Zondag 16 · 5 september 2021
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 16 (serie 1)
INLEIDING
In deze preek over Zondag 16 van de Heidelbergse Catechismus staat de diepste vernedering van Christus centraal. Om Gods gerechtigheid en waarheid voldoening te schenken, moest Hij de doodstraf ondergaan en begraven worden om Zijn werkelijke sterven te betuigen. Voor gelovigen is de dood geen betaling meer, maar een afsterving van de zonde en een doorgang tot het eeuwige leven. Door Zijn kruisdood wordt hun oude mens gedood, terwijl Zijn helse benauwdheid en kwelling aan het kruis hen in de hoogste aanvechtingen de vaste troost biedt van de verlossing van de helse pijn.
Het laatste van de vernedering van de Heere Jezus Christus
ZONDAG 16
Vraag 40: Waarom heeft Christus zich tot in de dood moeten vernederen?
Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods, niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door den dood des Zoons Gods.
Vraag 41: Waarom is Hij begraven geworden?
Omdat daarmede te betuigen, dat Hij waarachtiglijk gestorven was.
Vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten streven?
Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.
Vraag 43: Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en den dood van Christus aan het kruis?
Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande der dankbaarheid opofferen.
Vraag 44: Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle?
Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis, gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 16
THEMA
Het laatste van de vernedering van de Heere Jezus Christus
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de Catechismuspreek gaat deze middag over Zondag 16. Een lange Zondag, met vijf vragen en vijf antwoorden, die ik u eerst ga voorlezen:
Vraag 40: Waarom heeft Christus Zich tot in de dood moeten vernederen? Antwoord: Daarom dat vanwege de gerechtigheid en waarheid Gods, niet anders voor onze zonden kon betaald worden, dan door de dood van de Zoon van God. (Je zou kunnen zeggen dat dit antwoord zegt: het moest, het kon niet anders.)
Vraag 41: Waarom is Hij begraven geworden? Antwoord: Om daarmee te betuigen (te laten zien), dat Hij waarachtig (echt) gestorven was. (Dit antwoord zegt, heel kort samengevat: het is echt.)
Vraag 42: Zo dan Christus voor ons gestorven is, hoe komt het, dat wij ook moeten sterven? Antwoord: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven.
Vraag 43: Wat verkrijgen wij meer voor nuttigheid uit de offerande en de dood van Christus aan het kruis? Antwoord: Dat door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt, opdat de boze lusten des vleses in ons niet meer regeren, maar dat wij onszelf Hem tot een offerande van dankbaarheid opofferen. (Je zou kunnen zeggen dat antwoord 42 en antwoord 43 samen gaan over de vraag: heeft het nut? Is er nut?)
Vraag 44: Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle? Antwoord: Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden (maar inzonderheid aan het kruis) gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft. (Dit antwoord samengevat: het geeft troost.)
Thema voor de preek is: Het laatste van de vernedering van de Heere Jezus Christus. Er zijn vier aandachtspunten (ik noemde ze al zo-even tussendoor): 1. Het moest 2. Het was echt 3. Het heeft nut 4. Het geeft troost Als eerste dus:
Je zegt: ‘Wat moest er dan?’ Dat staat hier, jongens en meisjes: Hij, de Heere Jezus, moest sterven. Zijn dood moest. De dood is iets verschrikkelijks. Maar hier staat dat het moest. Hij, het Lam van God, moest sterven. We hebben het over artikel 4 van de 12 artikelen: Is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle. ‘Maar’, zeg je, ‘waarom moest het? Waarom was het echt nodig?’ De Catechismus zegt het (en het is een moeilijke zin): Vanwege de gerechtigheid en waarheid van God, kon er niet anders voor onze zonden betaald worden, dan door de dood van de Zoon van God. Het kon niet anders. Het moest echt!
En dan worden er twee dingen genoemd waarom dat moest. Als eerste vanwege Gods gerechtigheid: die hele mooie, stralende eigenschap van God waardoor Hij altijd doet wat recht is, waardoor Hij altijd eerlijk is. We zingen dat toch ook met Psalm 145: De HEER’ is recht in al Zijn weg en werk? Dat betekent: Hij is nooit oneerlijk. Hij doet nooit onrecht. Want: de dood als straf op de zonde was geen oneerlijke straf. Het ergste wat Adam zou kunnen doen in het paradijs zou gestraft worden met de hoogste straf, met de doodstraf. Dat was niet oneerlijk. De Heere had dat van tevoren gezegd: ‘Adam, als je zondigt, als je niet luistert, dan zal je de dood sterven.’ Het was eerlijk. Het was rechtvaardig. En om die rechtvaardigheid van God moest de Heere Jezus in de plaats van al Zijn kinderen de dood sterven. Dat moest echt, dat kon niet anders.
Het moest vanwege die rechtvaardigheid van God en, als tweede, vanwege de waarheid van God. De waarheid van God wil zeggen: God liegt nooit. De Heere heeft nog nooit gelogen. Als Hij iets beloofd heeft, zal Hij het ook zeker doen. Hij is, zo zeggen we, een Waarmaker van Zijn Woord. Wat Hij beloofd heeft, dat doet Hij. Maar het andere is ook waar: als Hij dreigt met straf, dan houdt Hij ook Zijn Woord.
Soms, jongens en meisjes, zegt de juf of meester tegen je: ‘Je hebt straf verdiend. Maar voor deze ene keer: ga maar snel naar huis. Ik zie het door de vingers.’
Dat is natuurlijk wel heel lief van de juf of de meester, maar als je er goed over nadenkt is het niet heel eerlijk. Je voelt: liefde en eerlijkheid, dat wringt een beetje, dat botst een beetje tegen elkaar. Je zegt (en ik snap die vraag, jongelui): ‘Maar is het dan wel eerlijk, als God Iemand anders laat lijden en sterven in de plaats van Zijn kinderen?’ En dan komt dat bijzondere antwoord: het kon niet anders.
Trouwens –even tussendoor, persoonlijk, onder vier ogen– hebt u dat voor uzelf, voor uw eigen leven wel eens zo gezien? Het kon, het kan niet anders. Zo erg was, zo erg is het met mij, met jou, met u. Ik heb de dood(straf) verdiend, maar ik heb helemaal niets om te betalen. Gods recht, Zijn gerechtigheid en Zijn waarheid eisen betaling. Dat is eerlijk. Maar ik heb werkelijk niets om te voldoen, niets om te betalen. Leeft dat zo in uw hart? En ondertussen zegt u: ‘Al die offers die ik probeer te brengen als afbetaling, het glipt me tussen de vingers door, het wordt me allemaal uit handen genomen. Alles van mezelf houdt op.’ Wat kan dat een nood geven in je hart. Maar uiteindelijk blijft er maar één ding over, en dat is Gods werk. Dat je ziet: het kan niet anders, het kon niet anders! Alleen door de dood van het Lam Gods.
We gaan nog even terug naar de vraag van de Catechismus: kon het niet anders? Wij zijn geneigd om te denken of om te zeggen: ‘Ja, dat kon best anders. God had toch gewoon alle mensen moeten straffen? Dat was eerlijk en rechtvaardig geweest.’ Maar toch zegt de Catechismus heel stellig: het kon niet anders! Hoe komt dat?
Op de achtergrond schuilen nog twee dingen, die je hier niet leest of ziet, maar waar de Catechismus wel aan denkt. Twee dingen die je trouwens ook samen kunt nemen. Als eerste: Gods plan. Zijn eeuwig raadbesluit, Zijn welbehagen om verloren mensen te verlossen, vrij te kopen en te redden. Mensen die zichzelf niet konden en kunnen redden. Daarom heeft de hoogste Rechter besloten om Zelf in te grijpen en Zijn Zoon in hun plaats te geven.
Het kon niet anders. Op de achtergrond schuilt Gods eeuwige raad en (nog een deugd van God) Zijn liefde. En als je die twee samen neemt dan zeg je: Zijn eeuwige liefde, voor heel Zijn Kerk, voor al Zijn kinderen. Gods rechtvaardigheid en wijsheid eisen (en dat is eerlijk) de straf, de doodstraf. Maar wonder van Gods eeuwige raad en liefde: Hij heeft een weg geopend voor verloren zondaars. En het werd niet onze dood, maar het werd Zijn dood. De dood van de mensgeworden Zoon van God. Het moest.
Ons tweede aandachtspunt:
De Heere Jezus stierf, je weet het, jongens en meisjes, aan het kruis. Hij werd van het
kruis afgehaald en begraven door Nicodémus en Jozef van Arimathéa, om daarmee te laten zien (zegt de Catechismus) dat Hij echt gestorven was. Het was echt.
Eigenlijk is het maar een heel kort antwoord. Het is alsof je, terwijl je de Catechismus leest, op een begraafplaats staat en zomaar met een paar woorden zegt: ‘Ja, Hij is echt gestorven.’ Als je op een begraafplaats staat (en u weet dat net zo goed als ik), dan heb je als mens niet zoveel woorden. En hoe meer ik daar zelf ook over nadenk en dat tot mezelf laat doordringen, hoe meer ik ga denken: een begraafplaats is geen plaats voor een preek. Op het kerkhof is het stil. Ja, het Woord van God spreekt en de belijdenis van de kerk, maar verder heerst daar de stilte van de dood, die wij met onze mensenwoorden niet kunnen overstemmen.
Je ziet Nicodémus en Jozef en Arimathéa met liefde bezig en je hoort ze denken: Hij is echt gestorven. En zo hebben ze de Meester in stilte begraven.
Eigenlijk wisten we al dat de Heere Jezus gestorven was, toch? Terwijl Hij aan het kruis hing, riep Hij uit: ‘Het is volbracht! Vader, in Uw handen beveel ik Mijn geest.’ Daarna was er (weet je nog?) een soldaat die met een speer dwars door Zijn lichaam stak. Hij prikte met die speer in Zijn gescheurde hart en er spatte, zo zegt de Bijbel, direct bloed en water uit. Het was een bewijs, dat Hij echt gestorven was.
Maar hier staat dus nog een extra bewijs: als iemand echt gestorven is, dan wordt hij of zij pas begraven. Maar als we denken aan de begrafenis van de Heere Jezus is er toch meer. Dat staat er hier in het antwoord niet bij, maar dat geeft ook niet (je kunt ook niet alles in een Catechismus zetten). Maar als je nadenkt over die vraag: waarom is de Heere Jezus begraven? Dan kan je meer zeggen dan: om te laten zien dat Hij echt gestorven was. Het was ook om te laten zien dat Hij echt, helemaal, Plaatsvervanger was. Alles, echt alles, wat door onze zonde in de wereld gekomen is, dat draagt Hij in de plaats van Zijn kinderen. Alles. Ook dat allerlaatste: de vernedering van begraven worden.
Er is nog iets, als derde. Door Zich te laten begraven, is begraven worden voor Gods kinderen voor eens en altijd anders geworden. Dat kille graf waar ons leven zo hopeloos leek te eindigen, is voor eens en altijd voor al Gods kinderen anders geworden. Onze begraafplaats is een wachtkamer geworden, de plaats waar ons gestorven en begraven lichaam wacht tot de jongste dag. Onze begraafplaats is, zeggen we als kinderen van God, voor ons een slaapkamer geworden, de plaats waar ons gestorven lichaam de slaap slaapt van de dood, tot op de dag dat de Heere Jezus, onze Bruidegom terugkomt. Hij zal ons, als Zijn bruid wakker schudden en opwekken uit de dood en meenemen naar de eeuwige heerlijkheid. De dood is voor Gods kinderen, zo zou je het ook kunnen zeggen, een kleedkamer, waar je je om kunt kleden. Het is de plaats waar we het kleed van de zonde afleggen. En straks, op de
opstandingsdag, krijgen we het volmaakt witte bruiloftskleed om God eeuwig groot te maken in de hemel.
De begraafplaats is, zo werd het vroeger wel met een naar woord genoemd, een dodenakker. Bij het woord akker denk je aan een plaats waar tarwe gezaaid wordt. De tarwe van het gestorven lichaam wordt gezaaid in de dodenakker, wachtend (want het is niet voorbij!) op de glorierijke oogst, op de dag van de wederkomst van Jezus Christus.
Voel je aan, jongens en meisjes, als je daar zo over denkt, dat je als kind van God, dat je als je een nieuw hart hebt, niet bang hoeft te zijn om te sterven? Dat je niet bang hoeft te zijn voor de dood? Ja, we zijn het vaak wel. Want we zijn mensen en de dood hoort niet bij ons leven. Maar het is vooral onze zonde, dat we zo vaak vast zitten aan dit leven, aan het moois van deze wereld en van deze tijd. Het komt omdat we zo weinig denken aan de hemel, omdat we zo weinig uitzien en verlangen naar de komst van de Heere Jezus Christus, omdat we niet zeggen: ‘Kom Heere Jezus, kom haastig!’ (Openbaring 22:20Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom haastiglijk. Amen. Ja, kom, Heere Jezus!). Of zoals Paulus het zei en opschreef: ‘Ik zou zo graag ontbonden willen zijn, dat lichaam van de zonde willen afleggen en ik zou zo graag met de Heere Jezus Christus willen zijn’ (Filippenzen 1:23Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want dat is zeer verre het beste.).
Bent u bang voor de dood? U zegt: ‘Ja.’ Dat begrijp ik. Bent u (en dat is een belangrijker vraag) voorbereid op uw dood? Want ooit zullen wij allemaal moeten sterven. Sommigen binnenkort, we weten niet wie. Anderen ietsje later. Maar de vraag is: kan jij, kunt u sterven? Je zegt: ‘Dat vind ik naar, daar wil ik liever niet aan denken. Want waar zal ik dan zijn als ik gestorven ben?’ Ja, ik begrijp dat je dat zegt. Maar toch is het een heel belangrijke vraag. De allerbelangrijkste vraag van jouw en uw leven is: gaat u straks naar de hemel of gaat u straks naar de hel?
U zegt: ‘Mag het wat subtieler?’ Nee. En die vraag moet u ook niet wegduwen. Die moet u onder ogen zien, daar moet u antwoord op geven! Want heel snel of ietsje later staan wij voor God. En wat dan, beste vrienden, als blijkt dat u daar alleen staat, zonder het Lam dat geslacht is, staande tussen God en tussen u? Wat gaat u dan zeggen? Nee, u zult de moed niet meer hebben, om te zeggen wat u tot nu toe altijd zegt: ‘Ik kon me niet bekeren. Heere, ik zocht U al zo lang, maar U hebt Zich nooit laten vinden.’ U zult die moed niet hebben.
Tegen u zal gezegd worden, onbekeerden onder ons: ‘Ik heb u wel geroepen, maar u wilde niet. Ik heb gezegd: Kom! Kom toch! Maar u hebt geweigerd. U wilde niet komen, opdat u het leven zou hebben.’ En ik (ik zeg het nu met pijn in mijn hart), ik zal ernaast staan en zeggen: ‘Amen, Heere. Ik heb ze genodigd, maar ze wilden niet komen.’
Lieve mensen, bereid u toch voor. Schik u, om uw God te ontmoeten! Bereid u toch voor op uw sterven, op uw staan voor de troon van God!
Ons derde punt:
Voor mensen met een nieuw hart, voor Gods kinderen, heeft de dood van de Heere Jezus nut. Kijk maar naar antwoord 42: Onze dood is geen betaling voor onze zonden, maar alleen een afsterving van de zonden en een doorgang tot het eeuwige leven. Nee, we verlangen niet op een ongezonde manier om te sterven. Want het leven en vooral de liefde van de mensen om ons heen is ons kostbaar. Maar wat zijn dit woorden van troost! De Catechismus heet ook niet voor niets een troostboek. Wat een woorden van troost zijn dit, voor dit leven, maar ook als je als kind van God (misschien wel in aanvechting en strijd), nu of later voor de poort van de dood staat. Wat blijkt het dan een goed en gelukkig leven te zijn met God, nu en straks. Wat een troost als hier staat, dat ondanks dat we weten dat ook wij straks sterven moeten, dat onze dood geen betaling is. Want alles is betaald, alles is voldaan. We worden als kinderen van God van sterven echt beter.
Het kan je veel verdriet doen, als je ernstig ziek bent (zoals sommigen van ons zijn). Het kan heel veel verdriet geven, als je weet: ik zal niet meer beter worden. Maar wat is het dan een troost dat hier staat: van sterven worden we echt beter. Mijn dood is niet het bittere einde, maar wordt het begin van de eeuwige, hemelse vreugde. Dan zal God mijn druk voor eeuwig verwisselen in geluk. Mijn dood –en dat geeft pijn en heel veel verdriet– betekent verlies van zoveel aardse betrekkingen (van een lieve vrouw of man, van lieve kinderen, van lieve familieleden) maar toch: onze dood is winst, want we zijn op weg naar huis. En daar zijn we voor altijd de last van dit zondige hart en zondige leven kwijt. Dan zullen we daar nooit meer last van hebben.
Mijn dood is, zegt de Catechismus, een doorgang. De dood is een deur, die opengedaan wordt, om binnen te gaan in de hemelse heerlijkheid. Dan zeg ik niet: ‘Ik moet sterven om te betalen.’ Maar: ‘ik mag sterven om thuis te komen. Het zou een vloek voor mij zijn, als ik hier altijd zou moeten blijven. Zeker, het leven trekt aan me. Mijn man, mijn vrouw, mijn kinderen, mijn familie, ze houden me vast.’ Maar dan zeg je toch met Paulus, als God je die genade geeft: ‘Het is me veel beter om ontbonden te zijn en voor altijd met Christus te zijn. Dat is verreweg het beste (Filippenzen 1:23).’
We gaan daar eerst van zingen, voordat we verder gaan, uit Psalm 17:8Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,: Maar (blij vooruitzicht, dat mij streelt!) Ik zal, ontwaakt, Uw lof ontvouwen, U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw Goddelijk beeld.
We zijn nog even bij vraag 42: nu de Heere Jezus gestorven is, waarom moeten Gods kinderen dan ook nog sterven? Moet dat dan nog wel? Is het dan wel eerlijk? Dan lijkt het, alsof er twee keer betaald moet worden. En dat zou niet eerlijk zijn. Dat zegt de Catechismus ook, en daarom zegt het antwoord dat onze dood geen betaling is voor onze zonden. Maar waarom dan nog steeds wel sterven? Kan niet ieder kind van God, net als Henoch en Elia, zo rechtstreeks naar de hemel gaan zonder te sterven? Ja, dat zou best kunnen. Maar God heeft het anders bepaald. Waarom? Dat heeft de Heere niet tegen ons gezegd. Dat weten we niet. En het is alsof de Catechismus tegen ons zegt in dit antwoord: ‘mensen, staar je nou niet zo blind op die moeilijke waaromvraag, maar kijk nu toch eens wat de Heere u, kinderen van God, wel gegeven heeft: de dood als een deur, als een poort om binnen te gaan in het eeuwig, zalig hemelleven.’
Je zegt, jongens en meisjes: ‘Fijn is dat, gelukkig als je dat weten mag. Dat straks alles voorbij zal zijn; de zonde voorbij, en een eeuwig leven. Fijn voor straks!’ Het is alsof de Catechismus dat ook een beetje aanvoelt, dat wij geneigd zijn om te denken: ‘Fijn, dat ik straks de hemel mag binnengaan, dat ik een soort toegangsbewijs heb voor de hemel, maar in de tussentijd heb ik hier op de aarde gelukkig nog tijd voor mezelf, om die voor mezelf te besteden.’ Maar dan zegt de Catechismus: Nee! Het gaat niet alleen om de hemel, het gaat ook om nu. En het gaat het er ook niet alleen om wat Hij, Christus, eenmaal voor ons heeft gedaan aan het kruis, maar het gaat ook om nu, om wat Hij in ons wil doen nu, in de tijd dat we leven.
Opdat, zegt de Catechismus, door Zijn kracht onze oude mens met Hem gekruisigd, gedood en begraven wordt. Nu! Terwijl we leven! Onze oude mens. Daar moet je, jongens en meisjes, even over nadenken. Als je een nieuw hart krijgt, dan (zo zou je kunnen zeggen) is je oude hart nog niet helemaal weg. Er is een nieuw hart, maar dat oude is er ook nog. En dat oude deel, dat wil zonde doen. Dat nieuwe hart wil dat niet. En dus gaan die twee met elkaar botsen: het oude wil de zonde doen, het nieuwe wil de zonde niet doen. Dat wordt botsen! Dat wordt een gevecht! Dat noemt de Bijbel de strijd tussen de oude en de nieuwe mens.
Dat die oude mens er nog is, dat doet Gods kinderen in stilte heel veel verdriet. Wat? Dat er hier van binnen nog zoveel zonde zit. Dat doet ons heel erg veel verdriet. Als Paulus daaraan denkt, dan zegt hij (en je voelt die twee met elkaar botsen, die oude en die nieuwe mens): ‘Het goede dat ik wil, dat doe ik niet. Het verkeerde dat ik niet wil, dat doe ik wel. Wat ben ik toch een ellendig mens! Wie zal mij toch verlossen van dit ellendige lichaam van zonde? Wie verlost me toch van mijn oude mens? (Romeinen 7:21-24Zo vind ik dan deze wet in mij; als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt. Want ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mens; Maar ik zie een andere wet in mijn leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijn leden is. Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?).’ We zouden zo graag zonder zonde willen leven! Maar de zonde zit nog in ons hart.
En daarom is er in ons hart een gevecht, een strijd gaande, tussen die oude en die nieuwe mens. Je zegt: ‘Wie is de sterkste? Wie gaat er uiteindelijk winnen?’ Nou, het is duidelijk dat wij (kinderen van God) nooit in eigen kracht van de zonde zullen winnen. Daarom zegt de Catechismus ook door Zijn kracht (door de kracht van de Heere Jezus Christus) gaat die oude mens verliezen (antwoord 43). De oude mens, onze overgebleven zonden, onze zondige verlangens en zondige karaktereigenschappen die worden, zegt de Catechismus, net als Christus gekruisigd, gedood en begraven.
Goed lezen wat er staat. Er staat niet, dat die oude mens is gekruisigd. De oude mens wordt gekruisigd. De oude mens wordt, net als de Heere Jezus, aan het kruis geslagen. Die moet een langzame dood sterven. Want zo alleen, zegt antwoord 43, zullen de boze lusten van het vlees (onze zondige gedachten, onze zondige daden, onze zondige verlangens en fantasieën) niet meer in ons regeren. Met andere woorden: zo zal de zonde niet meer de baas zijn. Wie is dan de baas? De Heere. Hij is de Baas van Gods kinderen: God, de Heilige Geest.
En dan, zegt de Catechismus, dan zullen we onszelf Hem tot een offerande van dankbaarheid opofferen. Ja, want het gaat niet alleen om een toegangsbewijs voor straks bij de hemelpoort. Voor die poort ligt een smalle weg. En Gods kinderen lopen door Gods genade en door het werk van de Geest van God in hun hart op die smalle weg. Terwijl er in hun hart een strijd blijft, tussen de oude en nieuwe mens. Maar ook een diep en innig verlangen om steeds meer in liefde en tot eer van God te leven.
Dus wat is dat nu voor een soort van leven op aarde, dat leven van Gods kinderen? Eén ding wordt duidelijk in Zondag 15 en 16: dat leven speelt zich allemaal af bij het kruis. Maar (en dat wil de Catechismus hier duidelijk maken) het leven van Gods kinderen heeft twee kanten.
a. De vorige keer in Zondag 15 zagen we de eerste kant: de grote ruil, de plaatsvervanging. Christus wilde staan in de plaats van zondaren. En waar zie ik dat? Dat zie ik aan de voet van het kruis. Daar zie ik, als de Heere geloof geeft in mijn hart, dat de Heere Christus de vloek die op mij lag op Zijn schouders genomen heeft. Daar aan de voet van het kruis zie ik (wat het Avondmaalsformulier zegt), dat de toorn van God tegen mijn zonden zo groot was, dat die niet ongestraft kon blijven. Dat was onmogelijk. En dus kon het niet anders. Want ik kon die straf niet dragen. God heeft ze, volgens Zijn eeuwig plan, gestraft aan Zijn lieve Zoon met de bittere en smadelijke dood van het kruis. En als de Heere me daar iets van laat zien: Hij (Christus, de Gehangene, de Gekruisigde) in mijn plaats, ‘Ik voor u, anders had u de eeuwige dood moeten sterven’, dan buig ik dieper dan ooit tevoren aan de voet van het kruis en smelt ik weg in diepe verwondering en verbazing. Dat is het eerste.
b. Maar er is ook een tweede kant: als ik dan met mijn verloren leven buig aan de voet van het kruis en zie wat mijn zonde Hem gekost hebben, zoveel lijden, zoveel pijn, zoveel smaad en laster, ja zelfs de dood, dan krijgt mijn liefde tot de zonde de nekslag. Dat wordt het einde, het beginnende einde van mijn liefde tot de zonde en tot de wereld. Dan zeg ik, als ik in gedachten omhoog kijk naar het kruis: ‘Weg zonde, ik wil nooit meer zondigen! Want mijn zonden hebben dit gedaan: Zijn kroon gevlochten, Zijn beker gevuld.’
Wat gebeurt er dan? Dan zegt de Catechismus: daar, op die plaats, gaat mijn oude mens aan datzelfde kruis! Dan worden mijn zondige gedachten, mijn zondige daden, mijn zondige verlangens en mijn zondige karaktereigenschappen aan datzelfde kruis geslagen. Dan moet mijn oude, zondige ik vanaf dat moment een langzame dood gaan sterven. En dan gaat God in mijn leven regeren, en wordt er langzaam maar zeker, door het werk van God Zelf, steeds meer liefde in mijn hart geboren om de Heere van harte te dienen en te gaan in het spoor van Zijn geboden.
Nu is er nog één vraag over, vraag en antwoord 44, tot slot. Waarom volgt daar: Nedergedaald ter helle? Ons vierde aandachtspunt:
Wat betekent dat eigenlijk, die bekende uitdrukking, jongens en meisjes: nedergedaald ter helle? Nedergedaald is naar beneden gegaan. Het betekent, eerlijk gezegd, niet dat de Heere Jezus in de plaats van de hel zelf geweest is. De Catechismus zegt, dat Hij geleden heeft, wat in de hel geleden wordt: helse kwelling. Trouwens, niet zomaar eventjes. Er staat dat Hij Zijn hele leven geleden heeft, maar vooral aan het eind van Zijn leven. Vooral in Gethsémané en aan het kruis.
In Gethsémané toen Zijn discipelen eerst sliepen en daarna wegvluchten. Waar Zijn lijden zo zwaar werd, dat Zijn zweet werd als grote stolsels bloed die op de aarde vielen. Met een hart vol van angst en benauwdheid riep Hij: Mijn ziel is geheel bedroefd, tot de dood toe (Mattheüs 26:38Toen zeide Hij tot hen: Mijn ziel is geheel bedroefd tot den dood toe; blijft hier en waakt met Mij.). Bitter was Zijn lijden. Maar vooral ook de dag erna, toen Hij hing aan het kruis. Vooral toen het drie uur lang stikdonker werd. Toen de Heere Jezus verlaten werd door Zijn Vader. Hij riep het uit: Mijn God, Mijn God, waarom hebt U Mij verlaten? (Mattheus 27:46) De Catechismus noemt het (en je voelt de lading van die woorden): benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling. Met andere woorden: zoals het is in de hel. Dat wilde Hij dragen, dat droeg Hij, dat onderging Hij in de plaats van al Zijn kinderen.
Wat maakt de hel tot de hel? Eest maar dat andere: wat maakt de hemel straks tot de hemel? Dat God er is, dat de Heere Jezus Christus er is. En dat we altijd met Hem mogen zijn. Waarom is de hel dan zo erg? ‘Omdat God er niet is’, zeg je. Maar dat kan niet, want God is overal.
Wat maakt de hel tot de hel? Dat God daar Zijn liefde, Zijn gunst en Zijn genade voor altijd wegneemt en mensen overlevert aan Zijn toorn, aan Zijn boosheid en aan Zijn haat tegen onze zonde. Dat is, wat hier staat: helse kwelling.
En dat heeft Hij, zegt de Catechismus, het Lam Gods, gedragen. Dat droeg Hij in de plaats van al Zijn kinderen. Dat deed Hij voor ons. Want Hij heeft (weet je nog?) geruild. Wij hadden het verdiend, om voor altijd zo verlaten te worden. Maar nu heeft Hij dat in onze plaats, voor al Gods kinderen, gedragen. Dat, zegt de Catechismus, is voor ons een onuitsprekelijke troost. Niet alleen voor straks, ook voor nu. Als we soms, wanneer we de Heere vrezen, in ons hart en leven iets voelen van dat verlaten zijn. Zo staat het hier. Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen (dat zijn de aanvallen van de duivel) verzekerd ben en mij ganselijk (helemaal) vertroost mag weten, dat Hij, mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.
Dat dat hier staat, dat is wonderlijk. De Catechismus ziet in de hoogste aanvechting juist zekerheid en troost. Wat er ook gebeurt en wat de duivel ook influistert. Ja, jongens en meisjes, want dat doet de duivel. Die probeert altijd de kinderen van God te plagen, in de war te brengen, twijfel te zaaien en bang te maken, bijvoorbeeld door te zeggen: ‘Volgens mij heb jij geen nieuw hart. Volgens mij klopt er helemaal niets van je leven. Jij? Jij bent zo slecht. Jij kan geen kind van God zijn hoor.’ Wat er ook gebeurt, wat de duivel ook influistert. Wat ons eigen hart ook zegt: ‘je brengt er helemaal niets van terecht, het klopt allemaal niet, bedrieg je jezelf niet?’
En dan is er soms ook nog de verberging van de Heere Zelf. We zien Hem niet meer. De zon scheen zo mooi en ineens; de zon is niet weg, maar er zijn donkere wolken en we zien de Heere niet meer. Ons hart voelt zo dood, we kunnen zo moeilijk bidden en er is zo weinig troost in de Bijbel. De Catechismus zegt: Wat er ook gebeurt, hoe moeilijk en zwaar het ook is in ons hart, kind van God, kijk nu eens (terwijl je als een arme zondaar bukt aan de voet van het kruis) naar boven! En zeg dan maar: ‘Heere, help me, om te zien en te geloven, wat ik daar zie?’ En als Hij dan zegt: ‘Van dat ondraaglijke lijden en die helse angst, Mijn kind, heb Ik u verlost. Dat deed Ik voor u. Dat deed Ik in uw plaats. En daarom, omdat alle straf gedragen is, omdat alles voldaan en volbracht is, daarom zal Ik u, Mijn kind, zelfs in de hoogste aanvechtingen altijd vasthouden. Hoe donker Mijn weg ook is, hoe hevig de twijfel, de bestrijding en het ongeloof in uw hart ook zijn, Ik zie in gunst op u neer. Want de hitte van Mijn gramschap is geblust. Nu ziet Ik in gunst op die Mij vrezen. Mijn kind, Ik zal u dragen, Ik zal u redden.’
Troost en zekerheid is er, in de hoogste aanvechting. ‘Ik zal u, Mijn kind, door dit moeilijke leven waarin u zoveel te strijden hebt met uw
eigen zondige hart (met die oude mens) dragen, Ik zal u vasthouden en Ik zal nooit laten varen wat Mijn hand begon. En daarna zal Ik u (verlost van de zonde, verlost de duivel en verlost van de oude mens), hiertoe door Mij bereid, opnemen in Mijn heerlijkheid.’
Blij vooruitzicht, dat ons (ook in donkere dagen) streelt. We zullen ontwaakt, Zijn lof ontvouwen. Hem in gerechtigheid aanschouwen, verzadigd met Zijn Goddelijke beeld.
Amen.
Slotzang Psalm 73:1,12:
Ja waarlijk, God is Isrel goed, Voor hen, die rein zijn van gemoed; Hoe donker ooit Gods weg moog' wezen, Hij ziet in gunst op die Hem vrezen. Maar ach, hoewel mijn ziel dit weet, Mijn voeten waren in mijn leed Schier uitgeweken, en mijn treên Van 't spoor der godsvrucht afgegleên.
'k Zal dan gedurig bij U zijn, In al mijn noden, angst en pijn; U al mijn liefde waardig schatten, Wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten. Gij zult mij leiden door Uw raad, O God, mijn heil, mijn toeverlaat; En mij, hiertoe door U bereid, Opnemen in Uw heerlijkheid.
Andere preken over Zondag