Verheerlijking op de berg – Mattheüs 17

Verheerlijking op de berg

Preek Mattheus 17:5: Terwijl hij (dat is Petrus) nog sprak, zie, een luchtige (een schijnende, lichtende) wolk
heeft hen overschaduwd; en zie, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde
Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem.

LEESPREEK

De verheerlijking op de berg
ds. J. IJsselstein – Mattheüs 17:1-8
 
Liturgie:
Psalm 25:1
Psalm 25:3
Lezen Mattheüs 17:1-8
Psalm 143:6,7,8
Psalm 85:3
Psalm 3:2
 
Gemeente, we overdenken vanmorgen met Gods hulp het voorgelezen Schriftgedeelte Mattheüs 17:1-8. Ik lees daarvan als korte samenvatting nu alleen vers 5: Terwijl hij (dat is Petrus) nog sprak, zie, een luchtige (een schijnende, lichtende) wolk heeft hen overschaduwd; en zie, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem.
 
Het thema voor de preek is:
De verheerlijking van de Heere Jezus op de berg
 
We letten samen op vier aandachtspunten, op:
1. Zijn verandering
2. Zijn gesprek
3. Zijn bemoediging
4. Zijn zorg
Als eerste dus:
 
1. Zijn verandering bij Zijn verheerlijking
Het is nog maar kort geleden. De belijdenis van Petrus, namens al de discipelen: U bent de Christus, de Zoon van de levende God (Matt. 16:16).
Maar ook daarna, de aankondiging van het lijden. In hoofdstuk 16:21: Ik moet heengaan naar Jeruzalem en veel lijden.
En het verzet van Petrus daartegen: ‘Heere, dat zal echt niet met U gebeuren!’
 
En nu is het een week later. Nu gaat de Heere hen er iets meer van laten zien en horen.
We lezen in vers 1: En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus en Jakobus en Johannes, zijn broeder, en bracht hen op een hoge berg alleen.
Deze drie discipelen mogen er getuige van zijn. De drie eerste discipelen: Petrus, Jakobus en Johannes. Zodat het hierna vast zal staan. Want, zo zegt Paulus later: In de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan (2 Kor 13:1).
 
Drie discipelen… De ontdekkende prediking van Johannes Doper is hen tot zegen geworden. Ze zijn door de Heere opgezocht. Hij is in hun leven gekomen. En heeft alles veranderd. Ze hebben Hem hartelijk lief.
Maar zijn nog zo blind voor waarom Hij kwam en voor Wie Hij voor hen wil zijn.            
Ze klimmen op een hoge berg. De naam van de berg staat er niet bij. Dus laten we maar even in het midden welke berg het geweest zou kunnen zijn.
 
Jezus klimt op de berg (terwijl Hij Zijn drie discipelen meeneemt) om (zo zegt Lukas): te bidden (Luk. 9:28).
Jezus zoekt, met deze drie discipelen, de stilte op de berg om te bidden.
Want alles wat belangrijk is, moet beginnen met stil en verborgen gebed.
 
En: terwijl Hij bidt, gebeurt het (Luk. 9:29). Hij wordt veranderd van gedaante.
Wilt u ook veranderd worden? Meer aan het beeld van de Heere gelijk worden?
Dan moet u ook bidden.
Want het gebed brengt ons dicht bij God. Dichterbij God kunnen wij op aarde niet komen, dan wanneer wij in stilte onze knieën buigen en ons gebed tot Hem richten.

De Bijbel noemt het: ons hart opheffen tot God.
Zoals we zongen uit Psalm 25: Ik hef mijn ziel, o God der goden, tot U op, U bent mijn God (Ps. 25:1). Zoals de dichter zingt van Psalm 143: Doe mij Uw goedertierenheid in de morgenstond horen, want ik betrouw op U; maak mij bekend de weg die ik te gaan heb, want ik hef mijn ziel tot U op (Ps. 143:8).
 
Vers 2: En Hij werd voor hen veranderd van gedaante; en Zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en Zijn klederen werden wit gelijk het licht.
Zijn gezicht schijnt als de zon. Weet je wel, meisjes en jongens, hoe fel dat is?!
En Zijn kleding wordt wit. Markus zegt: zeer wit als sneeuw, zo wit, als niemand wit kan maken (Mark. 9:3).
Zo fel, zo schitterend, als het licht van de bliksem (Luk. 9:29).
 
Zo schijnend, zo blinkend, zo glinsterend…
Als het gezicht van Mozes, als hij van de berg Sinaï afkomt. Hij doet een doek voor zijn gezicht, omdat de mensen hem anders niet aan kunnen kijken (Ex. 34:35).
Zo schijnend, zo blinkend, zo glinsterend, meer nog: Als het licht dat Elia ziet bij de berg Horeb. Hij wikkelt zijn mantel om zijn gezicht, vanwege de glans van de heerlijkheid en de glorie van God (1 Kon. 19:13).
 
Ineens straalt dat ook hier: de heerlijkheid van God. Zo fel, zo blinkend… straalt ineens de Zon der gerechtigheid, het Licht der wereld, Jezus Christus.
In het land van de schaduw van de dood schijnt opeens een groot Licht (Matt. 4:16).
 
Niet alleen het gezicht van de Heere Jezus, maar ook Zijn kleding schittert als het witte licht van de bliksem.
Als teken van Zijn heiligheid. Dit is de Hogepriester, Die nooit zonde gekend of gedaan heeft (2 Kor. 5:21).
Alles schittert en blinkt van de heerlijkheid van Christus. Later schrijft Petrus: Wij zijn aanschouwers geweest van Zijn majesteit (2 Petr. 1:16).

a. Als teken en bewijs: Hij is de Zoon van God. Zijn Goddelijke heiligheid en heerlijkheid stralen van Hem af.

b. Als korte vooruitblik ook, op hoe Hij straks zal zijn na Zijn opstanding.

c. En ook als troostvolle vooruitblik voor al Zijn kinderen. Zoals het Hoofd is, zo zal ook het lichaam straks zijn.

Geliefde medechristenen, kinderen van God, ons wacht een heerlijke toekomst. Want dit verderfelijke (lichaam) moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen (1 Kor. 15:53).
En dan, zegt de Heere Jezus in Mattheüs 13: Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon, in het Koninkrijk huns Vaders (Matt. 13:43).

Zoals Paulus zegt in Kolossenzen 3: Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons Leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid (Kol. 3:4).
Zoals Johannes schrijft: Wij zullen Hem gelijk wezen (1 Joh. 3:2).
In Christus zijn is genade, maar voor altijd met Christus te zijn is verreweg het beste.
 
Maar, wilt u ooit in die verandering en in die heerlijkheid gaan delen, dan moet u hier eerst innerlijk veranderd worden: levend gemaakt en vernieuwd van hart.
Dan moet hier uw liefde tot de zonde gebroken worden. Dan moet hier in uw hart de liefde tot God geboren worden. Dan moet u hier door God in beginsel gelijk gemaakt worden aan het beeld van Christus. Zoek daarom, gemeente, toch eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid (Matt. 6:33).
 
Plotseling schittert alles van heerlijkheid.
Maar…, de discipelen zijn van moeheid in slaap gevallen. Totdat ze ineens wakker worden (Luk. 9:32).
Vers 3: En zie, van hen werden gezien Mozes en Elía, met Hem samensprekende.
Dat brengt me bij het tweede aandachtspunt:
 
2. Zijn gesprek tijdens Zijn verheerlijking
En zie! Kijk! Daar verschijnen ineens ook Mozes en Elia.
Hun slaap is voorbij. Ineens zien ze het!
 
a. De heerlijkheid van Zoon God, die schijnt door de menselijke nederigheid van hun Meester.
Dat was natuurlijk tot bemoediging van de Heere Jezus Zelf. Hier schittert de gunst en de liefde van Zijn Vader. Hier proeft Hij iets, van hoe het zal zijn na Zijn lijden straks.
 
Maar het is ook bedoeld om Zijn discipelen te bemoedigen. Ze begrijpen het niet.
Ze hebben zoveel weerstand tegen wat de Heere gezegd heeft: dat Hij moet lijden en sterven. Maar nu krijgen ze alvast wat te zien van dat andere, daarna. Van wat Hij ook gezegd heeft. Dat Hij ten derde dage zal opgewekt worden, in heerlijkheid (Matt. 16:21).
 
Hier gaat gebeuren wat David zegt Psalm 36: In Uw licht, zien wij het licht (Ps. 36:10).
De duisternis in hun hart en in het hart van Gods kinderen licht op, als de Heere Zijn licht erin laat vallen.
 
Van zichzelf waren ze in slaap gevallen. En dat zal niet bij één keer blijven.
Hun Meester bidt. Zij slapen. Maar Hij breekt dwars door al hun zwakheid, onbegrip en ongeloof heen. Dat komt bij Hem vandaan.
Hij maakt de duisternis voor hun aangezicht tot licht (Jes. 42.16; 2 Kor. 4:6).
 
Ze zien¸ zoals staat in de Hebreeënbrief, Jezus met heerlijkheid bekleed (Hebr. 2:9).
Maar ook Mozes en Elia, beiden ook in hemelse glorie. Vergelijkbaar, maar ongetwijfeld ook anders, minder stralend dan de Zoon van God, de Zon der gerechtigheid. Licht weerkaatsend, zoals de maan.
 
Mozes, die de Wet van de Heere ontving op de berg Sinaï.
Elia, die de Wet van de Heere handhaafde op de berg Karmel.
Mozes en Elia, samen de vertegenwoordigers van de Wet en al de Profeten.

Ooit zondige en voorbijgaande mensen. De Wet eiste ook van hen, wat ze niet konden. Ze waren niet in staat geweest om zichzelf en anderen te verlossen van zonde en schuld. En dus had alles wat ze deden en zeiden vooruit gewezen naar de komst van de Heere Jezus Christus.
 
En zij, Mozes en Elia, spreken met de Heere Jezus. Vers 3 zegt: En zie, van hen werden gezien (aan hen verschenen) Mozes en Elía, met Hem samensprekende.
Over…? Lukas schrijft: Dewelke gezien zijnde in heerlijkheid, zeiden Zijn uitgang, die Hij zou volbrengen te Jeruzalem (Luk. 9:31).

Ze praten over Zijn ‘uitgang’, letterlijk over Zijn exodus. Dat wil zeggen over Zijn sterven (zie 1 Petr. 1:15).
Die Hij volbrengen zou. Dat wil zeggen: totdat het volbracht zal zijn (Joh. 19:30).
 
Ze praten samen in alle rust over…
Dat Hij lijden en sterven zal. Dat Hij de schuld van de zonden van Zijn volk zal dragen.
Omdat dat moet. Vanwege Gods heiligheid. Omdat God de zonde haat en straffen moet.
En alles wijst erop, dat dat gesprek ook best wel even geduurd heeft.
 
En zij, de drie discipelen, luisteren.
Ze luisteren en zien, hoe dit hun Meester bemoedigt en versterkt.
Niemand wil met Hem praten over Zijn komende lijden en sterven. Zij ook niet.
Maar deze twee hemelingen (die zij zo hoog hebben), zij wel.

En (zo zeggen ze): Hij zal die weg volbrengen. Zijn taak zal niet mislukken. Dat is zeker.
Wat moet dit Hem in Zijn menselijke natuur bemoedigd hebben!
 
Ze luisteren en horen, wat ze tot nu toe nog steeds zo moeilijk vinden.
Maar dit gesprek houdt het hen opnieuw voor. Ze zullen nooit zalig worden door iets van henzelf. Maar alleen omdat hun Meester in hun plaats de dood zal moeten sterven. Ik voor u, omdat u anders die eeuwige dood zou moeten sterven
 
Een hemelse bemoediging voor Jezus.
En hemels onderwijs voor Zijn luisterende discipelen.
Zulk onderwijs krijg je niet als je praat, als je discussieert. Dan luister je vooral naar jezelf. Maar wel als je stil luistert, naar wat de Heere zegt.
 
Dit alles wat zij zien en horen, klinkt als vriendelijk onderwijs uit de hemel.
Ze horen over de eisen van Gods wet. Over Zijn vlekkeloze heiligheid. Over de onmogelijkheid van hen en iedereen die ooit te houden. Over de offerdienst. Over alles wat heen gewezen had naar nu. Naar de uitvoering van het plan van de zaligheid.
Dat de Zoon van God mens zou worden. Om te lijden en te sterven, als het Lam van God. 
 
Het wil de discipelen nieuwe dingen leren. En dus mogen ze luisteren naar dat hemelse gesprek. Zodat ze zullen leren begrijpen, wat nog steeds zo moeilijk vinden.
Je komt er niet, met de wet van Mozes, of met de ijver van Elia.

Dit is de Zaligmaker, Die door de weg van Zijn lijden en sterven de prijs van je zonde en schuld betalen zal. En dus is er niet, dus is er nooit plaats meer voor je eigen inspanningen. Alles van jezelf is verlies, is vuiligheid, is schade en drek (Fil. 3:8). ’t Is Jezus. Deze Jezus alleen!
 
Luistert u ondertussen mee naar dat gesprek?
Opdat u zelf ook de hoop zou gaan opgeven op alles (op alles!) van uzelf?
Alleen deze Jezus, alleen Zijn lijden en sterven, kan uw ziel redden van de dood. 
 
Ze luisteren, ze kijken, ze zwijgen…
Maar wat blijkt dat lastig te zijn, om alleen maar te luisteren...
 
Gemeente, het gaat in de preek van vanmorgen over: De verheerlijking van de Heere Jezus op de berg. Ons derde punt:
 
3. Zijn bemoediging bij Zijn verheerlijking
Want (zo zegt vers 4): En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, het is goed dat wij hier zijn; zo U wilt, laat ons hier drie tabernakelen (drie tenten of hutten) maken, voor U een, en voor Mozes een, en een voor Elía.

Want, zo zegt Markus: Hij wist niet wat hij zei, want zij waren zeer bevreesd (Mark. 9:6).
Ze zijn bevreesd, bang, heel erg bang…
Want (zo schrijft Lukas) terwijl Petrus dit zegt, komt er langzaam een wolk over hen heen. Geen donkere wolk, zoals bij het geven van de Wet op Sinaï. Maar een schijnende, een lichtende wolk. Als zichtbaar teken van de aanwezigheid, van de tegenwoordigheid van de heiligheid van de Heere Zelf.
 
Een wolk, die Jezus, en Mozes en Elia, langzaam aan hun gezicht onttrekt. Ze verdwijnen langzaam uit het zicht, in de wolk.
En ze voelen, tot hun grote schrik, de duidelijke aanwezigheid van de Heere Zelf.
En worden zeer bevreesd. Ze worden heel erg bang.
En nog banger, als ze ook de stem van de Heere uit de wolk horen.
 
Zoals staat in vers 5-6: Terwijl hij (Petrus) nog sprak, zie, een luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie, een stem uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem. En de discipelen dit(!) horende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd.
 
Ze gaan onderuit. Ze vallen plat op hun gezicht op de grond.
Dit zijn heilige mannen. Ze zijn bezig het heilige dingen. Alles schittert, niet van de toorn van God, maar van Zijn gunst en genade. En ze zien alleen maar een glimpje van Gods glorie.
En toch vallen ze plat op de grond

Zoals Ezechiël ooit ook schreef: Toen ik de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des HEEREN zag, toen viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een Die sprak. (Ezech. 1:28).
Zoals het later ook ging bij Saulus Tarsen op weg naar Damascus. Lukas schrijft: En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij een stem die tot hem zei: Saul, Saul, wat vervolgt u Mij? (Hand. 9:4).
 
Hun ontmoeting met God zou hen zo gemakkelijk hoogmoedig kunnen maken. En dus vernedert de Heere ze. Hoogmoed past niet bij een leven met de Heere. Zegt de Heere Jezus het niet Zelf: Leert van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen? (Matt. 11:29)

Hoogmoedig vertellen wat je allemaal hebt en bent en kent en meegemaakt hebt, past niet bij een leven dicht bij Hem. Wie dicht bij de Heere leeft, komt op de grond terecht.
Zoals Abraham in de ontmoeting met God: Ik ben stof en as. In Genesis 15 staat: En zie, een schrik en grote duisternis viel op hem (Gen. 15:12).

Zoals Jesaja bij het zien van Gods heerlijkheid. Hij roept uit: Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben (Jes. 6:5).
Zoals Daniël bij het zien van de Heere Christus. Hij schrijft: Ik viel met mijn aangezicht ter aarde (Dan. 10:9).
 
De Heere vernedert Zijn drie discipelen. Ze gaan onderuit. Ze gaan met hun gezicht op de grond. En tegelijkertijd geeft de Heere hun dit bijzondere gezicht op Zijn heerlijkheid, om hen geschikt te maken voor de verkondiging van het Evangelie.
Zodat ze straks Zijn heerlijkheid voor ogen zullen kunnen schilderen. Niets van de mens. Alleen de eer en de glorie van God Drie-enig!
 
Ze vallen plat op de grond, als ze de stem van de Vader horen, vanuit die lichtende wolk:
Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb; hoort Hem.
Dit is Mijn Zoon. De eeuwige Zoon van de Vader. Samen met Heilige Geest, de Drie-enige God.
Dit is Mijn geliefde Zoon. Hem heb Ik zo lief! Maar ook: Zo lief heb ik de wereld gehad, dat Ik Hem overgegeven heb (Joh. 3:16). Overgegeven om de zonden te dragen van Mijn volk, van Mijn Kerk!
 
In Hem heb Ik Mijn welbehagen.
In Hem heb ik Mijn vreugde. In Hem verblijd Ik Mij.
De Vader is blij om de Heere Jezus. Om wat Hij doet. Om dat wat Hij zal gaan doen: lijden en sterven, om verloren zondaars terug te brengen bij de Vader.

Wat schittert hier een hemelse blijdschap!
Ooit schreef Mozes (om het voor ons mensen begrijpelijk te maken): Het berouwde God dat Hij de mens gemaakt had (Gen. 6:6). Dat klinkt als hemels verdriet…

En nu is er blijdschap in hemel. Nu verblijdt de Heere Zich in Zijn werk. In de uitvoering van Zijn eeuwige raad, van het eeuwige plan van Zijn welbehagen om zondaars zalig te maken. En dus klinkt het met Goddelijke kracht en majesteit vanuit die lichtende wolk:
Deze is Mijn geliefde Zoon, in Denwelke Ik Mijn welbehagen heb.
 
a. Het is een stem voor Jezus Zelf. Om Hem te troosten en te bemoedigen.
Hij gaat de weg die de Vader wil dat Hij zal gaan. En het zal gelukken. Hij zal het volbrengen (Luk. 9:31).

b. En het is een stem voor de discipelen, en voor iedereen.
Buiten Hem is er geen leven. Later schrijft Johannes: Die de Zoon heeft, die heeft het leven; die de Zone Gods niet heeft, die heeft het leven niet (1 Joh. 5:12). Want buiten Christus is het onmogelijk om God te behagen. De apostel schrijft in Hebreeën 11: Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen (Hebr. 11:6).
 
Deze stem uit de hemel is ook een stem, die (a) u de weg wil wijzen.
U moet Jezus hebben. Anders heeft God geen welbehagen in u.
U kunt het niet doen met Mozes. Met al uw ijver om de wet te houden. Wat altijd weer mislukt. En nooit lukken zal. U kunt het niet doen met de ijver van Elia. Want uit de werken der wet geen vlees gerechtvaardigd worden voor (God) (Rom 3:20). We moeten Jezus hebben!
 
Terwijl we van onszelf (net als deze discipelen destijds) vijanden van God en Jezus zijn.
Die nodig hebben, dat de Heere ons opzoekt. Zoals Hij dat ook bij deze discipelen deed.
Door de prediking van Johannes Doper zijn ze overtuigd van hun zonden. En door de prediking van Jezus zijn ze nog veel meer overtuigd van hun verlorenheid en schuld.

Als je je zonden niet kent, zie je niets in Jezus. Dan zal je nooit tot Hem komen.  
Maar deze discipelen zijn ook zo onwetend, zo vol weerstand tegen deze weg van lijden.
Het ‘zelf willen doen’, zit hun zo in het bloed.
Totdat ze in de ontmoeting met de Heere onderuit gaan en plat op de grond terecht komen. Ze kunnen niets meer. Machteloos…

En ondertussen klinkt het uit wolk: Hij is het! Hij alleen! Mijn Eniggeliefde Zoon!
Hoort Hem! Luister naar Zijn heil- en troostrijk Woord!
Het is een stem, die hun midden in al hun onmogelijkheid in de tweede plaats:

(b) Ook moed wil geven.
Je kan denken (ook nu) dat het bij het zien van een glimpje van Gods heiligheid, over en uit met je is. Een verloren zaak. Je gaat onderuit. Plat op de grond. Uitgewerkt. Uitgeteld. Gevloerd.
Maar juist daar, juist dan gaat de Heere spreken.

Zoals Hij ook nu spreekt in het Evangelie. En zegt, tegen plat op de grond liggende zondaars, die geen weg meer zien: Zie het Lam Gods (Joh. 1:29).
Na alle offers die je zelf geprobeerd hebt te brengen.

Na alles wat je zelf probeerde te verbeteren.
‘Zie! Kijk! In deze gehoorzaamheid en in dit offer heb Ik Mijn welbehagen!’
In de gehoorzaamheid en in het offer van Mijn Eniggeliefde Zoon. Die Ik daarom gegeven heb.
 
Moedeloze zondaars, u die geen weg meer ziet: Hoort Hem. Wendt u naar Hem toe en wordt behouden (Jes. 45:22). Luister naar Hem, Die midden in al uw vrees (zeer bevreesd), die midden uw kleinheid, ellende, nood en dood, zegt: Komt herwaarts tot Mij allen die vermoeid en belast zijt, Ik zal u rust geven (Matt. 11:28). De Heere heeft Mij gezonden om de armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van hart (Luk. 4:18).
 
En wat is dat Evangelie?
Dat Ik gekomen ben voor de armen. Voor mensen die zoeken, maar die maar niet kunnen vinden. Voor mensen die hoopten, maar die hun hoop steeds meer zijn kwijtgeraakt.
Voor mensen die aanvankelijk nog wel iets goeds in zichzelf zagen, maar nu, oog in oog                    met de heilige God, plat op de grond liggen.
 
Hoort Hem, zegt Heere. Luister naar Hem.
De Meester is daar en Hij roept u toe (midden in uw zondenood!), wat Hij zei tegen de Samaritaanse vrouw: Maar zo wie gedronken zal hebben van het water dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven (Joh. 4:14). 

Ik heb dorst gehad, in de diepte van Mijn lijden. En daarom heb Ik levend water voor u.
Ik heb honger geleden in Mijn verzoeking. En daarom ben Ik het levende Brood voor u.
Ik heb striemen verdragen op Mijn rug. En daarom is er genezing onder Mijn vleugels voor u.
Ik ben ondergegaan onder de last van de toorn van God over de zonde. En dat wilde Ik doen in uw plaats. Ik voor u, daar u anders eeuwige dood had moeten sterven. 

Maar…, wie van deze aan zonde ontdekte zondaars is van zichzelf in staat om op te staan?
En op Jezus te zien? Niemand.
En dus (ons laatste punt):
 
4. Zijn zorg na Zijn verheerlijking
We lezen in vers 7-8: En Jezus bij hen komende, raakte hen aan en zeide: Staat op en vreest niet. En hun ogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen.
Christus Jezus is Gisteren en heden Dezelfde (Hebr. 13:8). En dus doet Hij dat nog steeds.
Bij bevreesde, bange, verslagen, op de grond liggende zondaars. Drie dingen:
 
a. Hij komt bij hen.
Zij komen niet naar Hem toe. Dat kunnen en durven ze niet meer. Nu ze een ogenblik stonden, oog in oog met Gods vlekkeloze heiligheid. Ze liggen plat op de grond.
Maar Hij komt naar hen toe. Zoals Hij dat ook nu doet door Zijn woord.
 
b. En Hij raakt hen aan. 
Zoals Hij tijdens Zijn leven op aarde zo vaak zieken en zelfs doden aanraakte.
Zoals Hij dat deed bij de melaatse in Mattheüs 8: En Jezus de hand uitstrekkende, heeft hem aangeraakt, zeggende: Ik wil, word gereinigd. En terstond werd hij van zijn melaatsheid gereinigd (Matt. 8:3).

Zoals Hij deed bij de jongeling van Naïn: En Hij ging toe en raakte de baar aan (de dragers nu stonden stil) en Hij zeide: Jongeling, Ik zeg u, sta op (Luk. 7:14).  
Zo raakt Hij nu ook Zijn discipelen aan. En zo raakt Hij ook nu vermoeide, verzwakte en verbroken zondaars aan. Krachtig, leven gevend, toepassend. Hij(!) doet het.
En, dat is het derde:
 
c. En Hij zegt: Staat op en vreest niet.
Hijzelf richt de gebogenen op. Hijzelf geeft ze moed en nieuwe kracht.
Hijzelf klaart hun duisternis op. En geeft hun licht.
Hij laat hun duisternis, hun angst, hun zorg en ongeloof verdwijnen.
 
Door?
Door hun ogen te richten op Hem!
Want, staat er: En hun ogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen.
 
Moedeloze, angstige, verslagen zondaars, kijk ook eens omhoog…
Laat uw hoofd eens optillen… Laat uw ogen eens omhoog heffen…
Jezus alleen!
 
Geef alle hoop op uzelf nu op. Het wordt nooit wat met uw doen en laten, met uw ijver en inspanningen, met uw beloftes en goede voornemens.
Jezus alleen. Een bereidwillige Zaligmaker, Die alles voor U wil doen.
Hoewel Zijn discipelen, hoewel ik en u, Hem zo vaak tegenwerken.
Hij staat gereed om te lijden en te sterven. Om de prijs van de schuld van de zonde te betalen.
 
En Hij zoekt… uw oog. Hij zoekt… uw hart.
Terwijl Hij zegt: Luister: Ik alleen!
Laat Mozes en Elia, laat uzelf verdwijnen. Dat zal uw zaak nooit kunnen oplossen.
 
Hij Zelf geve u wat de dichter zingt: U heft mijn hoofd omhoog en doet me Uw gunst aan schouwen.            
Uw gunst. Uw welbehagen. Uw Jezus. Uw Jezus alleen.
De ogen die Hem zo gezien hebben, zullen(zegt Jesaja) niet terugzien (Jes. 32:3).
Kom en zie (Joh. 1:17)!
Komt, ziet een Mens Die (ook) mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus (Joh. 4:29)?
 
De zaligheid is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden (Hand. 4:12).
Want deze Koning, en deze Koning alleen, is door Israëls God gegeven, om zondaars met God te verzoenen (Ps. 89:8, ber.).
 
Amen.