Zondag 42 · 26 februari 2023
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 42 (serie 1)
INLEIDING
Zondag 42 van de Heidelbergse Catechismus behandelt het achtste gebod: gij zult niet stelen. Alles wat wij bezitten is niet van onszelf maar van God — wij hebben het slechts in bruikleen. Het gebod wil ons ontdekken aan het stelen dat in ons hart zit, ons bij Christus brengen, en ons leren om als verloste mensen trouw te handelen met wat de Heere ons toevertrouwde — tot nut van de naaste en tot eer van God.
Wat wil God in het achtste gebod?
ZONDAG 42
Vraag 110: Wat verbiedt God in het achtste gebod?
God verbiedt niet alleen dat stelen en roven, hetwelk de Overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting zijner gaven.
Vraag 111: Maar wat gebiedt u God in dit gebod?
Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, al ik wilde, dat men met mij handelde; daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 42
THEMA
Wat wil God in het achtste gebod?
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, in deze leerdienst is aan de beurt om te behandelen Zondag 42 van onze Heidelbergse Catechismus. Zondag 42 de vragen en antwoorden 110 en 111. Laten we die eerst samen met elkaar lezen:
Vr.110. Wat verbiedt God in het achtste gebod? Antw. God verbiedt niet alleen dat stelen en roven, hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven. (Dit antwoord gaat dus eigenlijk over de vraag: hoe heb ik mijn bezit gekregen?)
Vr.111. Maar wat gebiedt u God in dit gebod? Antw. Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, als ik wilde dat men met mij handelde; daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge. (Dit antwoord gaat eigenlijk over de vraag: wat doe ik met mijn bezit?)
Jongens en meisjes, de geboden van de Heere hebben een bedoeling. Het is niet de bedoeling dat je er alleen maar naar luistert en zegt: ‘dat is interessant’, en vervolgens gewoon weer verder gaat. Nee, ze hebben een bedoeling. En ze hebben voor verschillende mensen ook verschillende bedoelingen.
Als je nog geen nieuw hart hebt, dan is de bedoeling van het gebod, ook van dit achtste gebod, dat je zult gaan zien wie je echt bent, in je hart voor God. Dan zegt dit gebod, dit achtste gebod ‘u mag niet stelen’ eigenlijk: denk eens terug! Er was in het verleden een tijd, toen was er nog geen diefstal. Toen was alles goed, toen was alles heel erg goed. Adam en Eva in het paradijs hadden alles wat hun hartje begeerde. Maar toch, ineens was er iets anders: begeerte, verlangen naar meer. Het begon heel subtiel, het begon heel klein. Dat is altijd zo bij zonden. Eerst keek Eva alleen maar…. Zoals wij dat ook weleens zeggen: ‘ik kijk alleen maar…’ Alleen maar kijken… Toen pakte ze… Ze pakte iets en at van iets, dat niet van haar was… En Adam deed het ook.
Het gebod: ‘u zult, u mag niet stelen’, als je geen nieuw hart hebt, dan zegt dat gebod: kijk terug! Zoals Adam en Eva door de zonde geworden zijn, zo ben jij ook: een dief. Je pakt dingen en je hebt dingen gepakt die van God zijn, en niet van jezelf. Het doel van het gebod, ook van het achtste gebod, zo zeggen we dat, is om ons te ontdekken. Om ons te laten zien wie we zijn, wie we geworden zijn door de val van Adam in het paradijs.
Dat is de eerste bedoeling van het gebod. Maar er is ook nog een tweede doel. Want stel je voor, dat je ziet, dat je weet, dat je gelooft (en je voelt in je hart: dit, wat ik gedaan heb, dat is heel erg!): ‘ik heb, net als Adam, tegen God gezondigd…’ Maar wat dan? Je voelt de moeilijkheid van je hart: maar dan, hoe moet het weer goed komen? Hoe moet het weer goed komen tussen God en je hart? Ja, je kan het proberen zelf weer goed te maken. Je kan zeggen: ‘dat stelen, dat zal ik nooit meer doen’. Maar dat is moeilijk! Want, zo zullen we straks zien, stelen kan ook heel stilletjes en heel stiekem. En vooral: stelen zit in ons bloed, stelen zit in ons hart. Dus dat gaat niet lukken, om jezelf goed te maken. Er is iets anders nodig, je hebt Iemand anders nodig. Dat wil het gebod van de Heere ook laten zien: je kan het zelf nooit meer goedmaken. Je kan jezelf niet veranderen. Dat is het werk van de Heere. En de Heere kan en wil dat doen om het werk van de Heere Jezus, om Zijn verdienste, om Zijn genade, om Hem, Die nog nooit iets gestolen heeft, om Hem Die altijd goed deed voor andere mensen. Om Zijn werk, om het werk van de Heere Jezus, is er uit genade vergeving voor mensen zoals jij, zoals u, zoals ik. En het doel van het gebod, ook van het achtste gebod, zo zeggen we dat, is ons naar Hem, naar de Heere Jezus toe te drijven, om ons bij Hem te brengen. Met het gebed op de lippen: ‘Heere, ik kan het niet, ik word maar niet beter, het is aan mijn kant hopeloos. Wilt U het alstublieft doen?’
Dus het eerste doel van het gebod is om te ontdekken. Om ons te laten zien wie we zijn, wie we geworden zijn door de val van Adam in het paradijs. Het tweede doel is om ons bij de Heere te brengen, biddend om genade, om het werk van de Heere Jezus wil. En er is ook nog derde doel. En daar gaat het hier eigenlijk over in de catechismus. Dit is het derde doel: dat je, als je vergeving gekregen hebt, als je een nieuw hart gekregen hebt van de Heere, de Heere zal danken, door echt gehoorzaam naar Hem te luisteren. Zo zingen we dat toch altijd? Dan ga je de geboden van de Heere doen uit dankbaarheid: ‘Gun door het geloof in Christus, krachten om die te doen uit dankbaarheid.’
Luister zo, jongens en meisjes, vanmiddag goed naar de catechismuspreek. En let goed op wat de boodschap voor jou is. Als je geen nieuw hart hebt, luister dan naar wat de Heere zegt over je slechte, zondige hart. Als je ziet (door de genade van de Heere) hoe slecht je hart is, luister dan naar de weg die de Heere wijst, naar de Heere Jezus toe.
En als je een nieuw hart gekregen hebt, luister dan naar wat de Heere van je vraagt: die geboden, ook dit gebod doen, dat wil zeggen gehoorzamen, uit dankbaarheid.
Het gaat vanmiddag, gemeente, over de wil van de Heere in het achtste gebod. Dat is het gebod waarin het gaat om bezit, om wat je hebt, om wat je gekregen hebt. Het thema van de preek is: Wat wil God in het achtste gebod? We letten op twee dingen, en die lopen parallel met de antwoorden 110 en 111, zoals ik dat eerder heb aangegeven. Dit zijn de twee aandachtspunten van de preek: 1. Hoe krijg je, wat je hebt? (met andere woorden: hoe ben je daar aangekomen?) 2. Hoe ga je ermee om? Als eerste dus:
Laten we even terugkijken naar vraag en antwoord 110. Vraag 110 vraagt: Wat verbiedt God in het achtste gebod? (Dat wil zeggen: wat mag je van de Heere niet doen volgens het achtste gebod: gij zult niet stelen?) Het antwoord is: God verbiedt niet alleen dat stelen en roven, hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven.
Het gaat hier dus om de vraag: hoe je aan je bezit gekomen bent. Laat ik proberen in de preek van vanmiddag steeds Bijbelse voorbeelden erbij te nemen om het te verhelderen. Jongens en meisjes, Achab is blij. Hij heeft de nieuwe wijngaard. En die past zo mooi, zo prachtig bij alles wat hij al heeft. ‘Achab, hoe kom je daaraan, aan dit mooie wijngaard?’ ‘Nou, die heb ik gekregen.’ Niet waar, Achab. Die heb je gestolen. Die wijngaard was van Naboth. Die wijngaard was zijn familiebezit. Maar jij hebt hem gestolen, en daarom heb je Naboth gedood.
Hoe kom jij aan het geld wat je hebt? Hoe kom jij aan je spullen? Hoe kom ik aan mijn bezittingen? Hoe kom ik aan mijn banksaldo?
Laten we eerst samen eens nadenken over van wie het eigenlijk allemaal is. Je zegt: ‘het is natuurlijk van mij!’ U zegt: ‘het is mijn eigendom’. Ja, zo zeggen we dat ook wel in de volksmond, maar toch spreekt de Heere anders over wat wij noemen ‘ons bezit’. Want de Heere zegt letterlijk: alles op de wereld, is van Mij. Mijn eigendom! Denkt u maar aan Psalm 24: Al d' aard' en alles wat zij geeft, Met al wat zich beweegt en leeft, zijn het wettig eigendom des HEEREN (Psalm 24:1, ber.) Misschien heb je er nog nooit zo over gedacht, maar alles wat je hebt, je speelgoed, je mooie spulletjes, je geld, je fiets, alles is van…? Je zegt misschien wel: het is lekker van mij! Maar het is allemaal van de Heere!
Uw huis, uw auto, uw diploma’s, uw grond, uw banksaldo, uw voorraad, uw winkel, uw tuin, alles is van God! De Heere zegt: het is van Mij. Je mag het wel gebruiken, maar het is en blijft Mijn eigendom. En dat is belangrijk om te weten, voordat we verder nadenken over die vraag die ik eerder stelde: hoe, op welke manier kom jij aan het geld wat je hebt? Aan je spullen? Hoe, op welke manier, kom ik aan mijn bezittingen? Aan mijn banksaldo?
De catechismus zegt: er zijn verkeerde manieren om ergens aan te komen. Stelen, en (samengevat) allerlei sluwe en geniepige manieren om stiekem iets te nemen wat niet van ons is. We denken misschien wel: ‘het is slim’. Maar het is en blijft stelen. We denken misschien wel: ‘ja, maar het is iets heel kleins…’ Dat dacht Adam misschien ook wel. ‘Wat stelt het nu voor? Alleen maar eten van die boom?’ Ja, dat lijkt klein voor ons oog, maar daarachter zit iets anders, wat veel erger is. Adam deed, wij doen, wat God verboden heeft. En dat is ongehoorzaamheid. Dat is rebellie, dat is revolutie! Wat Adam eigenlijk deed, en wat wij doen als we stelen, is: God (die zegt: alles is van Mij!) proberen naar beneden te halen, door te zeggen: ‘Nee, het is van mij. En mijn bezit en mijn belang en mijn geluk staan boven Uw eer en de gehoorzaamheid aan U!’
Soms is dat stelen heel erg zichtbaar. Bijvoorbeeld als iemand iets steelt in de winkel en het personeel belt de politie. Maar het kan ook heel stiekem, heel stilletjes en onzichtbaar. En het begint vaak heel erg klein... Het begint (terwijl mama altijd zegt: als je snoep wilt, moet je erom vragen), het begint met dat je denkt: ‘ze zal toch wel weer nee zeggen, zal ik er niet gewoon eentje pakken? Je pakt de trommel… Je kijkt… Precies zoals Eva dat deed in het paradijs: kijken… ‘Ik kijk alleen maar!’ Je denkt: ‘zal ik het doen, of zal ik het niet doen? Ze zien er zo lekker uit! Nee, ik doe het niet. Het mag niet.’ Snel zet je de trommel weer terug. Maar een dag later kijk je weer: ‘zal ik doen, of zal ik het niet doen?’ Je voelt, je hart, je geweten bonst. Je zegt: ‘nee, ik doe het niet. Het mag niet!’ Ineens gaat de deur open. Daar staat mamma. ‘Wat doe je daar, met de snoeptrommel?’ ‘Oh, niks, ik kijk alleen maar!’ Weer een dag later: ‘je aarzelt, zal ik het doen? Eentje dan, een kleintje. Daar zijn er zoveel van, dat ziet niemand.’ En een dag later: weer een kleintje, en nog een, en dan die iets grotere… Het begon klein, maar het wordt steeds meer...
Tegenwoordig heeft je vriendje op school geld. Je kijkt, je aarzelt… Je kijkt in mamma’s portemonnee. Ik kijk alleen maar. ‘Zo, die heeft veel euro’s!’ Eentje dan, dat merkt ze vast niet… Ja, daar begint het mee. Maar het gaat ondertussen steeds verder. En nu heb je ook al iets weggepakt van je vriendje. Hij zegt: ‘ik ben het kwijt!’ Jij zegt niks, maar denkt: ‘het is nu stiekem van mij...’
Weet je wat er gebeurt bij zonde, bij de zonde van stelen? Eerst is er, zo ging het ook in het paradijs, dat kijken. Het begint altijd met kijken. En al kijkend ga je denken: Ik zou het ook graag willen hebben. Je gaat, zo noemt de Bijbel dat ‘begeren’. Eerst kijken, dan begeren, dan komt het aarzelen: zal ik het wel doen of niet doen? Dan komt het eerste kleine stapje. En dan komt wat heet ‘het hellende vlak’, de glijbaan waarover je steeds sneller naar beneden glijdt. De zonde neemt je al glijdend in een glijbaan mee naar beneden. De zonde trekt je, de zonde sleurt je mee, steeds harder! Je kan niet meer stoppen! Je glijdt maar door! De zonde verleidt en verlokt je en het gaat van kwaad tot erger. Zo is mijn hart, zo is jouw hart, zo is uw hart. Ik, jij, u, wij lijken op Adam! Die deed precies hetzelfde. Zo slecht als Adam, zo slecht zijn wij. Dat wil dit gebod ons leren.
Stelen, stiekem jezelf verrijken… Rijk willen worden ten koste van een ander… Door? De catechismus noemt wat oudere voorbeelden, maar bijvoorbeeld door een slecht product te leveren, door een slechte offerte te maken voor een klant, door dingen door te berekenen die je niet levert of geleverd hebt, door verkeerde beloftes te doen, of wat je ook verder verzint. Maar de kern is altijd en overal gelijk: ik wil meer! Ik wil meer dan waar ik recht op heb, en dat die ander daardoor minder heeft, dat is niet mijn zorg.
Zoals Zacheüs de tollenaar dat vroeger ook deed. Maar de Bijbel velt een stellig oordeel over dat bestelen van anderen. Paulus zegt in 1 Korinthe 6:10Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen lasteraars, geen rovers zullen het Koninkrijk Gods beërven.: rovers (dieven!) zullen het Koninkrijk van God niet beërven! En aan de gemeente van Thessalonica schrijft hij: Dat niemand zijn broeder vertrede, noch bedriege in zijn handeling; want de Heere is een wreker over dit alles (1 Thessalonicenzen 4:6a). Laat je in je leven niet drijven door, laat je niet meeslepen door een zucht naar meer, door de zucht naar meer geld en meer bezittingen. Want, zo schrijft Paulus aan Timotheüs: Die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad (1 Timotheüs 6:9-10Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking, en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met vele smarten doorstoken.). Maar laten, zoals Paulus zegt, die kopen, (zijn) als niet bezittende. En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende, want de gedaante dezer wereld gaat voorbij (1 Korinthe 7:30-31En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende; En die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij.).
Het echte geluk in deze wereld ligt niet in bezit. Want je denkt misschien wel, dat je veel hebt, maar ik zei al: het is helemaal niet van jezelf. Je hebt het even in bruikleen, maar het is en blijft allemaal van God. Het is net als met de boeken van de bibliotheek. Je hebt ze geleend, je hebt ze in bruikleen, om ze te gebruiken. Je kan tien boeken halen en heel trots zeggen ‘kijk eens hoeveel boeken ik heb’, maar over een paar weken moet je ze allemaal weer teruggeven. Want die boeken blijven van de bibliotheek. Je hebt ze even geleend, maar straks moet je ze weer afstaan.
Denk maar aan twee andere Bijbelse voorbeelden: De rijke dwaas ziet dat zijn land heel veel gaat opbrengen. En dat geeft hem een geweldig gevoel van zekerheid. Dit wordt een heel succesvol jaar. Straks heeft hij voor heel veel jaren genoeg. Dus geeft hij opdracht om schuren te bouwen (Lukas 12:18En hij zeide: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken, en grotere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas, en deze mijn goederen;). Maar plotseling sterft hij… Zijn bezit gaat voorbij… Wat blijft, dat zie je bij die arme man, bij Lazarus. Hij bedelt aan de poort van een rijke man, die hem letterlijk links laat liggen. Maar als hij sterft wordt hij door de engelen gedragen in de schoot van Abraham (Lukas 16:22En het geschiedde, dat de bedelaar stierf, en van de engelen gedragen werd in den schoot van Abraham.).
Het echte geluk ligt niet in aardse bezit, en gestolen bezit geeft al helemaal een blijvend gevoel van wroeging en onvrede. Het echte geluk is… niet verdiend. En ook niet gestolen, want het valt niet te stelen. Het echte geluk is... gekregen, terwijl je het niet had verdiend. Het heet: genade. Als je dat hebt, of je nu arm bent of rijk, dan heb je alles. En dan heb je ook alles wat blijft. Al het andere moet je vroeg of laat weer teruggeven. Laten we daar samen eerst over zingen uit Psalm 49, daarvan het 4e vers Al zegt zijn hart: "Mijn huis zal eeuwig staan, Van kind tot kind gedurig overgaan"; Al heeft hij 't land, waarop zijn trotsheid roemt, Zijn grootsheid bouwt, naar zijnen naam genoemd; 't Is alles wind, waar zich zijn hart mee streelt; De mens, hoe mild door 't aards geluk bedeeld, Hoe hoog in eer, in macht en staat verheven, Vergaat als 't vee, en derft in 't eind het leven.
Nog een klein stukje resteert van antwoord 110, waar staat: God heeft ook alle gierigheid, en alle misbruik en verkwisting van Zijn gaven verboden. Gierigheid. Dat wil zeggen: je denkt alleen maar aan geld, je wil steeds meer, en je wil nooit iets aan een ander geven, die het wel hard nodig heeft. Je noemt het misschien wel ‘gepaste zuinigheid’, maar dat is het niet. Het is gierigheid. En God heeft gierigheid verboden. God heeft ook misbruik en verkwisting van Zijn gaven verboden. Dat is eigenlijk het tegenovergestelde. Wat je van God krijgt, Zijn gaven, die mag je wel gebruiken, maar niet misbruiken of verkwisten. Het is net als met boeken van de bibliotheek. Je hebt ze geleend, maar met één bepaald doel: om ze te lezen. Daarvoor mag je ze gebruiken. Je mag ze niet gebruiken om erin te kleuren of om er bladzijden uit te scheuren voor jezelf. Dat is geen goed gebruik, dat is misbruik. Zo mogen we de dingen die de Heere ons leent, ook alleen maar gebruiken voor het goede doel, zoals de Heere het bedoeld heeft, en niet om ze te misbruiken voor onszelf, of voor ons eigen plezier.
Je mag het ook niet verkwisten, niet uitgeven aan allerlei nutteloze en zinloze dingen, terwijl er heel veel mensen zijn die gebrek leiden. Daarvoor heeft de Heere ze niet aan ons gegeven!
Paulus zegt tegen Titus: we moeten de wereldse begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig, en godzalig leven (…) in deze tegenwoordige wereld (2:11-12). We moeten matig leven. We moeten maat houden dus in consumptie, in wat we gebruiken, in wat we uitgeven, in wat we weggooien, kortom in alles. Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt
Hoe ga je om met je bezit? Want dit gebod heeft ook een positieve kant. Laten we vragen antwoord 111 nog eens lezen. Vraag 111 zegt: Maar wat gebiedt (niet verbiedt, maar gebiedt) u God in dit gebod? Het antwoord zegt: Dat ik het nut van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, als ik wilde dat men met mij handelde; daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik de nooddruftige helpen moge
Drie dingen vraagt de Heere dus van ons. a. In de eerste plaats dat ik het nut van mijn naaste, waar ik kan en mag, zal bevorderen. Wie is mijn naaste? Dat is iedereen. Zeker, ook mijn eigen gezin en familie, maar niet alleen die. Niet alleen mijn vriend, maar ook mijn vijand. Niet alleen mijn collega, maar ook mijn concurrent. Niet alleen Nederlanders, maar ook buitenlanders.
U voelt, dit druist in tegen alle egoïsme en ook tegen alle nationalisme. ‘Ik eerst, eigen volk eerst’, dat soort taal is echt zonde tegen dit gebod! Wij allemaal hebben deze aarde, wij allemaal hebben onze welvaart en ons bezit in bruikleen. Dit land is niet van ons! Wij hebben het in bruikleen gekregen om het te delen met anderen. En dus proberen we, waar kan en mag, altijd onze naasten te helpen! Zoals de Heere Jezus ooit zei: Alle dingen dan, die u wilt, dat u de mensen zouden doen, doet u hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten (Mattheüs 7:12Alle dingen dan, die gij wilt, dat u de mensen zouden doen, doet gij hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten.). Als u als vluchteling voor oorlog en geweld gastvrij ontvangen zou willen worden in het Midden-Oosten, dan is er ook voor vluchtelingen van daar hier, in ons land, een plek.
Altijd bereid om anderen te helpen en aan de ander te geven wat nodig is. Waarom? Het ging daarnet toch om genade, om iets krijgen wat je niet hebt verdiend? Waarom moeten we altijd bereid zijn om anderen te helpen en aan anderen te geven wat nodig is? Omdat de Heere Zelf alleen maar geeft, mild geeft. En omdat de Heere Zelf helpt in nood: God die helpt in nood. Daarom is het ook onze opdracht, in het bijzonder uw opdracht, kinderen van God, om te geven en te helpen.
Als je genade van de Heere gekregen hebt (en genade is kostbaar: een klein beetje genade kost oneindig veel!), als je genade van de Heere hebt gekregen, dan krijg je de Heere lief, maar dan krijg je ook je naaste lief. Dan geef dus je aan de Heere en aan je naaste. Denk maar aan een ander Bijbels voorbeeld. De vrouw uit Lukas 7, ze zalft de voeten van de Heere Jezus met olie, maakt ze nat met haar tranen en droogt ze af met haar haar. En wat zegt de Heere Jezus? Haar zonden zijn haar vergeven, die velen waren; want zij heeft vele liefgehad; maar die weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief (Lukas 7:27).
Dat wil zeggen: liefde, vanwege zonden die vergeven zijn, blijkt. Die komt aan het licht! Ook in wat je doet, ook in hoe je met anderen omgaat, in hoe je zorgt voor anderen en in wat je aan anderen geeft, zowel aan de Heere, als aan de naaste.
Het nut van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevordere. Waar ik kan en mag. Want niet alles wat je doet of geeft, is goed voor iemand anders. Iemand die gokt, moet je geen geld geven. Iemand die rookt, moet je geen sigaretten geven. Iemand die drinkt, moet je geen alcohol geven. En ook is niet iedereen gebaat bij geld. Want geld kan verkeerd besteed worden. Maar iedereen is wel gebaat bij eten, bij zorg, bij onderwijs, bij opleiding of werk. Dat is het eerste wat de Heere vraagt: dat ik het nut van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevordere.
b. Het tweede is: dat ik met hem alzo handel (zo doe), als ik wil dat men met mij zou handelen (met mij zou doen). Alle dingen dan, die u wilt, dat u de mensen zouden doen, doet u hun ook zo. Wij zeggen het vaak anders: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Maar dat is negatief geformuleerd. Als uzelf niet bestolen wilt worden, moet u ook zelf niet stelen. Maar de catechismus zegt het heel nadrukkelijk positief: als uzelf graag hulp krijgt als u die nodig hebt, dan moet je ook anderen helpen. Als uzelf graag zorg, liefde en waardering ontvangt, moet u dit ook aan anderen geven.
c. Dat was het tweede. Het derde wat de catechismus zegt is: dat ik trouw arbeid (dat ik trouw mijn werk toe), opdat ik de nooddruftige (de mens die nood of gebrek heeft) helpen moge. Trouw je werk doen. Niet gokken, geen kansen zoeken in de loterij, maar gewoon als christen trouw je werk doen. Dat wil de Heere zegenen. En in dat werk is er ten diepste geen verschil. Een timmerman of een schilder is evenveel in Gods oog als een dokter of een zakenman. De Heere Jezus Zelf schaamde Zich niet om zoon van een timmerman te zijn. Hij had ervoor kunnen kiezen om zoon te worden van een welgesteld mens, maar Hij deed het niet. Het past ons niet, ook niet in de gemeente, om verschil te maken tussen mensen op basis van kennis, kunde, diploma’s, status of afkomst. Wat de Heere van ons vraagt, in welk werk of in welk ambt dan ook, dat is trouw en liefde.
Trouw en liefde, in het helpen, in het te hulp komen van mensen in nood. Dat is eeuwenlang, in de eerste christengemeenten en ook later, het krachtige getuigenis van de kerk geweest. Trouw in het werken, zoals Jozef, die als slaaf, terwijl hij niets verdiende, toch trouw was. Met liefde voor mensen in nood: voor verachten, voor verschoppelingen, voor mensen die in de ogen van de wereld niet meetellen, voor schooiers en voor zwervers. Hen helpen, zonder dat je tegenprestatie verwacht (Mattheüs 5:46Want indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?). Omdat Christus ook juist en altijd op zoek ging naar het verlorene, omdat God het verachte en onedele van deze wereld heeft uitverkoren, hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is beschamen zou.
Dat is de liefdeplicht van een christen in deze wereld, zoals Paulus zegt: In eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende de wil van God van harte; dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen (Efeze 6:5-7Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uw heren naar het vlees, met vreze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil van God van harte; Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen;).
Dat maakt zelfs in de 21e eeuw nog indruk op de wereld om ons heen. Niet dat we een gesloten en elitair bolwerk zijn. Wel dat we iets vertonen van een godzalig leven, in werk en in opleiding, naar het beeld van Christus: Hij was altijd op zoek naar het verlorene, Hij zocht nooit Zijn Eigen belang, Hij was altijd bezig met de eer van Zijn Vader en altijd bereid tot hulp aan mensen in nood.
Als een liefdedienst vanwege de Heere Jezus Christus en Zijn werk: Daarom, Heere, om alles wat U aan mij gaf, doe ik Uw gebod, oprecht en welgezind. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan (Psalm 119: 83, ber.)
Gemeente, jongens en meisjes, luister niet alleen naar het Woord, maar doe het ook. Wees daders des Woords, en niet alleen hoorders (Jakobus 1:22En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.).
Amen.
Slotzang Psalm 62:7,8:
Vertrouwt, wat uw begeert' ook zij, Nooit op geweld of roverij, En wordt niet ijdel, als 't vermogen Gedurig aanwast; waakt en let. Dat gij het hart er nooit op zet; Zo wordt ge door geen schijn bedrogen.
Eenmaal sprak God tot mij een woord, Tot tweemaal toe heb ik 't gehoord: Dat 's HEEREN zijn de sterkt' en krachten. Ook is bij U de goedheid, HEER; Dies heeft van U elk sterveling weer, Vergelding naar zijn werk te wachten.
Andere preken over Zondag