Zonde voor ons gemaakt – 2 Korinthe 5

Zonde voor ons gemaakt

Preek 2 Korinthe 5: 21: Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Zonde voor ons gemaakt
Ds. J. IJsselstein – 2 Korinthe 5:21
 
Liturgie:
Psalm 65:1
Psalm 11:4 (65:4)
Lezen 2 Korinthe 5:11-21
Psalm 65:2
Psalm 51:1
Psalm 32:1
 
Gemeente, de tekst die wij met Gods hulp vanmorgen met elkaar overdenken, kunt u vinden in het u voorgelezen Bijbelgedeelte, in 2 Korinthe 5, daarvan het laatste vers.
De tekst voor de preek vindt u in 2 Korinthe 5: 21, waar we Gods Woord als volgt lezen:

Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
 
Het gaat in deze tekst (en dat is ook het thema voor de preek van vanmorgen) om het motief, om de drijfveer, om de beweegreden van de dienst van de verzoening.
Want de tekst begint met: Want…

Dit is het motief, de reden, de drijfveer, als wij (als dienaars van Christus) u bidden: Laat u met God verzoenen. Want…
 
Want, let op. Let op drie dingen. En die drie dingen zijn ook de drie punten van de preek.
Let in de eerste plaats op Wie Christus is: Dien, Die geen zonde gekend heeft.
Let in de tweede plaats op wat de Vader deed: heeft Hij (de Vader) zonde voor ons gemaakt.
En let in de derde plaats op wat de Heilige Geest ons schenkt: opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
 
Dus: Het motief van de dienst van de verzoening
1. Wie Christus is
2. Wat de Vader deed
3. Wat de Heilige Geest ons schenkt
 
Jongens en meisjes, de tekst ziet er moeilijk uit. Laat ik eerst proberen uit te leggen wat we bedoelen met de dienst en met het woord van de verzoening.
Denk eerst even aan twee gewone mensen, die verschrikkelijke ruzie met elkaar hebben. Ze kunnen elkaar niet luchten of zien. Ze haten elkaar.

Maar op een dag besluiten ze met elkaar te gaan praten en hun ruzie op te lossen. Je zou het ook zo kunnen zeggen: ze verzoenen zich met elkaar. Ze maken het weer goed met elkaar.
In plaats van vijandschap, boosheid en haat, komt liefde, vrede en vriendschap.
 
Maar hier in de Bijbel, in 2 Korinthe 5, gaat het niet over twee mensen. Het gaat hier over God in de hemel en mensen op de aarde. Mensen die goed geschapen waren in het paradijs. Adam en Eva leefden in vrede met de Heere. Maar toen stonden zij tegen God op. Wij werden Zijn vijanden. En we doen sinds het paradijs niets anders, dan wat God het meeste haat, namelijk: de zonde.

Want God wil de zonde niet. Hij kan de zonde niet aanzien. En Hij wil de zonde ook niet door de vingers zien. Want God is heilig.
 
Wij zijn verloren mensen. Bedorven door de zonde. We zijn een stel loslopende misdadigers en opstandelingen.
Gaan zij, gaan zulke mensen (om het maar even zo te zeggen) ‘met God om tafel zitten’, om dat op te lossen?

Nee, dat willen we niet. We haten God.
Maar, de Heere is anders.
Verbaas je daar over, jongens en meisjes. Zeg bij jezelf: ‘Oh, hoe is dat mogelijk?’
 
God riep de weggelopen en opstandige Adam, en zei: Adam, waar zijt gij? Waar ben je? En God kwam naar hem toe.
En God roept ook jou en mij. Hij komt naar ons toe en zegt…
Wat zegt de Heere? Wat roept Hij?

Dat staat in vers 20: Laat u met Mij verzoenen.
Laten we samen praten? Nee!
Laat Mij het doen. Laat Mij, u met God verzoenen. Laat Mij het weer goed maken.
Laat Mij vrede maken. Laat Mij de schuld van uw zonden weggewassen.
 
Waar zegt de Heere dat? Waar roept Hij jou en mij?
Hier in de kerk. In de kerk-dienst. Daarom heet dit de dienst van de verzoening. Waar de Heere het weer goed wil maken tussen Hem en je zondige hart.
Door Zijn Woord. Door het Woord van de verzoening.

Dat je uitnodigt, vol liefde, heel echt gemeend en hartelijk. Als de Heere zegt: Zie, Ik sta aan de deur, en Ik klop (Openbaring 3:20). O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk! (Jesaja 55:1).
 
Je mag niet alleen komen, maar de Heere Jezus zegt dat je moet komen. Hij zegt tegen Zijn dienaars, dat ze de gasten van de aanstaande bruiloft moeten dwingen: Dwing ze in te komen (Lukas 14:23).
Dat wil zeggen: Kom! Leg je vijandschap af. En stem in met Mijn voorwaarden om behouden te worden. Laat je door Mij met God verzoenen. Laat Mij je een nieuw hart geven en het weer goed maken.
Hoe slecht je ook bent. Want juist slechte mensen zijn welkom.
 
En, zo staat in vers 18: Al deze dingen zijn uit God.
Dat wil zeggen: hier is niets wat wij bedacht, gewild of gedaan hebben. Alles kwam en komt van God.
Die ons gestuurd heeft om je te vragen, om je te bidden: Laat het alsjeblieft weer goed maken tussen God en je hart. Lever de wapens van je verzet in. En hijs de witte vlag van je overgave.
Kus de Zoon, door je aan Hem over te geven, door je aan Hem te onderwerpen en voor Hem te buigen.
 
Waarom? Waarom zou je dat doen?
Paulus wijst daarvoor op drie dingen, op drie argumenten, en dat zijn ook de drie punten van de preek.
Laten we beginnen met ons eerste punt:
 
1. Wie Christus is
Want, zo staat er in de tekst: Dien, Die geen zonde gekend heeft.
De Heere Jezus heeft nooit zonde gekend. Hij heeft nooit persoonlijke ervaring met zonde gehad. Niet in gedachten, maar ook niet in wat Hij zei of deed.
 
In Zijn geboorte was Hij zondeloos. De engel Gabriël zei tegen Maria: dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden (Lukas 1:35). Dat Heilige. Hij was heilig, zonder zonde.
Zijn leven was ook heilig. De schrijver van de Hebreeënbrief zegt: Hij was heilig, onnozel (onschuldig), onbesmet, afgescheiden van de zondaren en hoger dan de hemelen (Hebreeën 7:26).
En Zijn sterven was ook zonder enige zonde. Hij heeft Zichzelf Gode onstraffelijk opgeofferd (Hebreeën 9:14).
 
De duivel probeerde Hem wel te verleiden tot zonde, maar Hij deed het niet (Hebr. 4: 15).
Nooit, jongens en meisjes, heeft de Heere Jezus één enkele zonde gedaan. Hij heeft nooit gelogen, nooit gestolen, gevloekt of geroddeld. Hij dacht er niet eens aan. Hij wilde het niet. Het kwam ook niet in Hem op om het te doen of te willen.
Hij kende het niet. Het zat gewoon niet in Hem.
 
Zelf zegt de Heere Jezus: Wie overtuigt mij van zonde (Johannes 7:18, 8:46).
En Petrus schrijft over hem: Die geen zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijn mond gevonden (1 Petrus 2:22).
En de apostel Johannes schrijft: Geen zonde is in Hem (1 Johannes 3:5).
 
Waarom ik dat zo vertel? Waarom ik dat zo uitleg?
Omdat dat (zoals ik eerder zei) de drijfveer, omdat dat het motief is bij het Woord van de verzoening. Het is de drangreden achter onze oproep, achter het Evangeliebevel: Laat u met God verzoenen.
 
Want?
Denk na. Luister. En…: Kijk, in gedachten! Eerst naar uzelf, en dan naar Hem.
a. Wie zijn wij? Wat voor soort mensen zijn wij?
David zegt: wij zijn in zonden ontvangen en in ongerechtigheid geboren (Psalm 51:7).

En Paulus zegt: we hebben allemaal gezondigd en we missen de heerlijkheid Gods (Romeinen 3:23).
Ons hart is een bron van één en al zonde. Misvormd door duizend zonden.
Corrupt, verloren, onbekwaam tot enig geestelijk goed en geneigd tot alle kwaad.
Je bent, jongens en meisjes, wij zijn: één en al zonde.
 
Alleen…, van jezelf zie je dat niet. Want we zijn ook geestelijk blind. Daarom is het nodig, dat de Heere onze dode ziel tot leven wekt. Dat Hij onze ogen opent en genade geeft om te zien en te geloven: ik ben zonde, ik ben verloren. En ik kan het zelf ook nooit meer goedmaken. Ik kan het wel proberen, maar het mislukt.
Is er nog een weg, Heere, om de welverdiende straf te ontgaan en tot genade te komen?
Ja! Kijk! Want u bent, wij zijn zonde. Maar kijk!


b. Wat een gepaste Zaligmaker. Voor een zondig mens als ik, u en jij.
Gepast omdat Hij de eniggeboren Zoon van God is. Gepast ook omdat Hij mens geworden is (DL II, 4).
Maar gepast vooral ook, omdat Hij nooit zonde gekend heeft. Zo Iemand hebt u nodig, voor uw verloren ziel. En zo Iemand heeft God gegeven tot verzoening voor de zonde.

Wat een gepaste Zaligmaker! Als u denkt aan uw zonde, gaat uw hart dan niet naar Hem uit? Zegt u dan niet met het Hooglied: Alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste (5:16)?
 
Mag ik u vragen: Wie is uw liefste? Waar houden jullie het meest van, jongens en meisjes?
Van de zonde? Breek er toch mee, stop er toch mee. Want die brengt je in de eeuwige ondergang.
Van de zonde, of van de Heere Jezus Christus? Juist omdat Hij (terwijl jij zoveel zonden hebt) geen zonde gekend heeft?

Zie het Lam van God, onbevlekt, onschuldig en onbesmet. Zonder een enkele zonde.
Wie u ook bent, zo’n Zaligmaker hebt u nodig. Niemand anders kan de last van uw zonden dragen, dan Hij alleen. Laat u dan door Hem met God verzoenen. Want: Hij heeft geen zonde gekend.
 
En (zo schrijft Paulus verder), Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij (God de Vader) zonde voor ons gemaakt. Dat brengt ons bij het tweede aandachtspunt:
 
2. Wat de Vader deed
Hij heeft Hem tot zonde voor ons gemaakt.
Het is een geloofsbelijdenis, vol blijdschap en verwondering.
Drie dingen staan er in deze belijdenis.
 
a. God heeft het gedaan. Dat is het eerste. Hij deed het.
Wat schittert daarin de bewogenheid en de weergaloze liefde van de Vader voor verloren mensen. De Vader had ons kunnen laten, waar we onszelf hadden gebracht. Hij had ons in toorn kunnen verslinden. Hij had ons zondermeer kunnen werpen in de eeuwige rampzaligheid. Maar Hij deed het niet. Hij deed iets anders.

b. Hij maakte (dat is het tweede) Zijn zondeloze, eniggeliefde Zoon tot zonde.
Zeker, je kan bij die uitdrukking tot zonde, denken aan een offer voor de zonde. Maar dat staat er niet. Er staat letterlijk: Hij maakte Hem tot zonde.

Al de zonden van de Zijnen werden op Hem gelegd. Allemaal. Steeds meer, en steeds meer. Van de ontelbare menigte van Zijn kinderen, van ontelbare zonden van ieder van hen. Terwijl ieder van ons moet zeggen: onze schuld is groot tot aan de hemel (Ezra 9: 6).
En dat alles werd op Hem gelegd.
 
Stel je voor, jongens en meisjes, heel veel kinderen hebben heel veel papiersnippers. En die gooien ze allemaal op jou. Op het laatst ben jij niet meer te zien. Je ziet alleen maar één grote hoop papiersnippers.
Zo was het bij de Heere Jezus ook. Al de zonden van al Zijn ontelbare kinderen werden op Hem gelegd. Hij was eigenlijk niet meer zien. Hij werd zonde.
 
Jesaja zegt: Al onze ongerechtigheden zijn op Hem aangelopen, op Hem gelegd (53:6).
Onze corrupte natuur, onze zonden, onze straf, letterlijk alles. De straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem (53:5).
 
En zo werd Hij, onze dierbare Zaligmaker, Zijn leven lang, maar vooral aan het einde van Zijn leven in Gethsémané en op Golgotha, door God gezien en behandeld in onze plaats: als zonde.
Alsof Hij gelijk was aan dat giftige, God-hatende, zielswoestende ding, dat zonde genoemd wordt (Spurgeon).

Dominee McCheyne zegt: God heeft al onze zonden op Zijn Zoon geladen, totdat er niets anders dan zonde te zien was. Hij leek één en al zonde. Niets was er van Zijn schoonheid te bekennen. God beschouwde Hem alsof Hij geheel en al zonde was.
 
Van Zijn schoonheid en heerlijkheid, als zondeloze Middelaar, was niets meer te bekennen. Hij liet Zich vrijwillig bedolven worden onder de schuld van de Zijnen.
Maar Hij bleef staande en droeg met al de liefde van Zijn hart al onze zonden, heel onze straf. Toen Zijn lichaam gebroken werd en Zijn bloed vergoten werd. Toen Hij in diepe verlating uitriep: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Mattheüs 27:46)
 
Zijn schoonheid lijkt verloren. Maar, wonder van Goddelijke wijsheid, daar ontvouwt zich juist Zijn schoonheid en heerlijkheid als Middelaar. In Zijn staan in onze plaats.

In Zijn dragen van onze striemen en van onze straf. De schoonheid, de heerlijkheid en de kostbaarheid van Zijn gebroken lichaam en vergoten bloed.
Ik, de Zondeloze, voor u, daar u anders de eeuwige dood had moeten sterven.
Ik, de Heilige, voor u, onheilige.
Ik, de Getrouwe, voor u, vol van ontrouw.
 
Onbekeerde vrienden, u weet het, u hebt het vaker gezien en gehoord: Deze Christus is alles voor ons. Hij is blank in Zijn heiligheid. Hij is rood in Zijn kostbare bloed. En Hij draagt als opgestane en overwinnende Koning de banier boven tienduizend. Al wat aan Hem is, is gans begeerlijk (Hooglied 5:10,16).
Laat u toch ook, want we hebben het over het motief, over de drijfveer van het Woord der verzoening, laat u toch ook met God verzoenen!
 
Het geeft ons zoveel goed gebracht.
Het heeft ons verlost van schuld en straf. Het heeft ons (naar de mate waarin de Heere ons geloof gaf) verlost van het zware juk van de zonde. Het heeft ons een nieuw juk gegeven, van onze Heere, Die zachtmoedig is en nederig van hart.

Het heeft een nieuwe richting gegeven aan ons leven. We willen de Heere van harte dienen en vrezen. Het heeft ons ook nieuwe hoop en verwachting gegeven voor de toekomst. Want de dingen van de wereld gaan voorbij, maar wij verwachten de stad die fundamenten heeft, waarvan de Kunstenaar en Bouwmeester God is (Hebreeën 11:10).

Het heeft ons diep vernederd. Maar daar hebben we van harte mee ingestemd toen God onze wil boog en brak. En dat heeft Hem verheerlijkt. En dat is Hij zo waard.
 
c. Want, Hij is zonde gemaakt (en dat is het derde): voor ons.
Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave (2 Korinthe 9:15).
 
Als u dat, beste vrienden, nog niet kent, als deze Christus voor u nog een vreemde is, dan is er voor u nog wel steeds een weg om behouden te worden.
Nog wel… Nog even…
En dus bidden wij u namens Christus (in grote ernst, want de dag van de genade gaat voorbij): Laat u met God verzoenen.

Blijft de zonde niet dienen. Blijft het niet zelf proberen, maar stem toch in met Gods plan tot redding van zondaars. Laat uw zonden van u afnemen. En laat die op Hem leggen, op het Lam Gods, dat de zonde van de wereld wegdraagt (Johannes 1:29).
Kom, buig u voor Hem, Die u bidt. En bid, bid zingend wat wij nu samen gaan zingen uit Psalm 51, het eerste vers.
 
Gemeente, het gaat in de preek van vanmorgen om de reden, om het motief, om de drijfveer van de dienst van de verzoening.
De Heere vraagt je, jongens en meisjes, om je met Hem te laten verzoenen. Om het goed te laten maken tussen de Heere en je zondige hart.
Want? Waarom?

a. Als eerste: omdat de Heere Jezus geen zonde gekend heeft. Hij was zonder zonde. Precies geschikt, precies gepast voor verloren zondaars.

b. Als tweede: omdat de Vader Hem zonde voor ons gemaakt heeft, zegt Paulus. Dat is precies wat je nodig hebt, als je een zondig hart hebt. Dat Iemand die zonde en de straf daarop van je overneemt.

c. En, als derde: omdat de Heilige Geest dat wat de Heere Jezus verdiend heeft, uit genade geeft.
Want, zo zegt Paulus: Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij (dat was het doel van Zijn lijden en sterven), opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem (zie ook Romeinen 1:16, 2:21-22).

Dat brengt ons bij ons derde aandachtspunt
 
3. Wat de Heilige Geest schenkt
Opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Je moet even terugdenken, jongens en meisjes, aan al die papiersnippers die allerlei kinderen over je heen strooien. Op het laatst ben je zelf één hoop papier.

Maar als de Heere je geloof geeft, als Hij je een nieuw hart geeft, dan legt Heere Jezus daar iets over heen. Hij bedekt je met iets. Hij bedekt je, zo zegt de Bijbel, met het kleed van Zijn gerechtigheid (Jesaja 61:10).
En jij, onder die grote hoop snippers, jij met al je zonden, zit daar dan onder.
Dat wil dus zeggen: als de Heere naar je kijkt, dan ziet Hij… Wat ziet hij dan?

Dan ziet Hij geen snippers meer, dan ziet Hij geen zonden meer, maar dan ziet Hij dat kleed! Maar jou ziet Hij niet.
Hij ziet dat kleed. En dat kleed is de gerechtigheid van Christus. Dat is alles wat de Heere Jezus verdiend heeft. Dat is (sterker nog): hoe Hij, de Heere Jezus Zelf is voor God.
 
Als de Heere zonder de Heere Jezus naar ons kijkt, dan ziet Hij één grote hoop vuile snippers, één grote hoop zonde.
Maar als Heere met of door de Heere Jezus daartussen naar ons kijkt, dan ziet Hij… het kleed van de Heere Jezus, dan ziet Hij Hem. In Wie geen vlek of rimpel is.

Dan ziet Hij de Heere Jezus, de HEERE, onze gerechtigheid (Jeremia 23:6). Dan ziet Hij geen zonden in Zijn Jakob en geen overtreding in Zijn Israël.
 
Want, dan heb je gekregen wat van Hem was. Dan heb je Hem Zelf gekregen. En Hij heeft me, met al je zonden, voor Gods heilig oog bedekt. Op je eigen rekening stond alleen maar schuld. Alles wat je moest betalen, allemaal rode cijfers. Maar God heeft die rekening veranderd. Alles van jou is doorgestreept, en alles van de Heere Jezus is erbij geschreven.
 
Van zonde gemaakt tot rechtvaardigheid.
Van dat giftige, God-hatende, zielsverwoestende ding, tot dat liefelijke, God verheer-lijkende, glorierijke, namelijk: rechtvaardigheid. Tot een herstelde, verzoende verhouding met God.
Alsof ik zelf nooit enige zonde gedaan had.
 
Christus heeft de wet voldaan. Hij heeft ons, zo zegt Paulus, verlost van de vloek, een vloek geworden zijnde voor ons (Galaten 3:13). En Hij heeft onze dood overwonnen door Zijn dood.
En dat alles wordt hier in de tekst genoemd Gods rechtvaardigheid.

Die is van God. Daar zit niets van ons bij.
Die is door Gods wijsheid uitgevonden. Want alle dingen zijn uit God.
Die is door Christus verdiend.
Die is door God de Vader aanvaard. Want die rechtvaardigheid is van Christus.

En die is door de Heilige Geest van God geschonken.
En dus staat er: Christus is zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.
Dat wil zeggen: door één te zijn met Hem. Met Christus. Door een waar geloof.
 
Daar komt er dus op aan: heb ik iets van dat ware geloof, dat verenigt, dat één maakt met Christus? Dat mij aan Hem verbindt, zoals het lichaam aan een hoofd verbonden is?
Als dat zo is, dan staat Hij voor mij, dan staat Hij tussen God en mij. Dan bedekt Hij mij, die zonde ben. En dan ben ik rechtvaardigheid in Hem.
Dan zeg ik met Luther: U, o Heere Jezus, bent mijn gerechtigheid, en ik ben Uw zonde.
 
Staat dat geloof rotsvast in zichzelf?
Ik ben rechtvaardig? Ik ben rechtvaardigheid voor God?
Nee, dat geloof valt om. Want de kracht van het geloof is niet gelegen in wat ik heb of in wie ik ben. De kracht van het geloof is gelegen in Christus, naar Wie ik mijn lege hand uitsteek. De kracht, de zekerheid ligt buiten ons. Want deze rechtvaardigheid wordt genoemd: de rechtvaardigheid van God, in Hem, in Christus.
 
Dat oprechte geloof wordt vaak bestreden. Zondag 23 van de catechismus zegt: mijn geweten klaagt me aan, dat ik tegen al Gods geboden zwaar gezondigd en geen van die gehouden heb. En dat ik nog steeds tot alle boosheid geneigd ben.
En de duivel belaagt me en probeert me te verleiden tot zonde. En ik zelf heb geen kracht om een ogenblik staande te blijven.

Maar, zegt het geloof: alle dingen zijn uit God.
God schenkt mij, zonder enige verdienste van mij, uit louter genade, de volkomen genoegdoening, gerechtigheid en heiligheid van Christus, als had ik nooit zonde gehad of gedaan, ja, als had ik zelf al de gehoorzaamheid volbracht, die Christus voor mij volbracht heeft, in zoverre (en dan komt het) ik zulke weldaad met een gelovig hart aanneem.

In zoverre de Heere mij genade gegeven heeft en steeds weer geeft om gelovig te zien op Jezus. En te zeggen: Ja, amen, Heere, als U het zegt, als U het belooft, dan is het waar. Want U bent geen man die liegen zou, of een mensenkind dat het U berouwen zou (Numeri 23:19). Uw gewisse belofte is waar. Mij geschiede naar Uw woord.
 
Kennen jullie iets van dat geloof, jongens en meisjes?
Iemand die gelooft, is net als een bedelaar. Die eerlijk zegt: ‘Ik heb niks. Ik heb nog geen geld om te eten. Mag ik wat van u?’

Zeg dat alsjeblieft ook tegen de Heere: ‘Heere, ik heb niets. Alleen maar zonde. Ik heb zoveel verkeerde dingen gedaan. Alstublieft, Heere, hier is mijn lege hand. Alstublieft, mag ik genade van U? Wees mij, zondaar, genadig? Geeft U me alstublieft wat ik niet verdiend heb? Vergeving van al mijn zonden en een nieuw hart?’
 
Kent u iets van dat geloof, gemeente? Van dat geloof, dat als een arme zondaar aan Christus verbindt? Van dat geloof, dat altijd weer leeg is in zichzelf, vragend, afhankelijk, arm en niets bezittend? Van dat geloof, dat om Christus wil teruggebracht heeft en terugbrengt in de vrede met God? Tot verwondering, tot vernedering, tot ootmoed en tot innige blijdschap?

Waarom, o Heere? Ik kan het niet begrijpen…
Waarom? Om Mij, om Mijn eeuwige welbehagen.
Want, zo staat in vers 19, God(!) was in Christus de wereld met Zichzelven verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende, en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.
 
Kent u iets, gemeente van dat geloof? Van dat vaak bestreden en aangevochten geloof, dat vast is buiten ons, dat vast is in God?
Ik bedoel geen zelfgemaakt, geen zelfgekozen geloof. Want (het woord zegt het al) dat is van je zelf. Het echte geloof is een gave van God.
 
U zegt: ‘Maar hoe weet ik, of mijn geloof dan echt is?’
Laat ik het zo zeggen: dan bent niet u bij de Zaligmaker gaan passen, omdat u zelf steeds geschikter werd voor Hem. Maar dan is de Zaligmaker bij u gaan passen, omdat Hij steeds geschikter werd voor u.

Zijn zondeloosheid en heiligheid is steeds meer gaan passen bij uw doorleefde verlorenheid. U hebt genade gekregen als antwoord op uw roep: Gena, o God, wees mij zondaar genadig.
Zijn overgegeven zijn aan de dood van het kruis is steeds meer gaan passen bij uw totale onvermogen om er nog nooit iets van te maken. Want door de werken der wet zal geen vlees gerechtvaardigd worden voor God (Romeinen 3:20).

En zo is er plaats gemaakt in uw hart en leven voor Gods rechtvaardigheid in Christus, u toegerekend en geschonken.
Genade voor een doodschuldige. Gratie verleend aan een ter dood veroordeelde.
 
Tot slot, kinderen van God, geliefde medechristenen, gebruik deze tekst van vanmorgen voor u persoonlijk, biddend, tot een vijfvoudig doel.

a. Gebruik deze tekst in de eerste plaats tot versterking van uw geloof.
Laat het veel onze overdenking zijn: Door Zijn striemen is ons genezing geworden. Om onze overtredingen is Hij verbrijzeld. Al onze ongerechtigheden heeft God op Hem doen aanlopen.

b. Gebruik deze tekst in de tweede plaats om uw liefde aan te wakkeren.
Want wat schetst deze tekst de weergaloze liefde van God en Christus. Wij waren verloren en moesten voor eeuwig omkomen. Wat als de Heere ons gelaten had? En als we zelf de straf hadden moeten dragen?
Hoe, onbekeerde vrienden zal het zijn, als u het daar op laat aankomen?

c. Gebruik deze tekst in de derde plaats tot uw blijdschap en verwondering. Christus heeft ons verlost van de vloek van de wet, een vloek geworden zijnde voor ons. En nu is er geen verdoemenis meer voor degenen die in Christus Jezus zijn (Romeinen 8:1).

d. Gebruik deze tekst in de vierde plaats tot waarschuwing en om te waken in het gebed.
Want als wij gebracht zijn tot rechtvaardigheid in Christus, is het gevaar zo groot dat we toch weer terugvallen in de zonde en in het zoeken van onze eigen rechtvaardigheid.

e. Gebruik deze tekst in de vijfde plaats tot kinderlijk opzien tot het Vaderhart van God.
Want het was de Vader, Die Zijn Zoon zond.
En het was de Vader, Die al de schuld en de zonden van ons op Hem legde.
En het was de Vader, Die Hem de vloek deed dragen, die van ons was.

Golgotha laat ons zien Wie Christus is en wil zijn voor verloren zondaars.
En Christus laat ons op Golgotha zien Wie de Vader is. En welk een vader de Vader is voor al de Zijnen, die Hij aanziet in het aangezicht van de Zoon van Zijn liefde.
 
Onbekeerde vrienden, dit is de enige weg tot uw behoud. Welke andere weg u ook gaat, hij komt uit in het eeuwige verderf. Wij zijn gezanten van Christus wege, alsof God door ons bad. Wij bidden u van Christus wege, namens Hem… (Is dat ooit vertoond? Dat een koning zijn opstandige onderdanen bad? En toch doet Hij het, nu, voor u!). Wij bidden u van Christus wege: Laat u (ook) met God verzoenen.
 
Waarom?
Omdat de weg geopend is. Een weg die God glorie toebrengt, die Christus verheerlijkt en u de eeuwige zaligheid wil geven.
Want Dien, die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.

Verhard u niet. Maar laat u met God verzoenen.
 
Amen