PREEK · PURITEINEN

Christus en scharen zonder Herder (McCheyne) - Mattheüs 9

15 september 2026

Mattheüs 9:37: Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige;

INLEIDING

Deze preek, "Christus en de schare zonder Herder" naar Mattheüs 9:35-38, is een door Ds. IJsselstein bewerkte preek van ds. R.M. McCheyne. Ze behandelt drie aandachtspunten: een menigte die verloren is, vermoeid en verstrooid als schapen zonder herder; een Zaligmaker Die innerlijk met ontferming bewogen wordt bij het zien van die nood; en een oogst die groot is, maar waarvoor te weinig arbeiders zijn. De preek roept op tot gebed om wettig geroepen én bekeerde predikanten, en tot een hart vol ontferming zoals dat van Christus.

THEMA

Christus en de scharen zonder Herder

KERNPUNTEN

  1. Een schare die verloren is
  2. Een Zaligmaker Die bewogen is
  3. Een oogst die roept om arbeiders

MATTHEÜS 9:35-38

35 En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekten en alle kwalen onder het volk.
36 En Hij de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen die geen herder hebben.
37 Toen zeide Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige;
38 Bidt dan den Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.

VOLLEDIGE TEKST

Christus en scharen zonder Herder (McCheyne) - Mattheüs 9

ds. J. IJsselstein - Mattheüs 9:37

THEMA

Christus en de scharen zonder Herder

Gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in het aan ons voorgelezen Schriftgedeelte Mattheüs 9:35-38. Daar lezen we Gods Woord als volgt: En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekten en alle kwalen onder het volk. En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben. Toen zei Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; bidt dan de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.

Het thema voor de preek is: Christus en de schare zonder Herder

We letten samen op drie aandachtspunten. Als eerste op een menigte van mensen die verloren is. Als tweede op een Zaligmaker Die bewogen is. En als derde op een oogst die roept om arbeiders. Dus: Christus en de schare zonder Herder. Drie aandachtspunten: 1. Een schare die verloren is 2. Een Zaligmaker Die bewogen is 3. Een oogst die roept om arbeiders Als eerste dus:

1. Een schare die verloren is

Gemeente, in Mattheüs 4 lezen we dat Jezus bij Zijn eerste optreden als Leraar Galiléa uitkoos om daar te gaan werken. In Mattheüs 4:23 staat: En Jezus omging geheel Galiléa, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekten en alle kwalen onder het volk. En even verder in vers 25: En vele scharen volgden Hem na. In de hoofdstukken 5, 6 en 7 vinden we de samenvatting van Zijn onderwijs en prediking. In hoofdstuk 8 lezen we hoe Hij de zieken genas en de storm op zee tot bedaren bracht.

En dan volgt hoofdstuk 9. Over de genezing van een geraakte, over de roeping van Mattheüs, over het vasten, over het dochtertje van Jairus en de bloedvloeiende vrouw, over twee blinden en een bezetene die niet praten kon. En dan aan het einde van hoofdstuk 9, als Jezus alle steden en dorpen is langsgegaan en zo Zijn rondreis door Galiléa heeft voltooid, dan lezen we: En Jezus de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen.

Galiléa was destijds een dichtbevolkte streek; de steden en dorpen waren zo vol mensen dat het ook wel Galiléa der heidenen of het volkrijke Galiléa werd genoemd. Ik wil u er hierbij op wijzen, dat juist het zien van die drukke steden en die overvolle dorpen en die grote menigten die Jezus volgden, het hart van de Zaligmaker met ontferming vervulde. Wat Zijn ogen zagen, raakte Zijn hart: Jezus, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen.

Hieruit blijkt dat Christus waarachtig, echt Mens was. De Bijbel laat ons duidelijk zien dat Christus waarachtig God is. Johannes schrijft in Johannes 1:1: Het Woord was bij God, en het Woord was God. En Christus is, zo schijft Paulus in Romeinen 9:5 God boven allen te prijzen in der eeuwigheid. Maar in deze tekst zien we dat Hij ook waarachtig Mens is. Bij een mens wordt het hart geraakt door wat zijn ogen zien.

Wanneer u op een winteravond bij het openhaardvuur zit, terwijl de storm om het huis giert en de regen en sneeuw tegen de ramen slaan, en u denkt aan een arme zwerver die zonder onderdak ronddoolt, dan kan uw hart daardoor geraakt worden. Dan kan er een zucht of een woord van medelijden over uw lippen komen. Maar als die arme reiziger bij u aanklopt en u doet de deur open, en hij staat daar voor u — doornat en rillend van de kou — dan wordt uw hart pas echt bewogen. Uw hart stroomt over van medelijden. U vraagt hem binnen te komen en u dringt erop aan dat hij bij het vuur komt zitten om op te warmen.

Wanneer u zelf blakend van gezondheid bent, raakt het u misschien wel als u over een zieke hoort spreken. Maar wanneer u naar die zieke toe gaat, de deur van zijn kamer opent en hem ziet liggen — met zijn bleke gezicht, zijn doffe ogen en zijn hijgende ademhaling — dan brengt wat uw ogen zien een diepe ontroering teweeg in uw hart. Uw medelijden stroomt dan als een krachtige rivier.

Zo werkt dat bij een mens. En zo ging het ook bij Christus: toen Hij de schare zag, werd Hij innerlijk met ontferming bewogen. Eens bracht men Hem bij het graf van een geliefde vriend. En dan, nadat zij tegen Jezus hadden gezegd: Kom en zie, dan lezen we over Hem: Jezus weende (Joh. 11:34, 35).

Een andere keer reed Hij op een ezel over de Olijfberg naar Jeruzalem. Toen Hij bij een bocht in de weg kwam, waar hij uitzicht kreeg op de stad, lezen we: En als Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar (Luk. 19:41).

Zo is het ook hier. Hij was de steden en dorpen van Galiléa langsgegaan en Zijn ogen hadden de arme, verstrooide menigten gezien, die op weg was naar de eeuwigheid: En Jezus, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen.

Een woord voor u, gelovigen. Jezus is uw oudste Broeder. Hij zegt tegen u, zoals Jozef tegen zijn broers zei: Ik ben Jozef, uw broeder (Gen. 45:4). In al ons verdriet is Hij bedroefd. Want wij hebben geen Hogepriester, Die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden, maar Die in alle dingen verzocht is geweest gelijk als wij, doch zonder zonde (Hebr. 4:15). Sommigen van u maken zich grote zorgen over hun kinderen die ziek zijn. Jezus heeft medelijden met hen, want ook Hij is een klein kind geweest.

Kinderen, als jullie alleen Jezus als je Zaligmaker wilde aannemen, dan zou je al je zorgen aan Hem kunnen toevertrouwen; want Jezus weet precies wat het is om een kind te zijn.

Volwassen gelovigen, u weet wat het is om vermoeidheid, honger, dorst en gebrek te lijden. Leg al die zorgen neer bij Jezus, want Hij kent ze uit eigen ervaring. U kunt spreken over een bezwaarde geest, een gebroken hart dat diepbedroefd is — ja, tot de dood toe — of over het missen van de nabijheid van God; Jezus weet wat dat allemaal inhoudt. Ga daarom naar Jezus toe, geliefden, en Hij zal uw pijn verzachten.

Dat Jezus innerlijk met ontferming bewogen werd toen Hij de mensen zag, laat zien dat ook een christen eropuit moet gaan om om zich heen te kijken. Veel christenen vinden het wel genoeg om alleen voor zichzelf christen te zijn: het Evangelie zelf te omhelzen, en verder thuis te blijven zitten en te genieten van wat ze zelf hebben ontvangen. Maar zo deed Christus het niet. Zeker, Hij zocht graag de stilte op. Eens zei Hij tegen Zijn discipelen: Komt gijlieden hier in een woeste plaats alleen, en rust een weinig (Mark. 6:31). Vaak bracht Hij de hele nacht biddend door op een berg. Maar het is ook waar dat Hij voortdurend door het land trok. Hij ging eropuit, keek om zich heen en werd daardoor met medelijden en ontferming vervuld. Hij sloot Zijn ogen niet voor de nood van Zijn medemens.

Geliefden, u moet gelijkvormig zijn aan Christus. Ook uw motto moet zijn: Ga en zie. U moet naar de armen en de noodlijdenden toe gaan en hen opzoeken; pas dan leert u echt met hen mee te voelen. Denk aan wat Jezus later zal zeggen tegen al Zijn kinderen: Ik was krank en in de gevangenis, en u hebt Mij bezocht (Matth. 25:36). Houd uzelf niet voor de gek, geliefden. Het is gemakkelijk om wat geld in de collectezak te doen en te denken dat dát de godsdienst van Jezus is. Maar de zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is deze – zegt Jakobus – wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking, en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld” (Jak. 1:27).

Ons tweede aandachtspunt:

2. Een Zaligmaker Die bewogen is

Laten we ons als eerste afvragen, wat precies Jezus zag? Jezus zag grote menigten van mensen. Hij was door de overvolle steden en dorpen van het levendige Galiléa getrokken, en wat een gezichten heeft Hij daar gezien! Het maakte Hem diepbedroefd. Voor een christen is het een ingrijpende zaak om een grote menigte mensen te zien. Als je in de drukke straten van een grote stad staat en die stroom mensen aan je voorbij ziet trekken op weg naar de eeuwigheid, dan raakt je hart vol verdriet. Maar ook in het huis van God, als we de volle banken met kerkgangers zien, wordt de ziel van een echte christen met medelijden vervuld. Waarom? Omdat de meesten op weg zijn naar het verderf. Dat was het ook wat het hart van de Zaligmaker met ontferming vervulde.

Van al die mensen die de straten van onze stad vullen, van de talloze arbeiders die onze fabrieken en kantoren in- en uitgaan: ach, hoe weinigen zullen er straks aan de rechterhand van Jezus staan! En om het nog dichterbij te brengen: van de honderden die hier voor mij in de kerk zitten — zielen die aan mijn zorg zijn toevertrouwd, hoe graag u ook luistert — hoeveel zijn er werkelijk die onze prediking geloven? Hoe weinigen zullen op de dag van de Heere Jezus Christus mijn kroon van vreugde zijn!

Lieve vrienden, wat een verdrietige zaak zou het zijn, als hier ook maar één ziel zou zitten die het verderf tegemoet reist! Eén enkel mens die nu nog gezond naast ons zit, maar binnenkort bij de verloren zielen zal zijn — waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgewist, waar gehuil is en tandengeknars. Als er slechts één zo'n ziel in deze hele stad zou zijn, zou dat al genoeg moeten zijn om ons diepbedroefd te maken. Maar ach, zegt de Bijbel niet: Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren (Matth. 20:16)? Nu begrijpt u waarom Jezus met ontferming bewogen werd. En als het goed is, kunt u vanaf nu nooit meer naar een grote menigte kijken zonder dat ditzelfde gevoel in u bovenkomt.

Jezus zag een grote menigte. Wat zag Hij nog meer? Hij zag dat de mensen vermoeid waren. Vermoeid en verzwakt, wellicht door honger. Arme, kwetsbare mensen! Het is ontroerend om te zien hoe zwak mensen zijn, wanneer ze onbekeerd zijn. Wat kan een spin beginnen die in een brandende oven wordt gegooid? Niets; hij is volkomen machteloos tegen de vlammen. En dat is precies wat Jezus zag: lichamelijk zwakke mensen die verkwijnden door gebrek aan voedsel. En geestelijk verkwijnden door gebrek aan kennis.

Hij dacht: als zij al niet bestand zijn tegen de lichte lichamelijke moeiten van dit leven, hoe zullen zij dan de toorn van Mijn Vader kunnen dragen wanneer Ik hen in Mijn toorn zal vertreden? Geen wonder dat Jezus zo diepbedroefd was.

Bedenk dit toch, u die zo zwak en breekbaar bent, dat u een lichte ziekte of honger al nauwelijks kunt verdragen. Bedenk hoe hulpeloos u bent als u met hoge koorts op bed ligt en er iemand nodig is om u om te draaien. Hoe zult u het dan uithouden om zonder Christus te sterven en te vallen in de handen van de levende God? Als u nu al niet tegen God op kunt, hoe wilt u dan straks na uw dood voor Hem verschijnen?

Jezus zag ook dat de scharen verstrooid waren. Wanneer schapen uit de kooi worden gejaagd, blijven ze niet als één kudde bij elkaar. Maar ze dwalen uit elkaar over de bergen. Ieder gaat zijn eigen weg. Dat zag Jezus ook bij deze menigte: ze waren allemaal verstrooid en iedereen ging zijn eigen weg. In de steden en dorpen zag Hij hoe iedereen zijn eigen belangen najaagde. Hij zag mensen die achter geld aan zaten, wier god het goud was. Ze draafden dag en nacht door om rijkdom te verzamelen, zonder er echt van te genieten. Anderen zag Hij achter vermaak aan lopen: muziek, dans en spel. Weer anderen waren diep weggezakt in losbandigheid. Hun buik was hun god en ze waren trots op hun schande. Zoals een bloedzuiger altijd roept: Geef, geef!, zo leefden zij. En weer anderen hielden zich bezig met nog duisterder en afschuwelijker zonden, waarover je niet eens in het openbaar kunt spreken.

Jezus zag het allemaal — Hij keek recht in het hart van iedereen — en werd met innerlijke ontferming bewogen. Want ze waren allemaal afgedwaald en niemand zocht God. Maar let op: Jezus werd niet boos. Hij sprak geen dreigementen uit. Nee, Hij werd innerlijk met ontferming bewogen.

Een enkel woord tot u, onbekeerde vrienden. U bent ook zo afgedwaald, ieder op zijn eigen weg. Ieder van u heeft zijn eigen pad gekozen. U loopt weliswaar op verschillende wegen, maar al die wegen leiden bij God vandaan. Ik weet niet waar uw hart het meest aan gehecht is, maar één ding weet ik wel: uw natuurlijke verlangen is om bij God en Christus vandaan te dwalen.

Toch rust het oog van Christus op u allemaal. Hij kent uw leven. Hij kent uw hart. Hij kent elke stap die u gezet hebt, elke zonde die u hebt begaan en elke neiging die in uw hart heerst. Zijn oog is nu in deze dienst op u gericht. Mag ik u een vraag stellen: wat voelt Jezus als Hij naar u kijkt? Sommigen van u denken misschien: toorn, anderen: wraak. Maar wat zegt de Bijbel? Innerlijke ontferming.

Christus heeft medelijden met u. Hij heeft er geen vreugde in dat u verloren gaat. O, wat is het medelijden van Jezus teer! Hoe vaak heeft Hij u al bijeen willen roepen, zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt, maar u hebt niet gewild.

Jezus zag de menigten mensen ook als schapen zonder herder. Dit was het allerergste. Wanneer schapen uit de kooi zijn gejaagd en vermoeid over de bergen dwalen, maar er zijn herders in de buurt die hen zoeken en terugbrengen naar de kooi, dan is het nog niet zo uitzichtloos. Maar als er helemaal geen herders zijn, dan is de situatie hopeloos.

Zo was het met het volk in Galiléa in de tijd van Christus. Hadden zij herders gehad die leefden zoals God het wil, dan was hun toestand niet zo erg geweest. Maar nu waren ze als schapen zonder herder. En dat maakte Jezus intens bedroefd.

Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid (Hebr. 13:8). Zoals Hij destijds door de steden en dorpen van Galiléa trok en naar de mensen keek, zo gaat Hij ook nu nog door de steden en dorpen van ons eigen land. En als Zijn hart toen vol ontferming was over de duizenden in Galiléa, dan is Hij nu zeker vol medelijden over de tienduizenden in ons land. Het kan zijn dat u er koud en onverschillig onder blijft, als u hoort dat er in uw stad of dorp duizenden of tienduizenden zijn, die nooit een voet in de kerk zetten. Het laat u misschien koud dat er honderdduizenden mensen zijn die niet weten wat bidden of psalmzingen is. Het raakt u misschien niet, als u de duizenden mensen in uw eigen stad ziet, die zo openlijk zondigen dat aan alles te zien is dat ze de blijde boodschap van redding door Jezus Christus helemaal niet kennen. Het kan zijn dat het zien van die mensen u nog nooit een traan heeft gekost en u nog nooit tot gebed heeft aangezet.

Maar er is Eén in de hemel Wiens hart sneller gaat kloppen als Hij hen ziet. En als er in de hemel gehuild zou kunnen worden, dan zou onze meelevende Zaligmaker over hen huilen. Want Hij ziet hoe uitgeput en afgedwaald de mensen zijn en — wat het ergst is — dat ze zijn als schapen zonder herder.

Sommigen van u voelen geen enkel medelijden met deze menigte; u laat dat liever over aan ambtsdragers, aan evangelisten of zendelingen. Maar bedenk wel hoe weinig u daarin op Christus lijkt! De Geest van Christus woont niet in u en u hoort niet bij Hem.

Maar er zijn er hier ook die de Heere kennen en ontzag hebben voor Zijn Woord. Eis van uzelf dat u dezelfde gezindheid krijgt als die van Christus: Dat dit gevoelen in u zij, hetwelk ook in Christus Jezus was (Filip. 2:5). Christus had medelijden met de mensen — wilt u dat dan niet hebben? Christus gaf Zichzelf voor hen — wat wilt u geven?

Eerlijk waar, de stenen van dit kerkgebouw zullen op de oordeelsdag tegen u getuigen als u in dit opzicht niet op Christus lijkt. Zegt de Heere Jezus niet in het volgende hoofdstuk, in Mattheüs 10 vers 8: U hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet?

Voordat wij verder gaan met ons derde aandachtspunt, gaan wij eerst zingen uit Psalm 112:3 en 5: Wel hem, die steeds zich zal erbarmen, Die van het zijne leent den armen; Hij schikt naar 't recht zijn huisbelangen; Nooit zal hij wank'len in zijn gangen; Zijn naam, beroemd door zijn bedrijven, Zal eeuwig in gedacht'nis blijven.

Hij strooit steeds uit aan alle zijden, En geeft hun mild, die nooddruft lijden; Zijn recht, hoe dikwijls ook geschonden, Steunt eeuwig op onwrikb're gronden; Zijn hoorn en macht zal God verhogen, En nimmer zijnen val gedogen.

- - - - -

Ons derde aandachtspunt:

3. Een oogst die roept om arbeiders

En Jezus omging al de steden en vlekken, lerende in hun synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekten en alle kwalen onder het volk. En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben. En toen, toen Hij dát zag, en toen Hij innerlijk met ontferming bewogen werd over al die mensen, tóen zei Hij tot Zijn discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; bidt dan de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote.

Christus keek naar de steden van Galiléa alsof het een grote graanoogst was: akker na akker stond rijp voor de sikkel. Maar Hij en Zijn discipelen waren slechts met een klein groepje maaiers. Wat konden zij uitrichten op zo'n enorme akker? De storm zal het rijpe graan laten vallen voordat het gemaaid en binnengehaald kan worden. Daarom zegt Christus: Bidt dan de Heere des oogstes, dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote (Matth. 9:38).

Onze tijd lijkt in dit alles sprekend op de tijd waarin Christus op aarde rondwandelde: a. Immers, onze steden en dorpen zijn net als destijds die in Galiléa overvol. En het kleine aantal trouwe predikanten kan het werk onmogelijk alleen aan.

b. En de mensen willen net als destijds ook luisteren. Waar getrouwe dienaars van God heen gaan, verzamelen zich grote groepen mensen die hongeren naar de woorden van het eeuwige leven. De oogst is rijp en staat klaar om binnengehaald te worden. Zeg toch niet dat dit allemaal maar hersenspinsels zijn! Zeg niet dat we dit alleen maar zeggen om predikanten aan een baan te helpen of dat we er zelf beter van willen worden. We doen gewoon wat Christus ons vraagt: Bidt de Heere des oogstes.

Uit die opdracht „Bidt de Heere des oogstes” kunnen we leren dat de arbeiders in de oogst door God Zelf gezonden moeten zijn. Dus moeten we bidden om wettig geroepen dienaren: mannen die door God Zelf zijn toegerust en uitgezonden. Soms nemen goedwillende mensen er genoegen mee dat gewone christenen zonder ambtelijke roeping de preekstoel op gaan. Dat is een gevaarlijke valstrik van de duivel. De hele Bijbel laat ons toch zien dat niemand die eer zichzelf toe-eigent, maar dat iemand door God geroepen moet worden, zoals Aäron? Zelfs Christus heeft Zichzelf niet de eer gegeven om Hogepriester te worden. Wee de man die ongeroepen het preekambt op zich neemt! Uzza bedoelde het goed toen hij zijn hand uitstak om de ark tegen te houden, maar hij stierf ter plekke (2 Sam. 6:6, 7). Dus moeten we bidden om wettig geroepen dienaren.

Uit die opdracht, bidt de Heere des oogstes, kunnen we als tweede ook leren, dat we moeten bidden om bekeerde predikanten. We moeten niet alleen bidden om gezonden predikanten, maar ook om bekeerde predikanten. Want als het al niet geoorloofd is om zonder uiterlijke roeping te preken, hoeveel erger is het dan om het te doen zonder een innerlijke roeping van God! Er waren in de tijd van Jezus leraren genoeg; op elke straathoek kon je ze tegenkomen. Maar het waren blinde leiders van blinden. En als een blinde de blinde leidt, zo zullen zij beiden in de gracht vallen (Matth. 15:14). Zo kunnen ook wij omringd zijn door een groot aantal predikanten en toch zijn als schapen die geen herder hebben. U die Christus kent en liefhebt, u die zoals Jakob met God worstelt tot het ochtendgloren: worstel met God óók over deze zaak! Laat Hem niet los voordat Hij u verhoort.

Ik heb de diepe overtuiging in mijn hart dat wanneer wij in geloof en gebed aan het werk gaan om de verwoeste altaren van de Heere weer op te bouwen, God het roepen van Zijn volk zal horen. Dan zullen we tijden meemaken zoals de Kerk van Nederland die nog nooit heeft gekend. Tijden waarin predikanten niet langer worden tegengewerkt. Maar tijden waarin de grote Herder Zelf het brood zegent en het geeft aan Zijn onderherders. Die het uitdelen aan de hongerige menigten. En allen zullen eten en verzadigd worden.

Amen.

Slotzang Psalm 107:1,2,4

Looft, looft den HEER gestadig; Die Oppermajesteit Is gunstrijk, zeer genadig, En goed in eeuwigheid.

Die Hij van ver uit d' oorden Van 't oost', en 't westen, bracht, En van de zee en 't noorden Geleidde door Zijn macht;

God bracht na tegenheden Hen weer op 't rechte pad, En richtte hunne schreden Naar een gewenste stad.

Deze preek is een door ds. IJsselstein bewerkte preek van ds. R.M. McCheyne