PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 2: Waaruit kent u uw ellende? (serie 1)

Zondag 2 · 28 februari 2021

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 2 (serie 1)

INLEIDING

Deze catechismuspreek over Zondag 2 gaat over het kennen van je zonden en ellende. De wet is een spiegel: niet om naar je gezicht te kijken, maar naar je hart. Wat je daarin ziet: dat je God niet liefgehad hebt boven alles en je naaste als jezelf, en dat je van nature geneigd bent God en je naaste te haten. Dat zien is geen doel op zich, maar wil je uitdrijven tot Christus, Die achter de spiegel staat en zegt: Mij heb je nodig.

THEMA

Het kennen van onze zonden en ellende

KERNPUNTEN

  1. De Heere leert het.
  2. Een kind van de Heere buigt ervoor

ZONDAG 2

Vraag 3. Waaruit kent u uw ellende?
Antwoord. Uit de wet Gods.

Vraag 4. Wat eist de wet Gods van ons?
Antwoord. Dat leert ons Christus in een hoofdsom, in Mattheüs 22:37-40: U zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod.
En het tweede, aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.

Vraag 5. Kunt u dit alles volkomen houden?
Antwoord. Nee ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 2: Waaruit kent u uw ellende? (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 2

THEMA

Het kennen van onze zonden en ellende

Jongens en meisjes, vorige week hebben we gezien dat een kind van God, dat iemand met een nieuw hart, iets kent van deze drie dingen: van ellende, verlossing en dankbaarheid. Vanmiddag gaat het in de Catechismuspreek over dat eerste: over het kennen van onze ellende. Het gaat vanmiddag over Zondag 2 van onze Catechismus. Laten we die Zondag eerst samen gaan lezen.

Vraag 3: Waaruit kent u uw ellende? Antwoord: Uit de wet Gods.

Vraag 4: Wat eist de wet Gods van ons? Antwoord. Dat leert ons Christus in een hoofdsom (in Mattheüs 22:37-40): U zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.

Vraag 5: Kunt u dit alles volkomen houden? Antwoord: Nee ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

De preek van vanmiddag gaat over: Het kennen van onze zonden en ellende Dat is het thema van de preek: het kennen van onze zonden en ellende.

Er zijn twee aandachtspunten. We zullen als eerste zien dat de Heere het leert, en als tweede dat een kind van de Heere ervoor buigt. Dus twee aandachtspunten als het gaat over het kennen van onze zonden en ellende: 1. De Heere leert het. 2. Een kind van de Heere buigt ervoor

Als eerste dus:

1. De Heere leert het

Jongens en meisjes, weet je welke vraag ik eigenlijk mis? Van welke vraag denk ik: had die er eigenlijk ook niet moeten staan? Ik mis eigenlijk deze vraag: ‘Ben jij, bent u ook ellendig?’ Maar nee, de Catechismus gaat daar gewoon van uit. De Catechismus gaat ervan uit, dat dat zo is. Wij zijn ellendig! En het helpt ook niet om je schouders daarover op te halen, want of je het nu wilt of niet, je bent het gewoon: ellendig!

Ellendig, dat wil eigenlijk zeggen: in ballingschap, in gevangenschap, niet meer thuis, ver weg van huis, zoals een asielzoeker heel ver van huis is. Zoals de verloren zoon (hij is echt ellendig!) die zelf van huis weggelopen is en heel ellendig bij de varkens zit. Ellendig, dat ben jij, dat ben ik, dat zijn wij.

Wanneer ga je die troost nodig hebben, waar het vorige week in de preek over ging? Wanneer? Als de Heere je dit leert: ellendig, dat ben ik!

Hoe meer je leert, dat je van jezelf verloren bent, dodelijk ziek door de zonde, ja, zelfs geestelijk dood door de misdaden en de zonden… Hoe meer je leert zeggen (niet één keer, maar steeds weer en steeds meer): ‘Heere, ik heb het niet verdiend, dat U naar me luistert, ik heb verdiend dat U mij verlaat, ik heb de dood verdiend.’ Hoe meer je leert en ziet en voelt in je hart, dat je de Heere kwijt bent, omdat je met Adam en net als Adam van de Heere bent weggegaan. Hoe meer je dat allemaal kent en gelooft en ziet: ‘Ellendig? Dat ben ik!’, hoe meer je verdrietige hart (de Bijbel noemt het een ‘gebroken’ hart) de enige troost gaat zoeken.

Het is net als in de tuin: hoe droger de grond is, hoe meer de grond dorst heeft naar het water van de regen. Hoe verdrietiger mijn hart is om mijn zonden, hoe meer ik verlang naar de troost van de vergeving ervan. Het water zakt pas in de grond, als de grond droog en dorstig is. Troost raakt alleen mijn hart, als ik heel veel verdriet en berouw heb om alles wat ik deed en dacht, om alles wat ik doe en denk, om wie ik was en ben voor de Heere. Als mijn hart vol is van tranen van berouw om zoveel zonden, dan zoek ik mijn enige troost bij de Heere alleen.

Maar, ik zei het de vorige keer al, van onszelf zijn we blind voor onze ellende. We zien onze zonden en ellende niet. We weten en geloven niet hoe slecht het er met ons voorstaat. We denken dat we gezond zijn en geen dokter nodig hebben. Van onszelf (dat wil zeggen: zoals we geboren zijn) kennen we onze zonden en ellende niet. Dus, zijn we van onszelf één hopeloze brok ellende, zonder dat we het zien.

Je zegt: ‘Het zou mooi zijn, als de Heere ons weer een beetje goed maakt, als Hij ons hart een beetje opknapt, een beetje repareert, en beetje bijschildert.’ Nee, dat kan niet meer. Daarvoor is het te erg. Er is maar één ding, er is maar één manier, waardoor het weer anders kan worden in ons leven. De Heere Jezus zei het tegen Nicodemus, de farizeeër, die in de nacht naar de Heere Jezus toekwam: ‘Nicodemus, het is zo slecht met je, je bent zo’n hoopje ellende, dat er maar één oplossing is: je moet opnieuw geboren worden.’ Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien (Johannes 3:3).

Je hart, jongens en meisjes, is (zo ben je geboren) geestelijk dood. Je hart moet levend gemaakt worden. Dan pas leer je echt jezelf kennen. ‘Nicodemus’, zegt de Heere, ‘dat is Mijn werk.’ Jongens en meisjes, dat is het werk van de Heere, dat moet de Heere je leren. Ik bedoel dat wat staat in vraag en antwoord 3: het kennen van je ellende. Dat wil zeggen, dat je weet en gelooft wat het inhoudt, wat het betekent.

Kijk maar naar vraag 3 van de Catechismus: Vraag 3. Waaruit kent u uw ellende? Antwoord: Uit de wet Gods.

Ken jij jouw ellende? Kent u uw ellende? Ja, we weten dat er heel veel ellende in de wereld is. Dat weten we uit de media, uit de verhalen van mensen. En veel mensen weten ook van dichtbij van de ellende van ziekte, eenzaamheid, geweld, rouw of verdriet. Maar deze vraag wil dieper in ons hart kijken, naar onze geestelijke ellende.

Want er zijn genoeg mensen die zeggen: ‘Ik ben in mijn hart ellendig en verloren’, maar die hun ellende toch niet echt kennen. Ze praten er wel over, en ze gebruiken wel grote en ernstige woorden, en het klinkt allemaal wel mooi en aardig, maar als je vraagt: ‘Kent u ook uw eigen ellende?’ Dan zeggen ze: ‘Nee.’ Of ze zeggen helemaal niets. Ken jij jouw ellende? Kent u uw ellende?

Hoe kan je die ellende van je eigen hart leren kennen? Zo: de hemelse Dokter zegt, als Hij werkt in je hart, als het gaat over je eigen ellende: ‘Je ziet het van jezelf niet, want je bent blind. Maar Ik zal je ogen opendoen en Ik zal je blindheid genezen. En dan (nu kan je zien) zal Ik je laten kijken in…? In de spiegel, in de spiegel van de wet. Die zal Ik’, zegt de Heere God, ‘je voorhouden: de spiegel van Mijn wet.’ Kijk maar naar de Catechismus: Waaruit kent u uw ellende? Het antwoord zegt: uit de wet van God. De wet is een spiegel. Zoals je, meiden en jongens, heel lang voor de spiegel kunt staan om naar jezelf te kijken, zo houdt God je ook een spiegel voor. Niet om te kijken naar je

gezicht, maar naar je hart! De wet, dat is de spiegel, waarmee de Heere ons heel diep in ons hart wil laten kijken, zodat we onze ellende letterlijk gaan zien en gaan kennen.

Welke ellende zie je dan? Welke ellende leer je dan kennen? Wat is mijn ellende precies? Dat ik bij God vandaan ben gegaan. Dat ik tegen God gezondigd heb en nog steeds tegen Hem zondig. En dat ik daardoor een heel hoge, een hemelhoge schuld heb bij God, die ik niet kan betalen. En dat ik mezelf ook niet verbeteren kan. Kortom, dat ik door mijn eigen schuld diep ellendig geworden ben. Zoals de apostel Johannes schrijft aan de gemeente in Laodicea. Hij zegt: u bent ellendig, en jammerlijk, en arm, en blind, en naakt (Openbaring 3:17).

Als we zelf in de spiegel kijken, zonder het werk van de Heilige Geest in ons hart, dan zien we niets. Iedere week horen we de wet voorlezen, maar het raakt ons niet. Maar als de Heere de ogen van ons hart opent en ons echt laat kijken in die spiegel, dan zien we het wel. Dan begrijpen we wat David zegt in Psalm 51 (jongens en meisjes, probeer die tekst vanmiddag te onthouden): Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen (Psalm 51:6).

Zo ging het ook bij Paulus. Eerst zag hij het niet. Hij wilde het ook niet zien. Hij dacht dat hij goed en wat betreft zijn hart gezond was. Maar (zo zegt hij): toen kwam de wet in mijn leven. Toen hield de Heere mij de spiegel voor. En toen zag ik het: ik ben niet goed, maar slecht. Ik ben een groot zondaar voor God (Romeinen 7:9). Het licht van de Heere, Die alles weet en ziet, scheen via de spiegel van de wet heel diep in zijn hart. Net zoals een röntgenfoto van de dokter heel diep door je heen kijkt. En dan komt de uitslag. De dokter hangt de foto op, tegen het licht van de lamp aan de muur erachter, en hij wijst met zijn vinger en zegt: ‘Kijk, daar zit het. Daar in je hart, daar zit het probleem. Je hebt al de Tien Geboden van Mijn wet overtreden. Je bent schuldig. Je hebt niet naar Mij geluisterd. Je hebt je eigen wil gedaan. Je hebt de dood verdiend. Je moet betalen voor je hemelhoge schuld.’ Zoals de politie het zegt, als je in je kraag gepakt wordt: ‘Je krijgt een boete, je moet betalen, want je hebt de wet overtreden.’ Zo zegt de Heere het ook, maar vriendelijker en vol van liefde, want Hij grijpt je niet in je kraag, maar in je hart, als Hij zegt: ‘Je hebt al Mijn wetten overtreden, je moet Mij betalen, wat je Mij schuldig bent.’

Kijk in gedachten eens goed in de spiegel van de wet. Wat je dan ziet? Als de Heere het je laat zien (en daar moet je dus om bidden), dan zie je Wie de Heere is, en wat Hij van je vraagt: liefde en gehoorzaamheid. En je ziet tegelijkertijd wie je zelf bent: je bent ongehoorzaam geweest en hebt niet naar de Heere geluisterd. En dus blijft er maar één ding over om te zeggen: die tekst, die je vanmiddag probeert te onthouden: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen.

Jongens en meisjes, heb je dat wel eens gezegd tegen de Heere? Tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd? Jullie, jongelui? Dit botst, dat weet ik, met wat deze tijd aan je meegeeft. De boodschap van deze tijd is: je bent oké. Accepteer jezelf zoals je bent. Maar dit is een totaal andere boodschap, heel scherp, heel confronterend en heel rechtstreeks: je bent niet oké! Je bent in je hart voor God één brok ellende. Herken je niet dat het waar is, wat de catechismus zegt? Zou je ook niet zeggen: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen?

Je hoort, als ik dit zeg, hoe persoonlijk het klinkt: Ik heb gezondigd tegen U... Het gaat ook niet om ‘de ellende’ in het algemeen, waar sommige mensen zo gemakkelijk over kunnen praten, maar het gaat als het goed is over mij en over jou, over mijn ellende en over jouw ellende, over u en over uw ellende… voor God. Dit is de dramatische boodschap van de Bijbel: zeker, je bent schepsel van God, begiftigd met gaven uit Zijn hand. Maar dat maakt het juist nog erger! Je hebt tegen God gezondigd! De wet van God is heilig en goed. En ik en jij en u, wij zijn slecht. Haal je schouders er niet over op, vlucht niet weg zoals Adam deed, verstop je niet zoals Saul deed, ontken het niet zoals David het eerst deed, maar doorzie je lot! Je staat schuldig voor God. En als je het niet ziet, vraag dan of de Heere het je laat zien. Zodat je het eerlijk onder ogen gaat zien. Zodat je bevindelijk leert kennen in je hart wat David uiteindelijk zegt: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen.

Je zegt: ‘Wat zie ik dan? Want, wat heb ik dan gedaan?’ Kijk maar in de Catechismus in vraag en antwoord 4. Vraag 4 zegt: Wat eist (wat wil) de wet van God van ons? Het antwoord zegt: Dat leert ons Christus in een hoofdsom (in een samenvatting): u zult liefhebben de Heere, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse (heel de) Wet en de Profeten.

Dus, wat eist, wat wil de wet van mij? Dit, wat de Heere Jezus zei tegen een wetgeleerde die aan Hem vroeg welk gebod het belangrijkste was. Het antwoord van de Heere Jezus was: we moeten de Heere God liefhebben boven alles, dat wil zeggen meer dan alles en iedereen, met heel ons hart, met heel onze ziel (dat wil zeggen met alles wat je denkt, voelt en wilt), met heel ons verstand (met alles wat je weet, bedenkt, waar je over nadenkt, met alle plannen die je maakt), en met heel onze kracht (met alles wat we doen: met onze handen, met onze voeten, met onze mond), en we moeten onze naaste liefhebben als onszelf.

Onze naasten dat zijn andere mensen, niet alleen degenen van wie we houden, maar juist ook degenen met wie we niet zoveel hebben, voor wie we onze neus ophalen, ja, zelfs onze vijanden. God liefhebben boven alles, en onze naaste als onszelf. Dat, zo zegt de Catechismus, leert ons Christus. Dat dubbele gebod: God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf. En daarbij gaat het om twee dingen: om liefhebben en doen. Het gaat erom, dat je alles doet met liefde. En het gaat erom, dat je met liefde alles doet. Liefde alleen is niet genoeg. En doen alleen is ook niet genoeg. Het gaat om liefde en doen bij het (goed onthouden, jongens en meisjes!): God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf.

Ja, want je kunt wel nooit iemand vermoord hebben, maar als je hart vol haat is, dan ben je toch een moordenaar. En je kunt wel iedere zondag braaf en met een ernstig gezicht in de kerk zitten, maar als je het niet doet met liefde, maar alleen maar omdat het zo hoort, dan is het niet goed. Het gaat er niet om of je alles doet, maar het gaat erom dat je alles doet met liefde tot God en je naaste. De wet is geen boekje met de regels, maar de wet is geestelijk. Het gaat om de oprechte, om de echte liefde van ons hart. En als je die niet hebt, als je die echte liefde tot God en de naaste mist, dan kan je nog zo braaf zijn en nog zo goed lijken, maar Paulus zegt: dan ben je een klinkend metaal en een luidende schel. Dan ben je niet meer dan een geestelijke rammelaar (1 Korinthe 13:1).

Dit is Gods spiegel, terwijl Gods oog doordringt tot in het diepste van ons hart: Mij liefhebben boven alles (wie heb ik nevens U omhoog!) en onze naaste als uzelf. Laat die spiegel van de Heere ons hart maar doorschijnen, terwijl we samen gaan zingen uit Psalm 139:1

Niets is, o Oppermajesteit, Bedekt voor Uw alwetendheid. Gij kent mij; Gij doorgrondt mijn daân; Gij weet mijn zitten en mijn staan; Wat ik beraad', of wil betrachten, Gij kent van verre mijn gedachten.

Gemeente, het gaat in de preek van vanmiddag over het kennen van onze zonden en ellende. We hebben als eerste gezien dat de Heere het leert. Nu ons tweede punt:

2. Een kind van de Heere buigt ervoor

Gemeente, eigenlijk ben ik, als ik denk aan de vraag ‘kent u uw ellende?’, en aan de vraag ‘waaruit kent u uw ellende?’, wel een beetje benieuwd naar uw antwoord…

Het kan zijn, als u dit allemaal gehoord hebt, dat u zegt: ‘Nee, ik kijk niet, ik wil niet kijken in die spiegel van de wet. Dan zie ik tenminste niets, en dan kan ik straks tenminste weer rustig naar huis.’ Ja, dat klopt wel, maar de zaak zelf verandert er niet door. Die blijft zoals hij was: namelijk dat u denkt dat u gezond bent, maar u bent het niet! Het kan zijn dat u zegt: ‘Klopt, Heere’. Maar u draait u om en loopt weg. Zoals Jakobus het heeft over mensen die in de spiegel kijken: ze zien zichzelf, ze schrikken, ze draaien zich om (om niets meer te zien), ze lopen weg en ze vergeten wat ze gezien hebben (Jakobus 1:23).

Het kan ook zijn, dat u uw kwaal wel ziet, maar u zegt: ‘Ja, maar ik kan daar zelf toch niets aan doen? Als God me niet bekeert, dan kan ik er toch verder ook niets aan doen?’ U kijkt in de spiegel, u ziet dat u een misdadiger bent en u zegt: ‘Ach, wat zielig, ik lijk wel een slachtoffer.’

Het kan ook zijn dat u kijkend in de spiegel wel wat ziet, maar het een beetje goed probeert te praten. ‘Ja’, zegt u, ‘ik zie wel dat er veel niet klopt, maar ik doe ook heel veel goede dingen: ik ben netjes, en ik gedraag me zoals het behoort…’ Ja, in het beste geval (maar ik betwijfel of dat zo is) krijgt u een 10 voor doen. Maar wat als je een 0 krijgt voor de liefde van je hart? Dan ben je nog steeds een ellendig hoopje mens.

Weet u wat er nodig is? Dat de Heere, dat de Heilige Geest mijn ogen opent en de wet gaat gebruiken om mijn zonden aan te wijzen. Zoals Nathan dat bij David deed, toen hij zei: U bent die man! (2 Samuël 12:7) En toen zei David, goed onthouden die tekst, jongens en meisjes: Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan dat kwaad is in Uw ogen. De wet dringt door tot in het diepste van zijn hart. Hij wordt eerlijk. Hij buigt en hij breekt.

Wat maakt dat hij buigt en breekt? Dat komt hierdoor (ik zei het eerder al): als je in Nederland de wet overtreden hebt, dan grijpt de politie je in je kraag en slaat je in de boeien. Maar God is anders. Hij grijpt je als een zondaar met liefde in je hart. Hij plaatst je voor Hem, voor de heilige, voor de altijd goeddoende God. Dan zeg je niets meer, dan zwijg je. Dan breekt je hart. Als de Heere tegen je zegt, zoals Hij zei tegen David: ‘Je lijkt wel een goede koning, je lijkt wel een goed mens, maar je hart is vol van zonde.’ Dan breek je, dan word je geestelijk arm.

Maar, de wet doet meer! Want zien en kennen van zonden en ellende is geen doel op zich. Die hartekennis van zonden en ellende wil ons vooruit duwen, wil ons een bepaalde kant op duwen, namelijk de kant van de Zaligmaker, van de Heere Jezus Christus.

Want je komt niet, je komt nooit aan Zijn voeten als je je zonden niet ziet en kent. Maar het zien en kennen van onze zonden en ellende duwt ons, op Gods tijd, vooruit om met die zonden en ellende naar Hem toe te gaan. Die gezond zijn hebben de Heere Jezus niet nodig, maar wel die ziek zijn. Zij die ziek zijn van verdriet en berouw over hun zonden en schuld. Die mensen kennen de plaats van de tollenaar, die slaande op zijn borst uitriep: ‘O, God, wees mij de zondaar genadig.’ Ze kennen de plaats van de ellendige buitenstaander, die niet meer weet hoe het moet, en voor wie het aan eigen kant onmogelijk geworden is, en die in die weg uiteindelijk niet anders kan doen dan tot Jezus vluchten. Gemeente, de wet is niet gegeven om ons nog een kans te geven om onszelf te verbeteren. De wet is bedoeld om ons te laten zien dat dat ten enenmale en voor altijd uitgesloten is! Dat het voor eens en altijd uitgesloten is, om het ooit nog door eigen inspanning weer goed te maken tussen God en ons hart.

Want, God liefhebben met heel je hart, met heel je ziel, met heel je verstand en met alle kracht en je naaste als jezelf? Dat is uitgesloten! Alles wat aan de buitenkant blijft, stelt nog wel gerust. Maar de wet dringt door de buitenkant heen. Het lijkt van buiten voor het oog nog wel wat, maar de wet wijst dieper, naar de kern, naar de bron. En die is bedorven. De wet doet ons onze zonden en ellende kennen, steeds meer, en meer, totdat we (dat is het doel, dat is het enige doel van de wet) onszelf ten enenmale afkeuren. Totdat we ‘wanhopen aan onszelf’. Dat wil niet zeggen dat we in wanhoop moeten vervallen, maar dat we de hoop moeten verliezen op verbetering in eigen kracht. De wet heeft tot doel dat ik ga zien en geloven: zelf kan ik het niet, zelf kan ik het nooit. Zodat ik ga uitroepen: ‘O God, wees mij zondaar genadig. Want mijn hart is één vuile bron van zonden tegen U.’

Dan pas, pas als je daar iets van kent en ziet en gelooft, dan pas krijgt de hemelse Dokter echt waarde voor je hart. Als je dan in al je zielsverdriet horen mag dat Hij, de Heere Jezus gekomen is om te zoeken en zalig te maken dat verloren was, en dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om zondaars zalig te maken, dan zeg je, vol verwondering en verbazing: ‘Maar, Heere, zo iemand ben ik! Ik heb Uw wet geschonden. Ik heb die op allerlei manier overtreden. En ik kan het zelf nooit meer goedmaken. Maar nu hoor ik dat U het weer goed kunt maken. Zonder U, o Heere, kan ik niet verder leven. Heere, ik heb U nodig. Ik heb U, Heere Jezus, Zaligmaker van zondaren nodig. Want U hebt nooit de wet overtreden. U zei toch: Ik draag Uw heilige wet, niet alleen aan de buitenkant, maar in Mijn binnenste, in Mijn binnenste ingewand?’ Nog meer, meer dan ooit, zie ik de diepte van mijn schuld, als ik zie hoe de toorn van God Hem, om mij, getroffen heeft op Golgotha. Op Golgotha, daar zie ik de diepe ernst van mijn schuld voor God, daar zie ik de zwaarte en de ernst en de geestelijkheid van de wet, als Gods toorn en wraak in alle hevigheid op Christus losbarst, zoals die had moeten losbarsten op mij.

Dat is het doel van de wet! Dat ik ga wanhopen aan mezelf, dat wil zeggen: aan de mogelijkheid om mezelf te verbeteren, en dat ik mijn redding ga zoeken buiten mezelf in de Heere Jezus Christus. Dat, jongens en meisjes, bedoelen we als we zeggen: de wet van de Heere wil ons uitdrijven tot Christus. Het wil zeggen: de wet wil ons wegduwen van onze eigen plek, wegduwen van alsmaar proberen om onszelf te verbeteren, en heen duwen, vooruitduwen naar de Heere Jezus Christus, om aan Hem vergeving te vragen.

De meeste van Gods kinderen moeten zeggen: ‘Dat wilde ik eerst niet. Want ik wilde het eerst zelf doen, ik wilde mezelf verbeteren. Maar de wet zorgde ervoor dat ik ging zien, dat dat nooit meer zou lukken. En dus duwde de wet me vooruit om vergeving en genade bij de Heere Jezus te zoeken.’

Het is de Heere Zelf Die door Zijn Heilige Geest leert buigen voor de wet, voor de God van de wet. Dat zien we nog kort in vraag en antwoord 5: Kunt u dit alles volkomen houden? Kunt u heel wet houden? Het antwoord zegt: Nee ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Het antwoord is heel persoonlijk. Ik ben. Ook een kind van God zegt niet: ‘Ik was.’ Maar: ‘Ik ben.’ Zoals Paulus, jaren na zijn bekering, niet zegt: ik was. Maar: ik ben de voornaamste van de zondaars (1 Timotheüs 1:15).

Zegt u dit na, kinderen van God? U, gemeente? Het gaat niet over een ander. Het gaat niet over de preek, het gaat niet over de gemeente, het gaat niet over van alles en nog wat, maar als de Heere werkt en doorwerkt dan gaat het over jezelf: Ik ben…

Ik ben geneigd. Dat wil niet zeggen: ik heb er een handje van, ik heb een beetje de neiging om, maar het wil zeggen: het is mijn hartstocht, mijn drang, mijn natuur, mijn aard. Ik ben geneigd, dat wil zeggen: zo is mijn aard, zo is mijn hart. ‘Ik ben zo, dat ik U, Heere, en mijn naaste haat. Dat is mijn aard. Het zijn geen vergissingen die ik maak, nee, het zit in me, zo ben ik.’ Zoals je, jongens en meisjes, op straat wel eens een grote hond ziet, met een muilkorf, met een kap om zijn bek. Waarom? Nou, die mollige hond lijkt wel lief en aardig, maar de aard van het beestje is gevaarlijk. Want er hoeft maar iets te gebeuren of hij wordt boos en hij bijt. Zo is het ook met ons, met mij, met jou, met u. Er hoeft maar iets te gebeuren of het komt eruit. Bij sommige mensen komt het er niet uit. Maar het zit er wel in. Wat hier staat: Ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

Te haten. Dat gaat niet in de eerste plaats om die boze menselijke emotie, nee, dit is sterker. Dit is de diepe haat van afwijzen, van verwerpen, van: Ik moet U niet, van: Ik wil U niet. De wet laat zien, dat we precies het tegenovergestelde zijn van hoe we moesten zijn. We zijn geschapen om God te loven en te eren, maar (zo zegt Paulus) we zijn vervuld met, we zijn vol van alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog en kwaadaardigheid (Romeinen 1:29). We zijn goddeloze vijanden van God geworden, die Hem en onze medemens diep in ons hart haten.

Zucht… Waarom zegt de Heere dat nu steeds weer tegen ons? Iedere zondag weer. En nu ook weer. Dat weet ik toch al lang! Paulus zegt: Opdat alle mond gestopt worde en de gehele wereld voor God verdoemelijk zij (Romeinen 3:19). Dat wil zeggen: opdat, om ervoor te zorgen dat we onze mond gaan houden, om ervoor te zorgen dat we niet meer gaan zeggen: ‘Ja, maar U, Heere’, om zo stiekem God de schuld te geven. Opdat we zouden gaan zeggen: ‘Ja, Heere. U hebt gelijk. Ik zwijg. Want tegen U, tegen U alleen, heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw ogen. Ik heb de dood verdiend. Ik heb geen recht op vergeving. Maar, Heere, is er nog een weg, waardoor het weer goed kan komen tussen U en mijn hart?’

En dan, dan blijkt dat de wet niet is gegeven om ons te veroordelen, dan blijkt dat de wet ook niet is gegeven zodat we onszelf zouden kunnen verbeteren, maar dan blijkt dat de wet gegeven is om ons te laten zien dat diezelfde wet een doodlopende weg is. Dan blijkt dat de wet gegeven is, om ons te laten zien dat er Iemand achter die wet verborgen is. Zo is het ook altijd als iemand een spiegel voor je houdt. Jij kijkt in de spiegel en achter de spiegel staat degene die de spiegel vasthoudt. Hij, de Heere Christus is het die Zijn kinderen de spiegel voorhoudt. En Hij staat achter de spiegel. Zij kijken in de spiegel. Zij zien wel de spiegel en zichzelf in de spiegel, maar Hem zien ze eerst niet. Hij staat erachter: de Heere Jezus Christus.

Hij laat Zijn kinderen in de spiegel kijken. En Hij zegt, vol bewogenheid en zondaarsliefde: ‘Kijk, kijk goed in de spiegel, dan zie je hoe je bent. Zo slecht ben je.’ Ik zie het, ik schrik, zo erg is het. Het is zo erg, dat er niets meer aan te verbeteren valt. Ik belijd eerlijk mijn zonden voor de Heere. Ik ga voor de Heere buigen en mijn hart gaat naar Hem roepen om genade en vergeving.

En dan…? Dan houdt diezelfde Heere Zijn spiegel een beetje opzij en zegt: ‘Kijk, omdat je zo slecht bent, omdat het nooit meer iets met je wordt, omdat je jezelf niet kunt verbeteren, daarom ben Ik nu gekomen. Mij heb je nodig!’

De wet maakt nood. En waar de nood hoog is, daar is de redding nabij. Want achter de spiegel staat Christus. Die tegen zulke zondaars, met zoveel verdriet en nood in hun hart om hun zonden en ellenden, zegt: ‘Maar kijk nu toch naar Mij. Ik heb deze wet met al de

liefde van Mijn hart volkomen, volmaakt gehouden. Ik heb God de Vader in alle dingen op het oog gehad, ik heb altijd Zijn eer bedoeld. En dat heb Ik gedaan met dit doel: om vijanden, om wetsovertreders, zoals u, zoals jij, met God te verzoenen.’

U zegt: ‘Maar hoe moet het nu verder met mij? De wet veroordeelt me. Ik heb tegen God gezondigd. Ik heb niets om te betalen. Ik zou wel willen vluchten, maar ik kan nergens heen.’ Roep maar, bid maar, zeg maar eerlijk, dit (wat jullie, jongens en meisjes, niet alleen nu proberen te onthouden), maar thuis ook biddend op je knietjes tegen de Heere gaan zeggen: ‘Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw ogen. Genâ, o God, genâ, hoor mijn gebed. Hoor hoe een boeteling pleit?’

De Heere hoort zulke bidders. Hij zal ze nooit laten staan, Hij zal ze nooit wegsturen. Hij vergeet het geroep van Zijn ellendigen niet (Psalm 9:12). Hij hoort ze en verhoort hun gebeden. Want Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was. En Hij ontvangt de zondaars en eet met hen. Daarom, berouwvolle zondaars, rust niet op de kennis van uw ellende, maar laat uw nood u uitdrijven tot Christus.

Amen.

Slotzang Psalm 77:6,7

‘Zou God Zijn genâ vergeten? Nooit meer van ontferming weten? Heeft Hij Zijn barmhartigheên Door Zijn gramschap afgesneên?’ 'k Zei daarna; "Dit krenkt mij 't leven; Maar God zal verand'ring geven; D' Allerhoogste maakt het goed; Na het zure geeft Hij 't zoet."

'k Zal gedenken, hoe voor dezen Ons de HEER heeft gunst bewezen; 'k Zal de wond'ren gadeslaan, Die Gij hebt van ouds gedaan; 'k Zal nauwkeurig op Uw werken En derzelver uitkomst merken; En, in plaats van bitt're klacht, Daarvan spreken dag en nacht.