Zondag 3 · 7 maart 2021
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 3 (serie 1)
INLEIDING
Deze catechismuspreek over Zondag 3, "Verder onderzoek", behandelt drie vragen: hoe het was, wat er gebeurde en hoe het nu is. Adam werd goed en naar Gods beeld geschapen, in gerechtigheid en heiligheid. Door zijn moedwillige ongehoorzaamheid in het paradijs viel hij, en als vertegenwoordiger van alle mensen bracht hij de gehele mensheid mee in zonde en verdorvenheid. Nu is de mens totaal onbekwaam tot enig goed, tenzij hij door de Geest van God wedergeboren wordt: dat is de enige, wonderlijke weg terug.
Verder onderzoek
ZONDAG 3
Vraag 6: Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen?
Neen Hij; maar God heeft den mens goed, en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.
Vraag 7: Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?
Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen, Adam en Eva, in het Paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden.
Vraag 8: Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 3
THEMA
Verder onderzoek
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, het is (zo hoorden we vorige week vanuit Zondag 2), het is onze aard, onze natuur om God en onze naaste te haten. Dat kon je zien op die röntgenfoto. De dokter wees met zijn vinger en zei: ‘Kijk, daar zit het, in je hart.’ Dat was te zien in de spiegel van de wet, waar de Catechismus ons in liet kijken. En toen was het alsof de Dokter zei: ‘Kom volgende week maar terug, want Ik wil nog wat meer onderzoek doen. Want die gezond zijn hebben de Dokter niet nodig, maar wel degenen die ziek zijn.’ Dus nu vanmiddag is er een afspraak voor verder onderzoek. Naar? Naar de oorzaak van de kwaal. Waar komt die vandaan? En: naar hoe erg het is. Zoals de dokter het ook aan je vraagt, als je ziek bent: ‘Hoe komt het toch dat je zo ziek bent?’ En: ‘Hoe erg is het? Kan je nog spelen? Kan je nog naar school?’ Hoe erg het is en waar dat vandaan komt, dat gaan we vanmiddag zien in Zondag 3. Laten we die Zondag eerst met elkaar gaan lezen.
Vraag 6: Heeft dan God de mens alzo boos en verkeerd geschapen? Antwoord: Neen Hij; maar God heeft de mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen. (Dat gaat dus over, hoe het vroeger was: we zijn goed geschapen.)
Vraag 7: Vanwaar komt dan zulk een verdorven aard des mensen? (Waar komt dan zo’n slechte, foute, door en door goddeloze aard vandaan?) Antwoord: Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur zo verdorven is geworden, dat wij allemaal in zonden ontvangen en geboren worden. (Dat gaat dus over wat er daarna gebeurde: Adam en Eva zijn diep gevallen.)
Vraag 8: Maar zijn wij zo(!) verdorven, dat wij ganselijk (dat wil zeggen: helemaal) onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Antwoord: Ja wij; tenzij dan dat wij door de Geest van God wederomgeboren worden. (Dat gaat dus over hoe het nu is: we zijn totaal verdorven.)
Het thema voor de preek is: Verder onderzoek
In de preek van vanmiddag overdenken we drie vragen. Deze drie: 1. Hoe was het? 2. Wat gebeurde er? 3. Hoe is het nu? Als eerste dus:
Adam en Eva waren goed geschapen. Kijk maar naar vraag 6: Heeft dan God de mens zo slecht, zo verkeerd geschapen? Dat mijn hart nu zo slecht is, zou God… dat niet gedaan hebben? Of: had Hij dat niet kunnen voorkomen?
Je voelt je ziek, je hebt koorts, je hebt buikpijn. Je zit op het spreekuur van de dokter. Hij kijkt naar je buik, hij luistert naar je hart. De dokter zegt: ‘Je bent behoorlijk ziek. Hoe komt dat toch?’ Je zegt: ‘Ja, dokter, ik voel me ook heel erg ziek. Maar, zou dat nu echt mijn eigen schuld zijn? Misschien (zeg je fluisterend) heeft mamma wel verkeerd gekookt. Het leek wel lekker, maar misschien was het bedorven. Misschien heeft ze er wel vergif in gedaan.’ Je zegt: ‘Oh, dat is erg, om zo te denken, om dat tegen de dokter te zeggen!’ Ja, zo erg is deze vraag eigenlijk ook. Mijn hart is ziek, doodziek, dood door de misdaden en de zonden, maar vraag ik mezelf af: ‘Daar kan ik toch niets aan doen? Is dat niet Gods schuld?’
Het antwoord is heel stellig: Nee Hij! Wij zouden zeggen: zeker weten van niet! Want het slechte, het kwade komt niet van God. Hij heeft het niet gemaakt en Hij heeft het niet gedaan.
God bestuurt wel alle dingen, en Hij kan het kwade ook wel gebruiken tot een goed doel. Maar Job zegt: God is ver van goddeloosheid, de Almachtige van onrecht! (Job 34:10Daarom, gij, lieden van verstand, hoort naar mij: Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht!) God is heilig, zonder zonden, zonder enig kwaad. En God is rechtvaardig en goed.
En de mens is geschapen naar dat beeld van God, naar Gods beeld. Soms zegt iemand het misschien wel tegen je: ‘Je lijkt sprekend op je vader of moeder. Ik zie zijn of haar beeld precies in jouw manier van doen. Jullie lijken op elkaar als twee druppels water.’ Zo leek Adam sprekend op God. De Bijbel noemt hem ook niet voor niets de zoon van God (Lukas 3:38Den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God.). Adam straalde iets van God uit. Als je Adam zag, dan zag je ook iets van Wie de Heere God is, en van hoe Hij is.
Kijk maar in de Catechismus in antwoord 3: God heeft de mens goed en naar Zijn beeld, naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.
Dus, Adam was geschapen naar het beeld van God. Zo was Adam: hij had gerechtigheid. Zijn leven was helemaal overeenkomstig de wet van God en de wil van God. En hij had heiligheid. Hij deed nooit zonde. Hij was puur, hij was zuiver. En daardoor kende hij de Heere. Hij leefde dicht bij de Heere. Hij had Hem lief met heel zijn hart, zoals een kind zijn vader liefheeft. En hij was in alles gericht op God, om Hem te loven en te prijzen.
En daarbij: Adam was als eerste mens gemaakt om alle mensen na hem te vertegenwoordigen. Hij was (zo noemen we dat) het hoofd van het menselijk geslacht. Het hoofd van alle mensen, die na hem geboren zouden worden. Dus, zoals Adam was, zo zouden al zijn kinderen en kleinkinderen en achterkleinkinderen en alle mensen na hem ook worden: zo heilig en zo goed. Zo had God het bepaald, zo had God het vastgelegd. Na alles wat de Heere geschapen had, schiep Hij de mens. De mens was eigenlijk het mooiste van Gods schepping. Gemaakt met één doel: om God groot te maken, te loven en te prijzen. De mens was gemaakt tot heerlijkheid en glorie van God. Dat is nog eens wat anders dan: geneigd zijn om God en onze naaste te haten. Dat is echt precies het tegenovergestelde! Liefhebben? Nee, haten!
Maar de Catechismus zegt: zo was Adam niet geschapen. Want, toen de Heere God alles geschapen had, toen zag Hij Zijn schepping, en het was (zo staat er in de Bijbel) allemaal zeer goed (Genesis 1:31En God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet, het was zeer goed. Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de zesde dag.).
Ja, zo was het: Zeer goed, heel erg goed. Dat was ons eerste punt. Maar toen gebeurde er iets. We waren zo goed geschapen, we leefden zo dicht bij de Heere en tot eer van Hem, maar nu zijn we zo ellendig. Want er is iets gebeurd! Dat is het tweede punt van de preek:
Waar komt de zonde, waar komt de ellende (dat we zo ver van de Heere vandaan zijn), waar komt al dat verdriet en al die narigheid toch vandaan? Wat is er toch gebeurd? Die vraag stelt de Catechismus, in vraag 7: Waar komt die verdorven aard van de mens toch vandaan? Als dat niet van God komt, waar komt het dan vandaan, dat mijn hart zo slecht is? Het antwoord zegt: Het komt door de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur zo verdorven is geworden, dat wij allemaal in zonden ontvangen en geboren worden.
We zijn (letterlijk) gevallen. We stonden op een heel bijzondere, op een heel hoge plaats, als kinderen van de allerhoogste God. Maar we vielen door de zonde in een onmetelijke diepte, in een diep ravijn, in de diepte van de dood, in de diepte van de vijandschap tegen God en van onze verlorenheid. Door (zo zegt Paulus het) onze misdaden en zonden.
Want het was geen vergissing, het was een misdaad dat wij, mensen, tegen God opstonden. We zijn ongehoorzaam geweest. Dat was onze zonde. We hebben niet gedaan wat de Heere van ons vroeg. Want de Heere God had tegen Adam en Eva gezegd: van alle bomen in het paradijs mag je eten, behalve van die ene boom in het midden van de hof, van de boom van kennis van goed en kwaad. Maar ze hebben niet naar God geluisterd. Ze werden ongehoorzaam. Onze eerste moeder luisterde als eerste naar de slang. De slang zei: ‘Is het echt waar (het zal toch niet waar zijn!), is het echt waar, dat je van geen enkele boom mag eten?’ ‘Nee’, zo zei Eva, ‘nee slang, we mogen van alle bomen eten, alleen niet van die ene boom. Daar mogen we niet van eten, we mogen die zelfs niet aanraken.’
- Eva, dat is niet waar! Zo had God het niet gezegd! God had niet gezegd dat je die boom niet mocht aanraken. Je hebt niet goed naar God geluisterd! -
En toen, toen ging het fout. Toen hielden ze zich allebei niet aan het liefdebevel van de Heere. Eva keek naar de vrucht van de boom. Zonde begint met het kijken van je ogen. Ze keek, en wat ze zag, trok haar hart. Er kwam een verlangen, een begeerte in haar hart. Als God zijn? Dat zou geweldig zijn! En zij nam. En at. En zij gaf ook aan haar man, aan Adam. En hij at ook.
Je zegt: ‘Dat zou ik nooit gedaan hebben!’ Oh nee? Zou je niet zo groot en machtig als God willen zijn? ‘Ja,’ zeg je, ‘als dat zou kunnen, dan natuurlijk wel.’ Nou, dan ben jij precies zoals ik, en zoals Adam.
Adam en Eva waren (geschapen naar Gods beeld) volmaakt gehoorzaam. Maar nu dit gebeurt, nu ze vallen in ongehoorzaamheid en opstand, nu zijn ze verloren. Dat was niet zomaar een foutje, dat was geen vergissing. Dat was doelbewuste opstand tegen God. Het was een poging om als God te willen zijn. Dus dat was een greep naar de macht van God. Het was een poging tot een staatsgreep in de hemel. En dat was een harde verachting van de liefde van hun Schepper. Het was een verwerpen van God, en dus een haten van God. Het was een dolkstoot in de richting van het hart van de hemelse Vader.
En Adam wist dat. Hij wist dat hij het beeld van God droeg. En hij wist dat hij het beeld van zichzelf zou overdragen op zijn kinderen en kleinkinderen en op alle mensen na hem. En hij wist dat hij en zij, kinderen van God zouden zijn en blijven, of slaven van de duivel zouden worden.
Je zegt: ‘Daar heb ik wel wat bedenkingen bij. Had God dat allemaal niet kunnen voorkomen? Had Hij geen hek rond die boom kunnen zetten, rond die boom waarvan zij niet eten mochten?’ Ja, maar God wilde geen slaven. God wilde geen gehoorzaamheid afdwingen. Hij wilde dat Adam en Eva als kinderen zouden gehoorzamen, uit liefde en dankbaarheid. Dus liet God hen vrij. Zij konden kiezen. En zij kozen. Tegen God. En vielen.
Maar, was het niet een beetje per ongeluk? Zijn Adam en Eva niet per ongeluk gestruikeld en gevallen? Nee, want kijk in gedachten maar mee. Ze staan er beiden bij, Adam en Eva. En ze horen en weten (want ze zijn nog volmaakt!) dat de duivel liegt. En toch kiezen ze ervoor om hem te volgen. Ze zijn niet gestruikeld, maar ze zijn willens en wetens opgestaan tegen God, en gevallen.
Je zegt; ‘Maar dat was Adam. Ik ben ik. Wat heb ik eigenlijk met Adem te maken? En bovendien, dat is al 6000 jaar geleden. De Bijbel zegt toch dat iedereen verantwoordelijk is voor zijn eigen daden?’ Ja, maar de Catechismus zegt niet voor niets dat zij onze eerste voorouders waren. Dat betekent meer dan alleen dat wij heel in de verte familie van hen zijn. Deze uitdrukking wijst naar wat Paulus schrijft in Romeinen 5:12Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben.: Daarom, gelijk door een mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen (dat wil zeggen: wij allemaal) gezondigd hebben. Door Adam kwam de zonde in de wereld, en daardoor ook de dood. En die ging door tot alle mensen. En dan zegt Paulus: in welke (in wie) alle mensen gezondigd hebben (Romeinen 5:12). Adam was vertegenwoordiger van alle mensen. En in onze vertegenwoordiger, in ons hoofd hebben wij allemaal tegen God gezondigd, in hem zijn we allemaal tegen God opgestaan. Want Adam stond voor iedereen. Zo had God het bepaald, zo had God het beslist: Adam stond voor iedereen.
Maar, als ik dat dan oneerlijk vindt? Ja, dan kom je op je weg God tegen, Die zegt: ‘wie ben jij eigenlijk, klein mensje, dat je Mij, de grote God van hemel en aarde, ter verantwoording roept? (Romeinen 9:20Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt? Zal ook het maaksel tot dengenen, die het gemaakt heeft, zeggen: Waarom hebt gij mij alzo gemaakt?)
Trouwens, als je het oneerlijk vindt dat Adam alle mensen vertegenwoordigde, dan moet je ook nooit meer iets zeggen over de tweede Adam, over Christus. Je moet niet zeggen: ‘Ik wil niet de vloek toegerekend krijgen van de eerste Adam, maar ik wil wel de zegen en de verdienste van de tweede Adam, van de Heere Jezus Christus.’ Doe dan alles zelf. Zondig dan voor eigen rekening en betaal ook zelf je eigen schulden.
Trouwens, weet u wat zo bijzonder is? Die neiging om God de schuld te geven, die zit in ons bloed, die zit in onze natuur. En als je dat bij jezelf probeert te voelen, dan voel je ook iets van die vijandschap tegen God. Maar het bijzondere is, als God ons hart verandert, dan is dat een van de eerste dingen die we niet meer doen: God de schuld geven. Dan zeggen we: ‘Heere, ik heb het zelf gedaan, het is mijn eigen schuld.’ Denk maar terug aan de tekst van vorige week, aan wat David zei: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is Uw oog. Probeer, jongens en meisjes, vandaag deze tekst te onthouden, uit dezelfde Psalm 51, Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen (Psalm 51:7).
Kijk, de Catechismus zegt het op dezelfde manier, in antwoord 7: in het paradijs is onze natuur zo verdorven geworden, dat wij allemaal (en dan komt het) ‘in zonden ontvangen en geboren worden.’ Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.
Dat komt ineens heel dichtbij. Net als vorige week. David heeft gezondigd en zegt: ‘Ik heb gezondigd.’ En ik zelf moet ook zeggen, net als hij: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw oog. En nu in Zondag 3 gaan we verder terug in de tijd. Nu gaat het niet over David, maar over Adam en Eva. Nu horen we uit de Bijbel wat er toen gebeurd is: Adam is gevallen in de zonde, want hij kwam in opstand tegen God. En sindsdien en daardoor moet ik zelf ook zeggen: Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Zijn natuur raakte verdorven, en zo ben ik geboren. Zo hij werd, zo ben ik. Zo verdorven als bedorven eten. Het stinkt. Je krijgt het nooit meer goed. Weggooien is het enige wat je nog kan doen. Wat wordt het een wonder, als je ziet dat je innerlijk zo verdorven bent, dat de Heere dat laatste niet doet. De hemelse Dokter, zegt na al Zijn onderzoek niet: ‘je bent een hopeloos geval, helaas niets aan te doen, ga maar weg.’
Maar, dat is de andere kant, de diagnose van de dokter is wel helder: je kwaal, je ziekte is verschrikkelijk. Je bent zo verdorven geworden, dat je in zonden ontvangen en geboren bent. Het kleinste kindje, ongeboren nog, in moeders buik, is al een zondaar. Verdorven, slecht en verloren. En vanaf de eerste minuut dat ik op de wereld ben, ben ik een zondaar en vijand van God.
En we doen precies hetzelfde als Adam. Dit: wegvluchten van God. Maar de Heere riep Adam in het paradijs, toen Hij zei: ‘Adam, waar ben je? Wat heb je gedaan?’
Zo roept de Heere ons nu ook, ook jullie jongens en meisjes: ‘Waar ben je? Wat heb je toch gedaan?’ Maar, het is net als thuis, als je iets gedaan hebt tegen papa of mama. Dan verstop je je misschien wel, je kruipt weg, want je schaamt je, en je wilt eigenlijk niet zeggen wat je gedaan hebt. En dan ineens hoor je de stem van papa: ‘Kom, waar zit je? Wat heb je gedaan?’ Meestal weet papa dat al lang. Maar hij wil graag dat je het eerlijk zegt.
Wij willen dat niet. We willen niet tevoorschijn komen, we willen niet eerlijk alles tegen de Heere zeggen. Wat zijn we toch slecht, wat zijn we toch vijandig, vol van boosheid en haat tegen God. Jongens en meisjes, het is zoveel beter om tevoorschijn te komen en alles tegen de Heere te vertellen. Het is zoveel beter om tevoorschijn te komen, om je knietjes te buigen en eerlijk tegen de Heere te zeggen hoe slecht je bent en welke zonden je gedaan hebt. Zoals David dat ook deed, toen hij gezondigd had. Luister maar, ik zal het voorlezen uit Psalm 51: Wees mij genadig, o God! naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit (dat wil zeggen: vergeef toch mijn zonden), naar de grootheid van Uw barmhartigheden. Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde. Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat U rechtvaardig bent in Uw spreken, en rein bent in Uw richten. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen (Psalm 51:3-7).
Het is alsof David zegt: ‘Ik ben geen moordenaar geworden door het doden van Uria, ik ben geen overspeler geworden door mijn zonde met Bathseba, maar ik was het al. Ik was een moordenaar en een overspeler vanaf het moment van mijn geboorte, vanaf het moment dat de Heere mij gemaakt heeft in de buik van mijn moeder. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.
Hij zegt eigenlijk: ‘Heere, het komt allemaal door mij. Ik ben het, die tegen U gezondigd heb. En dat is mijn aard, zo is mijn hart, en zo is mijn hart altijd geweest.’
Hij bukt, hij buigt en belijdt zijn zonde voor de Heere. Doet u dat ook maar, gemeente. Doen jullie, jongelui, dat ook maar.
Dan, juist dan, wil de Heere ook iets laten zien, (dwars door onze tranen heen en misschien nog wel heel erg in de verte), van de heerlijkheid (dat wil zeggen van het wonderlijke, van het bijzondere) van de tweede Adam, van de Heere Jezus Christus. Wat een tegenstelling, als je Hem vergelijkt met de eerste Adam. De Heere Jezus werd zonder zonden ontvangen in de buik van Zijn moeder. Hij deed nooit zonde. Hij heeft de liefde van Zijn Vader altijd beantwoord met liefde en gehoorzaamheid. Altijd boog Hij onder de wil van Zijn Vader. Altijd was Hij in alle dingen gericht op de eer van Zijn Vader.
Hoe wonderlijk en groot is de tweede Adam, Jezus Christus, als we iets van Hem mogen zien! Maar wat kan Hij onbereikbaar lijken voor een, aan de zonden ontdekt hart, dat wil zeggen: voor iemand die zijn zonden onder ogen ziet. Als de hemelse Dokter mijn dodelijke kwaal blootlegt, en ik meer en meer moet zuchten: ‘Hoe moet het toch verder? Het lijkt wel hopeloos. Ik zou wel willen vluchten, maar ik kan nergens heen.’
Kent u dat, gemeente? Legt u daar uw hart eens naast? Is dat al bevindelijke werkelijkheid voor u geworden? Hebt u deze nood van uw hart al leren zien? Is uw hart daar al onder gebroken? Kennen jullie, jongelui, iets van dat hartelijke berouw om zoveel zonden die de hoogheid van God beledigd hebben? Ken je iets van dat hartelijke verdriet in je hart, om zoveel slechtheid tegen je goede Schepper, die iedere dag zo goed voor je zorgt? En: Hebt u, gemeente, al iets leren kennen van de diepe oorsprong daarvan? Waarvan we nu samen eerst gaan zingen uit Psalm 51:3:
‘t Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren; Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toren. Reeds van het uur van mijn ontvangenis af. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in 't gemoed; Gij, HEER’, Die weet, al wat ik heb misdreven, Gij, die mijn geest met wijsheid hadt gevoed, En in mijn ziel Uw Goddelijk licht gegeven.
Het thema van de preek van vanmiddag is: Verder onderzoek. We hebben onze eerste twee vragen overdacht: Hoe was het? En: Wat gebeurde er? Nu onze derde vraag:
Want vraag 8 zegt: Maar zijn wij zo verdorven (is het echt zo erg?), zijn wij zo verdorven dat wij ganselijk (helemaal) onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Het antwoord zegt: Ja wij; tenzij dan dat wij door de Geest Gods wedergeboren worden.
‘Is het hopeloos? Dokter, is mijn ziekte echt ongeneeslijk?’ ‘Ben ik dan echt zo slecht, dat ik nooit meer iets goeds kan doen? Ben ik echt helemaal onbekwaam, helemaal niet in staat tot iets goeds? Ben ik echt geneigd tot alle kwaad?’ ‘Is het echt zo erg met ons? Is er dan voor u, Heere, niemand goed?’
Ken jij dan mensen, die God liefhebben boven alles? Altijd en in alle dingen? Ken je mensen die al Gods geboden altijd doen? Met alle liefde van hun hart? En die ook al hun naasten liefhebben als zichzelf?
Ik niet. Die mensen zijn er niet meer. Die natuur, die aard, dat hart zijn we kwijtgeraakt. Onze natuur (en dat geldt ons allemaal) is totaal verdorven. We zijn nooit meer in staat om echt goed te doen, om echt te leven tot de eer van God. En we zijn altijd in ons hart geneigd tot het kwade. We zijn altijd geneigd om God en onze naaste te haten. We zijn altijd geneigd tot liegen, bedriegen, overspel plegen, vals praten, roddelen, en ga zo maar door. Hoewel God de slechtheid van ons bedwingt en beteugelt. Wat er in ons zit, komt er gelukkig niet allemaal uit.
Maar, dat is de diagnose van de dokter: met ons hart is het hopeloos. Even hopeloos als met hoeren en tollenaars. Dus hoeft u op dat soort mensen van nu af aan ook nooit meer neer te kijken. Want wij zijn als zij. Er is niemand die goed doet. Niemand (Psalm 14:1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. De dwaas zegt in zijn hart: Er is geen God. Zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk; er is niemand, die goed doet.). Onze ziekte, onze kwaal is dodelijk. Er is geen doen meer aan. Operatie, amputatie, transplantatie, het gaat allemaal niet helpen. We hebben een kwaadaardige ziekte en heel onze aard en heel ons wezen is ermee besmet. En die ziekte heet: zonde, opstand, vijandschap, ja, geestelijke dood.
De dokter staat naast je bed en zegt (nu het onderzoek achter de rug is): uw kwaal is dodelijk, je situatie is hopeloos, tenzij…, tenzij er een wonder gebeurt.
Je kan zeggen: ‘nou, gelukkig, er is een lichtpuntje.’ Ja, zo klinkt het wel, maar zo is het hier in de Catechismus toch echt helemaal niet bedoeld! De Catechismus bedoelt te zeggen: hier kan geen mens ooit nog iets aan doen. Zo erg is het! Alleen een wonder kan ons redden.
‘Tenzij dat wij door de Geest van God wederom geboren worden.’ Dit is geen uitdrukking om te bezigen, om te laten zien hoe goed je bent. Dit is geen uitdrukking die je moet gebruiken om anderen te laten horen dat je recht in de leer bent. Dit is mijn veroordeling! Hier moet ik me diep voor schamen. Dit is de enige mogelijkheid, een andere is er niet. En dat komt omdat ik zo slecht ben! Dit is wat Nicodemus tot in het diepst van zijn hart geraakt moet hebben: ‘Nicodemus, je bent zo slecht, er is geen doen meer aan, tenzij God een wonder doet, en je helemaal opnieuw geboren gaat worden (Johannes 3:3Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.). Deze uitdrukking ‘wij moeten wederom geboren worden’ wijst op de diepe ernst van onze verlorenheid, en wijst ons heel scherp aan hoe slecht we zijn.
Tenzij dat wij opnieuw geboren worden. Dit is heel persoonlijk. Dit gaat om wij, dit gaat om mij. Tenzij wij door de Geest van God opnieuw geboren worden. Zo slecht ben ik, zo onvermogend ben ik door mijn eigen schuld geworden, dat ik daar zelf niets aan kan bijdragen. De Geest van God moet het doen. Hij moet mij van boven af,
door Zijn kracht uit de hemel, weer geestelijk levend maken. Dat wil zeggen: ik heb een nieuw hart nodig. En dat kan ik alleen maar door een wonder krijgen, namelijk: door het wondere werk van de Heilige Geest.
Dat is de enige weg voor ons dode hart: een werk bij God vandaan. Zelf iets doen, dat is uitgesloten. De Heere Jezus zei: dat is verven aan het graf van een dode. God Zelf moet in ons leven ingrijpen. En daar kunnen we, gemeente, twee dingen mee doen.
God Zelf moet in ons leven ingrijpen… Dat wil zeggen: God wijst naar mij en zegt: ‘Jij bent verloren, omdat je tegen Mij bent opgestaan.’ En ik (dat is het eerste wat u kunt doen), ik wijs terug en zeg: ‘U moet iets doen!’ Zoals Adam naar Eva wees, en zoals Eva naar de slang wees, zo wijs ik naar God en zeg: ‘U, U moet het doen. En zo niet, wat kan ik eraan doen? Ik ben onschuldig. U hebt het laten gebeuren. U hebt me vergiftigd.’ Daarmee is uw kwaal meer dan ooit vastgesteld: u bent een vijand van uw Schepper.
God Zelf moet in ons leven ingrijpen. Dat wil zeggen: God wijst naar mij en zegt: ‘Je hebt gedaan wat kwaad was in Mijn oog.’ En ik zeg (dat is het tweede wat u kunt doen): ‘Ja, Heere, U hebt gelijk. Ik weet niet hoe het ooit nog goed moet komen.’ En u zegt die twee teksten op, van vorige week en van nu: Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw oog. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. ‘Ik kan mezelf niet meer redden, ik weet het niet meer. Ik zwijg. Ik ben Uw oordeel waard, Heere, U alleen kunt me redden! Ontferm U toch alstublieft over mijn verloren hart!’ Zoals het ook staat in Psalm 51:12: Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest. Dat wil zeggen: ‘Geef me toch, Heere, alstublieft een nieuw hart?’ Zal je daarom vragen, jongens en meisjes? Om een ‘nieuw hart’?
Een nieuw hart krijgen betekent dat alles nieuw wordt. Je krijgt nieuwe oren om te horen. Je snapt dat je niet letterlijk andere, kleinere, grotere, of mooiere oren krijgt, maar het wil zeggen: je gaat met je oren anders luisteren. Je gaat horen, wat je vroeger eigenlijk niet wilde horen. Vroeger wilde je er niet naar luisteren, als de Heere, wijzend met Zijn vinger, tegen je zei: ‘Jij bent die jongen, jij bent dat meisje, dat tegen Mij gezondigd heeft.’ Een nieuw hart krijgen, dat betekent dat je blinde ogen gaan zien. Je gaat zien wat je vroeger niet zag. Nu zie je het wel: hoe verloren je ligt voor God en hoe erg dat wel niet is. Je krijgt een nieuw hart vol van heimwee. Je weet wat dat is, ‘heimwee’, dat wil zeggen: ik wil weer naar huis. Ik ben door mijn eigen schuld heel ellendig geworden, dat wil zeggen: heel ver weg van God.
Maar nu heb ik heimwee in mijn hart, verdriet, droefheid naar God. En ik zeg het eerlijk: ‘Heere, die ellende, dat is allemaal mijn eigen schuld. Ik heb gedaan wat kwaad is in Uw oog. Maar, Heere, is er nog een weg terug? Want (en dan hoor je wat de verloren zoon ook zei): ik wil zo graag weer terug naar huis, ik wil zo graag terug naar U.’ ‘Ik zie en ik hoor en ik geloof dat het hopeloos is van mijn kant. Maar wilt U mij als door een wonder de weg wijzen waardoor het weer goed kan komen tussen U en mijn hart?’
Wat een wonder als de Heere dat dan gaat doen. Want Hij hoort en Hij verhoort op Zijn tijd zulke gebeden. Wat een wonder als dan in ons donkere hart iets gaat schijnen van het licht van de tweede Adam, van de Heere Jezus Christus. Van Hem die nooit zondigde, Die altijd gehoorzaam was, vol van liefde tot Zijn Vader, en die kwam om verloren mensen op te zoeken, om verloren zondaars op te rapen uit de diepte van de modder van de zonde. Hij, onze Heere Jezus Christus, is een Vriend van tollenaars en zondaars. Als u zo niet genoemd wil worden, dan past Hij niet bij u. En laat er geen twijfel over bestaan, wij passen helemaal niet bij Hem. Maar Hij past bij verloren zondaars. Hij kwam om het verlorene te zoeken en om vijanden met God te verzoenen.
Hier valt een eerste lichtstraal op Hem. In alle hopeloosheid en uitzichtloosheid is er toch een weg, niet bij mij, maar bij God vandaan! Namelijk deze weg: als wij door de Geest van God wederom geboren worden.
En dus blijft er maar één ding over, één gebed, het gebed van David. Als je het bidt, jongens en meisjes, jongelui, dan zal de Heere het horen. En als je blijft kloppen op Zijn deur, dan zal Hij je ook zeker verhoren. Als je dit bidt; bid het met mij: Schep mij een rein hart en verwerp mij niet, Heere! Dat wil zeggen: Geef me toch, Heere, alstublieft, om Jezus’ wil, een heel nieuw hart?
Amen. Slotzang Psalm 51:5
Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad, Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden; Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden, En spreek mij vrij van mijne gruweldaad. Herschep mijn hart, en reinig Gij, o HEER, Die vuile bron van al mijn wanbedrijven; Vernieuw in mij een vasten geest, en leer Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.
Andere preken over Zondag