PREEK · PURITEINEN

Jezus ontroerd door de verrader (McCheyne) - Johannes 13

15 september 2026

Johannes 13:21: Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.

INLEIDING

Deze preek van R.M. McCheyne over Johannes 13:21, "Jezus ontroerd door de verrader", laat zien hoe Jezus in de nacht van het Avondmaal vijfmaal over Zijn verrader sprak: niet uit hardheid, maar in een laatste poging om Judas tot inkeer te brengen. Twee bewijzen lopen erdoorheen: Zijn volkomen bekendheid met Judas' hart, en Zijn bezorgde liefde voor hem, gebleken uit de voetwassing, het samen eten en de eerlijke waarschuwing. Christus kent en huilt ook nu nog over verharde harten die onbekeerd Zijn tafel naderen.

THEMA

Jezus ontroerd door de verrader.

KERNPUNTEN

  1. Zijn volkomen bekendheid met hem
  2. Zijn bezorgde liefde voor hem

JOHANNES 13:16-21

16 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft.
17 Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zo gij dezelve doet.
18 Ik zeg niet van u allen; Ik weet welke Ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzene opgeheven.
19 Van nu zeg Ik het ulieden, eer het geschied is, opdat, wanneer het geschied zal zijn, gij geloven moogt dat Ik het ben.
20 Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo Ik iemand zend, wie dien ontvangt, die ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, die ontvangt Hem Die Mij gezonden heeft.
21 Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden.

VOLLEDIGE TEKST

Jezus ontroerd door de verrader (McCheyne) - Johannes 13

ds. J. IJsselstein - Johannes 13:21

THEMA

Jezus ontroerd door de verrader.

Geliefde gemeente, de tekst voor de preek van vanmorgen kunt u vinden in Johannes 13 vers 21. We overdenken met Gods hulp Johannes 13:21, waar we het volgende lezen: Jezus, deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in de geest, en betuigde, en zei: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat één van ulieden Mij zal verraden. Tot zover onze tekst.

Gemeente, er zijn veel toegewijde christenen die geloven dat de vreugde van het Heilig Avondmaal nooit bezwaard of verstoord mag worden door toespelingen op hen die het gevaar lopen onwaardig te eten en te drinken. Zij menen dat wanneer de mensen, na zelfonderzoek, aan de tafel des Heeren hebben plaatsgenomen — een tafel waartoe alleen gelovigen genodigd worden —, de liefde vereist (die liefde die alle dingen hoopt) om de aanzittenden aan te spreken alsof zij allen ware discipelen van Jezus en kinderen van God zijn.

Deze goede mensen weten wel, dat er altijd veel indringers bij deze heilige instelling zijn. Zij weten dat velen slechts uit gewoonte of fatsoen komen, omdat zij niet als openlijk ongodsdienstig bekend willen staan. En hun geweten komt er ook tegenop als iedereen als oprecht christen wordt aangesproken. Zij weten ook dat de ware gasten slechts een kleine kudde vormen, terwijl de indringers de grote meerderheid uitmaken. Maar toch voelen zij zich niet geroepen om de vreugde van de gelovige kudde te verstoren door te vermoeden dat er sommigen aanzitten die de Heere in hun hart al hebben verraden en opgegeven, om hun eigen zonden te kunnen blijven dienen. Hoewel zij het brood met Hem breken, zich nochtans verraderlijk tegen Hem keren.

Welnu, deze goede mensen vinden in het voorbeeld van onze gezegende Heere een volkomen antwoord op hun gewetensbezwaren. In die nacht, die zo waardig is om herdacht te worden en waarin Hij Zijn Avondmaal instelde — een nacht waarin niets dan goedheid en liefde van Zijn heilige lippen vloeide —, lezen we dat Hij maar liefst vijfmaal over Zijn verrader sprak. In veel opzichten was dit de wonderbaarlijkste nacht die de wereld ooit heeft gekend. En de zaal in Jeruzalem was zeker het meest gedenkwaardige vertrek ter wereld. Nooit hadden de schaduwen van de nacht zich over zo’n bijzondere gemeenschap van

mensen uitgestrekt. Nooit zagen de wanden van een bovenzaal neer op zo’n ontzagwekkend gebeuren.

Drie bijzondere gebeurtenissen vonden plaats binnen deze kleine ruimte. Daar waste de Heere de voeten van Zijn discipelen — de Koning der heerlijkheid bukte Zich neer als een Dienstknecht om de voeten van arme mensen te wassen. Daar werd het Pascha gegeten — het lam en de bittere kruiden, wat voor alle gelovige Joden de herinnering was aan de stervende Zaligmaker. Een instelling die nu ten einde was gelopen. Daar vond het eerste Avondmaal plaats — het breken van het brood en het uitgieten van de wijn. Het geven en ontvangen van de tekenen die tot aan het einde van de wereld ter gedachtenis zouden strekken aan de liefde van de lijdende en stervende Zaligmaker.

O, welk een gemeenschap van liefde was hier! Welk een samenloop van gebeurtenissen, die stuk voor stuk de onuitsprekelijke liefde van Jezus afbeeldden. O, wat een kostbaar uur was dat! Welk een diepe vreugde deed de harten van Zijn gelovige discipelen toen trillen! O broeders, welk een grote blijdschap moet de borst van de moedige Petrus vervuld hebben. En welk een aanbiddende liefde het hart van Nathanaël, de Israëliet in wie geen bedrog was! Welk een onuitsprekelijke liefde zal Johannes hebben ingeademd toen hij aan de borst van Jezus aanlag. O, wie zou in zo’n uur van heilige vreugde met harde en wrede woorden tot de verrader spreken? Wie zou de rust van zo’n ogenblik door een woord van duister vermoeden durven verstoren?

Wees stil, broeders, het is de Zaligmaker Zelf Die spreekt: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat één van ulieden Mij zal verraden. Ik vertrouw er daarom op, mijn vrienden, dat u uit dit voorbeeld van onze gezegende Heere duidelijk ziet dat deze ernstige waarschuwing uit de tekst geen liefdeloos oordeel is over de blijde gevoelens waarmee iedere ware discipel tot de tafel des Heeren mag naderen. Het is juist het meest passende gedeelte dat de Heere ons bij deze plechtige gelegenheid kan voorhouden. En dus, niet met de hardheid van een gevoelloos mens, maar met de tederheid van de meelevende Jezus herhalen wij deze woorden voor uw oren: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat één van ulieden Mij zal verraden.

Er bestaat een wrede vorm van liefde — bijna te wreed voor deze toch al wrede wereld — die soms door vrienden van een stervende wordt uitgeoefend. Wanneer zij van dag tot dag de nadering van de dood op zijn bleke wangen zien, willen zij hem met geen woord over het gevaar van zijn naderende sterven inlichten. Zij vleien hem met misleidende woorden dat hij beter wordt en nog lang zal leven, terwijl zijn dagen geteld zijn. Maar duizendmaal wreder en gevoellozer zou de predikant zijn die, door de Heere belast met de zorg voor uw onsterfelijke ziel, zou zwijgen tegen hen die graag tot de tafel des Heeren naderen, maar wier hele leven laat zien dat zij verraders van de Heere zijn.

Hij zou hen ontzettend tekortdoen als hij hun niet de waarschuwende roepstem liet horen: Gij zijt niet allen rein. Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat één van ulieden Mij zal verraden!

Wat kon toch de reden zijn dat de Heere zo vaak en op zo’n ernstige wijze over Zijn verrader sprak? Ik kan er geen andere reden voor bedenken dan dat Hij nog een laatste poging wilde doen om het hart van Zijn verrader tot inkeer te brengen. En zo zoekt Christus ook nu ernstig de zaligheid van onbekeerde mensen die aan Zijn tafel aanzitten.

Het thema voor de preek van vanmorgen is: Jezus ontroerd door de verrader

Er zijn twee bewijzen die door dit hele gebeuren heen lopen, waarmee Jezus probeerde de verrader tot inkeer te brengen. Als eerste: Zijn volkomen bekendheid met hem. Alsof Hij zei: ’Ik ken u, Judas; Ik ken uw hele leven en uw hele geschiedenis. Ik weet dat u altijd een dief en een verrader bent geweest. Ik weet dat u Mij verkocht hebt voor dertig zilverlingen; Ik ken al uw plannen en al uw zonden.’ Op deze wijze probeerde Hij de verrader tot nadenken te brengen, om hem te laten inzien dat hij een verloren zondaar was. En als tweede: Zijn bezorgde liefde voor hem. Alsof Hij zei: ’Ik heb u lief, Judas; Ik heb juist de schoot van de Vader verlaten voor zondaars zoals u. Ik had al medelijden met u voordat de wereld bestond. Ik ben nog steeds gewillig om een Zaligmaker voor u te zijn.’ Op deze wijze probeerde Hij de verrader te winnen en tot Zich te trekken.

Deze twee zaken zijn ook de twee punten voor de preek van vanmorgen. Dus het thema is: Jezus ontroerd door de verrader. Twee aandachtspunten: 1. Zijn volkomen bekendheid met hem 2. Zijn bezorgde liefde voor hem Als eerste dus:

1. Zijn volkomen bekendheid met hem

Alles wat de Zaligmaker met Judas deed, had tot doel hem ervan te overtuigen dat Hij zijn hele hart kende: ’Ik ken u, Judas, en Ik weet van al uw zonden.’ Dit was duidelijk Zijn doel toen Hij de voeten van de discipelen waste. Hij zei hun dat wanneer zij in Zijn bloed gewassen waren, zij alleen nog nodig hadden hun voeten te wassen — om hun dagelijkse zonden dagelijks te laten reinigen. Hij zei: Gijlieden bent nu rein, maar voegde er meteen aan toe: doch niet allen. Dit was zeker bedoeld als een duidelijke wenk voor Judas, om zijn schuldige geweten wakker te schudden.

Toen Hij vervolgens plaatsnam om het Pascha met hen te eten en de drinkbeker liet rondgaan met de woorden (zoals Lukas ons overlevert): Neemt deze, en deelt hem onder ulieden, wilde Hij Judas niet in slaap wiegen alsof hij voor Hem verborgen was. Hij zei toen immers nog duidelijker dan daarvoor: Ik weet wie Ik uitverkoren heb; maar opdat de Schrift vervuld worde: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven. Dit was voor Judas een heel helder signaal dat hij, hoe verborgen hij voor anderen ook mocht zijn, naakt en open lag voor de ogen van de Zaligmaker met Wie hij te maken had.

En toen de Heere Jezus op het punt stond het brood en de wijn uit te reiken om het Heilig Avondmaal in te stellen, toen wilde Hij dit niet doen zonder aan het geweten van Judas een nog duidelijker bewijs te geven, dat Hij hem door en door kende: En toen zij aten, zei Hij: Voorwaar Ik zeg u, dat één van u Mij zal verraden. En zij, zeer bedroefd geworden zijnde, begon een iegelijk van hen tot Hem te zeggen: Ben ik het, Heere? En Hij, antwoordende, zei: Die de hand met Mij in de schotel indoopt, die zal Mij verraden. En Judas antwoordde en zei: Ben ik het, Rabbi? Hij zei tot hem: Gij hebt het gezegd. Hier zien we dat de Heere niet langer bedekte aanwijzingen geeft, maar hem klip-en-klaar zegt dat híj de man is.

O mijn vrienden, als wij de bedrieglijkheid van ons eigen hart niet kenden, dan zouden we ons erover verbazen dat Judas niet getroffen werd door de overtuiging: Heere, U ziet mij. Maar nee, de pijlen van de Zaligmaker, die zo getrouw op hem gericht waren, ketsten af op zijn hart als op een harde rots. Judas bleef gewoon aan de tafel des Heeren zitten, alsof er niets aan de hand was. Hij durfde met zijn bloedige handen (die kort daarvoor de dertig zilverlingen als bloedgeld hadden ontvangen) de tekenen te ontvangen van het gebroken lichaam dat hij zelf ging verraden. O mijn vrienden, zijn er ook hier geen harten zoals dat van Judas? Harten waarop de pijlen van de overtuiging, waarop geschreven staat: ’U bent die man!’, zomaar afketsen? Zijn er ook onder ons geen die aanzitten zoals Judas, om met onreine handen de gedachtenis te ontvangen van de Zaligmaker Die zij verraden?

En tenslotte, toen de maaltijd voorbij was — toen Judas met een onbewogen geweten het brood en de wijn had genuttigd waarvan hij de heilige betekenis niet verstond —, toen deed Jezus, diep bedroefd en ontroerd in de geest, nog een laatste poging. Hij wilde de pijl van de overtuiging nog dieper in het hart van Judas drijven. Toen Johannes, de lievelingsdiscipel die aan Zijn borst lag, tegen Hem zei: Heere, wie is het?, toen antwoordde Jezus: Deze is het, dien Ik de bete, als Ik ze ingedoopt heb, geven zal. En als Hij de bete ingedoopt had, gaf Hij ze Judas, Simonszoon, Iskariot. En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zei tot hem: Wat u doet, doe het haastelijk.

Dat dit woord van de Heere rechtstreeks tot Judas gericht was om hem tot inkeer te brengen, blijkt wel uit het feit dat (zo staat er): niemand dergenen die aanzaten, verstond waartoe Hij hem dit zei. Want sommigen meenden, omdat Judas de beurs had, dat Jezus

tot hem zei: Koop hetgeen wij van node hebben tot het feest; of dat hij de armen wat geven zou. Zo bedekt, maar tegelijk zo krachtig, zocht de Zaligmaker het slapende geweten van de verrader te ontwaken. Hoe was het mogelijk dat hij kon ontkomen aan de overtuiging dat Christus al de gedachten en voornemens van zijn hart kende? Dat hij niet neergebogen beleed dat God alles van hem wist? Of dat hij niet, zoals de Samaritaanse vrouw, zei: Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? Maar de satan had hem volkomen in de duisternis gehuld. En de donkere nacht waarin hij uiteindelijk naar buiten stapte, was niet zwarter dan de nacht in zijn eigen verraderlijke hart.

Welnu broeders, diezelfde Zaligmaker is vandaag in ons midden. Hij wandelt te midden van de zeven gouden kandelaars. Zijn ogen zijn als een vuurvlam, en Hij beproeft de nieren en de harten.

Denk hieraan, u die leeft in openbare zonden en toch aan de tafel des Heeren durft aan te gaan — vloekers, dronkaards, zondagsschenders en onreinen. Predikanten en ouderlingen kennen uw zonden misschien niet, want zij zijn maar zwakke en kortzichtige mensen. Zelfs voor uw buren en uw eigen familie kunnen uw zonden verborgen blijven. Het is gemakkelijk om mensen te misleiden. Maar Christus kent uw hele leven. Hij is aanwezig bij elke daad van oneerlijkheid, van onreinheid en van dwaasheid. De duisternis en het licht zijn voor Hem gelijk.

Denk hieraan, u die voortleeft in de zonde van uw hart, u die zich omhangt met een vrome buitenkant om zo tussen Gods kinderen aan de tafel te kunnen aanzitten. U die de taal van Kanaän op uw lippen hebt, terwijl de haat, de bitterheid en de adem van de hel in uw hart brandt. U die schaapskleren draagt, maar van binnen roofzuchtige wolven bent. U die lijkt op witgepleisterde graven: van buiten mooi, maar van binnen vol doodsbeenderen en alle onreinheid.

Denk hieraan, u die weet dat u onbekeerd bent en toch aan de tafel des Heeren aangaat. Christus kent u. Christus zou u zo aan kunnen wijzen. Christus zou u bij uw naam kunnen noemen. U kunt u voor de hele wereld verbergen, maar u bent naakt en open voor de ogen van Hem met Wie u te maken hebt. O, dat u neerboog voor Zijn doordringende blik en uitriep: O God, wees mij zondaar genadig. O, dat ieder van u zich zou afvragen: Ben ik het, Heere?

Voordat we verdergaan met ons tweede aandachtspunt, gaan wij samen eerst zingen uit Psalm 26 vers 2: Beproef vrij, van omhoog, mijn hart, Dat voor Uw oog, Alwetende, steeds open lag.

We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Zijn bezorgde liefde voor hem

De tweede drangreden die Christus bewoog om het hart van Judas tot nadenken te brengen en voor Zich te winnen, was Zijn liefde: ’Ik heb u liefgehad, Judas, en Ik kwam om u te verlossen.’

a. Dit was (als eerste) duidelijk te zien toen Hij de voeten van de discipelen waste. Hij deinsde niet terug voor de voeten van de verrader. Ja, Hij boog Zich niet alleen neer om de voeten te wassen van hen die Hem straks zouden verlaten en vluchten. Hij waste niet alleen de voeten van Petrus, die Hem nog voor het kraaien van de haan met vloeken en eed zweren zou verloochenen. Maar Hij waste ook de voeten van Judas.

Het waren dezelfde voeten die twee dagen daarvoor naar de bijeenkomst van de priesters in het paleis van Kajafas waren gelopen. Waar hij de Zaligmaker had verkocht voor dertig zilverlingen, de prijs van een slaaf. Het was in zíjn bijzijn dat Jezus die liefdevolle woorden sprak: Indien Ik u niet was, u hebt geen deel met Mij.

Als het wassen van de voeten van de elf discipelen al zo’n wonderbaarlijk bewijs was van Zijn liefde tot de Zijnen… Hoeveel te meer was het wassen van de voeten van hem van wie Hij wist dat hij Hem zou verraden, een bewijs van Zijn liefde voor zondaars. Zelfs voor de allergrootste! Hij verlangde niet naar de dood van Judas. En Hij verlangt ook niet naar uw dood. U denkt misschien: ’Omdat ik de Zaligmaker verraden heb en als een ongenode indringer naar de maaltijd ben gekomen, zonder enig recht, daarom kan Jezus mij niet liefhebben.’ Helaas, dat zegt alles over uw eigen hart, maar niets over het hart van Christus.

Zie hoe Jezus de voeten van Judas wast en ze afdroogt met de linnen doek waarmee Hij omgord was. Zie Zijn diepe bezorgdheid om de verrader tot inkeer te brengen en zijn hart te winnen. En geloof dan dat, hoe groot uw schuld en verraad ook is, Jezus alleen maar méér medelijden met u heeft. Hij staat op u te wachten. Hij is nog altijd bereid om u te wassen en te redden, terwijl Hij roept: Bekeer u, bekeer u, waarom zou u sterven?

b. Het tweede bewijs van Jezus’ liefde tot de verrader is dat, toen Hij aanlag om met de elf discipelen het Pascha te eten, Hij er niet voor terugdeinsde om ook met de verrader te eten. Hij zat niet alleen aan met de elf discipelen die Hem straks zouden verlaten… Hij liet niet alleen toe dat Johannes aan Zijn borst lag en dat Petrus aanzat… Maar Hij duldde het ook dat Judas zijn hand met Hem in dezelfde schotel doopte. En dat terwijl Hij wist dat zo de profetie werd vervuld: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij zijn verzenen opgeheven.

Het was een bijzonder bewijs van de liefde van de Zaligmaker voor Zijn gelovige discipelen toen Hij zei (zoals Lukas schrijft): Ik heb zeer begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde.

Men zou denken dat dit Pascha voor de ogen van de Zaligmaker als met donkere wolken bedekt moest zijn. Gehuld in de diepe duisternis van de hof van Gethsémané en van het bloedige kruis. Waarvoor zelfs de zon haar schijnsel zou verbergen. Wanneer u zelf iets ergs te wachten staat, maakt elke gebeurtenis die dat aankondigt u immers bedroefd en onrustig? U zou daarom verwachten dat de menselijke ziel van Jezus met schrik voor dit Pascha zou terugdeinzen.

Maar nee. Hoewel Hij als mens bang was en sidderde in de hof van Gethsémané, ging Zijn liefde voor Zijn discipelen alles te boven. Het deed Hem juist verlangen naar dit Pascha, waar Hij hun Zijn stervende liefde nog duidelijker dan ooit tevoren zou laten zien: Ik heb zeer begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijde.

Maar hoeveel wonderlijker is het bewijs van Zijn liefde voor ongelovigen — voor hen die Hem niet liefhebben, maar Zijn verraders en moordenaars zijn — wanneer Hij met zo’n Goddelijke goedheid Zijn hand in dezelfde schotel doopt met Judas! En Hij zegt er nog bij, dat Hij dit niet uit onwetendheid doet, maar opdat de Schrift vervuld zou worden: Die met Mij het brood eet, heeft tegen Mij de verzenen opgeheven.

O mijn ongelovige vrienden, ik ken de duistere achterdocht die in uw hart woont. U denkt dat Jezus u nu niet meer liefheeft, omdat u zo zwaar tegen Hem gezondigd hebt. Maar zie toch, u trotse en eigenzinnige zondaars, met hoeveel liefde en tederheid Jezus probeert Judas tot inkeer te brengen en zijn hart te winnen. Zo verlangt Hij er ook vandaag naar om u stil te maken en voor Zich te winnen. Al behoort u tot de allergrootste zondaars. Hij wil uw harde nek buigen, uw stenen hart breken en een traan laten vloeien uit uw ogen, die nog nooit over uw zonden gehuild hebben.

c. Het derde bewijs van Jezus’ liefde tot de verrader is dat Hij hem eerlijk waarschuwt voor het gevaar waarin hij verkeert: De Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk van Hem geschreven is; maar wee dien mens, door welke de Zoon des mensen verraden wordt! Het ware hem goed, zo die mens niet geboren was geworden.

In de twee vorige voorbeelden liet Jezus Zijn liefde zien door Judas te tonen hoe gewillig Hij was om hem zalig te maken, en dat Hij alles voor hem over had. Maar nu kiest Hij een andere weg: Hij houdt hem de heilige ernst van de Heere voor. Hij zegt hem dat als hij volhardt in zijn boze plan, het hem goed ware, zo hij niet geboren was geworden. Zoals een moeder die haar kind een medicijn wil laten innemen, eerst probeert het met liefde te overtuigen. En als dat niet helpt, het kind probeert te redden door het voor het gevaar te waarschuwen.

Met een nog grotere liefde dan een moederlijke liefde probeerde Jezus eerst door liefde en daarna door heilige ernst op het hart van Judas in te werken. En Hij is vandaag in de hemel nog precies dezelfde Zaligmaker als in die nacht in de zaal in Jeruzalem. Vandaag zendt Hij Zijn dienaars naar u toe, om u diezelfde boodschap van

goedheid en liefde te brengen. Zijn waarschuwingen komen voort uit pure liefde. O, mochten wij u in liefde voorhouden dat, wanneer u geen deel aan Jezus hebt en toch aan Zijn tafel aanzit — waarmee u zich schuldig maakt aan het lichaam en bloed van onze Heere —, het voor u beter was geweest dat u nooit geboren was! Het is iets prachtigs om te leven. Er zit een onuitsprekelijke goedheid in het ontvangen van het leven. De vlieg die slechts één dag leeft, de kleinste worm die over de grond kruipt, ervaart al een zekere vreugde in het feit dat zij bestaan. Men kan van een vlieg en een worm nooit zeggen dat het beter was geweest als zij niet geboren waren.

Maar helaas kan dit van sommigen van u wel gezegd worden. Als u leeft buiten de gemeenschap met Christus, en toch onbekeerd aan Zijn tafel aanzit, dan was het voor u beter geweest dat u nooit geboren was. Ach mijn vrienden, er was eens een heidense denker die altijd huilde en die daarom de 'wenende filosoof' werd genoemd. Je zou bijna denken dat hij iets heeft vermoed van de waarheid die wij u vandaag prediken. Namelijk dat wanneer de gemeenschap die u nu hebt met brood en wijn aan de heilige tafel, geen afbeelding en bezegeling is van de verbinding tussen uw ziel en de Zaligmaker van zondaars, het voor u beter was geweest nooit te bestaan. Het is beter er niet te zijn, dan voor eeuwig verloren te gaan. Zij zullen, schrijft Johannes in Openbaring 21, zij zullen de dood zoeken, en zullen die niet vinden; en zij zullen begeren te sterven, en de dood zal van hen vlieden (Openb. 9:6).

d. Het vierde en laatste bewijs van Jezus’ liefde tot de verrader is het meest treffende van allemaal. Na de maaltijd werd Jezus ontroerd in de geest en betuigde: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat één van ulieden Mij zal verraden. Het was nog maar enkele dagen geleden dat Hij van de Olijfberg kwam aanrijden op het veulen van een ezelin. Zijn discipelen waren vol vreugde en loofden God terwijl zij riepen: ’Hosanna!’ En wat deed Jezus? Hij huilde! En als Hij nabij kwam en de stad zag, weende Hij over haar, zeggende: Och, of u ook bekende, ook nog in deze uw dag, hetgeen tot uw vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uw ogen (Luk. 19:41, 42). Hij huilde over de stad waarover Hij zojuist het oordeel van de verwoesting had moeten uitspreken.

Zo ging het ook hier. Terwijl Zijn discipelen aan weerszijden vervuld waren van heilige blijdschap — en Johannes wel het meest, omdat hij aan de borst van Immanuël lag —, wat deed Christus toen, de Gever van al hun vreugde? Hij was diep bedroefd en ontroerd in de geest. Hij was altijd al de Man van smarten, bekend met ziekte en verdriet, maar nu werd de stille rust van Zijn heilige gelaat overschaduwd door een wolk van nog groter verdriet. Hij werd ontroerd in de geest en zei: „Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat één van ulieden Mij zal verraden.

Hij had alles geprobeerd voor Zijn verrader. Hij had de tederheid van Zijn liefde aan hem getoond. Hij had hem gewezen op de vreselijke ernst van Zijn toorn.

Maar toen Hij zag dat niets hielp om dit verharde hart zacht te maken; toen Hij de gewetenloze onverschilligheid zag waarmee Judas het brood at en de gezegende beker dronk, toen werd Hij diep ontroerd in de geest. De allerlaatste poging van Zijn liefde om deze onboetvaardige man tot inkeer te brengen, was dat Hij de diepte van Zijn smart liet zien en met diepe zuchten de woorden uitsprak: Voorwaar, voorwaar Ik zeg u, dat één van ulieden Mij zal verraden.

Mijn vrienden, misschien zijn er onder u ook mensen met net zo’n verhard hart als Judas. Net als Judas staat u op het punt om deel te nemen aan de meest heilige van alle instellingen. Net als Judas wilt u eten van het brood en drinken van de wijn. En net als bij Judas zal uw hart zich misschien verharden en uw leven goddelozer worden dan ooit tevoren. Denkt u dat Jezus uw vijand is? Wat zegt de Schrift? Kijk wat hier gebeurde: Hij werd ontroerd in de geest. Hij huilde, zoals Hij ook over Jeruzalem huilde. Ja, Hij Die eenmaal Zijn bloed vergoot, stort vandaag tranen om u! Het doet Immanuël pijn dat u niet zalig wilt worden. Het deed Hem pijn over Judas, en het doet Hem ook pijn over u. Hij huilde over Jeruzalem, en Hij huilt over u. Hij verlangt er niet naar dat u verloren gaat. Hij wil veel liever dat u zich bekeert en leeft!

Er is binnen de muren van deze kerk niemand zo verhard, zo wreed, zo laaghartig, zo ongevoelig, zo ver van genade en godzaligheid vandaan — zo judasachtig —, dat Jezus geen smart over u zou voelen vanwege uw hardheid. Want u weerstaat nog altijd Zijn liefde, u kiest voor de dood en stort uw ziel in de ellende.

O, mochten de tranen die de Zaligmaker huilt over uw verloren ziel, in uw hart vallen als vonken van vuur! Opdat u niet langer gevoelloos blijft onder die wonderbare liefde die zo krachtig brandt. Een liefde waarvan het vuur door geen grote wateren uitgeblust kan worden. Een liefde die door geen zonden verstikt kan worden. Een liefde die al ons verstand te boven gaat.

Amen.

Slotzang Psalm 139:14:

Doorgrond m', en ken mijn hart, o HEER’; Is 't geen ik denk niet tot Uw eer? Beproef m', en zie, of mijn gemoed Iets kwaads, iets onbehoorlijks voed'; En doe mij toch met vaste schreden Den weg ter zaligheid betreden.