PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 43: Geen vals getuigenis geven (serie 1)

Zondag 43 · 5 maart 2023

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 43 (serie 1)

INLEIDING

Zondag 43 van de Heidelbergse Catechismus behandelt het negende gebod: gij zult geen vals getuigenis spreken. Liegen, roddelen, achterklappen en het veroordelen van anderen zijn eigen werken van de duivel — en onze tong is een onbedwingelijk kwaad, vol dodelijk venijn. Dit gebod wil ons laten zien wie wij van nature zijn: kinderen van de vader der leugens. Maar wie door genade iets mag leren kennen van de Waarheid Zelf, ontvangt ook een nieuw hart en een nieuwe tong.

THEMA

Wat wil God in het negende gebod?

KERNPUNTEN

  1. Hoe erg het is (om niet naar dit gebod te luisteren)
  2. Hoe goed het is (om de Heere hierin te gehoorzamen)

ZONDAG 43

Vraag 112: Wat wil het negende gebod?
Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik denzwaren toorn Gods op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 43: Geen vals getuigenis geven (serie 1)

ds. J. IJsselstein - Zondag 43

THEMA

Wat wil God in het negende gebod?

LITURGIE

Tien Geboden: 1,7

Psalm 117:1

Lezen Jakobus 3

Psalm 19:5,6,7

Psalm 51:3,4

Psalm 5:6,7

Gemeente, jongens en meisjes, de Tien Geboden zijn bijna klaar. We zijn vanmiddag in deze leerdienst bij de behandeling van de Heidelbergse Catechismus toe aan de behandeling van het negende gebod: U zult geen vals getuigenis geven. Laten we samen eerst zondag 43, vraag en antwoord 112 met elkaar lezen.

Vraag 112. Wat wil het negende gebod? Antwoord. Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik den zware toorn Gods op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.

Het thema voor de catechismuspreek van vanmiddag is: Wat wil God in het negende gebod? We letten samen op twee aandachtspunten. In de eerste plaats letten we op: Hoe erg het is, om daar niet naar te luisteren. En in de tweede plaats op: Hoe goed het is, om de Heere hierin wel gehoorzaam te zijn. Dus: Wat wil God in het negende gebod? 1. Hoe erg het is (om daar niet naar te luisteren) 2. Hoe goed het is (om de Heere hierin wel te gehoorzamen) Als eerste dus:

1. Hoe erg het is (om niet naar dit gebod te luisteren)

Hoe erg is het om te liegen? Misschien zeg je: ‘Dat ligt eraan. Als het een klein beetje is, valt het misschien nog wel mee.’ Of: ‘als ik het niet expres doe, dan is het misschien minder erg…’ Misschien zegt u ook: ‘Dat ligt eraan. Als ik het over iemand heb, die echt niet goed bezig is, dan mag ik er best wel iets van zeggen…, tegen iemand anders…’

Toch, gemeente, velt de Bijbel een hard oordeel over vals getuigenis, over roddel, over leugen en bedrog. De dichter van Psalm 5 zegt: Gij zult de leugensprekers verdoen; van de man (…) des bedrogs heeft de HEERE een gruwel (Psalm 5:6).

En ook de catechismus noemt het: het eigen werk van de duivel. Dus, als je niet eerlijk bent, als je iemands woorden anders maakt (als je iemands woorden verdraait), als je roddelt, als je zomaar iemand oordeelt of veroordeelt, dan ben je duivels bezig.

Want, wat doet, wat deed de duivel? Liegen en bedriegen. Dat begon al in het paradijs: ‘Zeg, Eva, Adam, ja, kijk maar eens goed naar die ene boom… Ziet er niet kwaad uit toch?’ Weet je nog, jongens en meisjes, van de vorige keer: de zonde begint met… kijken. En toen zei de duivel: ‘Zeg, Eva en Adam, luister eens, eigenlijk ben je door God bedrogen. Hij heeft wel gezegd: ‘als je daarvan eet, dan zal je sterven’, maar eigenlijk is het anders. Als je daarvan eet, dan zal je als God worden! En dat wil God natuurlijk niet!’ En toen…? Toen zei ze erin getrapt…? Nee, toen hebben Adam en Eva bewust gekozen. Ze hebben in hun gedachten God tot een leugenaar gemaakt en ze hebben de duivel geloofd.

En sindsdien is er heel veel veranderd… Ons hart is veranderd. We zijn bij God weggegaan. Er is geen band van liefde meer. We zijn zelfs vijandig geworden tegen God. Ons hart is veranderd. Onze oren zijn veranderd. Sindsdien luisteren we niet meer naar God en naar het Woord van God. We denken bij onszelf: ‘Heere, dat zegt U wel allemaal, maar U liegt, U bedriegt ons. U zegt, dat ik me moet bekeren en dat ik moet geloven, maar dat kan ik helemaal niet!’ Ons hart is veranderd, onze oren zijn veranderd… Onze ogen zijn ook veranderd. Het begon met dat kijken: alleen maar kijken… Maar sindsdien worden onze ogen steeds toegetrokken naar de dingen die niet goed zijn. Ons hart, onze oren, onze ogen, onze handen en voeten, het is allemaal anders geworden. En ook onze tong!

Waarom, jongens en meisjes, heb je eigenlijk een tong van de Heere gekregen? Je zegt: ‘om te kunnen praten’. Zeker, maar vooral ook om goed over de Heere te kunnen praten. Om de Heere te kunnen loven. Maar sindsdien, sinds Adam en Eva in het paradijs de leugen van de duivel geloofd hebben, sindsdien doet dit kleine ding, die tong van ons, iets heel anders. Dat komt, zegt de Bijbel, omdat we een andere vader gekregen hebben. We waren kinderen van God. Zo waren we geschapen. Met een tong, die goed sprak van God en van onze naaste. Maar we werden kinderen van de duivel, uit de vader van de leugen (Johannes 8:44). De duivel is onze vader geworden. We hebben ons heel bewust door hem laten adopteren. En sindsdien zwijgt onze tong over God, en spreekt onze tong slecht over andere mensen.

Weet je hoe de Bijbel dat zegt? Paulus schrijft de Romeinen 3: God is waarachtig (dat wil zeggen: eerlijk en oprecht), alle mensen (zonder uitzondering) zijn leugenachtig (Romeinen 3:4a). De Heere spreekt altijd de waarheid, maar wij zijn leugenaars in hart en nieren.

Paulus zegt het nog erger in Romeinen 3: Onze keel is een geopend graf; met onze tongen plegen wij bedrog; slangenvenijn is onder onze lippen. Onze mond vol is van vervloeking en bitterheid (Romeinen 3:13-14). Herken je dat niet, jongens en meisjes, dat er uit je mond allerlei verkeerde dingen komen? Je zegt, fluisterend tegen je vriendjes of vriendinnetjes: ‘kom, even opzij…’ En ondertussen wijs je stiekem met een klein, bijna onzichtbaar vingertje: ‘Vind je hem ook niet stom? Vind je ook niet dat zij lelijke schoenen heeft? Ik heb pas gehoord dat hij iets uit iemands tas heeft gehaald… Zou het waar zijn?’ Herkennen wij dat niet, ouderen? ‘Zag je dat pas, hoe die in de kerk zat? Het moet niet gekker worden!’ ‘Ik hoorde dat… (ja, zo begint het meestal: ik hoorde dat…), ik hoorde dat die en die ook al weg is bij zijn vrouw…’ ‘Ja, maar ik denk (ja, ik weet het niet hoor), ik denk dat zij ook niet pluis is, het zal ook wel aan haar liggen…’ Vals getuigenis geven is misschien wel de volkszonde van [plaatsnaam]…

De catechismus geeft er handen en voeten aan met sprekende en actuele voorbeelden: Dat ik tegen niemand valse getuigenis geef, dat ik niemand zijn woorden verdraai, geen achterklapper of lasteraar ben, niemand gemakkelijk en onverhoord oordeel of help veroordelen, maar allerlei (er zijn nog veel meer voorbeelden te bedenken!) liegen en bedriegen als eigen werken van de duivel haten zal!

Vals getuigenis: over iemand iets getuigen, iets vertellen wat er gebeurd is, bijvoorbeeld op het schoolplein of waar dan ook, maar het is niet waar. Het is vals, het is niet eerlijk!

Iemands woorden verdraaien: ‘Hij zei dit of dat…’, maar je weet diep in je hart dat het net ietsje anders was. Of je weet helemaal niet, wat die ander precies gezegd heeft! Je doet alsof je iets gehoord hebt, maar je hebt eigenlijk helemaal niets gehoord.

Achterklappen: Die gesprekken op straat, in de winkel, bij het schoolplein, op de koffie, gevuld met allerlei interessante nieuwtjes en weetjes: heb je het ook al gehoord…? Ze zijn misschien wel waar, maar ondertussen ontstaat er wel een bepaald beeld van de ander, een slecht beeld van de ander, en er ontstaat ondertussen een goed, een beter beeld van mezelf. ‘Nee’, zeg ik, ‘wij zijn niet beter, hoor’, maar ondertussen… Als de persoon over wie het op dat moment gaat, er nu eens bij zou komen te staan of zitten, zou u dan doorgaan? Of zou het gesprek dan ineens stilvallen? U zou, om uw gezicht te redden snel overgaan op iets anders. Omdat het misschien wel waar was, wat u allemaal vertelde, maar er was geen liefde in. En dat maakt dat soort koffiepraatjes tot eigen werken van de duivel. Achterklappen…

Lasteren: Dat is nog erger. Het is bewust iets vertellen waarvan je weet dat het niet waar is. Of: iemand lichtelijk en onverhoord oordelen of helpen veroordelen. Terwijl de Heere Jezus heeft gezegd: Oordeelt niet, opdat u niet geoordeeld wordt. Want met welk oordeel

u oordeelt, zult u geoordeeld worden; en met welke mate u meet, zal u wedergemeten worden. En wat ziet u de splinter, die in het oog uws broeders is, maar de balk, die in uw oog is, merkt u niet? (Mattheüs 7:1-3) Je weet er bijna niets van…, je hebt het van horen zeggen…, maar je hebt je oordeel klaar. En het is een hard oordeel, het is een liefdeloos oordeel. De catechismus zegt: het zijn de eigen werken van de duivel.

En, gemeente, de schade is enorm… Het is niet tot de eer van God. Het zou een grote zegen zijn voor de gemeente, als dat zou ophouden. En het breekt het levensgeluk van mensen. Meestal is het ook niet te herstellen. Immers die praatjes in de gemeente, die zijn als pluisjes van een paardenbloem. Je blaast ze de wereld in, ze gaan overal heen, en zie ze maar eens terug te vinden. En het breekt bovendien in de gemeente de onderlinge band van vertrouwen en vriendschap. Het maakt, vergis u niet, uw hart harder. Het maakt het woord van de prediking krachteloos, omdat u bezig bent met een duivels patroon van denken en praten over de ander, zonder te denken aan en te kijken naar uzelf… Het schroeit uw geweten dicht, het verwoest uw ziel, want (zo zegt Jakobus): onze tong ontsteekt het rad van onze geboorte, en wordt ontstoken door de hel (Jakobus 3:6). Al die praatjes, die gaan over een ander, waar jezelf net wat beter uit de verf komt, al die praatjes komen rechtstreeks uit de hel! Het schroeit uw geweten dicht, het verwoest uw ziel en het verhindert uw gebeden. Want als u niet eerlijk bent onder de mensen, hoe zou u dan eerlijk zijn voor God? Als het ene schijn is, dan is en wordt het andere ook schijn. En bovendien, ook deze zonde, neemt ons mee op de glijbaan van een hellend vlak. Eerst hebben we nog wat aarzeling, maar het wordt steeds gemakkelijker om over anderen te praten. En na verloop van tijd, weet je zelf niet meer wat waar is of niet.

Gemeente breek ermee! Dit maakt zo veel stuk in onze gemeente! U zegt (en nu komt de kern…, goed luisteren…!): ‘Ik kan er niet mee breken. Het zit in mijn bloed.’ En u zegt: ‘als ik niet uitverkoren ben, zal dat ook nooit veranderen.’ Dat klopt allemaal, maar de manier waarop u dat zo gemakkelijk denkt en zegt, wijst uw ware aard aan. U speelt, als u het zo van u afschuift, de bal terug naar God. U zegt eigenlijk: ‘Heere God, na alles wat U in de Bijbel zegt, kan ik maar één ding concluderen: Ik word door U bedrogen. U vraagt aan mij wat ik niet kan.

Gemeente, kijk eerlijk in de spiegel. Wie liegt er? Wie bedriegt er? God? Als Hij zegt: breek met deze zonde? Of u? Als u zegt: ik kan er niets aan doen? Johannes zegt: Die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt (1 Johannes 5:10).

Het bewijs is geleverd…, het bewijs van onze afstamming…, het bewijs van ‘wie onze familie is…’

Jij, jongen, jij lijkt op je vader. En jij, meisje, jij lijkt op je moeder! In hoe je eruitziet, in wat je doet en ook in hoe je de dingen zegt… Dat zeggen de mensen toch weleens tegen je, jongens en meisjes? Wij, met ons liegen en bedriegen, lijken op de duivel. We hebben ons laten adopteren door de duivel, de aartsleugenaar, de vader van alle leugens. En daarom heeft de Heere Jezus heel scherp en eerlijk gezegd in Johannes 8: Gij zijt uit de vader de duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen (8:44).

Sinds het paradijs is ons leven één grote leugen voor God. En één grote leugen tegen onze naasten. We denken (en dat is een leugen!) dat God de schuld is van ons kwaad. We denken dat Hij niet het goede met ons voor heeft. En dat Hij ons bedriegt met het plan van Zijn verkiezing, terwijl wij zo graag willen en wij zo goed ons best doen... Uw leven, mijn leven, ons leven is van nature één grote leugen voor God. En: ons leven is één grote leugen tegen onze naasten. Vanwege… onze tong!

Je tong, jongens en meisjes, voel maar eens in je mond, dat is maar een heel klein lichaamsdeel. Maar de apostel Jacobus heeft er in zijn brief een heel hoofdstuk over volgeschreven. Hij zegt letterlijk in Jakobus 3: de tong in onze mond is als de toom in de bek van een paard. Je weet, een paard is een geweldig sterk beest. Maar met een toom in zijn bek, kunnen wij mensen zo’n heel sterk paard alle kanten opsturen. Jakobus zegt: de tong in onze mond, is ook als een roer van een heel groot schip. Het is maar een heel klein onderdeel, maar dat roer is in staat om een heel groot schip te sturen. Zo is ook onze tong maar heel klein, maar wat onze tong allemaal doet…? Heel erg veel…!

Onze tong (een lucifer is ook zo klein!) kan als een lucifertje, als een vonkje vuur een heel huis, een heel bos in brand steken. Daar heb je echt geen brandbom voor nodig. Eén vonkje, één lucifertje is al genoeg. Zo is het ook met de zonde van onze tong. Het lijkt allemaal zo klein: kleine vonkjes…, van de duivel. De één heeft een duiveltje op zijn tong…, de ander heeft een duiveltje in zijn oor…, en de hele zaak vliegt in brand.

Maar, zeg je: ‘Je moet hem ook in bedwang houden, die tong!’ Maar (en dan blijkt hoe erg het met ons gesteld is), Jakobus zegt: de mens kan zijn tong niet termen, niet in bedwang houden. Zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van dodelijk venijn (Jakobus 3:8).

Jongens en meisjes, ik zei de vorige keer: zeker als je geen nieuw hart hebt (maar ook als je kind van God bent), dan is de bedoeling van het gebod (ook van het negende gebod)

om je te laten zien wie je bent voor de Heere: een mens, met een hart vol van vergif, met een tong als van een slang, van wie de tanden dodelijk vergif spuiten. Niet te bedwingen! Jeremia zei ooit: U, die geleerd hebt om kwaad te doen, kunt geen goed doen (13:23)!

Nee, dat zeg ik niet om ons een excuus, een verontschuldiging te geven. Maak God toch niet tot een leugenaar! Ik zeg dit, en de Heere zegt dit vanmiddag, opdat jullie, opdat u, opdat wij buigen zouden, en zeggen: ‘Nu zie ik de grootheid van mijn kwaad. Want U ziet naar waarheid in mijn binnenste. Maar bij mij van binnen is geen waarheid…’ Laten we daar samen eerst van zingen vanuit Psalm 51, vers 3 en 4. 't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren; Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toren. Reeds van het uur van mijn ontvangenis af. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in 't gemoed; Gij, HEER, Die weet, al wat ik heb misdreven, Gij, die mijn geest met wijsheid hadt gevoed, En in mijn ziel Uw Godd'lijk licht gegeven.

Ontzondig mij met hysop, en mijn ziel, Nu gans melaats, zal rein zijn en genezen. Was mij geheel, zo zal ik witter wezen Dan sneeuw, die vers op 't aardrijk nederviel. Ai, geef mij weer gewenste zielevreugd; Laat uit Uw mond mij stof tot blijdschap horen; Zo wordt opnieuw 't verbrijzeld hart verheugd, En in mijn geest de ware rust herboren.

God ziet naar, God zoekt naar waarheid in het binnenste… Maar geen mens wil van zichzelf kijken, eerlijk kijken in zijn hart en in de spiegel van de wet… Totdat de Heere Zelf door ontdekkende genade ons hart openlegt, ons de spiegel voorhoudt en zegt: ‘Kijk, Ik zoek naar waarheid, maar Ik zie ze niet. Ik zie alleen maar leugen en bedrog.’ Dan zie je: Ik ben kind geworden van een andere vader, door mijn eigen schuld. Ik heb zelf om adoptie gevraagd. En daarom, om mij, om mijn zonden, om mijn zondige hart, daarom rust de zware toorn van God op mij. Wat wordt het nood in je hart, als de Heere je laat zien wie je bent, wie je geworden bent in Adam, maar ook wie je bent door je doen en laten van iedere dag. Met een hart, dat een vuile bron is van wanbedrijven. Onbedwingelijk, niet te verbeteren/

Hoe komt het ooit weer goed tussen God en mijn hart? Weet je nog van de vorige keer, jongens en meisjes, wat was de tweede bedoeling van de wet? Dat was: als ik dan door het werk van de Heere in mijn hart mijn zonden zie, als ik dan mijn zonde voor ogen zie zweven, dat ik dan juist door het gebod zou leren dat ik zelf niet

in staat ben om mezelf te verbeteren, maar dat ik daar voor Iemand anders nodig heb: de Heere Jezus Christus. De wet wil ons drijven, wil ons vooruit te duwen naar de Heere Jezus Christus toe.

Zijn ogen waren zuiver, Zijn oren oprecht, Zijn handen heilig en rein, en Zijn tong sprak altijd tot eer van Zijn Vader. Hij Zelf was de Waarheid. Nooit is er bedrog in Zijn mond geweest (Jesaja 53:9). Hij heeft nooit geroddeld, Hij heeft nooit de waarheid verdraaid, Hij heeft nooit iemand gelasterd.

Je zegt: ‘Iedereen had zeker wel heel veel eerbied voor Hem?’ Nee, Hij werd door ons gelasterd. Wij hebben Hem uitgemaakt voor een leugenaar, voor een vriend van tollenaars en zondaars. Maar Hij heeft dat kruis gedragen, en die schande veracht (Hebreeën 12:2). Sterker nog, de zware toorn van God, die wij op ons gelaten hadden, de zware toorn van God tegen de zonde van Zijn kinderen, heeft Hij op Zich genomen. Hun smarten heeft Hij gedragen. En daarom, om Hem, is er een weg voor (denkend aan de vorige zondagen van de catechismus), voor moordenaars, voor dieven en (nu ook) voor leugenaars om zalig te worden.

Als de Heere in je leven komt, als je iets van die genade van de Heere Jezus mag leren kennen, dan ga je de zonde haten, dan ga je breken met roddel en laster en met het veroordelen van anderen. Dan leer je iets, dan ontvang je iets van Zijn oprechtheid en van Zijn liefde voor de waarheid.

En dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. Hoe goed het is (om de Heere hierin te gehoorzamen).

De catechismus zegt: Insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevorder. Word je dan heel erg goed? Word je dan volmaakt? Nee, pas na dit leven, zo zegt de catechismus in de volgende zondag, komen Gods kinderen ‘tot de voorgestelde volmaaktheid’. Je kan nog struikelen en in de zonde vallen, maar het wordt je wel van harte leed. Je krijgt er hartelijk verdriet en berouw over. En je kan er ook niet meer in blijven leven. Er komt in je hart een begin, een beginsel van oprechtheid en eerlijkheid voor God en onze medemens.

Dan geloof je, dan weet je en voel je in je hart: het is de plicht van de liefde, om te gaan in het spoor van Gods gebod. Het is de plicht van de wederliefde om de Heere Jezus ook hier in te volgen. Nee, dat kan niet in eigen kracht. Ik kan zelf in eigen kracht mijn tong niet bedwingen, niet temmen.

Dan komt het gebed in je hart: ‘O, Zoon, maak mij Uw beeld gelijk. Want in Uw mond is het onrecht nooit gevonden’. Dan komt het gebed in het hart van Psalm 19: Laat mijn tong en mond (wat iedereen kan horen) en ‘s harten diepste grond (wat U alleen ziet en weet) U toch welbehagelijk wezen (Psalm 19:7, ber.). Mijn tong mijn mond, uiterlijk en hoorbaar…, maar ook de gezindheid van mijn hart. Die niemand ziet, maar kijkt U maar, Heere, want U ziet naar waarheid in het binnenste. Dan ga je merken, dat je niet alleen van de Heere een nieuw hart gekregen hebt, maar dat je van de Heere ook een nieuwe tong krijgt. Dat zie je ook, jongens en meisjes, op de Pinksterdag. Het is niet voor niets, dat er op de hoofden van die 120 mensen tongen gezien worden als van vuur. Vroeger waren hun tongen vol van vurige slangenvergif: gevaarlijk, giftig en venijnig. Maar nu zijn het vonken, vlammen, nu is het als een vuur, ontstoken en aangeblazen door de Heilige Geest.

En dat laat tegelijkertijd zien dat de vernieuwing van het hart van Gods kinderen en dat de vernieuwing van onze tong, geen werk is van ons. Dat vuur wordt aangeblazen, nee, nu niet meer door de duivel, maar door de Heilige Geest. En dan gaat dat nieuwe ook blijken. Want hun tongen gaan… roddelen, kletsen, oordelen over de vijanden van de Heere Jezus? Nee, hun tongen gaan de grote werken van God vertellen (Handelingen 2:11).

De catechismus werkt ook dit gedeelte uit in een paar praktische voorbeelden, als er staat in antwoord 112: Insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd, ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevorder.

De waarheid liefhebben. Het gaat dus niet in de eerste plaats om mooie woorden, om het spreken van de waarheid, maar het gaat in de eerste plaats en dieper om het hart: om het liefhebben van de waarheid. En het gaat niet alleen om niet roddelen, maar het gaat ook om het positieve: goed spreken over de ander. De les is duidelijk. De les voor het leven van de dankbaarheid: aan iemands tong, ken je zijn of haar hart. Want je hart blijkt uit je ogen, uit je oren, uit je handen, uit je voeten, en ook uit je tong, uit wat je zegt.

Jakobus schrijft: Wie is wijs en verstandig onder u? Die bewijze uit zijn goede wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid. Maar indien gij bittere nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid. Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel. Maar de wijsheid, die van boven is, die is (en dat is de laatste spiegel voor ons hart en leven in deze preek) ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende, en ongeveinsd.

En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken. (Jakobus 3:13-18).

Wie onder ons van Christus is, die doe, in biddende afhankelijkheid, dit gebod oprecht en welgezind als een liefdedienst (aan God en de naaste) vanwege de Heere Jezus Christus en Zijn liefdewerk, voor u. Daarom, Heere, doe ik Uw gebod, oprecht en welgezind. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan (Psalm 119: 83, ber.)

Gemeente, jongelui, luister niet alleen naar het Woord, maar doe het ook. Wees daders des Woords, en niet alleen hoorders (Jakobus 1: 22).

Amen.

Slotzang Psalm 5:6,7:

Gij, HEERE, verdelgt de leugenspreker. Hij, die zijn hand met bloed bevlekt, En gruwelen met bedrog bedekt, Tergt, als de snoodste wetverbreker, De hoogste Wreker.

Maar mij ontmoet Uw mededogen; Ik zal, Uw woning ingeleid, En, naar 't paleis der heiligheid In ware Godsvrees neergebogen, Uw gunst verhogen.