Bekering moordenaar aan kruis – Lukas 23 – Goede Vrijdag

Preek Lukas 23:33-43: En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn.

Zie ook deze preek uit Johannes 19

LEESPREEK

De bekering van moordenaar aan het kruis
Ds. J. IJsselstein – Lukas 23:41-42
 
Liturgie:
Psalm 32:3
NGB 21
Psalm 86:3
Lezen Lukas 24:33-43
Psalm 38:1,4,6,18,22
Psalm 95:5
Psalm 25:3
 
Gemeente, de geschiedenis die we samen gelezen hebben, is een wonderlijke geschiedenis. Eén crimineel krijgt, na een verzondigd leven, berouw. Hij bidt de gekruisigde Christus naast hem om genade en gaat in, in het hemelse paradijs.

En een andere crimineel, die na een verzondigd leven blijft lasteren, komt voor eeuwig om.
En daartussen hangt de Zaligmaker, in diepe verachting (als was Hij een boevenkoning), in Zijn diepste lijden, terwijl Hij ondertussen in genade triomf voert over een verloren zondaar.

Als de Vriend van tollenaars en zondaars (zoals Zijn vijanden Hem spottend hadden genoemd), voor het laatst in gesprek, met een laatste vriend op aarde.
 
Ik vat het Schriftgedeelte dat we vanavond samen met elkaar overdenken samen met het voorlezen van de berouwvolle belijdenis en het ootmoedige gebed van één van die twee boeven. We lezen in Lukas 23:41-42:

En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn.
 
We overdenken vanavond: De bekering van één van de twee kwaaddoeners, van één van de twee criminelen, aan het kruis.
Het thema voor de preek is:

De bekering van de moordenaar aan het kruis

We letten op twee aandachtspunten:
     1. Het grote gevaar van uitstel van bekering
     2. Het onbegrijpelijke wonder van genade en vergeving

Als eerste dus:

1. Het grote gevaar van uitstel van bekering

Deze twee mensen zijn in levensgevaar. Waarom?
Er ligt een verzondigd leven achter hen en ze staan op de drempel van de ontmoeting met God, aan het begin van de eindeloze eeuwigheid.

Ze worden kwaaddoeners genoemd, boeven, criminelen, terroristen. Kwaaddoeners, net als wij…
Maar, of ze zo netjes geleefd hebben als wij, of ze iedere week naar de synagoge zijn geweest, naar de kerk zijn gegaan zoals wij, dat is nog maar de vraag. Het lijkt erop alsof ze geleefd hebben in openlijke zonden, zonder enig besef van de ernst van de zonde en van de aanstaande ontmoeting met God.
 
Zo hebben ze geleefd. En zo zijn ze van plan te sterven.
Iedereen spot met Jezus. ‘Anderen heeft Hij verlost, Zichzelf kan Hij niet verlossen. Als Hij Koning is, laat Hem dan afkomen van het kruis! Hij heeft op God vertrouwd, laat die Hem dan verlossen, als God Hem tenminste wil, als Hij Hem tenminste gunstig gezind is!’
 
Iedereen doet eraan mee, aan dat lasteren: het sanhedrin, de soldaten, de voorbijgangers, en (zo zegt Mattheüs): Hetzelfde verweten hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren (Mattheüs 27:44).
 
En zo sterft uiteindelijk ook die ene kwaaddoener, die ene crimineel.
Zijn leven was een verzondigd leven. En hij is er tot op het laatst mee doorgegaan. Tot op het laatst van zijn terechtstelling heeft hij de Zaligmaker bespot.

Er zijn einde was…: de dood. Paulus zegt: De bezoldiging van de zonde (het loon op de zonde) is de dood (Romeinen 6:23).
Het is een indringende waarschuwing aan het adres van mensen die, ondanks alle waarschuwingen, hardnekkig doorgaan op de weg van de zonde.
 
Je zegt: maar, met die andere man kwam het gelukkig op het laatst toch nog goed.
Ja, dat is waar. En over die man gaan we het vanavond verder hebben.
 
Maar de vraag is wel, voor wie die tekst over zijn bekering aan het kruis eigenlijk bedoeld is, voor wie die woorden eigenlijk bestemd zijn. Want Petrus zegt in 2 Petrus 3:16 dat wij mensen geneigd zijn om de Schriften te verdraaien, tot ons eigen verderf.

Hoe gemakkelijk kan je uit deze geschiedenis een verkeerde conclusie trekken!
Namelijk deze: op het laatst van mijn leven is er nog altijd een goede kans, dat ik met m’n hakken over de sloot in de hemel terechtkom.
 
Laat ik u vanavond die illusie voor eens en altijd ontnemen.
Niet om deze tekst betekenisloos te maken. Ik zou die graag citeren aan het sterfbed van iemand die zijn leven vergooid heeft in de zonde, en die in de benauwdheid van zijn ziel met een berouwvol en vrezend hart probeert te bidden om genade.

Geen Schriftgedeelte is gepaster en troostvolle in zo’n situatie als dit Schriftgedeelte.
Maar ik zeg u eerlijk, uw sterfbed zal anders zijn.
Wat zal het verschil dan zijn? Laten we het daar eerst eens over hebben.
Dan kijken we straks naar de vraag, waarom u hier echt niet op moeten rekenen.
 
Wat is het verschil tussen het sterven van deze moordenaar en het sterfbed van mensen zoals wij?
 
a. Dit is in de eerste plaats helemaal geen sterfbed. Dit is een openbare terechtstelling van een gezonde boef. Hij is levend, krachtig, helder en gezond.
De meesten van ons zullen of verongelukken, of sterven aan een ernstige ziekte.

In het eerste geval hebt u geen tijd meer voor uw bekering. Denkt u maar aan Psalm 73, waar staat dat wij mensen, staand op een gladde plaats, plotseling kunnen uitglijden, kunnen wegglijden en vallen in eeuwige verwoesting (Psalm 73:18).

In het tweede geval wordt uw lichaam geteisterd door koorts, gesloopt door pijn, gekweld door benauwdheid en misschien wel verdoofd door morfine. Er is geen energie, geen kracht, geen helderheid meer in u om te bidden, te lezen, te luisteren of te spreken. Kortom, dit is geen gewoon sterfbed. Dit is een openbare terechtstelling van een gezonde, sterke kerel.
 
b. Er is nog een tweede verschil tussen het sterven van deze moordenaar en het sterfbed van mensen zoals wij.
De man die hier sterft is een goddeloos mens, die zeer waarschijnlijk niet geleefd heeft onder de klanken van het Evangelie, zoals wij.

De meesten van ons die onbekeerd gaan sterven, gaan op dat moment niet alleen gebukt onder zwaar lichamelijk lijden of verdoving van hun geest (zoals ik u zei), maar zullen vooral gehinderd worden door een heel erg verhard hart. Verhard door de talloze malen dat u het Evangelie van vrije genade hebt veracht en het bloed van Christus hebt vertrapt.
 
Dus, dat u, kerkmensen, zult sterven zoals deze moordenaar aan het kruis, dat is hoogst onwaarschijnlijk. Daar moet u dus ook niet op rekenen.
Waarom nog meer niet?
 
a. In de eerste plaats omdat dit een zeldzaam voorbeeld is. Zeldzaam wat betreft het aantal van voorkomen in de Bijbel. We weten maar van één zo’n mens, die op de grens van de eeuwigheid gered is.
En trouwens, bovendien was er op datzelfde moment iemand bij, bij wie dat niet gebeurde.

Wie zegt dat u straks, in uw sterven, niet zal lijken op die andere man, die voor eeuwig verloren ging?
En bovendien waren de omstandigheden uitermate zeldzaam. Wie van ons zal ooit zo dicht bij de Zaligmaker sterven?
 
b. Ondertussen staat de Bijbel vol van andere voorbeelden die tegenovergestelde laten zien. Het is veel waarschijnlijker dat u sterven zult zoals Saul, Achab, Ahazia, Ananias of Saffira, Felix of Agrippa, of wie dan ook, dan dat u sterven zult zoals deze eenling.
 
c. In de derde plaats moet u uw redelijke verstand gebruiken als het gaat om de vraag: wanneer u de Heere moet gaan zoeken.

Moet je zoiets belangrijks uitstellen tot het laatste moment? Leer je je tentamens, je examens niet tijdig, van tevoren? Bereid je je niet tijdig voor op een sollicitatiegesprek? Op je aanstaande huwelijk? Op de geboorte van je kind? Op je huwelijksjubileum?
Terwijl je je niet tijdig voorbereid op je sterfdag?
 
Trouwens, waar baseert u de vermeende garantie op, als u denkt dat God (naar wie u in uw leven niet gevraagd hebt!) op het laatst toch nog naar u zal luisteren? Omdat u uw laatste levensuren aan Hem wilt wijden, en dat alleen uit eigenbelang?

En denkt u niet, dat als u eenmaal ziek bent (als u bestralingen of kuren moet ondergaan, als u in het ziekenhuis of op de intensive care ligt), denkt u niet dat als u eenmaal ziek bent, dat u dan vooral geneigd zult zijn om te bidden voor verlenging van levensdagen, in plaats van om genade?

En wie zegt, dat u ooit een sterfbed zult krijgen? Wie zegt, dat u niet zult verongelukken, of dat u niet stil in uw slaap zult sterven aan een hartstilstand?
En daarbij, is de mogelijkheid tot bekering op het randje van de eeuwigheid u echt aangeboden? Nee toch? Waarom rekent u daar dan stilletjes toch mee?
 
Reken niet op een sterven zoals dat van deze moordenaar!
Het is (als eerste) een zeldzaam voorbeeld. Er zijn (als tweede) heel veel andere voorbeelden, waarmee het slecht is afgelopen. Het is (zo zei ik u net) in de derde plaats ook onlogisch en onredelijk.
 
d. Neem daarbij in de vierde plaats dat de ervaring leert, dat de meeste mensen echt sterven zoals ze geleefd hebben.
De bekende bijbeluitlegger Matthew Henry zegt: Het is zeker, dat waar berouw nooit te laat komt. Maar het is ook even zeker, dat laat berouw zelden waar of oprecht is.

In uiterste blindheid kunnen we op ons sterfbed hopen, dat het toch nog goed zal komen. Zeker als gemirrede wijn, als de morfine niet alleen de pijn verzacht, maar ook ons denken verlicht, ons wat meer blijgeestig en goedsmoeds maakt, maar vergis u niet!
 
Geliefde gemeente, stel de dag van uw bekering niet uit! De bekering van een goddeloze op een sterfbed is een zeldzaamheid! Maar de bekering van een kerkmens op een sterfbed is een nog grotere onwaarschijnlijkheid. Heden, zo u Zijn stem hoort, verhardt uw hart niet (Psalm 95:7-8).
 
Gebruik uw tijd, gebruik uw genadetijd. Stel het werk van de bekering niet uit tot het moment dat u daar geen tijd meer voor hebt.
Reken niet op een tijd, waarvan u niet zeker bent of u die ooit zult krijgen.

Wees niet zo dwaas om het moeilijke werk van uw bekering te bewaren voor de meest moeilijke en pijnlijke dagen van uw leven.
En wees u er bovendien van bewust, dat bekering niet iets is wat u zelf kunt doen, op eigen commando tijdens uw laatste levensuren, want bekering is Gods werk.

Hoe eerder u het zoekt, hoe eerder u erom gaat vragen, des te eenvoudiger zult u het vinden.
De Spreukendichter zegt: Die de Heere vroeg zoeken, zullen Hem vinden (Spreuken 8:17). Hoe eerder u het zoekt, des te eenvoudiger u het zult vinden en des te meer troost en verzekering u ervan zult krijgen.

We hebben gezien het grote gevaar van uitstel van bekering, in de hoop op een gelijke bekering als van de man, op wie u echt helemaal niet lijkt!
 
Wij gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Het onbegrijpelijk wonder van genade en vergeving

Die twee kwaaddoeners lasteren, net als iedereen, de gekruisigde Heere Jezus. Totdat het aan de ene kant langzaam stiller wordt…
 
Wat is het toch geweest, wat die verandering bewerkstelligd heeft?
Was het middellijkerwijs dat wonderlijke gebed: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen (Lukas 23:34)?
Was het Zijn kalme, majesteitelijke stilzwijgen, te midden van spot en lastering?

Dat Hij, toen Hij gescholden werd, niet wederschold, en toen Hij leed, niet dreigde, maar het overgaf in de handen van Zijn Vader (1 Petrus 2:23)?
Of had deze ene moordenaar misschien toch al eens eerder dingen over Jezus gehoord?
Het was in ieder geval en zonder twijfel het bijzondere, verborgen werk van de Heilige Geest in zijn hart.
 
En één ding is duidelijk: was het kruis voor zijn collega aan de andere kant voor hem een reuk des doods ten dode, voor hem wordt het een reuk des levens ten leven.

Jezus heeft niet alleen gezegevierd als Overwinnaar in het verraad van Judas en in het behoud van Petrus, maar gaat nu ook (terwijl Hij met de misdadigers gerekend is) midden in Zijn lijden en stervend zegenvieren als Koning in de ondergang van die ene, en in de bekering van deze andere crimineel.
 
Want wat gebeurt er? We lezen het in vers 40 en 41: Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?
En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.
 
Vreest u ook God niet? Hij wel. Hij vreest God.
Misschien is dat wel het meest kenmerkende, ook in het uur van sterven, van een goddeloos en onbekeerd hart: Het vreest God niet. Er is geen vrees Gods voor hun ogen (Romeinen 3:18).

Dat is de reden, waarom zoveel onbekeerden, zonder hoop en zonder God, desondanks rustig sterven. Ze hebben geen banden tot hun dood toe (Psalm 73:4), want ze vrezen God niet.
Maar hij wel.
 
Hij vreest God. En: Hij erkent Gods rechtvaardigheid: ‘Wij ontvangen straf, naar wat we waard zijn, naar wat we verdiend hebben.’ Gods doen is rein, Zijn vonnis is rechtvaardig.
Ik heb deze straf, ik heb deze doodstraf verdiend.

Hij buigt onder het oordeel. Zijn hart wordt gebogen en hij heeft een welgevallen aan de straf van zijn ongerechtigheid. Maar, zegt de Heere, als dat gebeurt, dan zal ik gedenken aan Mijn verbond (Leviticus 26:41-42).
 
Hij vreest God. Hij erkent Gods rechtvaardigheid. En, hij belijdt de onschuld van Jezus: Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan
Tegen de heldere achtergrond van Zijn onschuld, kleuren zijn zonden dieprood.

Hier wordt de profetie van Zacharia vervuld. Zwaard ontwaak tegen Mijn Herder, sla die Herder (Zacharia 3:7). Maar ook: Zij zullen Mij aanschouwen, die zij doorstoken hebben (met woorden van spot en hoon). En zij zullen over Hem rouwklagen (Zacharia 12:10).
 
Droefheid, hartelijk berouw, vervult zijn hart. Maar hij keert zich er niet mee van Jezus af. Het trekt zijn hart juist toe naar de Man, die hij zojuist nog lasterde. Naar het hart van de Man, die stervende (o, onbegrijpelijk wonder van genade), voor deze Gegevene van de Vader gebeden heeft (Johannes 17:9).
 
De schrik van de wet trekt ons mensen weg van de zonde. We breken ermee. Hij zwijgt ook en hij belijdt: mijn oordeel is rechtvaardig.

Maar ondertussen trekt het besef van Zijn onverklaarbare liefde, van Zijn voelbare bewogenheid (Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen), en van Zijn indrukwekkende, koninklijke majesteit, hem met evangelisch berouw tot Christus.
 
Als hij vraagt in diepe ootmoed (in vers 42): Heere, gedenk mijner, als U in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn. Heere, Koning van Uw Koninkrijk! Wat geeft genade deze man een heldere blik op Wie Jezus is, en ook op het doel waarvoor Hij kwam.

Hier zullen de discipelen nog wel even mee worstelen: Koning? Ja, maar dan een lijdende en stervende Koning?
Maar hij ziet het en gelooft het. In het diepste lijden van Christus erkent hij Hem als Koning.
 
‘Heere, Koning van Uw Koninkrijk, denk aan mij.’
Wat een ootmoedig hart, wat een nederig gebed: denk aan mij. ‘Mag ik van U straks een plaats in Uw Koninkrijk?’

Nee, dat ben ik niet waard.
‘Mag ik een kind van U heten, mag ik een onderdaan van U zijn?’
Nee, dat ben ik ook niet waard.
Alleen: ‘Heere, denk aan mij.’

Hij roept niet van het kruis: ‘Ik kies voor Jezus, ik ben een kind van God, want Jezus houdt van mij’.
Hij weet dat hij niets verdiend heeft, hij vraagt ook bijna om niets, maar toch om iets.
Om een enige troost in zijn laatste levensuren en in zijn sterven: Heere, denk aan mij.
Denk aan mij toch in genade, om Uw goedheid (o, stervende Koning der Joden) eer te geven
(Psalm 25:3, ber.).

Zoals Jozef vroeger vroeg aan de opperschenker: ‘Denk aan mij.’ Maar die vergat hem.
Dat zal deze man niet gebeuren (Genesis 40:14, 23).
 
Heere, Koning van Uw Koninkrijk, denk aan mij. In het leven na dit leven.
Als U in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.

Wat een voorbeeld voor ons… Soms heb ik me weleens vertwijfeld afgevraagd, staande aan het ziekbed van ernstige zieken of stervenden: ‘Zou hij of zij wel echt geloven en geloofd hebben, dat er na dit leven maar twee bestemmingen zijn? En dat we echt God gaan ontmoeten?’

Immers hoe kan je zeggen dat je ziel niet gered is en toch zo rustig zijn? Hoe kan je zeggen, dat je ziel niet gered is en hier vanavond zo rustig in de kerk zitten? Geloof je het dan allemaal wel echt? Deze crimineel in ieder geval wel.
 
Heere, Koning van Uw Koninkrijk, gedenk mijner, als U in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn (vers 42). Ongetwijfeld denkt hij aan de grote terugkomst van de Heere Jezus, op de wolken van de hemel. Dat gerucht zal zich wel verspreid hebben.

Immers Jezus heeft het daar vaak over gehad, over dat: De Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met Zijn engelen, en alsdan zal Hij een iegelijk vergelden naar zijn doen (Mattheüs 16:27).
Heere, wilt U dan aan me denken?

Hij vraagt geen grote dingen. Hij herkent zijn onwaardigheid en werpt zich als een verloren mens op Gods barmhartigheid.
 
De grote vraag, gemeente, is of u deze belijdenis, dit buigen, dit bedelende geloof kent? Gebroken met de zonde? (Immers hij zwijgt, hij spot niet meer.)
Tot uzelf gekomen? Buigend, belijdend en herkennend wie u bent?

Belijdend Wie Christus is, terwijl u al uw hoop op Hem stelde? Heere, denk aan mij? Terwijl u zich ootmoedig wendde naar God toe, naar die God, tegen Wie u zo gezondigd had? Gemeente, kent u dat persoonlijk, in uw eigen leven?
 
Sommige kerkmensen proberen op hun sterfbed op te tellen wat ze allemaal gedaan hebben aan goede werken, wat ze allemaal gekregen hebben en hoe netjes ze geleefd hebben. Maar zo kan je niet sterven.
Hier ziet u hoe u echt sterven kan. Deze man moet zeggen: Heere, van mezelf heb ik niets. Maar: ‘Mijn hoop, die is op U’ (Psalm 39:8).
 
En wat blijkt dan in de laatste uren van het aardse leven van de Zaligmaker opnieuw Zijn tere liefde tot zondaars. Vijanden hebben Hem spottend, maar terecht genoemd: Vriend van tollenaars en zondaars.
En zie hier: Zijn laatste vriend: een kwaaddoener, een crimineel, een terrorist. Een man met een verzondigd leven, zonder goede werken en vol van kwaad.

Maar: Al wat de Vader Hem geeft, zal tot Hem komen; en die tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen (Johannes 6:37).
 
Wie zo, in schuldverslagenheid als een arme zondaar het hoofd en het hart buigt voor de Vriend van tollenaars en zondaars, die zal ervaren dat Hij meer dan overvloedig doet, boven alles wat wij bidden of denken (Efeze 3:20-21).
Kijk maar!

Hij vraagt een zegen voor een verre toekomst, en hij krijgt een zegen voor nu. Hij vraagt alleen maar om herinnering, maar krijgt de zegen van deze verzekering: Heden (vandaag nog), zult u met Mij in het paradijs (in de hemelse heerlijkheid) zijn (vers 42).
 
Wat schittert hier de heerlijkheid van Christus.
Hierom ben Ik in de wereld gekomen: om de eer van Mijn Vader, en om zondaars zalig te maken. Hier zien we de lijdende en stervende Koning der Joden in al Zijn heerlijkheid. Als Hij Zich in ontferming en genade neerbuigt over een diep verloren mens.
 
Wat een bemoediging voor jullie, jongelui. Als de Heere de stem hoorde van deze kwaadaardige, stervende crimineel, zal Hij zeker jullie stem horen, als je Hem bidt om vergeving en verzoening.
Wat een bemoediging voor u, ouderen. Hier ziet u dat de Heere niet gebonden is. U bent niet te oud, niet te slecht en niet te hard.

Maar uw genadetijd gaat wel voorbij. En het grote gevaar dreigt, dat u die voorbij laat
gaan, omdat u dat moeilijke werk van bekering steeds weer uitstelt.
 
Het is vooral met het oog op u, ouderen (velen van u zijn ziek, sommigen zijn ernstig ziek), het is vooral met het oog op u, dat ik deze preek vanavond houdt. Ik bedoel het als een indringende oproep aan u: Stel toch uw bekering niet langer uit!

Verberg u niet achter Gods vrijmacht, die zeker ook schittert in deze geschiedenis. Verdraai de Schriften niet tot uw verderf.
Houd u niet op de been met mooie uitdrukkingen, terwijl u weet dat u niet sterven kunt.
 
Doe wat deze onze collega-kwaaddoener deed.
Zwijg stil. Stop met woorden die God lasteren en Hem de schuld geven van uw eigen onbekeerlijkheid.
Buig uw hoofd. Erken dat God rechtvaardig is en dat u het oordeel hebt verdiend.

Zie tot uw verwondering op tot het kruis van Hem, die een Vriend wil zijn van tollenaars en zondaars.
En bid God om genade. Om Hem, om Christus’ wil. Ootmoedig en klein: Heere, denk aan mij.
Werp u, in al uw onvermogen, op Zijn Goddelijke barmhartigheid.

Hij zal (nee, dat is Hij niet verplicht, maar Hij zal bewijzen dat Hij is, zoals Hij is), Hij zal meer dan overvloedig doen boven alles wat u bidt of denkt.
 
Heden zult u met mij in het paradijs zijn (vers 43).
Na dit heden scheidden de wegen van deze twee mannen, en straks ook die van ons.
Wees daarop voorbereid, gemeente. Leef in het perspectief van de eeuwigheid.
U kunt één tik van de klok verwijderd zijn van de hemel…, of van de hel…
 
Twee dingen zijn wis en zeker.
Zij die zonder Christus sterven (wat u ook optelt, terwijl u ligt op uw sterfbed), zij die zonder Christus sterven zullen voor eeuwig omkomen.

Maar de rechtvaardigen (van zichzelf kwaaddoeners, maar gewassen in het bloed van deze stervende Zaligmaker), de rechtvaardigen zullen gaan in het eeuwige leven
(Mattheüs 25:46).
 
Stel het werk van uw bekering niet uit, zoals deze man wel deed. Maar bereid u eerder, bereid u nu voor om God te ontmoeten.

Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, hetzij goed, hetzij kwaad (2 Korinthe 5:10)
 
Schik u, gemeente, om uw God te ontmoeten! (Amos 4:12)
 
Amen.