Zondag 44 · 28 maart 2023
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 44 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus behandelt het tiende en laatste gebod: gij zult niet begeren. Dit gebod breekt de kelderdeur van ons hart open en laat zien wat er diep van binnen leeft: zondige begeerten die ons meesleuren naar de dood. Maar wie door Gods genade een nieuw hart ontvangt, ontvangt ook een nieuwe begeerte — een levenslang verlangen naar de gerechtigheid in Christus en naar de volmaaktheid die wacht na dit leven.
Wat wil God in het tiende gebod?
ZONDAG 44
Vraag 113: Wat eist van ons het tiende gebod?
Dat ook de de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij ten allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en kust tot alle gerechtigheid hebben.
Vraag 114: Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomenlijk houden?
Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven.
Vraag 115: Waarom laat ons dan God alzo scherpelijk de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan?
Eerstelijk, opdat wij ons leven lang onzen zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 44
THEMA
Wat wil God in het tiende gebod?
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, de catechismuspreek van vanmiddag gaat over het laatste gebod van de Tien Geboden des Heeren. Zo luidt het tiende gebod: Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is (Exodus 20:17Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.). Dit tiende gebod is aan de orde in zondag 44 van de Heidelbergse Catechismus. Laten we die zondag met de vragen en antwoorden 113, 114 en 115 nu eerst samen met elkaar lezen:
Vraag 113. Wat eist van ons het tiende gebod? Antwoord. Dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod Gods in ons hart nimmermeer kome, maar dat wij te allen tijde van ganser harte aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben. (Dit antwoord gaat over: een zondige begeerte.)
Vraag 114. Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden? Antwoord. Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen te leven. (Dit antwoord gaat over: een nieuwe begeerte.)
Vraag 115. Waarom laat ons dan God alzo scherp de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? Antwoord. Eerstelijk opdat wij ons leven lang onze zondigen aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken. (Dit antwoord gaat over: een levenslange begeerte.)
Het thema voor de preek van vanmiddag is: Wat wil God in het tiende gebod?
We gaan letten op drie aandachtspunten: op een zondige begeerte, op een nieuwe begeerte en op een levenslange begeerte. Dus, drie gedachten 1. Zondige begeerte 2. Nieuwe begeerte 3. Levenslange begeerte Als eerste dus:
Gij zult niet begeren. Wat is dat eigenlijk, jongens en meisjes: begeren? Begeren, dat is: iets graag willen, iets graag willen hebben of iets graag willen doen. Je wilt graag eten, als je honger hebt. En dat mag. Je wilt graag getroost worden, als je verdrietig bent. En dat mag. Je wilt graag leuke cadeaus, als je jarig bent. En dat mag. Hoewel je, soms wel bij jezelf voelt, dat er ook iets in je gedachten, iets in je hart zit, waarvan je denkt: zou dat wel goed zijn? Mijn vriendje heeft van dat mooie lego. Dat wil ik ook zo graag! Maar als je goed kijkt in je hart, dan lijkt het dat het meer is dan dat je het alleen voor je verjaardag op je verlanglijstje wilt zetten. Je bent in je hart eigenlijk ook jaloers. Je zou (als het kon en als het mocht), je zou het zo wel van zijn kamer willen meenemen naar je eigen kamer. Dat is… begeren, graag iets willen hebben, wat niet van jou is. Terwijl het tiende gebod zegt: u zult niet begeren, u mag niet begeren…
Hoewel, nee, dat zegt het gebod eigenlijk niet. Het begeren alleen, is niet per definitie verkeerd. Want er zijn ook goede begeerten. Bijvoorbeeld de begeerte naar eten en drinken, de begeerte naar een lieve man of vrouw (hoewel dat ook zo’n begeerte is, die zo gemakkelijk kan ontsporen…), of de begeerte om kinderen te krijgen… Dat zijn goede begeerten.
Het begeren zelf is niet direct verkeerd, want begeren is iets dat de Heere Zelf ook doet. Het begeren zelf is niet fout. Denkt u maar aan Psalm 68: Deze berg (Sion) heeft God begeerd tot Zijn woning (Psalm 68:17). En de dichter van Psalm 132 zegt: Want de HEERE heeft Sion verkoren, Hij heeft het begeerd tot Zijn woonplaats (Psalm 132:13). En ook de Heere Jezus was vol van begeren. Hij zei: Mijn spijs is, dat Ik doe de wil Desgenen, die Mij gezonden heeft en Zijn werk volbreng (Johannes 4:34Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge.). En Hij zei tegen Zijn discipelen: Ik heb grotelijks begeerd dit Pascha met u te eten, eer dat Ik lijd (Lukas 22:15En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;).
Begeren zelf is niet verkeerd. Maar het gebod is ook anders. Het zegt niet: u zult niet begeren. Maar er komt nog iets achter: Gij zult niet begeren… uws naasten huis; u zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat uws naasten is.
Het gaat om het begeren van iets dat niet van ons is: Het huis van iemand anders, het speelgoed van iemand anders, de vrouw van een ander, de man van een ander, allemaal dingen die van een ander zijn!
Wat eist het tiende gebod van ons, zo zegt de catechismus in vraag 113? Twee dingen. a. In de eerste plaats: dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod van God in ons hart nimmermeer kome. Met andere woorden: het gaat niet alleen om wat ik doe, het gaat niet alleen om wat de mensen zien of merken, maar het gaat om mijn hart. Want de Heere proeft onze nieren en ons hart (Psalm 26:2Proef mij, HEERE, en verzoek mij; toets mijn nieren en mijn hart.). Daarom hebben we gezongen uit Psalm 26: Beproef vrij, van omhoog, mijn hart, dat voor Uw oog, Alwetende, steeds openlag. Doorzoek mij, toets mijn gangen. Doorgrond al mijn verlangen. En stel mijn oogmerk in de dag. Zie of mijn gemoed, mijn hart, iets kwaads iets onbehoorlijks voedt. En reinig mij van mijn verborgen afdwalingen (Psalm 19:13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.).
In dit gebod gaat het niet om wat je in huis hebt staan, maar om wat je in de kelder hebt staan. Op de plaats waar nooit iemand komt. Dit gaat over het verborgen deel van ons hart. En de catechismus zegt: het gaat heus niet alleen om iets, om het bezit van iemand anders, wat je graag wilt hebben. Het gaat (veel breder!) om het allerkleinste, het allerminste in je hart tegen welk gebod van de Heere dan ook. Dus ineens komt er aan het einde van de Tien Geboden, een ongelooflijke verdieping en verzwaring.
Het wijst ons weer terug naar de keten, naar de ketting van hoe de zonde werkt. We hebben het daar eerder over gehad. Mensen zien alleen wat we doen. Mensen horen alleen wat we zeggen. Maar daarvoor zit: ons kijken. Ons kijken naar andermans spullen. Ons kijken naar de vrouw van een ander. Maar dat kijken is niet het eerste. Dat komt ook ergens vandaan: uit ons hart. Daar leeft kwade, slechte, zondige begeerte. Daar overschrijft Jakobus in zijn zendbrief: Maar een iegelijk wordt verzocht, als hij van zijn eigen begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt. Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde; en de zonde voleindigd zijnde baart de dood (1:14-15). Jakobus zegt: wij mensen worden verlokt door onze eigen begeerlijkheid. Je ziet het voor je… Zoals lokvoer de vissen in het water lokt naar het aas aan de haak… Ze zwemmen rond, ze… kijken…, ze denken ‘Lekker, wat ik daar zie...’, ze blijven kijken… en:… ze happen! En dan zitten ze vast. Ze spartelen, ze vechten, maar het is te laat. Ze krijgen zichzelf niet meer los. En het wordt hun dood.
Ons hart zit vol van verkeerde begeerten, die ons meesleuren en uiteindelijk doden (Romeinen 6:12Dat dan de zonde niet heerse in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden deszelven lichaams., Efeze 2:3Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleses, doende den wil des vleses en der gedachten; en wij waren van nature kinderen des toorns, gelijk ook de anderen;, Titus 3:3Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde, en elkander hatende.). Want, die begeerten (ze doen nog meer), die verstikken ook het Woord van God. Dat valt in ons hart als zaad, maar dan niet in de goede aarde, maar onder de doornen. Er zijn mensen die het Woord wel horen, maar (zo heeft de Heere Jezus gezegd):
De zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden(!) omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar. (Markus 4:19En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.) Dit gebod, dit tiende gebod, eist dat die begeerten, dat die verkeerde verlangens nooit in ons hart zijn. De catechismus zegt: dat ook de minste lust of gedachte tegen enig gebod van God in ons hart nimmermeer kome.
b. Maar (en dat is het tweede), ook: dat wij te allen tijde, van ganser harte, aller zonden vijand zijn en lust tot alle gerechtigheid hebben. Dus dat wij altijd, met heel ons hart, vijand zijn van alle zonden. Niet één zonde uitgezonderd! En lust hebben (hier zie je al iets van de goede begeerten) tot de gerechtigheid. Dat wil zeggen tot het gaan in het rechte spoor van de geboden van de Heere. Kortom: God eist in dit gebod volstrekte heiligheid!
De vorige keren hebben we gezien, jongens en meisjes, dat de Heere Zijn geboden in de eerste plaats gegeven heeft om ons onbekeerde hart een spiegel voor te houden: ‘kijk naar wie je bent, naar wat je gedaan hebt, naar wat je mist.’ Deze spiegel wijst heel erg diep. Dit laat ons niet kijken naar de oppervlakte van ons leven, naar de buitenkant van ons doen en laten, maar deze spiegel, de spiegel van het tiende gebod, breekt als het ware ons hart open, het forceert de kelderdeur en laat ons een blik slaan in de diepte van ons verdorven hart.
Als David kijkt in die donkere schuilhoeken van zijn hart, dan zingt hij (en de Heere geve ons dat als een belijdenis op onze lippen): nu gevoel ik de grootheid van mijn kwaad. Ik heb tegen U, ja U alleen, misdreven. Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad. Laten we samen, voordat we verder gaan met ons tweede punt (met vraag en antwoord 114), dat eerst zingen uit deze psalm van David, Psalm 51, daarvan het 2e en 5e vers: Want ik gevoel de grootheid van mijn kwaad; Mijn zonde zie 'k mij steeds voor ogen zweven. 'k Heb tegen U, ja U alleen, misdreven; Uw wil en wet, hoe heilig, stout versmaad, Ik heb gedaan, wat kwaad was in Uw oog; Dies ben ik, HEER, Uw gramschap dubbel waardig, 'k Erken mijn schuld, die U tot straf bewoog; Uw doen is rein, Uw vonnis gans rechtvaardig.
Verberg Uw oog van mijn bedreven kwaad, Waardoor mijn ziel gevoelt de diepste wonden; Delg, delg toch uit mijn schuld en al mijn zonden, En spreek mij vrij van mijne gruweldaad. Herschep mijn hart, en reinig Gij, o HEER, Die vuile bron van al mijn wanbedrijven; Vernieuw in mij een vasten geest, en leer Mij aan Uw dienst oprecht verbonden blijven.
Vraag 114 vraagt: Maar kunnen degenen, die tot God bekeerd zijn, deze geboden volkomen houden? Antwoord. Neen zij; maar ook de allerheiligsten, zolang als zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel dezer gehoorzaamheid; doch alzo, dat zij met een ernstig voornemen (of, zo zouden we ook kunnen zeggen: met een ernstige begeerte) niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden Gods beginnen Dit antwoord gaat over (en dat is onze tweede gedachte):
Vanaf nu heeft de Heidelbergse Catechismus alleen nog maar een bepaald soort mensen op het oog. Er staat letterlijk: degenen, die tot God bekeerd zijn. Bekering, zo zouden we kunnen zeggen, dat is verlossing uit de slavernij van de begeerte van ons eigen hart. Paulus schrijft aan de kinderen van God in Efeze: u was vroeger dood in de misdaden en de zonden. U verkeerde, u leefde in de begeerlijkheden van uw zondige vlees, van uw zondige leven, en u deed die begeerlijkheden ook. Met andere woorden: u deed ze, en het kwam uit de bron van uw zondige hart. Maar, toen kwam God in uw leven. God die rijk is in barmhartigheid. Hij heeft u levend gemaakt. U bent door de Heere bekeerd, u hebt van de Heere een nieuw hart gekregen. Want, zo schrijft Paulus: Uit genade bent u zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave (Efeze 2:1-8).
Degenen die tot God bekeerd zijn, zo noemt de catechismus ze. Dat zijn mensen die genade van de Heere gekregen hebben tot vergeving en verzoening van al hun zonden. Die genade, die God wis en zeker belooft aan elk die tot Hem de toevlucht neemt, aan elk die zich met zijn of haar verloren hart en leven als een verloren zondaar aan Zijn voeten neerwerpt.
Degenen die tot God bekeerd zijn, zoals de catechismus ze noemt. Dat zijn mensen die een nieuw hart gekregen hebben. Maar, zeg je: ‘hoe kan je weten of je nieuw hart hebt?’ Kan je dat weten door te kijken naar: of je zondigt of niet…? Nee, want we kennen de kinderen van God uit de Bijbel, allemaal, stuk voor stuk, als zondige mensen. Denk maar aan Abram, aan David, aan Petrus. Een voor een waren deze kinderen van God mensen die eens en ook weer opnieuw in de zonde gevallen zijn.
Maar, hoe kan je het dan weten of je een nieuw hart hebt? Het verschil zit dieper, het hart maakt het verschil. Daarom heet het ook een nieuw hart. Vroeger was het hart van Gods kinderen ook vol van verlangen en begeerte om…? Om hun eigen wil te doen en niet de wil van de Heere, om zonde te doen. Maar nu, sinds de Heere ons een nieuw hart gegeven heeft, is alles anders geworden. Dat oude is er nog wel. Maar er is iets nieuws bijgekomen. En dat nieuwe is totaal tegenovergesteld aan het oude. En die twee, dat oude deel en dat nieuwe deel, die twee, die vechten tegen elkaar. De Bijbel noemt dat de strijd tussen de oude en de nieuwe mens (Romeinen 7).
Daar zien we ook direct het verschil tussen onbekeerde mensen die slechts vroom lijken aan de buitenkant, en bekeerde mensen die tot hun verdriet nog zoveel zonde doen. Die nette, onbekeerde mensen, die zijn tevreden met zichzelf. Ah, ze maken weleens een foutje (zo denken ze), maar ze denken tegelijkertijd dat ze best aardig op weg zijn. Ze zeggen: ‘de mens blijft nu eenmaal een mens…’ Wat een duivels spreekwoord is dat! Bent u vergeten wat Paulus schrijft in Galaten 3: Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder de vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen (Galaten 3:10).
Die nette, onbekeerde mensen, als ze zichzelf met anderen vergelijken, dan komen ze er nog redelijk goed of beter af. Waarom? Omdat ze nooit oog gekregen hebben voor hun hart. Het ontbreekt hen aan ontdekkende genade. God heeft ze nog nooit gedwongen om de deur van de kelder van een hart open te doen: ‘Kom mee, naar beneden, naar donkerste uithoeken van je hart, en kijk!’ Zoals staat in Psalm 90: U stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns (Psalm 90:8).
Hoe anders is het bij Gods echte kinderen, bij (zoals de catechismus dat noemt) degenen die tot God bekeerd zijn. Zij hebben iets gezien van wat leeft in hun hart. God Zelf heeft hen door Zijn bijzondere genadewerk iets laten zien van die vuile bron van hun zonden en misdaden. Al hun zonden komen op uit die bron, die alleen maar vuiligheid opborrelt. En sinds God hen iets heeft laten zien van die vuile bron van wanbedrijven, sindsdien is alles veranderd. Sindsdien bidden we anders. Sindsdien vragen we met David in Palm 51: Ontzondig mijn binnenste(!) met hysop, en ik zal rein zijn. Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het binnenste van mij een vaste geest (Psalm 51:9,12). Sindsdien bidden we met de dichter van Psalm 19: Reinig mij van de verborgene afdwalingen (Psalm 19:13). Verborgen, in de diepste schuilhoeken van mijn hart, die U alleen ziet en kent.
En sindsdien is er ook een diep verlangen in ons hart gekomen, een nieuwe begeerte. Zoals de dichter van Psalm 38 die onder woorden brengt: HEERE! Voor U is al mijn begeerte; en mijn zuchten is voor U niet verborgen (Psalm 38:10). Het is een diep verlangen, een nieuwe begeerte, om net als Ruth bij het volk van God te mogen horen. En sindsdien zeggen we met de dichter: Uw geboden, Heere, zijn begeerlijker dan goud (Psalm 19:11), ik heb een begeerte tot Uw bevelen (Psalm 119:40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.). Mijn ziel is begerig en bezwijkt van verlangen naar Uw voorhoven (Psalm 84:3Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.), ja, één ding heb ik van de Heere begeerd, dat zal ik zoeken, dat ik al de dagen van mijn leven mag wonen in het huis des Heeren om de liefelijkheid van de Heere te aanschouwen en te onderzoeken in zijn tempel (Psalm 27:4Een ding heb ik van den HEERE begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik al de dagen mijns levens mocht wonen in het huis des HEEREN, om de liefelijkheid des HEEREN te aanschouwen, en te onderzoeken in Zijn tempel.). We zeggen met Jesaja: tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte van onze ziel (Jesaja 26:8Wij hebben ook in den weg Uwer gerichten, U, o HEERE! verwacht; tot Uw Naam en tot Uw gedachtenis is de begeerte onzer ziel.), ja, we zijn met de schrijver van de Hebreeënbrief begerig naar een hemels vaderland (Hebreeën 11:16Maar nu zijn zij begerig naar een beter, dat is, naar het hemelse. Daarom schaamt Zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want Hij had hun een stad bereid.).
Wat maakt dat het leven van Gods kinderen toch tot een gelukkig leven. Want bij al ons zielsverdriet, over al onze zonden, tegen al Gods geboden, is er in ons hart dit geheiligde verlangen gelegd, en in dat verlangen is al iets van de vervulling ervan: Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen, mijn hart roept uit tot God die leeft en aan mijn ziel het leven geeft (Psalm 84:1, ber.).
Sindsdien, sinds de Heere met Zijn herscheppende genade in ons hart werkt, is er een nieuw verlangen, in het hart van degenen die tot God bekeerd zijn. Maar daardoor is er sindsdien ook een strijd gaande in ons hart. Want het zondige deel van het hart is nog niet weg. Het is wel aan het sterven, maar het is nog levend. Hoewel gebroken. Daarom schrijft Paulus in Galaten 5:17Want het vlees begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, hetgeen gij wildet.: Want het vlees (die oude begeerte) begeert tegen de geest (tegen dat nieuwe leven). En dus: Het goede dat ik wil, dat doe ik niet, het kwade dat ik niet wil, dat doe ik (Romeinen 7:19).
Maar ondertussen horen we wel de oproep van de apostel, die we biddend proberen na te volgen (zoals de catechismus zegt: met een ernstig voornemen), niet in eigen kracht, maar ziende op Christus. Ziende op Hem die alleen zeggen kon: ‘wie overtuigt Mij van zonde?’, zeggen we: ‘Heere, help ons toch, om te doen waar de apostel ons toe oproept’, namelijk om de zondige begeerlijkheid in ons lichaam te doden, ja te kruisigen. Denkend aan de dringende oproep van Paulus: Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst (Kolossenzen 3:5Doodt dan uw leden, die op de aarde zijn, namelijk hoererij, onreinigheid, schandelijke beweging, kwade begeerlijkheid, en de gierigheid, welke is afgodendienst.). En: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet (Galaten 5:16). Want) die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden (Galaten 5:24).
Lukt dat? Ja en nee… De catechismus zegt: de allerheiligsten, zolang zij in dit leven zijn, hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid. Dus: ja, het lukt, beter gezegd: het gebeurt. Want het is Gods werk, het is Gods genade. En daardoor is er een beginsel. Het begin is er! Maar dat beginsel is maar klein. De allerheiligsten (dat zijn zij, die het meest gevorderd zijn op de weg van de genade), de allerheiligsten hebben maar een klein beginsel van deze gehoorzaamheid om niet alleen naar sommige, maar naar al de geboden van God beginnen te leven.
De liefste kinderen van God, zij die het meeste van de Heere geleerd hebben, zij die in onze ogen het meest voorbeeldig zijn in hun heilige levenswandel, in hun godzaligheid, in hun vreze des Heeren, in hun wandelen met God, bij hen is het nog maar net begonnen… Hun kale boom, begint nog maar net uit te lopen… Hier en daar zit een groen knopje… Een klein beginsel… Dat klinkt hoopvol en vertroostend: want dat groene knopje leeft, en dus groeit het, en zal het door genade verder toenemen. Dat is hoopvol en vertroostend. En tegelijkertijd is dat de doodsteek voor alle gearriveerdheid, trots en zelfverzekerdheid! Bij de beste is er nog maar sprake van een klein beginsel…
Het zal uiteindelijk worden tot een goede boom, die goede vruchten van goede werken zal voortbrengen, door…? Door het werk van de Heilige Geest (DL III/IV, 11). Want Hij doet het. De Heilige Geest werkt het. Door Gods kinderen te verbinden aan Christus. Want door het geloof, dat de Heilige Geest werkt in ons hart, worden we verbonden aan Christus, ingeënt in Hem, als in de ware wijnstok. En dat maakt ons vruchtbaar! En dat doet een ernstig verlangen en een hartelijke begeerte in ons opkomen om de Heere lief te hebben, te dienen en te vrezen.
Het is een klein beginsel, zelfs bij Gods allerliefste kinderen. Dat klinkt niet optimistisch. Dus zegt vraag 115: Vraag 115. Waarom laat ons dan God alzo scherp de tien geboden prediken, zo ze toch niemand in dit leven houden kan? Antwoord. Eerstelijk opdat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen, en des te begeriger (daar is dat Woord weer: begerig zijn, des te begeriger, met de nieuwe begeerten!), des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Daarna, opdat wij zonder ophouden ons benaarstigen, en God bidden om de genade des Heiligen Geestes, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken. Het brengt ons tot slot bij ons derde aandachtspunt:
Want nu het antwoord op vraag 114 zo pessimistisch klinkt, met dat kleine beginsel, moeten we dan maar niet gewoon ophouden om iedere zondagmorgen de wet voor te lezen? Want we kunnen hem toch niet houden. Zelfs Gods kinderen niet! Nee, want het voorlezen van de wet heeft doel en nut. De catechismus noemt drie dingen.
a. Het eerste wat de catechismus noemt is: dat wij ons leven lang onze zondige aard hoe langer hoe meer leren kennen. Er is met andere woorden in het leven van Gods kinderen voortgang, vooruitgang wat betreft de kennis van de ellende, wat betreft de kennis van onze zondige aard. Ook dat beginsel groeit… Hoe ouder je wordt, hoe meer je als kind van God je eigen zondige aard leert kennen. Dus, jongere kinderen van God, ik bedoel u die nog niet zo lang op de weg van de genade bent, u doet er goed aan, om de leerzame woorden van meer ervaren kinderen van God over blijvende zonde, over opnieuw ervaren schuld, over dwalen en verdwalen niet zomaar weg te wuiven. Ze willen u leren om meer en dieper te kijken in de kelder van uw verdorven hart, zoals zij dat ook van de Heere geleerd hebben. Is dat nuttig? Is het nuttig om, zoals ons avondmaalformulier dat zegt, om onze zonden en vervloeking te overdenken? Jazeker! Dit is het nut:
b. Het tweede wat de catechismus noemt: opdat wij ons leven lang des te begeriger zijn, om de vergeving der zonden en de gerechtigheid in Christus te zoeken. Zonder goed zicht op onze ellende, is er geen begeerte naar vergeving en verzoening. Zonder goed zicht op onze blijvende zonden en ellende, worden we tevreden mensen,
mensen die denken het zelf wel te kunnen redden, mensen die geen genade meer nodig hebben, mensen die niet meer worstelen in het verborgen, mensen die wel zingen maar nooit meer buigen. Maar meer zien van dat ellendige hart, dieper kijken in de kelder van ons verborgen, zondige bestaan, dat laat ons onze knieën meer buigen, dat laat ons hart meer branden van verlangen. Naar twee dingen: als eerste laat het ons hart branden van verlangen naar de vergeving van onze zonden door het bloed van de Heere Christus. En als tweede laat het ons ook verlangen naar de gerechtigheid in Hem. Dat wil zeggen: naar het ontvangen van gerechtigheid uit Hem (dat eerst), en ook naar het door vernieuwende genade kiezen van de weg der gerechtigheid, naar het (door de verbondenheid met Hem) meer en meer het lopen op het pad van Gods geboden in een nieuwe gehoorzaamheid.
Vergis u niet. Zonder kennis van uw verloren hart, komt er dus geen verlangen naar heiligmaking. Je kunt niet praten over heiligmaking, zonder bevindelijk gekeken te hebben en meer te kijken en dieper te kijken in de kelder van je hart, in die verborgen schuilhoeken waar zoveel zondige begeerten en verlangens leven.
Hoe meer we die verborgen schuilhoeken van ons hart zien, hoe meer we gaan verlangen naar een nieuw leven, en hoe meer we...
c. Dat is het derde wat de catechismus noemt is: hoe meer we zonder ophouden ons benaarstigen (ons beijveren) en God bidden om de genade van de Heilige Geest, opdat wij hoe langer hoe meer naar het evenbeeld van Gods vernieuwd worden, totdat wij tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken. Hoe meer we ons beijveren, hoe meer we bidden om de genade van de Heilige Geest, hoe meer we gaan luisteren naar de oproep van de apostel, die schrijft: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheden des vleses niet. Want die van Christus zijn, hebben het vlees gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden (Galaten 5:16,24). En dat alles zonder ooit een ogenblik te denken, dat we het kunnen in eigen kracht, zonder dat gebed. Daarom zegt de catechismus ook: en God bidden om de genade van de Heilige Geest.
Om, dat is het doel, naar het evenbeeld van Gods vernieuwd te worden. Wij hebben door onze eigen schuld, door onze diepe val in Adam, Gods beeld verloren. En nu wordt, door het werk van God in het hart van God kinderen het gebed geboren en het verlangen gewekt: ‘Heere, maak ons door Uw genade, weer aan Uw beeld gelijk?’
Gods kinderen leven door Gods genade dus met nieuwe begeerten en met een nieuw verlangen, met een nieuw verlangen ook naar de dag dat hun leven volmaakt zal worden. Dat zal hier nooit gebeuren. Hier blijft het nieuwe beginsel klein. En dus horen we uiteindelijk in de catechismus een zucht van verlangen, als we lezen: totdat wij (eindelijk!) tot deze voorgestelde volkomenheid na dit leven geraken. Wat een heerlijke toekomst! We zullen het in dit leven niet bereiken. Het is toekomst voor na dit leven.
Dan, na onze laatste ademsnik, dan zal er niet alleen geen zonde meer zijn die te zien of te horen is. Maar dan zal vooral ons hart voor altijd ook vrij zijn van onze verborgen afdwalingen.
De Heere zelf zegene dit woord, ook de overdenking van de Tien Geboden, zoals wij die de laatste tijd een voor een met elkaar overdacht hebben en die we nu afgerond hebben. Hij geve de woorden van de dichter in ons hart, waar ik mee zal besluiten: De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart, het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen. De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig. Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem. Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon. Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen. (Psalm 19:9-13)
Amen.
Slotzang Psalm 68:2:
Maar 't vrome volk, in U verheugd, Zal huppelen van zielevreugd, Daar zij hun wens verkrijgen; Hun blijdschap zal dan, onbepaald, Door 't licht, dat van Zijn aanzicht straalt, Ten hoogste toppunt stijgen. Heft Gode blijde psalmen aan; Verhoogt, verhoogt voor Hem de baan; Laat al wat leeft Hem eren; Bereidt den weg, in Hem verblijd, Die door de vlakke velden rijdt; Zijn naam is HEER der heren.
Andere preken over Zondag