Aanschouw het verbond · Psalm 74

Aanschouw het verbond (Psalm 74)
Preek Psalm 74:20: Aanschouw het verbond, want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.

Thema preek Psalm 74: Aanschouw het verbond

Vers-voor-vers uitleg van Psalm 74

LEESPREEK

Preek Psalm 74: Aanschouw het verbond

1. Vers-voor-vers uitleg

’t Is korter of langer na de wegvoering van Juda naar Babel. Het is zelfs geen oorlogstijd meer. De oorlog is verloren, het land is bezet, en heel veel mensen zijn gedeporteerd naar Babel.
’t Is een sombere tijd.
Kijk maar naar vers 3: De vijand heeft alles in het heiligdom verdorven (ontheiligd).
Kijk maar naar vers 7. Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet, ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd. De tempel is in brand gestoken en met de grond gelijk gemaakt.
Kijk maar naar vers 9: Wij zien onze tekenen niet. Er is geen teken meer van Gods aanwezigheid. En er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet hoe lang (deze ellende gaat duren).
’t Is een sombere tijd.

Maar, kijk eens om je heen…
In je gezin, naar je groter wordende kinderen en kleinkinderen…
In de gemeente, in onze samenleving…
Want wat is er nu eigenlijk nog over van de dienst van de Heere?
Kerken zijn er nog genoeg. Maar eenmaal dichtbij gekomen zie je dat je voor 2,50 euro naar binnen mag om de nieuwste tentoonstelling te bekijken.
Maar ook dichterbij…
Hoe is het met de dienst van de Heere bij ons?
Hoe is het met ons respect voor de Naam van de Heere? Voor de dag van de Heere, de zondag? Voor de instellingen van de Heere?

Een beroerde tijd… was het toen, en is het nu.
Psalm 74 is hoogst actueel. Hij gaat over toen, maar ook over nu.

Een onderwijzing van Asaf, waarschijnlijk een nakomeling van de grote Asaf, uit de tijd van koning David.
Laten we samen eens luisteren naar wat hij zegt, naar wat hij zingt:

Zijn psalm begint met een klacht.
In vers 1 valt Asaf met de deur in huis: O God, waarom verstoot U in eeuwigheid?
Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?
Heere, denk aan ons (vers 2), want alles is door de vijand verwoest (vers 3).
Vroeger woonde U zichtbaar onder ons door Uw tekenen (vers 9). Maar die zien we niet meer. De vijand heeft zijn tekenen er voor in de plaats gezet (vers 4): hun vlag, hun manier, hun afgoden.
Met houwelen, met hamers, met mokers hebben ze alles kort en klein geslagen. En daarna in brand gestoken (vers 6-7). En nu is alles weg.
Zelfs Uw Woord zwijgt. Want er is zelfs geen profeet meer over (vers 9).

Het is om van te huilen!
Hoe lang, Heere, gaat het duren?
Zal het ooit ophouden? Duurt het in eeuwigheid? (vers 10)
Waarom, Heere, hebt U Uw hand van ons afgetrokken?

Zoals je dat ook in deze tijd kan denken, kan zuchten.
Misschien is het ook wel uw zucht: Alles is stuk… Zou het ooit nog goed komen…?
In mijn persoonlijke leven, op school, op mijn werk?
In mijn huwelijk, in ons gezin, met mijn kinderen?
In mijn hart?
Het ging zo goed. Ik had hoop, we waren optimistisch gestemd. Maar alles lijkt in rook opgegaan…

Maar dan gebeurt er iets bij deze Asaf. Hij begon met een klacht.
Maar in vers 12 gaat zijn blik omhoog: Evenwel is God mijn Koning vanouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.
Tegenover al die ellende staat ineens: Maar God!

Die ons ook nu voor ogen geschilderd wordt in Zijn almacht en trouw.
Hoe groot, hoe machtig bent U, o Heere! Als we midden in onze ellende en hulpeloosheid aan U denken
Vers 13: U hebt door Uw sterkte de zee gespleten (de Rode Zee), U hebt de koppen der draken (de krokodillen in de Nijl) in de wateren verbroken.
Vers 14: U hebt de koppen des leviathans verpletterd (de machtige vorsten van farao);
U hebt hem tot spijze gegeven aan het volk in dorre plaatsen (nadat zij verdronken waren, liggend op de oever van de Rode Zee).
Vers 15: U hebt een fontein en beek gekliefd (toen er water uit de rots kwam in de woestijn), U hebt sterke rivieren uitgedroogd (toen we te voet door de Jordaan gingen).
Sterker nog! Hoe groot bent U, Heere, de Machtige boven alle dingen op deze aarde!
Vers 16: De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; U hebt het licht en de zon bereid. In zes dagen hebt U dat alles gemaakt.
Vers 17: U hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt U geformeerd.
Het is (door betraande ogen en midden in al de ellende) één grote vingerwijzing omhoog: O Heere, Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan!

Dus: eerst (a) een klacht, nu (b) een vingerwijzing omhoog, en dan…: een gebogen hoofd, gebogen knieën, een ootmoedig en krachtig gebed, vol vertrouwen.

Vers 18. Gedenk hieraan (Heere, denk aan alles); de vijand heeft de HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
Met andere woorden: Denk, Heere, aan de eer van Uw Naam.
Pleitend op, wijzend naar de eer van Gods Naam.

Een sterkere pleitgrond is er bijna niet.
‘In ons is geen recht. Heere, ons oordeel is verdiend. Maar, Heere, wat zult U toch met Uw grote Naam doen?
Als … mijn werk afbreekt?
Ze zullen zeggen, dat U kennelijk niet voor me hebt gezorgd!
Als… ons huwelijk strandt?
Ze zullen zeggen, dat U wel beloofde ‘ons bij te zullen staan, zelfs als we het niet meer
zouden verwachten’, maar dat U ons toch in de steek gelaten hebt!
Als… onze kinderen steeds verder van U weggaan en straks voor eeuwig omkomen?
Ze zullen zeggen, dat U het niet echt meende, toen U beloofde: ‘Ik zal u tot een God
zijn!
Als… mijn ziel, Heere, niet gered wordt?
Ze zullen zeggen: die arme tobber vertrouwde op God, maar tevergeefs!
Heere, wat zult U dan toch met Uw grote Naam doen??
U hebt het toch beloofd: Ik doe het niet om uwentwil, gij huis Israëls, maar om Mijn heiligen Naam? (Ezech. 36:22)
Een eerste pleitgrond: de eer van Gods Eigen Naam. Een vaste grond voor iedere oprechte bidder.

Asaf gaat verder in vers 19: Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.
Een hartelijk beroep op Gods liefde en bewogenheid met Zijn volk.
Dat zucht (ook nu zo vaak) in de nood en ellende van het hart.
Maar hoe…?
We zijn wel diep ellendig, maar Heere, we zijn toch Uw ellendigen? Vergeet ons niet!
We zijn wel machteloos en weerloos als een tortelduif, maar Heere, we zijn toch
Uw tortelduif? Door Uw genade (zo zegt de kanttekening: geestelijk en inwendig schoon, eenvoudig, zachtmoedig en aan U getrouw.
Maar zo vaak (ook nu) wenend, huilend, klagend: Heere, vergeet onze hoop niet!
Stille zuchten in het hart van Gods kinderen, die nooit onverhoord zullen blijven.
Om (a) de eer van Gods Eigen Naam.
Om (b) Zijn liefde tot hun zielen.

Asaf gaat verder in vers 20-21: Aanschouw het verbond, want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld. Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren, laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.

Aanschouw het verbond… Heere, mogen wij U biddend vragen te kijken, heel aandachtig te kijken naar Uw verbond?
Wat is dat, jongens en meisjes, een verbond? Het verbond?
Een verbond zou je een ‘officiële afspraak tussen twee partijen’ kunnen noemen.
Twee partijen sluiten een akkoord.
Bijvoorbeeld aan het einde van een oorlog, zoals nu in Oekraïne.
Als die oorlog voorbij is, dan gaan de twee partijen die oorlog voerden (in dit geval de Russen en de Oekraïners) een akkoord van vrede sluiten, een verbond, een vredesverbond

Zo sloot God ook een verbond met Abraham.
Ons doopformulier vertelt wat er toen precies gebeurde.
Toen zei de Heere tegen Abraham: Ik zal Mijn verbond (een verbond van de vrede, een verbond van genade) oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God en uw zaad na u.

De Heere(!) zei tegen Abraham: Ik zal u en uw kinderen, uw nageslacht, tot een God zijn.
En Abraham zei tegen Heere…?
Niets…

Het verbond van de Heere (waar het hier over gaat, als Asaf zegt: ‘Kijkt U alstublieft naar Uw verbond’), dat verbond van de Heere met Abraham was een eenzijdig verbond.
Dat wil zeggen: dat kwam van één zijde, van één kant. Dat kwam bij de Heere vandaan!
Een vredesverbond, vol genade voor zondige mensen.
Een genadeverbond.
En de Heere nam Abraham op in dat verbond. En zo verbond God Zijn Naam aan Abraham en ook aan heel het volk Israël.

En daarvan (van dat verbond) kreeg Abraham een teken: de besnijdenis.
Dat teken herinnerde hem er altijd aan: God wil dat ik bij Hem hoor. Hij wil uit eenzijdige genade mijn God zijn. Dat heeft Hij beloofd!

Van dat verbond van de Heere kreeg Abraham het teken van de besnijdenis.
En van datzelfde verbond krijgen en kregen wij het teken van de Heilige Doop.
Een teken dat ons er altijd aan herinnert: God wil dat we bij Hem horen. Hij wil uit genade onze God zijn. Hij wil ons genadig zijn. Dat Heeft Hij beloofd!

En wat doet Asaf nu hier, in Psalm 74?
Hij zegt: Heere, kijk toch naar dat verbond! Denkt U toch alstublieft aan wat U gezegd, aan wat U beloofd hebt.
Heere, denk toch terug aan het moment dat U dat zei, boven ons hoofd: Ik zal u tot een God zijn en uw zaad, uw kinderen na u.
Heere, aanschouw het verbond, dat verbond van genade, Uw genadeverbond.
Waar U Abraham in opnam.

Dat deed U, hij kon daar niets aan bijdragen.
U had dat verbond eigenlijk in de eeuwigheid al gesloten met Uw Zoon!
Toen Hij beloofde te zullen komen, om te lijden en sterven voor verloren zondaars.
Toen U beloofde Hem Uw kinderen te zullen geven als loon op Zijn werk.
Dus als Asaf zegt ‘Heere, aanschouw het verbond’…
Dan zegt hij dus niet: ‘Heere, kijk toch naar mij…, want ik ben zo ellendig en zo naar… Nee, dan zegt hij eigenlijk: Heere, kijk toch naar HEM, met Wie U Uw verbond sloot. Kijk, Heere, toch naar de Heere Jezus Christus, naar de Middelaar van het verbond.
Naar wat Hij deed en leed aan het kruis, naar het bloed van het verbond.
En denk dan toch aan dat wat U, om de Heere Jezus wil, beloofd hebt, aan de eed van het verbond.
En houdt U daarom toch aan Uw belofte: Heere, doe wat U gesproken hebt (2 Sam. 7:25).
Denk, Heere, toch aan wat U beloofd hebt.
U houdt toch trouw Uw Woord? U bent toch geen God, Die liegen zou? (Num. 23:19)
U hebt toch gezegd: Wie Mij aanroept nood, vindt Mijn gunst oneindig groot? (Ps. 86:3♫)
U hebt toch nooit gezegd: Zoek Mij tevergeefs? (Jes. 45:19)

Heere, doe dan wat U beloofd hebt.
Voor de eer van Uw Christus, voor Zijn volbrachte werk aan het kruis!
Voor de eer van Uw Heilige Geest. Laat Hem toch eer krijgen, door Christus groot te maken!
En voor de eer van Uw Eigen Naam. Want wat zou U anders met Uw grote Naam doen?
Drie krachtige gebeden, drie sterke gronden om op te pleiten:
a. Heere, Uw eer…!
b. Heere, wij zijn toch van U? Uw ellendigen?
c. En: Heere, aanschouw verbond.

Maar wanneer zeg je dit met heel je hart? En hoe?
Kijk maar naar deze Asaf. Toen hij diep in zijn hart besefte, hoe klein hij was voor de grote God, de Schepper van hemel en aarde! (vers 16-17). En dat hij zelf machteloos was, en zijn eigen nood niet kon oplossen.
Toen ging zijn blik omhoog. Toen zei hij: Ik ben wel ellendig, maar U, Heere, bent mijn Koning! En ik ben Uw ellendige (vers 12).
Ik heb van mezelf niets. Maar uit de diepten hef ik mijn oog omhoog. Want U hebt alles!
Heere, denk dan aan het Woord gesproken tot Uw knecht, waarop U mij verwachting hebt gegeven.
We gaan het samen zingen uit Psalm 119:25:
Gedenk aan ’t woord, gesproken tot Uw knecht,
Waarop Gij mij verwachting hebt gegeven;
Dit is mijn troost, in druk mij toegelegd,
Dit leert mijn ziel U achteraan te kleven;
Al ’t geen Uw mond aan mij had toegezegd,
Gaf aan mijn hart vertroosting, geest en leven.


Aanschouw het verbond.
Het is de derde pleitgrond in dit gebed van Asaf, die ik in deze dienst met Gods hulp wat verder en ook wat persoonlijker wil uitwerken.
Door me te richten tot verschillende soorten van mensen onder u.

2. Toepassing

Onbekeerden

  1. In de eerste plaats wil ik mij richten tot de onbekeerde volwassenen in het midden van de gemeente.
    Ik moet eerlijk tegen u zijn, en dus moet ik eerlijk tegen u zeggen: U kent dit verbond niet. Het geeft u geen hoop in uw ellende, geen troost in uw verdriet.
    En dat ligt niet aan God. Hij heeft U vaak genodigd, om binnen dat verbond te komen.
    Maar tot nu toe hebt u dat geweigerd.
    De voorwaarden van het verbond (om dat zo maar even te noemen) bevielen u niet:
    De hoop op jezelf opgeven… Je verlorenheid erkennen… En instemmen met Gods manier van zalig maken…
    Geen voorwaarden waarmee iets van u werd verwacht. Integendeel!
    De voorwaarde was dat u slechts wilde instemmen met het feit dat er van u niets meer te verwachten was.
    Maar dat was u te min…

God is er niet door veranderd.
Ooit zei Hij tegen u, en Hij zegt het steeds weer, ook nu vanmorgen: Ik zal u tot een God zijn.
Het is niet zo dat Hij onbetrouwbaar is gebleken.
Maar iedere keer weer antwoordde u: ‘Dat wilt U, Heere, misschien wel, maar ik wil dat niet! Ik wil Uw onderdaan niet zijn. Ik wil niet dat U Koning over mij wordt!’

U mist veel.
U bent arm. U bent ellendig. U bent verloren.
U veracht Christus, de Middelaar van het verbond. Anders zou u wel voor Hem buigen.
U veracht het bloed van het verbond. Anders zou u er wel gebruik van maken.
U veracht de belofte van het verbond. Want u gelooft hem niet.

Wat er midden in die ellende voor u overblijft?
Wat? Wie?
God! De betrouwbare God van het verbond! Die altijd Zijn woord houdt.
En Die na tal van afwijzingen van uw kant, Zijn belofte nog steeds niet veranderd heeft. En u nog steeds liefdevol en betrouwbaar nodigt.
Wie is slecht, hij kere zich herwaarts en kome tot Mij! (Spr. 9:4,6)
Keert weder, gij afkerige kinderen; Ik zal uw afkeringen genezen (Jer. 3:22).
Zo hartelijk! Zo oprecht!
Zou je dan je verzet niet opgeven? Je trots (dat je niet buigen wil), je voorbeeldigheid (dat je niet slecht wilt heten)? En zeggen: (Heere), Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want U bent de HEERE onze God (Jer. 3:22)? Neem ons toch in Uw genade aan?
Laat uw zonden toch afwassen en roep de Naam des Heeren aan (Hand. 22:16)!

Oprecht gelovigen

  1. Ik wil me in de tweede plaats richten tot u, kinderen van God, oprecht gelovigen.
    U vindt houvast in dit verbond. Daarin ligt voor ons een sterke pleitgrond in ons bidden.
    Hoe donker ooit Gods weg moog wezen:
    In het persoonlijke leven van onze ziel: God kwijt, donker, strijd, aanvechting, twijfel, ingezonkenheid, biddeloosheid, ontrouw…
    In alle zorgen van deze tijd: op het werk, financieel, in je gezin, met je kinderen…
    Denkend aan je gedoopte, maar verdwaalde kinderen…
    Hoe donker ooit Gods weg mag zijn, midden in de woestijn is er de vuurkolom!

Midden in onze ellende is: God! En we weten dat we Zijn ellendigen zijn!
Bij Wie we onze nood klagen: Waarom, Heere (vers 1, 11)? Hoe lang, Heere (vers 10)?
Tot Wie we ons oog en ons hart richten, wetend Wie Hij is: zo getrouw als sterk!
Tot Wie we roepen.

O, wat een gelukkige uitweg.
Het vraagt niets van onszelf. Want we hebben niets.
Maar in onze Heere is alles: eenzijdig, alles!
Eenzijdige liefde tot ons, in onszelf verloren mm.
Eenzijdige genade om het bloed van het verbond, voor mensen die niets verdienen, dan alleen het oordeel.
Eenzijdige hulp, besteld bij een Held, de Heere Jezus Christus (Ps. 89:20).

En dus roepen we: Heere, wij zijn toch Uw volk? Heere, wat zult U toch met Uw grote Naam doen? Als ik omkom? Als mijn kinderen omkomen?
Gedenk aan Uw verbond.
Het is een pijnlijk gebed. Want het geeft aan dat er van onszelf niets te verwachten is.
Het is tegelijkertijd ook een gebed wat in alle moeite en verdriet zoveel hoop geeft.

Biddende mensen, biddende ouders, godvrezende broeders en zusters, misschien wel met groot verdriet om familieleden of vrienden.
Bid! Eenvoudig, rechteloos in jezelf:
Heere, om de eer van Uw Naam! Verder heb ik zelf geen enkel recht.
Heere, we zijn toch Uw volk, Uw ellendigen!
Nu dan, Heere, aanschouw Uw verbond.
Verheerlijk Uw heilige Naam.
Maak Uw Christus groot.
En geef eer aan de Uitvoerder van Uw beloftewoorden, de Heilige Geest!

Zo ook bidden, ouders, om het zielenheil van je kinderen: Heere, aanschouw Uw verbond.
U hebt het toch beloofd: Ik zal niet alleen u, maar ook uw kinderen tot een God zijn!
Zo bidden, mensen gebukt en gebogen onder de last van uw zondeschuld: Heere, aanschouw Uw verbond.
U hebt het toch beloofd: Ik zal hun ongerechtigheden genadig zijn (Hebr. 8:12)?
Zo bidden, kinderen van God, gebukt en gebogen onder de last van uw oude hart, onder de koudheid van uw ziel: Heere, aanschouw Uw verbond.
U hebt het toch beloofd: En Ik zal u een nieuw hart geven, en zal een nieuwe geest geven
In het binnenste van u; en Ik zal het stenen hart uit uw vlees wegnemen, en zal u een vlezen hart geven (Ezech. 36:26)?
Zo bidden, in alle moeite en zorg van dit tijdelijke leven: Heere, aanschouw verbond
U hebt het toch beloofd: Wanneer u zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstromen; wanneer u door het vuur zult gaan, zult u niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken. Want Ik ben de HEERE uw God, de
Heilige Israëls, uw Heiland (Jes. 43:2-3)?
Alles wat de Heere beloofd heeft, zal bestaan!

Kinderen

  1. In de derde plaats wil ik graag iets tegen jullie zeggen, jongens en meisjes,
    gedoopte kinderen (en ook gedoopte ouderen)
    Jongens en meisjes, de meesten van jullie zijn gedoopt. En je weet (als het goed is), wat dat betekent. Toen je gedoopt werd, zei de Heere tegen je: Ik zal ook jouw God zijn.
    De God van je vader, van je moeder, van je broers en zussen, en ook jouw God.

En, het is vaker tegen je gezegd, en ik zeg het vanmorgen nog een keer: Als de Heere iets aan je belooft, dan kan je ervan op aan! De Heere liegt niet. Het is echt waar!

Alleen, als de Heere iets aan je belooft, wat je niet waard bent, dan moet je niet zeggen:
‘O, mooi, dank U wel’, en gewoon weer verder gaan met je leven zonder de Heere.
De belofte van de Heere is eigenlijk ook een vriendelijke en lieve klop op de deur van je hart: ‘Kom nou. Loop nou niet langer weg. Je bent Me kwijt. Je bent weggelopen. En je loopt nog steeds weg, steeds verder. Kom terug.
Ga Me zoeken. Ga Me zoeken in de Bijbel. En ga bidden. Dan zal je Me vinden!’
Dat heeft de Heere je belooft. En dat doet Hij vanmorgen weer.
En beloofd is beloofd. Hij zal het doen.

Dus, jongens en meisjes: zoeken (in je Bijbel; door zelf te lezen of goed te luisteren)
En bidden!

Je zegt: Dat is moeilijk!
Maar luister. Maak het niet moeilijker dan dat het is.
Bidden hoeft niet mooi te zijn. Je gebed is geen opstel, geen repetitie, geen spreekbeurt.
Kijk maar naar Asaf.
a. Hij begint zijn bidden met een klacht. Dus: Hij vertelt wat er aan de hand is.
Dat kan jij ook, zeggen: ‘Heere, ik heb geen nieuw hart. Ik doe zo vaak zonde. Ik vind het zo moeilijk om naar U te luisteren.’
b. Dan zegt hij hoe groot de Heere is: U hebt en alles gemaakt.
Dat kan jij ook, zeggen: ‘Heere, U kunt toch alles!’
c. En dan wijst Asaf naar Gods verbond: Heere, alstublieft, doe wat U beloofd hebt.
Dat kan jij ook, zeggen: ‘Heere, kijk eens naar mijn voorhoofd. Ik ben gedoopt.
U hebt beloofd, dat U mijn God wilde zijn. Heere, alstublieft, doe dat om Jezus’ wil.
Dus, wat moet je doen? Welke weg wijst de Heere je?
Zoeken in de Bijbel: stil lezen, goed luisteren.
En op een stil plekje bidden:
‘Heere, ik heb nog geen nieuw hart.
Maar U kunt alles.
U kunt en wilt dat aan me geven. Dat hebt U beloofd!
Doe dat dan, Heere, alstublieft, om Jezus’ wil?’
De Heere God zal je zeker verhoren. Hij heeft het beloofd!

Catecheten

  1. In de vierde en laatste plaats wil ik nog kort niet zeggen tegen catecheten, jeugdwerkleiders, docenten.
    Je kan er aan het begin van het seizoen tegenop zien: om leerlingen, om jongeren de goede weg te wijzen op weg naar de eeuwigheid.
    Toch is dat je belangrijkste taak en roeping.

Er is maar één manier om je werk met zegen te doen!
En dat is: biddend.
En wat moet je dan bidden? En wat mag je dan bidden?
Dit: Heere, aanschouw het verbond.

U hebt Uw Naam over deze kinderen en over deze jongeren uitgesproken.
Uw eer is ermee gemoeid. Doe, Heere, wat U beloofd hebt!

Werp ze biddend op Gods barmhartigheid en beloftewoord, en je werk zal vrucht dragen.
Want God heeft het beloofd. En Hij zal Zijn waarheid nimmer krenken, maar eeuwig Zijn verbond gedenken (Ps. 105:5, ber.)

Amen.

Links bij preek Psalm 74: Aanschouw het verbond
Op U geworpen van baarmoeder af (Psalm 22) – advent
– God hoort roepen van jonge raven (Psalm 147)
– Vroeg zoeken, zullen vinden (Spreuken 8)
Hij zal Israel verlossen · Psalm 130
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Psalm 74

TERUG PSALMEN