PREEK · VRIJE STOFFEN

Ikabod - 1 Samuël 4

25 augustus 2013

1 Samuël 4:21: En zij noemde het jonksken Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël. Omdat de ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.

INLEIDING

Israël gaat oorlog voeren zonder gebed, en na een nederlaag halen ze de ark erbij als magisch pressiemiddel, niet uit geloof in de God van de ark. Ze verliezen: dertigduizend man sneuvelen, Hofni en Pinehas sterven, en de ark wordt buitgemaakt. Eli breekt zijn nek van schrik; Pinehas' vrouw sterft in barensnood, roepend "Ikabod." Maar God zorgt Zelf voor Zijn eer: Samuël groeit op, en uiteindelijk brengt Christus, Zelf zonder eer geboren en gekruisigd, verloren eerrovers terug tot God.

THEMA

De eer is weggevoerd

KERNPUNTEN

  1. Grote zonden
  2. Groot verdriet

1 SAMUËL 4:18-22

18 En het geschiedde als hij (Eli) van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek en stierf, want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israël veertig jaar.
19 En zijn schoondochter, Pínehas’ huisvrouw, was bevrucht, zij zou baren; als deze de tijding hoorde, dat de ark Gods genomen was en haar schoonvader gestorven was en haar man, zo kromde zij zich en baarde, want haar weeën overvielen haar.
20 En omtrent den tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet en nam het niet ter harte.
21 En zij noemde het jonksken Ikabod, zeggende: De eer is weggevoerd uit Israël. Omdat de ark Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en haars mans wil.
22 En zij zeide: De eer is gevankelijk weggevoerd uit Israël, want de ark Gods is genomen.

VOLLEDIGE TEKST

Ikabod - 1 Samuël 4

ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 4:21

THEMA

De eer is weggevoerd

Gemeente, wij overdenken in deze dienst 1 Samuël 4. Het hoofdstuk is u zojuist voorgelezen. En we schrijven als thema boven de preek van deze dienst: De eer is weggevoerd Er zijn twee aandachtspunten: 1. Grote zonden (en dan denk ik vooral aan vers 1 tot en met 11) 2. Groot verdriet (dat zien we vooral in vers 12 tot en met 22) Als eerst dus:

1. Grote zonden

Er komt oorlog! De Israëlieten zijn het meer dan zat. Ze hebben al zo lang, ze hebben al jarenlang de Filistijnen als slaven gediend. Ze willen vrij zijn. Met man en macht trekken ze op oorlogspad. Het speelt zich allemaal af in de buurt van Afek. Als u op de kaart zou kijken, dan ziet u het gebied van de Filistijnen aan de kant van de Middellandse Zee. En daarboven loopt een noordelijke kustweg, in de richting van een stad die Afek heet. Het is ongeveer 35 kilometer bij Silo vandaan. Later, in het Nieuwe Testament heet dat plaatsje Joppe.

Het is een gevaarlijke onderneming, oorlog gaan voeren met de Filistijnen! Bidden we nog van tevoren? Kennelijk niet. Samuël, tot wie de Heere sprak, hij wordt niet gevraagd. En Eli, die al veertig jaar richter is, wordt ook niet gevraagd. Eli was vroeger een ijverig man. Nu zit hij als een uitgebluste en oude man op zijn stoel. Trouwens, een aanvoerder hebben ze ook niet. In vers 3 blijkt dat een groepje oudsten deze zaak regelen.

Doen wij dat eigenlijk wel? Doen jullie dat, jongelui: bidden? De Heere vragen om hulp bij belangrijke beslissingen in je leven? In alle dingen, maar zeker als je staat op een kruispunt van je leven? Als het gaat om vragen van opleiding, werk, vriendschap, huwelijk, belijdenis doen. Bid je dan en vraag je de Heere dan om licht en om antwoord? Zij niet. Het volk Israël niet. En… het gaat fout. Het gaat echt fout als je de Heere loslaat.

In vers 2 staat: ze worden geslagen. Vierduizend mannen sneuvelen. En, wat is de reactie van het volk Israël? Dit: ‘Waarom heeft de Heere ons geslagen?

Waarom?’ Het antwoord ligt toch voor de hand? Ze hebben de Heere verlaten. Ze hebben gespot met de dienst van de Heere. Maar, zonden? Kennelijk is dat helemaal niet in beeld. Ze twisten met God en zeggen: ‘Waarom heeft de Heere ons laten verslaan? Wij zijn toch Israël, het volk van God?’ Reden om jezelf voor God te vernederen en om schuld te belijden? Dat zien ze niet. De vraag is alleen maar: hoe lossen we dit probleem zo snel mogelijk op? Ze denken niet aan hun zonden, ze zoeken alleen maar naar een manier om zo snel mogelijk onder de straf vandaan te komen.

Ah, natuurlijk…, daar hadden ze eerder aan moeten denken! Aan de ark, de ark in Silo! De ark was een grote houten kist, helemaal overtrokken met goud. Daarbovenop lag een gouden plaat, het verzoendeksel. En daarboven stonden twee engelen, die eerbiedig naar beneden keken, naar het verzoendeksel. Twee cherubim, twee engelen. De ark was de plaats waar de Heere in het verleden wilde wonen. Tussen de engelen, tussen die cherubim, boven het verzoendeksel. De ark was Gods troon, Zijn genadetroon. De ark was de plek waar het bloed op drupte op de Grote Verzoendag, waar het bloed gesprengd werd. De ark was ook de plaats van Gods openbaring, van Gods spreken. In de ark daar lag de wet, de tien geboden. Boven het verzoendeksel sprak de Heere God tot Mozes en het volk. De ark was ook een teken van Gods leiding van het volk. Denk maar aan hoe groot de plek was die de ark had ingenomen, toen het volk door de Jordaan trok. En aan hoe de ark rond Jericho gegaan was. En aan de grote plaats die de ark had bij de verwoesting van Jericho. De ark was het middelpunt van het godsdienstig leven in Israël. Het was het middelpunt van de dienst van God. Althans, zo zou het moeten zijn... Maar we weten ondertussen ook wat daarvan terechtgekomen was. De priesters Hofni en Pinehas stalen van het offer. Silo was een roversnest geworden. En de vrouwen kwamen met hopen samen bij de tent van de samenkomst in Silo. Silo was een bordeel geworden. En ondertussen het volk Israël nog steeds maar denken: wij zijn toch het volk van God, wij dienen de Heere toch…?

‘Ja, de ark, die moeten wij hebben! De ark hebben we nodig in de strijd. Ga snel Hofni en Pinehas roepen en laat ze snel de ark in het leger brengen.’ Het is best een eindje lopen. Maar ze doen het. Als de ark aankomt, breekt er een gejuich los in het leger (vers 5). Een groot gejuich. De aarde dreunt ervan. Geweldig, de ark is in het leger!

De Filistijnen denken: He, wat is daar aan de hand, daar aan de overkant, bij de tegenpartij? Hebben de verliezers van gisteren reden om blij te zijn? Maar als ze horen wat er aan de hand is, dan schrikken de Filistijnen heel erg. ‘De goden van Israël zijn in het leger gekomen! Onze god Dagon staat nog thuis. Die staat nog in de tempel in Asdod. Maar zij hebben hun goden in de strijd meegenomen. Vechten, mannen! Als we verliezen (vers 9), ja, dan zijn wij voorlopig de slaven van hen, van Israël.’ De Filistijnen storten zich in de strijd. Ze vechten met man en macht voor hun leven, voor hun vrijheid. En… ze winnen! Ze winnen, de Filistijnen!

Maar, de ark is er toch? Ja, dat denken de Filistijnen ook. De Filistijnen denken dat de Heere, dat de goden van Israël in die houten kist zitten. Maar dat is niet waar. De ark was wel de plaats waar de Heere in het verleden wilde wonen. Maar, jongens en meisjes, de Heere zit niet in de ark. De Heere zit niet in die houten kist. De ark is niet automatisch de plek waar de Heere woont. De ark is niet een soort van magische box die je overal mee kunt nemen, in de hoop dat dan het geluk met je is.

Weet u, gemeente, wat het probleem is? De Israëlieten geloven in de ark. Maar… ze geloven niet meer in de God van de ark. Eigenlijk zijn ze net zo heidens, zo niet heidenser geworden, dan de Filistijnen. Ze denken net als de Filistijnen: die kist was er toch ook toen wij door de Jordaan gingen? Nou dan! En die kist was er toch ook toen de muren van Jericho vielen? Nou dan! Daar zit het in, in die houten kist. Dat denken de Filistijnen, en dat denken de Israëlieten ook. De ark, die kist, die zal ons redden! En, nog erger is: ondertussen beelden de Israëlieten zich in, dat ze God ook nog zouden kunnen dwingen. ‘De Heere gaat niet met ons mee. Nou, dan halen we Hem erbij. Dan nemen wij Hem mee.’ Een soort pressiemiddel.

Dit is geen geloof. Dit is ongeloof. Dit is bijgeloof. Dit is heidens. Je kunt, gemeente, blijkbaar heidens omgaan met het heiligdom, met de heilige ark van God. Je kunt zelfs van heilige dingen een afgod maken. Je gelooft in de ark, maar niet in God. Je vereert een met goud overtrokken houten kist, als was het God Zelf. Wel eerbied voor de ark, maar de godsdienst is geen zaak van het hart. Het is alleen maar aan de buitenkant. Het is alleen maar uiterlijk. Je vernederen voor God? Nee, proberen God te beheersen. Je onderwerpen aan de Almachtige? Nee, proberen Hem te gebruiken, ja zelfs te manipuleren. Het ‘U bent waardig en wij bukken voor U’, is vervangen door: ‘U bent bruikbaar voor ons’. Maar God stelt nog liever teleur, dan dat Hij meegaat in zo’n soort van schijnvertoning. En Hij lijdt liever schaamte en nederlaag (althans voor het oog van ons, mensen) om te laten zien Wie Hij echt is, dan dat Hij met ons wil delen in de eer.

God gebruiken, maar Hem niet dienen. God nodig hebben voor het dagelijkse leven, voor wat dan ook, maar niet voor Hem willen bukken en buigen. Een godsdienst die alleen uitwendig is. Het is de buitenkant. Het is vormendienst. Er is wel vorm, maar geen hart. Je gaat wel naar de kerk. Maar leven met God, de Heere zoeken, bidden tot God in het verborgen? ‘Nee’, zeg je, ‘dat doe ik eigenlijk nooit. Ik houd me wel netjes aan allerlei wetten en dingen die horen, maar zonder hart, zonder liefde.’ De apostel Paulus zegt: ‘Dat is een gedaante van godzaligheid, dat is een kleed, dat is de buitenkant, maar de kracht ervan hebt u verloochend.’ De kracht, het hart, het leven is er niet. En… dat is tekort!

Gemeente, daarmee gaat u echt verliezen. Daarmee ga je eeuwig verliezen. Want eigenlijk ben je dan in het diepst van je hart een afgodendienaar. Je doet wel van alles en

nog wat. Maar God is er niet bij. God is er niet in. Het is ten diepste zonder God. Het is goddeloos. Dat kan, ook vandaag. Druk met het heiligdom. Druk met de kerk. Slepen met de ark. Maar: zonder God in de wereld. Dat is: levensgevaarlijk! Die strijd ga je verliezen. En ondertussen, ja zo zijn we dan ook nog, proberen we God te dwingen. Niet zo grof natuurlijk als toen, maar toch… Let op, dat kan ook schijnbaar heel vroom! Er dreigen wat dit betreft bij ons ook gevaren. Ik breng het maar wat dichterbij. Het kan zelfs bij het bidden. Het gebeurt bij de heiligste dingen. Bidden, lezen uit de Bijbel, stille tijd houden… En we denken diep in ons hart: God kan hier echt niet omheen. Nu moet de Heere wel echt naar mij luisteren. Het gebed wordt dan stiekem een pressiemiddel om God te dwingen, op een onheilige manier. Gemeente, zo moet het niet! Bidden is buigen voor God. Vrezen. Bukken voor Hem. En Hem niet dwingen. Want dat is echt heidens.

Het is een groot kwaad om de Heere uitwendig te dienen, zonder leven in je hart. Dat is een groot kwaad. Uiterlijk netjes, kerkelijk betrokken, godsdienstig, voorbeeldig. U zegt: ‘Moet dat dan niet? Ageert u daar tegen?’ Nee, dat niet. Maar ik zeg tegen u: één ding ontbreekt u. Uw hart is niet recht voor God. Goed doet geen nut in de dag van de verbolgenheid. Al die uiterlijke godsdienst doet geen nut in de dag van het Goddelijke gericht. Alleen de gerechtigheid van Christus, verzoening door Zijn bloed, redt van de dood. U hebt God nodig. U kunt het niet doen met een uiterlijke godsdienst. U hebt God nodig. U hebt de Heere Jezus Christus nodig. Anders lijkt u wel rijk, maar u bent straatarm. Anders lijkt u wel een christen, maar u bent gewoon een heiden. Anders heb je wel de ark, en je kunt ermee slepen wat je wilt, maar het is dan niets anders dan een lege box. Als u God hebt, dan is de ark u tot zegen. Dan zijn al Gods inzettingen u tot zegen. Dan zijn het ook middelen om de Heere te dienen en te vrezen. Maar leven met de ark zonder de God van de ark is een groot kwaad. Het is levensgevaarlijk! Ons tweede aandachtspunt:

2. Groot verdriet

Ze vechten voor hun leven en voor hun vrijheid. En ze winnen, de Filistijnen! En de ark, die grote houten kist, dat is hun buit. En, die machtige goden van Israël, die zitten in die ark! En dus die nemen ze lekker mee naar huis.

Dertigduizend mannen komen om in de strijd. Geslagen in het veld. Misschien hadden de Filistijnen van die ijzeren strijdwagens, die heel veel slachtoffers maakten. Israël wordt gedecimeerd. Dertigduizend mannen sneuvelen, maar (het is alsof de bijbelschrijver dat veel belangrijker vindt om te vermelden): ook Hofni en Pinehas sterven op die ene dag. Het woord van de dreiging wordt vervuld. Het aangezegde oordeel is voltrokken. Ondertussen trouwens niet vergeten, wat hier met zoveel woorden staat. Wat hier eigenlijk staat is: God vervult Zijn woord. Hij laat niet één van Zijn woorden, ook niet van de aankondiging van het oordeel, op de aarde vallen.

Want voor het oog lijkt het allemaal een nederlaag voor de God van Israël. Maar dat is niet waar! Dit is ten diepste Gods overwinning. De ark is wel naar de Filistijnen, maar daar zal God in de nabije toekomst Zijn macht gaan betonen en Zijn heerlijkheid laten zien. En in Silo, in dat goddeloze Silo is het nu echt voorbij. God is Overwinnaar in deze strijd.

Een man van Benjamin (vers 12) vlucht. Als een boodschapper met gescheurde kleding. Hij heeft aarde, stof en as op zijn hoofd gegooid, als teken van groot verdriet, als teken van diepe rouw. En als hij het bericht brengt in de stad (vers 13), dan is er groot geschreeuw. De stad is in rep en roer. En… die oude Eli? Ze zouden hem bijna vergeten. Hij zit uitgeblust op zijn stoel, naast de weg te wachten. Hij hoort in de verte wel dat rumoer, maar aanvankelijk komt niemand om te vertellen wat er aan de hand is. Eli is oud, 98 jaar. Blind, en ook dik en zwaar. Het voelt een beetje als spot. Die oude Eli heeft meegegeten van het lekkere vlees. En daar zit nu die zware man op zijn stoel…

Maar uiteindelijk komt (vers 17 en 18) de boodschap ook bij hem. De boodschap is: ‘Eli, we hebben verloren! De strijd tegen de Filistijnen hebben wij verloren. En uw zoons Hofni en Pinehas zijn gestorven. En, Eli, de ark is meegenomen…’

Zijn hart (vers 13) beefde en sidderde al toen Hofni en Pinehas de ark meenamen. En nu? De ark is weg. Meegenomen door de Filistijnen. Dat wordt de dodelijke slag voor Eli. Niet het bericht dat zijn zoons Hofni en Pinehas gestorven zijn, maar: de ark is weg. Het slaat het geweten van deze ambtsdrager met een dodelijke slag. ‘Mijn leven, mijn ambt is mislukt.’ Zijn hart breekt. Hij valt van zijn stoel. Hij komt ongelukkig terecht. Zijn hart breekt. Hij valt, hij breekt zijn nek en sterft. Tegelijkertijd een laatste teken van de Godsvreze in het hart van Eli… Eli kan ook niet verder zonder God, zonder de God van de ark.

Eli is een ernstige waarschuwing aan het adres van allen die God vrezen. Vroeger was het een ijverige man. Veertig jaar is hij richter geweest. Vol van vuur en ijver had hij de Heere gediend. Maar later in zijn leven heeft hij alles laten versloffen. Hij heeft de eerste liefde verlaten. Het vuur is weg. Zijn leven bloeit niet meer. De liefde wordt minder in zijn hart. Er is verachtering in de genade. En… hij sterft in het donker.

Maar er is nog iemand die sterft: de vrouw van Pinehas, hoogzwanger. Het zal niet gemakkelijk zijn geweest voor haar, dat Pinehas zich alleen maar bezighield met die andere vrouwen bij de tabernakel. Zij is in stilte een godvrezende vrouw, een vrouw die de Heere dient. Mooi is dat: in de donkere hoofdstukken van dit Samuëlboek is er eerst een Hanna en een Elkana, dan komt er een Samuël, dan komt er een man Gods bij Eli, en nu blijkt dat er nóg een vrouw is die in stilte de Heere dient.

Was ze blij met haar kindje? Of was ze vooral bezorgd voor de toekomst? We weten het niet. Maar je hebt er maar weinig fantasie voor nodig om te bedenken dat deze vrouw een moeilijk leven gehad moet hebben met haar man Pinehas. En die mensen zijn er nog steeds, ook in ons midden, die het samen moeilijk hebben. Die zuchten onder de spanning in hun huwelijk. Die misschien toch wel bij elkaar willen blijven, omdat ze het ooit voor Gods aangezicht in de gemeente beloofd hebben elkaar nimmermeer te zullen verlaten. Wilt u voor ze bidden? Wilt u ze ook, als u ze tegenkomt, in praktische zin tot steun zijn? Laten we elkaar als gemeente helpen, ook in de gebrokenheid van het leven.

Ze is hoogzwanger, dikke buik, het kindje wordt bijna geboren. En dan ineens komt het hele nare bericht: de aanstaande vader, Pinehas, haar man, is gestorven in de oorlog. Eigenlijk gaat het bericht (vers 17) zo: de strijd is verloren en Hofni en Pinehas zijn gestorven. Maar het ergste…, het toppunt, de climax? De ark is meegenomen! En zo is het ook bij de vrouw van Pinehas. Wanneer gaat het fout? Het gaat fout (vers 19) als ze hoort dat de ark is meegenomen. Dan overvallen haar de weeën, de buikpijn voor de geboorte van haar kindje, dan gaat ze onverwachts bevallen, maar... het gaat fout. Het gaat niet goed.

Reden, aanstaande vaders en moeders in ons midden, om veel te bidden en wij met u. Dat de Heere niet alleen kind, maar ook moeder wil sparen. Hier gaat het fout. De buurvrouwen proberen haar nog blij te maken en te zeggen: ‘Kijk, het is een jongetje, wees niet bang!’ Maar zij neemt het niet ter harte (vers 20).

Later zegt de Heere Jezus in Johannes 16: Een vrouw, wanneer zij baart (als zij een kindje krijgt), heeft droefheid, dewijl haar ure gekomen is (haar tijd om te bevallen); maar wanneer zij het kindeke gebaard heeft, zo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een mens ter wereld geboren is (Johannes 16:21). Maar hier is het heel anders. Geen blijdschap, maar tranen. Niet in de eerste plaats omdat Pinehas gestorven is, maar omdat de ark meegenomen is. Dát veroorzaakt de tranen bij deze vrouw van Pinehas. En ze roept het uit: ‘Ikabod! Waar is de heerlijkheid van God?’ De ark, de heerlijkheid van de Heere, is weggenomen, meegenomen in ballingschap…

We gaan nu eerst samen zingen uit Psalm 44:5. 't Is God, dien w' onzen Redder noemen, In Wien w' ons al den dag beroemen; Den lof Uws naams, alom verbreid, Verheffen wij in eeuwigheid. Maar nu verstoot Gij ons, o HEER’, Wij zien ons hoofd met schand' bedekken; Dewijl Gij met ons heir niet meer, Ter hulp, als eertijds, uit wilt trekken.

Niets breekt het hart van een kind van God meer, dan het weggaan van de eer van de Heere. ‘De eer is weg! Waar is (‘I’) de heerlijkheid (de ‘kabod’) van de Heere? I-kabod!’ Als de Heere weg is, als de eer en de heerlijkheid weg is, dan is alles weg. En dat is, zo zegt onze belijdenis, voor een kind van God: bitterder dan de dood.

Nu kunt u zeggen: ‘Die vrouw van Pinehas heeft het toch niet helemaal goed gezien? Want de heerlijkheid van God was toch al geweken? De Heere was toch al geweken uit de dienst van Silo?’ Dat klopt. En de vrouw van Pinehas heeft ook niet helemaal gelijk, omdat ze denkt dat nu alles definitief voorbij is. Het is een uitroep van wanhoop: ‘I-kabod!’. Terwijl wij weten dat de Heere doorgaat en ondertussen bezig is door te gaan. Immers de jonge Samuël is geroepen. Samuël groeit op in de dienst van de Heere. Samuël dient voor het aangezicht van de Heere. En de vrouw van Pinehas had, in de derde plaats, ook wel moeten zien dat de Heere soms tijdelijk weg gaat van Zijn kinderen of lijkt weg te gaan, maar dat Hij nooit laat varen, nooit loslaat, wat Zijn hand begon. En daarom staat in de Dordtse Leerregels ook niet dat de Heere soms vertrekken kan, maar wel dat Hij Zich soms tijdelijk verbergt. En die verberging, zegt onze belijdenis, is voor een kind van God bitterder dan de dood.

Maar we kijken de vrouw van Pinehas ondertussen wel in haar hart. Ze kan niet verder zonder de ark, zonder God. Net als de oude Eli. Want hoe ver die oude Eli ook weg was van het leven met de Heere, ook in zijn hart leefde datzelfde: zonder God is er geen leven. De eer van God is weg. En zo kan ik niet verder. Trouwens, gemeente, kijk eens diep in uw hart. Kent u uit de ervaring van uw eigen leven deze uitroep? ‘I-kabod! Waar is de eer? Waar is de heerlijkheid van God? God is geweken uit mijn leven!’ Heeft de Heere u dat wel eens laten zien? Dat dat de situatie, dat dat de toestand is van uw hart? Want u kunt wel denken: ik ben een christen, ik ben kerkelijk, we hebben het Woord, we hebben de ark… Maar het is zo nodig, dat de Heere je ooit in je laat zien: je denkt wel dat je rijk bent, dat je alles hebt, maar je bent God kwijt. Je bent zonder God in de wereld. De eer van God is weg uit jouw leven. En dat komt door jezelf. Het is nodig dat de Heere u laat zien: ik heb Hem verlaten, ik heb Hem de rug toegekeerd. Zoals Paulus zegt in Romeinen 3: We hebben allen gezondigd en we missen de heerlijkheid van God in ons leven. Die is weg. Die heerlijkheid van God.

Gemeente, wij hebben genade nodig. Wederbarende genade. Dat wil zeggen: genade die een mens wederom, opnieuw geboren laat worden, waardoor gaan we zien: ik mis de heerlijkheid van God in mijn leven. Ik heb God verlaten. En daarom is mijn leven, net als dat leven van die schijnvromen in Silo geworden als een bordeel. Met liefde tot van alles en nog wat, maar niet tot God en Zijn eer. En daarom is mijn leven net als het leven van die schijnvromen in Silo geworden als een roversnest. Ik probeer van alles en nog wat te krijgen voor mijzelf, maar ik ben een eerrover van God. Het gaat allemaal ten koste van Zijn eer en van Zijn heerlijkheid. Silo zit hier, in mijn hart. En daarover, over dat hart moet ik wel uitroepen: I-kabod! Waar is de eer van God? Waar is de heerlijkheid van God in mijn leven? De aard van

Hofni en Pinehas leeft diep in mijn hart. Ik heb gezondigd en ik mis de heerlijkheid van God. Gods ‘kabod’.

Weet u, gemeente, wat het wonder is? Als het aan mij lag, als het aan ons lag, was het over en uit. Dan was het net zoals de vrouw van Pinehas in haar wanhoop zegt: de eer is weg! Dat zou zo rechtvaardig geweest zijn van de Heere, als Hij ons definitief had verlaten: ‘Ik wil nooit meer iets, o mens, met u te maken hebben!’ Maar, terwijl de mens Adam wegvluchtte van God, heeft God de mens opgezocht en teruggehaald. Wonder van eenzijdige genade! Dat wil zeggen: het kwam maar van één kant, van één zijde. Het kwam bij God vandaan. Waarmee God gezorgd heeft, toen al in het paradijs, voor Zijn eigen eer en heerlijkheid, voor Zijn eigen (in het Hebreeuws) ‘kabod’.

Zo is het ook hier. Zo is het nog steeds. De vrouw van Pinehas denkt er niet aan, maar zo is het nog steeds. De Heere zorgt voor Zijn eer. Want daar is de belofte van het Woord. Daar is de jonge Samuël die de Heere dient. De stilte in Silo is inmiddels doorbroken. De Heere gaat weer spreken tot Zijn volk. God zorgt Zelf voor Zijn eigen eer, en in Zijn eeuwige welbehagen voor de redding van Zijn volk.

Straks, veel later, honderden jaren later, dan is de ark al weer terug, dan wordt de ark opnieuw weggevoerd, met het volk erbij, richting Babel, in de ballingschap. Dan lijkt het weer, zo gaat de geschiedenis door, dan lijkt het weer over en uit te zijn. Maar dan is er toch weer de lichtstraal van de belofte, van de profetie. Dan schrijft Ezechiël tot onze verwondering in zijn drieënveertigste hoofdstuk (je moet je voorstellen: de ark is weg, de tempel is weg): De Geest nam mij op, en bracht mij in het binnenste voorhof; en ziet (dan is het geen Ikabod meer) en ziet, de heerlijkheid des HEEREN had het huis vervuld. En God zei tot mij: Mensenkind, dit is de plaats Mijns troons, en de plaats der zolen Mijner voeten, alwaar Ik wonen zal in het midden der kinderen Israëls, in eeuwigheid (Ezechiël 43:5,7). Het is alsof de profeet terugkijkt naar de tijd van Pinehas’ vrouw en zegt: Bedwing uw stem van geween, en uw ogen van tranen, want (…) er is verwachting voor uw nakomelingen.

De weggevoerde eer uit Silo, en later de weggevoerde eer uit Jeruzalem naar Babel, het roept allemaal om de komst van Hem, Die de eer en de heerlijkheid van God zal bewaren en verheerlijken. Het roept allemaal om de komst van Christus. Want de ark in Silo gaat straks plaats maken voor de Ark der behoudenis, Jezus Christus.

Wij, moeten we zeggen en belijden, zijn er de oorzaak van dat de eer en de heerlijkheid zijn weggenomen. Maar Hij, Christus, Die toen komen zou en Die gekomen is, Hij gaat er voor zorgen en heeft er voor gezorgd, dat de eer en de heerlijkheid van de drie-enige God toch tot Hem gebracht zijn. En Hij heeft dat plaatsvervangend gedaan voor mensen die Hem van de eer beroofden en Zijn heerlijkheid geschonden hebben.

Eeuwen later, jongens en meisjes, wordt de Heere Jezus gelegd in een kribbe. Zonder eer en heerlijkheid. Je zou boven de kribbe kunnen schrijven: I-kabod, de eer is weggenomen, van Christus. En als dan die boodschap van Jezus’ geboorte wordt gebracht aan de herders in de velden van Efratha, dan lezen we tot onze verbazing: De heerlijkheid des Heeren omscheen hen! (Lukas 2:9). Heerlijkheid rond eerrovers van God! Boven de kribbe staat als het ware: Ikabod, de eer is weggenomen. En straks staat als het ware boven het kruis van Christus geschreven: Ikabod; de eer is weggenomen. Om een volk van eerrovers met God te verzoenen en terug te brengen naar God toe. Door de weg van verlating, door de weg van Ikabod, is Christus voor Zijn kerk geworden de Immanuël, God met ons!

De grote vraag, gemeente, die ik aan uw hart leg, is: hebt u Christus al nodig gekregen? Is de eer van God al zwaar gaan wegen in uw leven? Zoals bij de vrouw van Pinehas. Hoe komt God weer aan Zijn eer, aan Zijn heerlijkheid in mijn leven? Hoe komt mijn hart, mijn ziel met God verzoend? Hoe kom ik ooit weer terug bij God? ‘Vreest niet’, zeggen de buurvrouwen, ‘u heeft een zoon!’ Maar dat kon dat bedroefde hart, dat verbroken hart, niet vertroosten. Maar wij zeggen tegen u met de stem van het Evangelie: gebrokene van hart en verslagene van geest, bedwing uw oog van tranen en uw stem van geween. Want… een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op Zijn schouder; en men noemt Zijn naam (de Naam van Christus) Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst (Jesaja 9:5). Door Hem kunt u zalig worden. Door Christus kunt u zalig worden. Dan krijgt God weer de eer en de heerlijkheid in uw leven, die Hij zo waard is. Daar zal Hij voor instaan. Dat zal Hij garanderen. Wij willen dat niet. Wij kunnen dat niet. Maar het is Zijn werk. Hij zal instaan voor de eer van God en voor de zaligheid van uw ziel.

Daarom zeg ik aan het einde van deze dienst: Komt u… tot Hem. U, bij wie er alleen maar vormendienst is overgebleven, een gewaad van godzaligheid, de kracht is weg, de liefde is er niet meer… En komt u… tot Hem. U, die de Heere vreest, maar die net als de vrouw van Pinehas nog zoveel ziet op uzelf. Luister eens: de zaak is niet zo hopeloos en wanhopig als die er voor lijkt te staan! Er is een Weg. Er is een Weg voor uw onbekeerde hart. Maar recht om te dwingen heeft u niet. En pas op voor bijgeloof. Pas op dat u er niet van alles bij haalt, zelfs de ark… Maar buig voor de Heere en breek en zeg: ‘O God, ik heb U op het hoogste misdaan, ik ben van het heilspoor afgegaan. Ik heb gezondigd. Daarom mis ik Uw eer en heerlijkheid. O God, wees mij zondaar genadig!’ Er is een Weg, gemeente, voor u allen! Zie toch op de grote Ark van de behoudenis. En wendt u naar Hem toe en wordt behouden, al gij einden der aarde! Hij is de Weg waarin de eer en de heerlijkheid van God op het hoogst verheerlijkt worden, de Weg waarin uw ziel gered kan worden.

Het is stil geworden in Silo. En het is doodstil gebleven sinds die tijd, in Silo. De kandelaar die brandde, is uitgeblazen.

Zo zegt de Heere door de mond van Jeremia: Zo gijlieden naar Mij niet zult horen, dat gij wandelt in Mijn wet, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, horende naar de woorden Mijner knechten, de profeten, die Ik tot u zend, zelfs vroeg op zijnde en zendende, doch gij niet gehoord hebt, zo zal Ik (zegt de Heere) dit(!) huis (ook) stellen… als Silo (Jeremia 26:4-6).

Amen.

Slotzang Psalm 77:7,8

'k Zal gedenken, hoe voor dezen Ons de HEER heeft gunst bewezen; 'k Zal de wonderen gadeslaan, Die Gij hebt van ouds gedaan; 'k Zal nauwkeurig op Uw werken En derzelver uitkomst merken; En, in plaats van bittere klacht, Daarvan spreken dag en nacht.

Heilig zijn, o God, Uw wegen; Niemand spreek' Uw hoogheid tegen; Wie, wie is een God als Gij, Groot van macht en heerschappij? Ja, Gij zijt die God, die d' oren, Wonderen doet op wonderen horen; Gij hebt Uwen roem alom Groot gemaakt bij 't heidendom.