5 februari 2017
Lukas 10:21: Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
INLEIDING
Deze leespreek over Lukas 10:21 gaat over Gods manier van werken: Hij verbergt de dingen van Zijn Koninkrijk voor wijzen en verstandigen, mensen die menen het zelf te weten en zichzelf te kunnen redden, maar openbaart ze aan kinderen, die niets weten, zichzelf niet kunnen helpen en van alles afhankelijk zijn. Wie hoogmoedig is, moet klein en ontledigd worden om te ontvangen. Christus verheugt Zich hierin en dankt de Vader, want dit alles is naar Zijn vrije, soevereine welbehagen. Alleen wie zichzelf leert kennen als arm en verloren, ontvangt rijkdom uit Christus' volheid, tot eer van Gods genade alleen.
Gods manier van werken
LUKAS 10:21-24
21 Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat Gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard; ja Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
22 Alle dingen zijn Mij van Mijn Vader overgegeven; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon, en dien het de Zoon zal willen openbaren.
23 En Zich kerende naar de discipelen, zeide Hij tot hen alleen: Zalig zijn de ogen die zien hetgeen gij ziet.
24 Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien; en te horen hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Lukas 10:21
THEMA
Gods manier van werken
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Lukas 10, daarvan het 21e vers. Het Schriftgedeelte dat we in biddend opzien om het licht en de leiding van de Heilige Geest samen overdenken, kunt u vinden in Lukas 10:21. Daar lezen we: Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde; dat U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve de kinderkens geopenbaard; ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
Het thema voor de preek is: Gods manier van werken We letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats: voor de wijzen en verstandigen verborgen. In de tweede plaats: aan de kinderen geopenbaard. In de derde plaats: door Christus geprezen.
Het gaat dus vanmorgen in de preek over: Gods manier van werken. Drie punten heeft de preek: 1. Voor de wijzen en verstandigen verborgen 2. Aan de kinderen geopenbaard 3. Door Christus geprezen
Gemeente, we moeten eerst even helder hebben, wanneer de Heere Jezus dit zegt. Want onze tekst begint met: Te dier ure! Toen! En de vraag is: wanneer was dat precies? In het gedeelte hiervoor lezen we eigenlijk van twee dingen, die de Heere Jezus gezien heeft. a. Hij spreekt over de verwerping van het Evangelie door Kapernaüm, Chorazin en Bethsaïda (vers 12-15). Hij zegt tegen hen: Het zal Tyrus en Sidon verdraaglijker zijn in het oordeel, dan ulieden (vers 14). U zult tot de hel toe nedergestoten worden (vers 15). b. Maar er is gelukkig nog iets. De Heere Jezus heeft zeventig mannen, twee aan twee, op pad gestuurd om het Evangelie van het Koninkrijk Gods te verkondigen. En om dat te doen met volmacht, gezag en autoriteit, want Hij heeft tegen hen gezegd: Wie u hoort, die hoort Mij; en wie u verwerpt, die verwerpt Mij; en wie Mij verwerpt, die verwerpt Dengene, Die Mij gezonden heeft (vers 16). Ze hebben ongetwijfeld bij zichzelf gedacht (zoals dat altijd het geval is bij de dienaars van het Evangelie): Hoe moet dat? Wie is tot deze dingen bekwaam? Om de schat van het Evangelie te dragen in aarden vaten?
Maar in vers 17 lezen we dat ze terugkomen met blijdschap. Ze zeggen: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen, in Uw Naam (vers 17). Met andere woorden: ze geven de eer aan Christus. Het was, Heere, alles in en door Uw Naam! En daarop zegt de Heere Jezus: Ik zag de satan als een bliksem uit de hemel vallen (18). Want dat is wat er gebeurt, als het Evangelie vrucht draagt, als de Heere een mens bekeert. Dan wordt een mens verlost uit de macht van satan (Handelingen 26:18Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij.). Dan wordt de troon des satans neergeworpen. Hier zijn de eerstelingen. Die tot vreugde aan de Heere voorgesteld worden, nog voor het begin van Zijn aanstaande lijden (Hebreeën 12:2Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechterhand des troons van God.). Straks, als het Woord als een bliksemschicht door de wereld schiet, dan komt de grote oogst. Als het welbehagen des Heeren door Zijn hand gelukkig zal voortgaan (Jesaja 53:10Doch het behaagde den HEERE Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des HEEREN zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan.).
En dan zegt de Heere tegen hen, tegen die zeventig mannen, als aanmoediging voor de toekomst: u zult in de toekomst zelfs op slangen en schorpioenen treden (dat zijn beelden van vijandige mensen; zie Ezechiël 2:6En gij, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis.), maar de vijand zal u niet beschadigen (vers 19). Maar: laat de blijdschap in uw werk u niet het gevoel geven dat u meer bent dan anderen. Maar verblijdt u vooral daarover dat uw namen staan in het boek des levens (vers 20).
En toen! Te dier ure! Toen verheugde, toen verblijde zich de Heere en dankte Hij Zijn Vader. Omdat? Omdat, zo zegt de Heere Jezus: U deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt. Dat brengt ons bij het eerste punt van de preek:
Wat is voor hen verborgen? Wat is voor de wijzen en verstandigen een geheim, dat ze niet weten en dat ze niet kennen? Dit: de dingen van het Koninkrijk der hemelen, de dingen van het Koninkrijk van Zijn genade. Dat wil zeggen: hoe de Heere werkt in een mensenhart. Dat weten ze niet. Daar zijn ze te slim voor… Dat klinkt raar, vind je niet, jongens en meisjes? Meestal zeggen de mensen: ‘Dat snap jij niet, daar ben jij te dom voor.’ Maar de Heere zegt hier het tegenovergestelde: er zijn mensen die te wijs, die te verstandig zijn om de dingen van Gods Koninkrijk te weten en te kennen.
Betekent dat, dat verstandige mensen minder kans hebben om bekeerd te worden? En betekent dat dus, dat je beter minder goed je best kan doen op school, omdat je dan meer kans zou hebben om een nieuw hart te krijgen? Kennen jullie, jongens en meisjes, mensen in de Bijbel die wijs en verstandig en geleerd waren en toch ook een kind van de Heere waren? Of waren die er niet? Wat denk je van Mozes? Hij was onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren (Handelingen 7:22En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren; en was machtig in woorden en in werken.). Mozes was een heel slimme man. En wat denk je van Salomo? God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand (1 Koningen 4:29En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip des harten, gelijk zand, dat aan den oever der zee is.). Salomo was een heel verstandige man.
En wat denk je van Daniël en zijn drie vrienden? God gaf hen wetenschap en verstand (Daniël 1:17Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken, en wijsheid; maar Daniël gaf Hij verstand in allerlei gezichten en dromen.). Daniël en zijn drie vrienden waren heel geleerde mensen. En ook de apostel Paulus was een heel geleerde man (Handelingen 22:3Ik ben een Joods man, en te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt;). Maar diezelfde Paulus schrijft toch ook in zijn brief aan de gemeente van Korinthe: Er is geschreven (in Gods Woord): Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken (1 Korinthe 1:19Want er is geschreven: Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal Ik te niet maken.).
Het gaat hier dus kennelijk toch over iets anders. Niet over gewone wijsheid. Er zijn blijkbaar dingen, waarvan de Heere zegt: deze heb Ik voor de wijzen en verstandigen verborgen. Dus: je kan wel heel slim lijken, maar er toch helemaal niets van begrijpen! Van…? Van de dingen van de Heere en Zijn dienst. Van hoe de Heere werkt in een mensenhart. Dat schrijft Paulus ook in diezelfde brief, waar ik zojuist uit citeerde, in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinthe. Hij schrijft: De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden (1 Korinthe 2:14Maar de natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden.).
De natuurlijke mens, de onbekeerde mens, de mens die geen nieuw hart heeft, die mens kan niet geestelijk denken. Die snapt helemaal niets van de geestelijke dingen. Dus gewoon verstand om te leren op school, is anders dan verstand hebben van geestelijke dingen, van de dingen van het Koninkrijk der hemelen.
Wie bedoelt de Heere nu precies met die wijze en verstandige mensen? Hij bedoelt er die mensen mee, die denken dat ze het wel begrijpen (ze heten niet voor niets ‘wijs’), maar die er toch eigenlijk helemaal niets van begrijpen. Het zijn mensen die, als ze het Evangelie horen (want daar ging het over!), het zijn mensen die als ze het Evangelie horen, zeggen: ‘Dat weet ik al lang. Ik hoef echt niets meer te leren. Ik weet het precies, hoe de Heere werkt. En ik vind het ook zo mooi om er over te praten, en om er naar te luisteren als anderen erover vertellen of als er over gepreekt wordt, maar zelf…? Nee, zelf heb ik geen hulp nodig, want ik weet het zelf heel goed.’ Dat is het: ‘Ik weet het zelf wel. Ik red mezelf wel. Want ik ben oud en wijs genoeg.’
Kapernaüm, Chorazin, Bethsaïda zaten vol met dat soort van mensen. En misschien moet ik ook wel zeggen: onze kerken zitten vol met dat soort van mensen… Mensen zoals destijds de sadduceeën waren, die zeiden: ‘Het is allemaal mooi en waar, maar we hebben er toch ook zo onze eigen gedachten en ideeën over.’ Ze mengden de boodschap van het Evangelie met hun eigen wijsheid. In veel dingen konden ze wel meekomen, maar van sommige dingen zeiden ze: ‘Dit is echt te simpel gedacht.’ Als het bijvoorbeeld ging over de opstanding der doden, dan zeiden ze: ‘Nee, dat kan niet waar zijn…’ Mensen zoals destijds de farizeeërs waren, die zeiden: ‘Het is allemaal mooi en waar, wat Jezus zegt, we zijn er ook van onder de indruk, maar…, is het niet een beetje te simpel?’ Ook zij mengden de boodschap van het Evangelie met hun eigen wijsheid.
Natuurlijk, met veel dingen waren ze het wel eens. Maar soms dachten ze: ‘Dit is echt te simpel gedacht. De Messias, een Zaligmaker voor tollenaars en zondaars? Nee, dat gaat veel te gemakkelijk. Er moet meer gebeuren. Je moet ook zelf echt je best ervoor doen, want als je de wet niet houdt, dan zal je nooit zalig worden.’
Wat was nu het grote struikelblok voor die mensen? Het waren, dat weet u, geen brute goddelozen. Maar toch, er was iets wat hen heel erg hinderde. Hun struikelblok was Gods manier van denken: ‘Alles van Mij, en niets van u!’ En dat voelde voor hen als een belediging, als een diepe vernedering. ‘Want (dachten ze), ik weet toch ook wel hoe…?’ ‘Nee (was Gods antwoord), u weet niets. U hebt geen verstand van geestelijke zaken.’ Het struikelblok is: ik denk van nature, dat ik iets ben voor God. Dat was ook mijn diepste wens in het paradijs. En dat werd ook mijn diepe val: ik wilde iets zijn. Iets meer dan stof alleen, terwijl ik als mens niet meer ben dan stof en verder niets. Ik denk dat ik wijs en verstandig ben, groot en niet klein, geleerd en niet dom. En dat hindert om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan!
Want dat past niet bij Gods manier van werken. Dus? Wat blijft er over? Alleen dit: dat ik buig, dat ik mijn zonden erken en belijd, dat ik zeg: ‘Heere, ik weet het niet meer!’ Maar terwijl ik dat zeg, voel ik in mijn hart, dat ik dat niet wil! Ik wil niet buigen, ik wil mijn dwaasheid niet erkennen… Dus blijft er maar één ding over, om te vragen! Of God ook in mij zal doen, wat Hij altijd al gedaan heeft (dat is Zijn manier van werken!), namelijk: dat Hij wat groot is, zal vernederen, dat Hij machtigen van de tronen zal trekken (Lukas 1:51-53Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten. Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.). En dat Hij die zogenaamde wijzen en verstandigen zal laten zien dat ze blind zijn.
Hoe de Heere dat laat zien? Door de ogen van die geestelijk blinden te openen. En dus, wijzen en verstandigen in eigen oog, hierom mag en moet u de Heere bidden en smeken. ‘Heere, verneder me toch, laat me toch buigen, trek me toch van mijn troon en opent U toch alstublieft mijn ogen?’
‘Opent U mijn ogen, zodat ik… mezelf leer kennen.’ Want ik dacht, dat ik daar veel van wist, maar ik ken er bevindelijk, door persoonlijke ervaring blijkbaar helemaal niets van. Leert U me toch mezelf kennen in mijn diepe val en verlorenheid. Laat U me toch de breuk zien, die ik geslagen heb tussen U en mijn hart. En leert U me toch zien (altijd dacht ik de weg zo goed te weten!), maar leert U me toch zien, dat ik blind geworden ben en dat ik dwaas ben in ’s hemels wegen. En leert U me toch zien het onherstelbare van dit alles, althans aan mijn kant?
‘Opent U mijn ogen, zodat ik U mag leren kennen?’ Ik dacht dat ik veel van U wist, maar ik ken U bevindelijk en door persoonlijke ervaring eigenlijk helemaal niet. Mag ik U enigermate leren kennen in Uw volmaaktheden, in Uw deugden? In de deugden van Uw heiligheid en rechtvaardigheid? En ook in de deugden van Uw genade, liefde en barmhartigheid?
‘Opent U mijn ogen, zodat ik Uw Christus mag leren kennen?’ Ik dacht dat ik veel van Hem wist, maar nu zie ik: ik sta zo vijandig tegenover Hem. Leert U me toch iets van de weg, die U in Hem geopend hebt. En wilt U me dat niet alleen leren met mijn verstand, maar brengt U me toch ook persoonlijk op die weg?
‘Opent U mijn ogen, zodat ik… iets mag leren kennen van het werk van Uw Heilige Geest?’ Ik dacht, dat ik daar van alles van wist, maar nu zie ik dat ik daar niets van kende. Ik had het er wel over, ik praatte er wel over, en mijn verstand wist ik precies hoe het moest, maar het was voor mijn hart zo verborgen. Het is voor de wijzen en verstandigen verborgen…
Lieve vrienden, bij alle vreugde over het werk van de Heere in het hart van vernederde zondaars, moeten we zuchten om uw hart, om het hart van u, die denkt dat u het allemaal zo goed weet, zonder er echt persoonlijke kennis aan te hebben. Die wijsheid is niet genoeg! En het is ook geen pre. Het is iets wat u kwijt moet. U moet in uw hart het geheim leren kennen van het Koninkrijk der hemelen. Het gaat pas de goede kant op als u gaat zeggen: ‘Ik weet het niet meer.’ Zoals u nu leeft, gaat het echt verkeerd met u aflopen. Denkt u toch aan wat staat in vers 11 tot en met 15. Het kan zijn (zoals staat in vers 11) dat het Koninkrijk der hemelen heel dichtbij u gekomen is, maar dat uiteindelijk toch van u moet gelden, wat staat in vers 15: En gij, Kapernaüm, die tot de hemel toe verhoogd zijt, u zult tot de hel toe nedergestoten worden.
Maar, Gode zij dank, sommige van die hoogmoedige en wijze mensen heeft God vernederd. En ik hoop van harte, dat u daar ook bij hoort. Zij leerden hun nood en ellende niet bespreken, maar kennen. Ze leerden over de nood van hun ziel niet te praten, maar daarover bittere hartetranen te huilen. Zij leerden met een bloedend hart hun zonden en ongerechtigheid belijden: ‘Wee mij, dat ik zo gezondigd heb.’ Ze leerden vragen: ‘Is er voor mij nog een middel, is er voor mij nog een weg om die welverdiende straf te ontgaan en wederom tot genade te komen?’
Wat bleef er van hen, ooit zo wijze en verstandige mensen, uiteindelijk over? Niets! Niets dan een ellendig en verloren mens, dom en dwaas in de dingen van Gods Koninkrijk, een mens die het niet meer wist… En toen(!), toen bleek het geheim! Dat Gods manier van werken is, om juist zulke mensen te redden. Zulke mensen, die eerst hoogmoedig waren, maar die Hij Zelf vernederd heeft.
Leg uw hart er maar naast, gemeente. Is dat wonderlijke werk van God in uw leven persoonlijk, bevindelijk, door ervaring ontdekt, onthuld, geopenbaard? Is er in uw leven een begin van het kennen van uzelf, van God, van Christus en van het werk van de Heilige Geest? Of hebt u alleen met uw verstand kennis van deze zaken? U kan er wel over praten, maar kennen doet u het eigenlijk niet?
Laten wij voordat we verder gaan met onze tweede gedachte, eerst met elkaar zingen uit de Lofzang van Maria, daarvan het vierde en vijfde vers. Des HEEREN arm is sterk; Hij deed een krachtig werk; Die hoog zijn van gevoelen, Heeft Hij verstrooid, verward, Met alles, wat het hart, Dier trotsen mocht bedoelen.
Die stout zijn op hun macht, Heeft Hij versmaad, veracht, Gestoten van de tronen; Maar Hij verhoogt en hoedt Het nederig gemoed, Waarin Zijn Geest wil wonen.
Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Want, de Heere Jezus zegt: en hebt dezelve (dat zijn de dingen van het Koninkrijk der hemelen) aan de kinderkens, dat wil zeggen aan de hele kleine kinderen, geopenbaard. Dus, is de zaligheid, de redding van ons hart vooral en alleen bedoeld voor kleine kinderen? Nee, u voelt, het gaat hier om twee beeldende uitdrukkingen. De wijzen en verstandigen, dat zijn mensen die het zelf wel weten, die zichzelf wel kunnen helpen en redden. De kleine kinderen, dat zijn… Trouwens, jongens en meisjes, daar kan je mij wel even bij helpen, bij dat nadenken over waarom de Heere Zijn kinderen, die zichzelf, de Heere en Zijn genade kennen, waarom de Heere Jezus Zijn kinderen vergelijkt met heel kleine kinderen?
a. Omdat (in de eerste plaats) kleine kinderen veel dingen niet weten, en dus heel veel vragen. Bent u ook zo iemand, die veel dingen niet weet? ‘Heere, hoe moet het toch met mijn zonde en schuld? Hoe komt het toch weer goed tussen U en mijn hart? Hoe kan ik toch anders leven voor U?’ De wijzen en verstandigen weten het. Dat zeggen ze tenminste. Maar de kinderen weten het niet. En dus vragen ze het.
b. Waarom vergelijkt de Heere Zijn kinderen met kleine kinderen? Omdat (in de tweede plaats) kleine kinderen zichzelf niet kunnen helpen. Ze moeten geholpen worden. Bent u ook zo iemand, die geholpen moet worden? Iemand die zegt: ‘Heere, wees met innerlijke ontferming over mij bewogen en help mij?’ (Markus 9:22En menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons.)
De wijzen en verstandigen helpen zichzelf. Ze verbeteren zichzelf (dat denken ze tenminste) door eigen doen en laten. Maar de kinderen moeten geholpen worden.
c. Waarom vergelijkt de Heere Zijn kinderen met kleine kinderen? Omdat (in de derde plaats) kleine kinderen geen kracht hebben om te lopen. Ze moeten vaak gedragen worden. Bent u ook zo iemand die gedragen moet worden? De wijzen en verstandigen voelen zich sterk. Maar kinderen zijn van zichzelf zwak, zo zwak, dat ze vaak gedragen moeten worden.
d. Waarom vergelijkt de Heere Zijn kinderen met kleine kinderen? Omdat (in de vierde plaats) kleine kinderen in alles afhankelijk zijn. Zelfs het eten krijgen ze opgelepeld. Bent u ook zo iemand, die eten moet krijgen? Iemand die zegt: ‘Heere, mijn ziel hongert en dorst naar U. Laat U me toch eten van het brood des levens en drinken van het water des levens om niet?’ De wijzen en verstandigen zijn zelfvoorzienend. De kinderen leven van wat ze krijgen.
Waren ze altijd al zo, waren ze van zichzelf zo klein en afhankelijk? Nee, vroeger waren ze ook zo wijs en verstandig, zo hoogmoedig en arrogant in zichzelf. Maar tegelijkertijd zonder verstand van God en Goddelijke zaken. Totdat de Heere in hun leven kwam en daar verandering in bracht. Hij maakte hun dode hart levend. Hij liet hen wederom geboren worden, Hij maakte hen van dood levend. En toen zagen ze hun dwaasheid, hun onwil en onvermogen. Hij maakte hen klein in eigen oog. Ze werden niets in eigen oog. Hij deed hun mond dicht, van schande, schaamte en schuld. Hij maakte dat hun hart vervuld werd met droefheid naar God en met berouw over hun zonden. Hij opende hun ogen. Toen zagen ze hun duisternis. Hij opende hun oren. Toen hoorden ze dingen uit het Woord, die ze nog nooit eerder zo gehoord hadden. Hij vernederde hun hoogmoed. Toen gingen ze in het verborgen hun knieën buigen.
Hij liet ze iets zien van hun zondige hart en maakte hen klein. Hij leerde ze iets zien van Hemzelf, van Wie God is en dat deed hen diep buigen. Hij leerde ze iets zien van de noodzaak van het werk van de Heere Christus, en leerde hen daarom vragen, daarnaar zoeken, en daarom roepen. En toen… ja, toen (dat is Gods manier van werken!), toen maakte God die door Hemzelf arm gemaakte mensen rijk. Door hen iets en meer te geven uit de volheid van de rijkdom die er is in Christus Jezus. Door hen iets en meer te geven van Zijn genade en van de verzoening die er is in Zijn bloed. En dat vervulde hun hart met een nieuwe vreugde en nieuwe blijdschap, die ze voorheen ook niet kenden. En dat deed hen nog dieper buigen en maakte hen nog kleiner, van verwondering en verbazing om zo veel onverdiende goedheid en genade. Zo is Gods manier van werken.
De bekende dominee Kohlbrugge schrijft ergens: Komen wij nu tot God als degenen, die niets zijn dan arme en doemwaardige zondaren, die niets in te brengen hebben, komen wij zo in waarheid als armen en ellendigen, dan zullen wij ook zeker ondervinden, dat wij, hoe diep wij ook van God zijn afgevallen, toch om Christus wil, te doen hebben met de allermachtigste en allergenadigste Koning en Heere. Juist met arme en doemwaardige zondaars handelt God wonderlijk.
Zo is Gods manier van werken. Maria, de moeder van de Heere Jezus, zegt: Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten. Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd. Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden (Lukas 1:51-53). Juist met nederige en hongerige zondaars handelt God wonderlijk.
Zo is Gods manier van werken. Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden (Jesaja 57:15Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, Die in de eeuwigheid woont, en Wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.). Juist met verbrijzelde en nederige zondaars handelt God wonderlijk. Voor zulke verbrijzelde, nederige, hongerige en arme zondaars zond God Zijn Eniggeliefde Zoon. Want u weet (zegt Paulus) de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat u (armen) door Zijn armoede zou rijk worden (2 Korinthe 8:9Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden.). Want met zulke, arme mensen wil de Heere juist van doen hebben. Dat zien we tot slot in onze derde gedachte:
We lezen in vers 21: Te dier ure verheugde Zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank U, Vader! Heere des hemels en der aarde. Christus was niet alleen een Man van smarten, maar ook een Man van hemelse vreugde. De dichter van Psalm 45 heeft er al van gezongen: Uw God heeft U gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten (Psalm 45:8) En hier verheugt de Heere Zich zeer. Hij is uitermate verblijd.
En zo is er trouwens ook vreugde, echte, diepe vreugde in het dienen van de Heere. Immers, zo schrijft Jesaja, is Hij gezonden: Om de treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwde geest (Jesaja 61:3Om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor as, vreugdeolie voor treurigheid, het gewaad des lofs voor een benauwden geest; opdat zij genaamd worden eikebomen der gerechtigheid, een planting des HEEREN, opdat Hij verheerlijkt worde.).
Als de Heere Jezus hoort van de zeventig mannen hoe het Evangelie kracht gedaan heeft, als Hij ziet dat de satan als een bliksem uit de hemel valt, en als Hij eraan denkt dat op deze eerstelingen een rijke oogst zal volgen, dan richt Hij Zijn blik omhoog en zegt: Ik dank u, Vader! Het is heel persoonlijk, heel intiem, wat de Heere zegt: Vader, Mijn Vader (zie ook vers 22). Heere des hemels en der aarde. Soevereine Bestuurder van het
heelal, Wiens beslissingen en beleid niet bekritiseerd mogen worden door nietige mensen. Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U.
Wat is dat eigenlijk, Gods welbehagen? Als het gaat over Gods welbehagen, waar hebben we het dan over? Dan hebben we het over het geheel van Gods gedachten en werken. We hebben het dan over de goedertieren en liefdevolle besluiten van Zijn verkiezende genade voor de Zijnen. We hebben het over de vreselijke besluiten van Zijn verwerping en oordeel over hen, die Hij door laat gaan op hun zelfgekozen, zondige wegen. En we hebben het over de indrukwekkende besluiten van Zijn voorzienigheid en leiding. En dat God in al die besluiten Zich heeft laten leiden door Zijn eigen wil en wijsheid: vrij en soeverein, zonder dat Hij aan iemand verantwoording schuldig was of is. Denk maar aan wat de Heere zegt in Jesaja 46: Mijn raad zal bestaan, en Ik zal al Mijn welbehagen doen (46:10). En Psalm 33 zingt: De raad des HEEREN bestaat in eeuwigheid, de gedachten Zijns harten van geslacht tot geslacht (Psalm 33:11).
En later zegt Paulus in dat God alle dingen werkt naar de raad van Zijn wil (Efeze 1:11In Hem, in Welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij, die te voren verordineerd waren naar het voornemen Desgenen, Die alle dingen werkt naar den raad van Zijn wil;). En in die raad van Zijn wil, zegt Paulus, heeft God de Zijnen, Zijn kinderen, tevoren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil (Efeze 1:5). Dat welbehagen van Zijn wil, dat is het welbehagen waar de engelen ook van zongen in de velden van Efratha: Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen (Lukas 2:14Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in de mensen een welbehagen.).
Dat welbehagen van God is geen willekeur. Maar het is het eeuwige verschil of onderscheid maken, waar geen onderscheid of verschil was. Want van nature zijn alle mensen gelijk. Ontvangen in zonden en misdaden. Door onze diepe val in Adam zijn we van nature allemaal hoogmoedig en vijandig. Maar nu geeft God, naar Zijn welbehagen, Zijn genade aan sommigen van wie ook geen enkele verwachting was (DL I, 8, 10). En anderen, van wie wij misschien zouden denken dat ze geschikter zijn, laat Hij doorgaan op de eigen gekozen weg van de zonde (DL I, 15). En dat alles tot roem van Zijn genade! Tot roem van Zijn vrije genade, die Hij aan iemand schuldig is!
Overigens begon de Heere Jezus daar niet mee, toen hij die zeventig mannen op pad stuurde. Hij liet hen eerst preken. Hij liet hen eerst de boodschap van genade brengen. Maar nu ze terug zijn, nu bezingt de Heere Jezus de lof van Zijn Vader: Ja, Vader, alzo is geweest het welbehagen voor U!
Ook wij draaien vanmorgen die volgorde niet om. Sommige mensen hebben wel die neiging. Ze denken daarmee wijs en verstandig te zijn. Maar dit is de wijsheid, die God in het Evangelie onthult en openbaart, aan zondaars, aan leden van een verloren menselijk geslacht: in de prediking van het Evangelie zoekt God verloren Adamskinderen.
En iedereen van hen die die boodschap hoort, wordt genodigd, oprecht en welgemeend. Ik heb, zegt de Heere, geen lust in de dood van de stervenden.
Maar, heel veel mensen willen helaas niet komen, omdat Gods manier van werken hen tegenstaat. Omdat (zo zegt opnieuw de bekende predikant dominee Kohlbrugge), Hij Zich omringt met mensen, die in allerlei noden en schulden zitten, die bedroefd zijn, bitterlijk bedroefd van hart, die geplaagd en heen en weer gedreven worden door allerlei helse aanvechtingen. Ja, vaak bezeten zijn van zeven duivelen, verachte tollenaren, zondaren en zondaressen, allerlei volkje, dat (van zichzelf) radeloos en reddeloos is. En daar willen zij niet bij horen… Veel mensen gaan verloren, niet omdat er geen Zaligmaker voor hen beschikbaar was. Ook niet omdat ze zondaars waren, want de hemel is straks vol van geheiligde zondaars, hoeren en tollenaars! Veel mensen gaan verloren, niet omdat ze zondaars waren, maar omdat ze dachten dat ze beter waren. Ze wilden geen zondaars genoemd te worden. Daar wilden ze niet bij horen. En dus lieten ze de nodiging van het Evangelie, gericht tot zondaars, aan hun oren voorbijgaan. Het bleef voor hen, wijzen en verstandigen, verborgen. Hun eigen hoogmoed verblindde hen. En de satan verblindde hen, opdat hen niet zou bestralen de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus (2 Korinthe 4:4In dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, Die het Beeld Gods is.).
Maar, met de Zijnen heeft God eeuwige gedachten van vrede gehad. Goede gedachten van welbehagen. En dat is niet iets om van tevoren nieuwsgierig te onderzoeken (DL II, 12). Maar wel, kinderen van God, om nadien (nu de Heere Zijn werk in uw hart begonnen is), te bezingen, zoals de Heere Jezus het hier ook doet: Ik dank U, Vader, Heere des hemels en der aarde, dat U dit, ook aan mij, zondaar(!) geopenbaard hebt!
Dat was Uw vrije, eeuwige en verkiezende welbehagen. Wat hebt U toch wonderlijk met mij gehandeld. Ik was even slecht als iedereen, even trots, hoogmoedig en vijandig als iedereen. Maar U hebt me klein gemaakt. Mag ik nu ook klein blijven? Want dit kind wil van zichzelf alleen maar groter worden. Maar dat doet af aan Uw eer! Mijn hart wil eigenlijk groot zijn, maar Uw manier van werken is toch dat U wilt dat ik klein bent en U alleen groot? Dus geeft U me toch alstublieft voortdurend kleinmakende genade? Want alleen in mijn kleinheid en ootmoed schittert Uw genade, Uw grootheid en Uw welbehagen.’
Ik heb U nooit gezocht. U zocht mij (Jesaja 65:1Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden; Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten; tot het volk, dat naar Mijn Naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Ziet, hier ben Ik, ziet, hier ben Ik.). Ik heb U niet liefgehad. U hebt mij liefgehad (1 Johannes 4:10Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.) Ik heb U niet uitverkoren. U hebt mij uitverkoren (Johannes 15:16Gij hebt Mij niet uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, en Ik heb u gesteld, dat gij zoudt heengaan en vrucht dragen, en dat uw vrucht blijve; opdat, zo wat gij van den Vader begeren zult in Mijn Naam, Hij u dat geve.). Ja, Vader, want alzo is geweest het welbehagen voor U. Het is door U, door U alleen, om Uw eeuwige welbehagen. Daarom zingen we, in U verblijd, aan U gewijd, van Uw wegen! Drie-enig God, U alleen, U zij al de eer!
Amen.
Slotzang Lofzang Maria 1,6,7:
Mijn ziel verheft Gods eer; Mijn geest mag blij den HEER’ Mijn Zaligmaker noemen, Die, in haar lagen staat, Zijn dienstmaagd niet versmaadt, Maar van Zijn gunst doet roemen.
Hij heeft, na lang geduld, Met goederen vervuld Der hongerigen monden; Hij zag geen rijken aan; Maar heeft z', in hunnen waan, Gans ledig weggezonden.
Zijn goedheid klom ten top; Hij nam Zijn Isrel op, Naar 't heil, Zijn knecht beschoren; Gelijk Hij, ons ten troost, Aan Abram en zijn kroost, Voor eeuwig had gezworen.
Andere preken over Lukas