij!’
En dat is wat de Heere vroeg of laat al Zijn kinderen gaat leren. Je kan denken, als je de Heere hebt leren kennen: ‘Nu ken ik alles, nu weet ik alles.’ Maar dat is een vergissing. Want wat blijkt hier? Dat, wat de Heere ooit tegen Petrus zei, toen Hij hem riep: ‘Volg Mij’, dat blijkt een diepere betekenis te hebben gehad. Die Petrus (na alles wat hij geleerd heeft) nog nooit zo gezien heeft.
En dus jongeren, volwassenen, ouderen, u die de Heere liefhebt, luister met mij naar de nieuwe lessen, die de Heere ons wil leren.
Naar deze lessen: Als je Mij volgt, kom je op onbekende wegen, waar je voorheen nooit aan gedacht hebt. Dan zal je het stuur van je leven uit handen moeten geven. Dan zal je zelf niet meer kunnen en mogen bepalen hoe het loopt. Dan zal je alles uit handen moeten geven. Dan zal je moeten sterven aan jezelf... Zoals Ik eerder zei: Die achter Mij wil komen, die verloochenen zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij (Matth. 16:24).
En hoe en wat dat kruis zal zijn, dat bepaal Ik, uw Heere en Meester. Want Ik regeer. Het kan ziekte zijn, het kunnen beperkingen zijn, het kan afhankelijkheid zijn. Het kan rouw, verdriet of eenzaamheid zijn. Het kunnen zorgen zijn in je gezin, in je familie, in je huwelijk, op je werk, in de kerk. Het kan aanvechting, beproeving, geestelijk verlating en duisternis zijn. Scherpe doorns in je vlees, opdat je je niet zou verheffen, opdat je niet trots zou zijn op gekregen genade. Maar zou leren buigen. En zou leren vragen met Saulus van Tarsen, liggend op de grond: ‘Heere, wat wilt U? Wat wilt U dat ik doen zal?’
Moeilijke wegen, doodlopende wegen, vastlopende wegen… Vroeger kon je jezelf eruit wurmen. Maar straks niet meer. Dan perst het misschien wel de tranen uit je ogen en uit je hart. Denkend: ‘Heeft God vergeten genadig zijn?’ Zuchtend: ‘Zouden Zijn beloftenissen haar vervulling missen?’
‘Ik had zo graag anders gewild, maar…’ Ja, maar de Heere regeert! En ik en jij, wij moeten leren koning of koningin af te raken. We moeten leren volgen. We moeten leren kruisdragen en lijden.
Om door die weg te leren, dat ik alleen maar leven kan en mag, van de kracht en van het leven van de opgestane Christus. En dat kan alleen maar door te sterven aan jezelf. Van mezelf wil ik vooroplopen, mijn eigen weg uitstippelen. Ik wil leven van mijn geloof, van mijn hoop, van mijn liefde, van mijn ijver en van mijn bidden. Waar ik diep in mijn hart wel een beetje tevreden mee ben, of zelfs trots op ben. Dat is mooi toch?
Maar de Heere wil zo graag, dat we niets van onszelf overhouden. Opdat Christus in ons gestalte zou krijgen. Opdat we Hem meer en meer zouden leren kennen. Want je kan denken dat Petrus ondertussen alles wel geleerd heeft, na al dat onderwijs van de Heere Jezus, ook nu: de betekenis van Zijn lijden voor hem, de noodzaak van de straf die hem de vrede aanbracht, van de striemen waardoor hij genezing gekregen heeft, ook van al zijn ontrouw… Je kan denken dat Petrus ondertussen alles wel kent en weet… Je kan denken dat je zelf ondertussen alles wel kent en weet… Maar: ‘Nee’, zegt de Heere Jezus, ‘Ik wil je meer leren.’
Net als bij Paulus. Je zou denken: die man heeft alles al geleerd. Maar dan ineens hoor je in Filippenzen 3:10Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende; een diep verlangen in zijn hart naar méér. En dat mag het verlangen ook wel zijn van al Gods kinderen hier: Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende.
Dat is bijzonder... Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende… Het kennen van de kracht van de opstanding van Christus, het kennen van Zijn leven, is één op één verbonden (zo blijkt) met de gemeenschap met Zijn lijden, met gelijkvormig worden aan Zijn dood, met sterven aan jezelf, met kruisdragen in navolging van Hem.
Zoals Paulus op een andere manier ook zegt 2 Korinthe 4:11Want wij, die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus' wil; opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden.: Want wij die leven, worden altijd in de dood overgegeven om Jezus’ wil, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vlees zou geopenbaard worden. Met andere woorden: Wil het leven van de opgestane Jezus in ons leven openbaar komen, dan moeten wij in de dood overgegeven worden. Dan moeten onze wil en weg eraan. Dan moeten we de Heere gaan volgen in de weg van Zijn lijden.
Want alleen zo gaat gelden: Zijn kracht wordt in mijn zwakheid volbracht. Vroeger was het anders. Toen was het: ‘In mijn kracht, zie ik ook Zijn kracht’. Maar nu wordt het anders: Ik moet sterven. Mijn kracht, mijn wil, mijn weg moet gebroken worden. Want alleen zo gaat de kracht van Christus schitteren. Alleen zo wordt God verheerlijkt. Kijk maar, dat staat in vers 19 toch? En dit zeide Hij, betekenende met hoedanige dood hij God verheerlijken(!) zou.
Als we sterk zijn in onszelf, zijn we zwak. Dan krijgt God geen eer. Maar als we zwak zijn, zegt Paulus, dan zijn we machtig (2 Kor. 12:10Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.). Dan gaat de Heere in onze zwakheid regeren. Dan wordt Zijn lof vergroot! Dan wordt God verheerlijkt.
Laten we voordat we verdergaan met ons laatste aandachtspunt eerst zingen uit Psalm 3, daarvan het eerste en tweede vers: Hoe vreeslijk groeit, O God, het saamgezworen rot Dergenen, die mij drukken.
Maar, trouwe God, Gij zijt het schild, dat mij bevrijdt, Mijn eer, mijn vast betrouwen;
Gemeente, het gaat vanmorgen over: Een nieuwe periode in het leven van Petrus. We hebben gezien: 1. Hoe het vroeger was. 2. En hoe het straks zal worden. Nu ons derde aandachtspunt:
Waarom brengt de Heere Zijn kinderen, vroeg of laat, allemaal op de leerschool van het lijden? Waarom gaat Hij onze zelfredzaamheid breken? Waarom gaat Hij ons brengen tot afhankelijkheid? Waarom bevordert de Heere op Zijn tijd al Zijn kinderen tot kruisdragen, in navolging van Hem?
Niet om daar iets mee te verdienen. Want Hijzelf heeft alles verdiend. Maar wel om ons aan Zijn beeld gelijk te maken. Hij heeft het Zelf gezegd in Johannes 15:20Gedenk des woords, dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.: Gedenkt het woord dat Ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij Mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij Mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren. En, zo vraag ik u, is dat geen zegen? Is dat geen eer? Om te mogen gaan lijken op onze Meester?
‘Hoort dat echt bij het leven met de Heere?’, zeg je. ‘U zegt toch altijd dat dat zo’n gelukkig leven is? Lijden…, dat klinkt toch echt anders!’
Ja, ik snap dat je dat zegt. Maar het is hier net als in een goed huwelijk. Ben je alleen maar blij en gelukkig omdat je samen leuke dingen hebt? Nee, je bent blij en gelukkig (hoe het ook gaat) als je elkaar hebt!
Het geluk van het dienen van de Heere is niet dat je altijd blij en enthousiast bent. Maar wel dat je weten en geloven mag: De Heere is bij mij. Zoals Asaf zegt in Psalm 73: Het is mij goed om nabij (om dichtbij) God te zijn (73:28). Zoals David zegt in Psalm 23: Al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij zijt met mij; Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij (23:4).
En dus kan je zomaar een kind van de Heere tegenkomen, dat midden in zorg en verdriet zegt: ‘Het is Gods goede hand, die dit doet. Het is mij goed, wat mijn God mij doet. Anders was ik misschien wel hoogmoedig of trots geweest. Anders was ik misschien wel mijn eigen weg gegaan. Maar de Heere gebruikt dit, om me dicht bij Hem te houden. Het is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest (Ps. 119:36Neig mijn hart tot Uw getuigenissen, en niet tot gierigheid., ber.)’.
Want (en dan komen we op de lessen, die de Heere Zijn kinderen hiermee wil leren), wat is Gods doel met dat kruisdragen? Wat is Zijn doel met dat lijden in navolging van Hem? Daarmee wil de Heere al Zijn kinderen wijze lessen leren.
Ik ga u proberen zeven van die lessen voor te houden. Lessen, rond de vraag: Waarom de les van het lijden, waarom kruisdragen voor al Gods kinderen onmisbaar is?
Kruisdragen is nodig, want: 1. Door die weg leren we Christus erkennen, als Degene die vanuit de hemel over ons regeert (zie HC. Zondag 19). Wij willen graag zelf ons leven bepalen. Wij willen graag zelf onze toekomst uitstippelen. Wij lopen graag voorop. Wij geven de Heere graag advies. Wij regeren graag mee… Daar zijn we in het paradijs al mee begonnen. Met: zelf willen regeren. Maar de Heere wil ons daarvan afbrengen.
En dus: ‘Petrus, Mijn kind, vroeger gordde je jezelf, en wandelde je waar je wilde. Toen stippelde je je eigen weg uit. Toen wilde je Mij de weg voorschrijven. Maar nu zul je je handen uitstrekken, en een ander zal je gorden, en brengen waar je niet wilt.’ ‘Nu neem Ik, de Heere, het roer van je leven in Mijn handen. Nu ga Ik je als een blinde leiden door de weg die je niet geweten hebt (Jes. 42:16En Ik zal de blinden leiden door den weg, dien zij niet geweten hebben, Ik zal ze doen treden door de paden, die zij niet geweten hebben; Ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten licht maken, en het kromme tot recht; deze dingen zal Ik hun doen, en Ik zal hen niet verlaten.). Want Ik, de Heere, en Ik alleen regeer!’ ‘En Ik zal je leren om op Mij te zien. Om Mij te erkennen, als Degene Die regeert en leidt. Als Degene Die raad zal geven. En ondertussen rust Mijn oog op u.’
Kruisdragen is nodig, want 2. Door die weg leert de Heere ons bidden. Anders bidden, dan dat we voorheen deden. Toen hadden we onze verlanglijstjes. Jazeker, met dingen waarvan wij dachten: Dat is goed voor Heere, (en voor mij). Maar nu leert de Heere ons, om in aanvechting en strijd, om in duisternis en verlating, in lijden en verdrukking, in kruis en tegenspoed de woorden van de Heere Jezus biddend na te zeggen: Indien het mogelijk is […], maar niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede (Matth. 26:39).
Dat leer je niet, zo word je aan het beeld van de Heere Christus niet gelijk, door en in tijden van voorspoed, vreugde en licht. Dat leert de Heere je in tijden van worstelen in het donker. Waar je het zelf niet meer weet. Waar je de weg niet meer ziet. Waar je alles van jezelf kwijtraakt. Daar leer je bidden met dat oude versje, wat je als kind al zong: Heere, maak me Uw wegen, door Uw Woord en Geest bekend (Ps. 25:2Beth. Mijn God! op U vertrouw ik; laat mij niet beschaamd worden; laat mijn vijanden niet van vreugde opspringen over mij., ber.). Leer mij Uw weg, o Heere. Leer mij U te volgen. Want dat kan en wil en doe ik alleen maar, als U het mij geeft.
Kruisdragen is nodig, want 3. Door die weg leert de Heere ons buigen en afhankelijk worden. We willen zo graag zelf iets betekenen. We willen meer zijn dan stof, dan slijk aan Gods vingers. We willen zo graag zelfstandig zijn, zelfvoorzienend, zelfverzekerd. We willen zo graag plannen maken en zelf de weg uitstippelen. We willen zo graag vrede en blijdschap voelen in ons hart. Wat ons het gevoel geeft, dat we zo goed passen bij God.
Maar de Heere wil ons leren, dat daar allemaal niets van terecht komt. Van ons, van dat ten diepste hoogmoedige ik, van ons, daar komt niets van terecht. Dat moet buigen. Maar dat willen we niet. Dat moet afhankelijk worden. Maar dat willen we niet.
Totdat de Heere Zelf ons in liefde buigt, knakt, breekt. En we eerlijk gaan belijden: ‘Heere, ik kan het niet, ik weet het niet, laat alles maar niet aan mij over. Het ga zoals U het wilt. Ik geef me over aan U. Stil denkend aan Uw beloftewoord: Wat Ik doe, weet u nu niet, maar na dezen zult u het verstaan.’ Het ga zo ’t wil, mijn ziel, zwijg Gode stil. En wacht op Hem.
Kruisdragen is nodig, want 4. Door die weg leren we meer van Christus kennen. Vergis u niet, kinderen van God, geliefde medechristenen, de Bijbel leert ons dat dat zonder lijden niet zal gaan. Zoals ik u zei (vanuit Filippenzen 3:10): Hem kennen en de kracht Zijn opstanding en leven, dat is één op één verbonden aan de gemeenschap met Zijn lijden.
We volgen op deze aarde niet vrolijk en blij, een zingende en juichende Jezus. Maar we volgen kruisdragend, een lijdende en stervende Zaligmaker. En willen we ooit meer op Hem gaan lijken, dan zal dat, zegt de Heere, door een weg moeten van lijden en sterven aan onszelf. Aan onze eigen kracht en wil, aan onze hoop op onszelf.
Dat is geen straf, dat is geen hardheid. Dat is genade. Dat is een gift uit de hemel. Om te lijden. Zoals Paulus zegt Filippenzen 1:29Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden;: Want u is uit genade gegeven(!) in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.
Kruisdragen is nodig, want 5. Door die weg leren we leven van genade, van wat gegeven wordt. En niet meer van wat we zelf dachten en denken te hebben. Zo leren we wat Paulus moest leren, door de moeilijke weg van een doorn in zijn vlees: Mijn genade is u genoeg. Genoeg voor u is Mijn genade. Meer hebt u niet nodig. Al dat andere van u, dat mag u kwijt. Eén ding mag u overhouden: genade.
Dat leer je niet door een weg van vrolijk, blij en juichend christen zijn. Dat leer je door een weg van aanvechting en strijd, door een weg van lijden en verdrukking. Dat Gods kracht in onze zwakheid wordt volbracht. Door Zijn genade.
Kruisdragen is nodig, want 6. Door die weg wil de Heere ons heilig maken. Bij dat vroegere leven hoort de vraag: ‘Heere, wat moet ik allemaal nog meer doen? Om nog heiliger te worden? ‘k Ben geloof ik al aardig op weg, maar ik wil graag verder vooruit. Ik wil graag meer doen, ik wil graag wat extra’s doen. Is er niet iemand die nog wat tips heeft voor een nog heiliger leven? Een goede preek daarover misschien?’
Luister, ga niet verder, met die (in wezen: hoogmoedige) dwaling. De apostel zegt in Hebreeën 2:10-11Want het betaamde Hem, om Welken alle dingen zijn, en door Welken alle dingen zijn, dat Hij, vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zou heiligen. Want en Hij, Die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; om welke oorzaak Hij Zich niet schaamt hen broeders te noemen. dat Christus door lijden geheiligd is, dat wil zeggen dat Hij door lijden de heerlijkheid ingegaan is. En, zo voegt hij daaraan toe: Hij die heiligt en zij die geheiligd worden zijn één. Dus zullen ook Gods kinderen door lijden geheiligd worden.
Zonder lijden is er geen heiligmaking. Heiligmaking komt door een weg van sterven aan jezelf. Door de afbraak van je eigen ik, van je eigen wil, van je eigen verlangen. Heiligmaking is geen kwestie van je best doen om beter te worden. Heiligmaking is een zaak van afgebroken worden en dieper leren buigen. Om zo te leren dat uit ons nooit meer iets goeds komt. En dat alle vernieuwing in ons leven, Gods werk is!
De apostel zegt: Als we gekastijd worden, dan is dat een zaak, dan is dat een kwestie van droefheid. Dat doet pijn en verdriet. Maar daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen (aan degenen) die door dezelve geoefend zijn (Hebr. 12:11En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.). Heiligmaking is niet iets wat je zelf doet. Heiligmaking is vrucht van oefening op de school van het lijden, op de weg van het kruisdragen. Daar leren we buigen. Daar leren we onszelf verloochenen. Daar leren we ootmoed. Daar leren we geloven, hopen, liefhebben, vertrouwen.
Kruisdragen is nodig, want 7. Door die weg leren we geduldig wachten. Zolang we denken dat we zelf de dingen kunnen regelen, zolang onze hoop op onszelf is, zolang hebben we geen geduld om te wachten, zolang verwachten we de Heere niet. Maar als de Heere dat hopen op onszelf afbreekt, dan leren we wachten en hopen op Hem. Dan wordt Christus onze Hoop, de Hoop der heerlijkheid (Kol.1:27). Dan leren we alle dingen in Zijn handen te geven. Dan zeggen we: ‘Heere, wat U doet, is goed. Leer mij wachten op U. Leer mij U te volgen, en al volgend op U te zien.
In de zekere hoop, dat mijn leven in navolging van U, ook zal gaan door de dood tot het leven, door lijden tot heerlijkheid, van een doornenkroon tot een hemelse kroon.
Zo alleen leren we wachten en verwachten, geduldig in onze verdrukking, in (zoals Johannes op Patmos schrijft), in het geduld en de lijdzaamheid van Jezus Christus (Openb 1:9Ik, Johannes, die ook uw broeder ben, en medegenoot in de verdrukking, en in het Koninkrijk, en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het Woord Gods, en om de getuigenis van Jezus Christus.). Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus (Tit. 2:13Verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den groten God en onzen Zaligmaker Jezus Christus;).
Geliefde gemeente, kinderen van God in het bijzonder, dit is de grote regel van het Koninkrijk der hemelen: Zonder kruis geen kroon.
Dus, niet klagen, niet mopperen. Denkend aan deze woorden van de apostel Jakobus: Acht het voor grote vreugde, mijne broeders (voor grote vreugde!), wanneer u in velerlei verzoekingen valt. Wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat u moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk (Jak. 1:2-4Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt; Wetende, dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt. Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, in geen ding gebrekkelijk.).
En, schrijft Johannes in Openbaring 2: Vrees geen der dingen die gij lijden zult. Zie, de duivel zal enigen van ulieden in de gevangenis werpen, opdat gij verzocht wordt; en gij zult een verdrukking hebben van tien dagen. Zijt getrouw tot den dood, en Ik (Christus) zal u geven de kroon des levens (Openb. 2:10).
In de wereld zult gij verdrukking hebben. Want een dienstknecht is niet meer dan zijn heer. Ze hebben Hem vervolgd, zullen ook u vervolgen. Maar heb goede moed, Christus heeft de wereld overwonnen.
Vernedert u dan (zegt Petrus jaren later, vanuit de praktijk van het lijden), vernedert u dan onder de krachtige hand van God, opdat Hij u verhoge te zijner tijd (1 Petr. 5:6Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat Hij u verhoge te Zijner tijd.).
Amen.
Slotzang Psalm 119:36
't Is goed voor mij, verdrukt te zijn geweest, Opdat ik dus Uw Godd'lijk recht zou leren; Sinds heeft mijn hart voor hovaardij gevreesd. Ai, doe mij steeds Uw wil als heilig eren; Ver boven goud en zilver, en wat meest Den mens bekoort, zal ik Uw wet waarderen.
Andere preken over Johannes
Andere preken voor Pasen
Andere gerelateerde preken