Zondag 1 · 8 september 2024
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 1 (serie 2)
INLEIDING
In een wereld vol onrust en zorgen zoekt een mens van nature naar houvast, en juist daarom stelt Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus de allesbeslissende vraag: “Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?” Deze leespreek wijst u de weg naar dat rijke antwoord: eigendom te zijn van Christus, gekocht met Zijn dierbaar bloed, en van harte bereid Hem dankbaar te dienen.
De enige troost, het enige houvast voor kwetsbare mensen
ZONDAG 1
Vraag 1: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven?
Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomenlijk betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder den wil mijns hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan; ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet, waarom Hij mij ook door Zijn Heilige Geest
van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Vraag 2: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in deze troost zalig leven en sterven moogt?
Drie stukken.
Ten eerste: hoe groot mijn zonde en ellende zijn.
Ten andere: hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost worde.
En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 1
THEMA
De enige troost, het enige houvast voor kwetsbare mensen
Kwetsbare mensen zijn we, in een wereld vol onzekerheid en verdriet. Waar iedereen houvast zoekt, geborgenheid, troost. Want, jongens en meisjes, je wilt niet alleen zijn, je wilt niet bang zijn. Jongelui, je wilt niet, met of zonder tranen, zichtbaar of onzichtbaar, eenzaam huilen. En dat geldt ons als volwassenen net zo goed.
Maar waar moet je dat nu zoeken? En waar kan je dat nu vinden? Houvast, troost, geborgenheid. Die ook nog eens duurzaam is, die blijft en die het zelfs gaat uithouden op het moment dat je sterven moet?
En dat in een wereld die verloren ligt door de breuk met onze Schepper. En sindsdien kan je ons leven van nature met een paar woorden typeren: zonder houvast, zonder bestemming, verdrietig, eenzaam, leeg, gebonden, gebonden in de slavernij van de duivel, in de slavernij van de zonde, in de slavernij van het zoeken van houvast in jezelf, zonder dat je daar ooit echt houvast vindt. Zoals het ook was bij de verloren zoon. We hebben ervan gelezen.
Zelf had hij aangestuurd op een breuk met zijn vader, toen hij zijn deel van de erfenis opeiste en met onbekende bestemming vertrok. Om vrij te zijn, om blij te zijn. En zo leek het aanvankelijk ook te zijn. Dat was nog eens echt genieten van dit leven. Totdat het misging. Er kwam honger, hij begon gebrek te lijden en niemand keek naar hem om. Kwetsbaar dus, zonder houvast, alleen, tranen, zonder troost. Gegijzeld in de slavernij van zijn eigen keus.
Vroeger was alles zo anders. Had hij nu van tevoren maar beter nagedacht. Vroeger was hij zo eigen met zijn lieve vader, die zoveel van hem hield. Natuurlijk, daar hoorde gehoorzaamheid bij. Maar dat was niet erg, want die intieme vertrouwdheid met zijn vader, maakte het allemaal zo ongedwongen en vrijwillig. Het ging gewoon vanzelf.
Je kunt je, als je je die jongen in je gedachten voor je haalt, de verwarring in zijn hoofd en in zijn hart wel voorstellen. ‘Vroeger, toen ik nog thuis was, toen voelde ik me zo gebonden. Maar nu achteraf, nu blijkt dat ik het toch verkeerd heb gezien. Nu pas zie ik, hoe vast ik zit. Verstrikt in mijn
eigen keus. Ik heb mezelf verkocht als slaaf aan mijn eigen wil. Als slaaf aan mijn zonde.’
Ken je dat, jongelui? U, volwassenen en ouderen? Ik bedoel dat leven, ver weg van je oorspronkelijke bestemming. Ver weg van het vaderhuis. Altijd onrustig, op zoek naar geluk. Naar vrede, naar geborgenheid. Naar houvast in dit moeilijke leven. Op zoek naar troost. Herkent u dat?
Luister eens, het is net als bij de verloren zoon. Waar hij terecht gekomen was, bij de varkens, daar vond hij geen rust. Hij moest terug naar huis. En diezelfde rust vinden jullie en vindt u ook niet. Daar waar jullie, daar waar u terecht gekomen bent. Je moet terug naar huis. Wil je ooit echt houvast, rust, vrede en troost in je leven vinden? De verloren zoon heeft het je voorgezegd. Met de bedoeling dat je het vanavond biddend zal nazeggen. Wat staat in Lukas 15: 18: Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. Want de enige troost, het enige houvast in dit leven, voor dit leven en voor als je sterven moet, is alleen maar te vinden in God. En dat houvast alleen, kan je echt gelukkig maken. En God wil je zo'n leven geven, uit genade, voor niets.
Over dat leven met de Heere, met die enige troost voor leven en sterven, gaat het vanavond in Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus. En u weet, gemeente, de zondagen van onze catechismus zijn opgezet in de vorm van vragen en antwoorden. En degene die het antwoord geeft, is zo iemand die met de Heere leeft. En die ons vertelt in al die antwoorden over alles wat hij uit genade van de Heere gekregen heeft. Over de rijkdom van de hoop en van de troost in zijn hart. Over zijn houvast in dit leven.
Met de bedoeling dat je zal gaan zien, hoe gelukkig dat leven met de Heere is. En dus, dat je ook datzelfde leven biddend zal gaan zoeken. Met de bedoeling dat je ook als verloren zoon of als verloren dochter, hoe oud je ook bent, zal opstaan en naar je Vader gaan. En zal zeggen, ook u ouderen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en voor u. En ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden. Maar, mag ik wel weer bij U thuis komen? Mag ik weer bij U komen wonen? Ik dacht vroeger altijd dat het een slavenleven was. Maar nu zie ik, nu U mijn ogen daarvoor hebt geopend, dat er niets beters is dan dat leven, met U en met Uw gunst.
We gaan samen kijken, gemeente, naar Zondag 1. Naar vragen en antwoorden 1 en 2.
Vraag 1 zegt: Wat is uw enige troost, beide in het leven en sterven? Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor
al mijn zonden volkomen betaald en mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft, en alzo bewaart, dat zonder de wil mijns hemelsen Vaders geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja ook, dat mij alle ding tot mijn zaligheid dienen moet; waarom Hij mij ook door Zijn Heiligen Geest van het eeuwige leven verzekert, en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Vraag 2 zegt: Hoeveel stukken zijn u nodig te weten, opdat gij in dezen troost zaliglijk leven en sterven moogt? Antwoord: Drie stukken. Ten eerste: hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten andere: hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost worde. En ten derde: hoe ik Gode voor zulke verlossing zal dankbaar zijn.
Gemeente, ik preek u vanmiddag over: De enige troost, het enige houvast voor kwetsbare mensen
Vraag 1 gaat over: Wat die troost, wat dat houvast is. En, Vraag 2 gaat over: Hoe je die troost, hoe je dat houvast krijgt. Dus: De enige troost, het enige houvast voor kwetsbare mensen 1. Wat die troost, wat dat houvast is. 2. Hoe je die troost, hoe je dat houvast krijgt. We beginnen bij vraag 1:
Wat is het enige houvast in dit leven en in sterven? Dat ik met lichaam en ziel beide in leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers, Jezus Christus eigen ben. Je hoort, als je dit leest, hoe allesomvattend het is: met lichaam en ziel, met andere woorden voor alles, en: in leven en sterven, met andere woorden voor altijd, ben ik mijns getrouwen Zaligmakers, Jezus Christus eigen. Ben ik Hem eigen.
Dat is een uitdrukking, gemeente, waar twee kanten aan zitten. Wie door Gods genade echt kind van de Heere mag zijn, die (dat is de eerste kant), die is het eigendom geworden van de Zaligmaker, Jezus Christus. Als je dat in deze tijd hoort, zou je daar een beetje voor terug kunnen schrikken. Eigendom zijn van iemand? Misschien zeg je bij jezelf: Dat wil ik helemaal niet, ik wil gewoon vrij zijn, ik wil zelf mijn leven bepalen. Eigendom van Jezus Christus. Ik kom daar op terug.
Maar er zit ook een andere kant aan deze uitdrukking. Ik ben Hem eigen. Dat wil zeggen: Ik ben door Gods genade vertrouwd met Hem geraakt. En dat zit hier van binnen, in mijn hart. Dat ik Hem, de Zaligmaker ken, dat ik Hem vertrouw en dat ik Hem dus graag wil volgen en gehoorzaam wil zijn. Niet als een slaaf, maar als een schaap van de Goede Herder, die Zijn leven gesteld heeft voor Zijn schapen. Wat een gelukkig leven, jongelui. Wat een gelukkig leven. Dat moet je zoeken! Dit is echt leven.
Kan je dan alles doen waar je zelf zin in hebt? Nee, niet meer. Maar zeg nou eerlijk: Kan je nu wel alles doen, waar je zelf zin in hebt? Maar luister, in dit leven met de Heere voel je je, zoals we dat zeggen, wel als een vis in het water. Die vis die kan overal vrij zwemmen, maar natuurlijk wel alleen in het water. Het leven met de Heere geeft ons vrijheid, maar wel in het spoor van Hem, Die alles voor ons geworden is, Die we eigen zijn. Gods kinderen zijn verlost door hun getrouwe Zaligmaker, Jezus Christus.
Wij zijn, kinderen van God, geliefde medechristenen, verlost uit onze schijnvroomheid, uit onze slavernij van de duivel en van de zonde, ver weg van het huis van onze Vader. En de prijs daarvoor was onnoemelijk groot. Om het anders te zeggen, aan die bevrijding hing een heel duur prijskaartje.
Kijk maar naar wat de catechismus zegt: Hij heeft met Zijn dierbaar, dat wil zeggen kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald. En mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. Dat kostte dus het bloed van de Zaligmaker.
Dat bloed dat drupte van het kruis op Golgotha. Zoals Petrus zegt in zijn zendbrief in 1 Petrus 1: U bent, kinderen van God, niet door vergankelijke dingen, zilver of goud verlost uit uw ijdele, uit uw zinloze wandeling, die u door de vaderen overgeleverd is, maar (en dan komt het): door het dierbaar, door het kostbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk en onbevlekt Lam. Voelt u trouwens de blijdschap en de verwondering, in wat Petrus zegt?
Hij heeft met Zijn dierbare, met Zijn kostbare bloed voor al mijn zonden, niet voor een paar maar voor al mijn zonden volkomen betaald. Met andere woorden: mijn schuld voor God was hemelhoog en die werd steeds meer, die werd steeds hoger. En die schuld die stond allemaal op mijn eigen rekening. Die moest ik zelf betalen. Ik, zo noemen we dat (en het is goed, jongens en meisjes, dat je dat probeert te onthouden), ik leefde voorheen voor eigen rekening. Dat wil zeggen, ik had zelf schulden gemaakt en dus moest ik die zelf betalen. Maar nu, en dat is het wonder van Gods genade, nu zegt dit antwoord van de catechismus: Nu heeft de Heere Jezus al die schulden van mij, die op mijn rekening stonden, één voor één afbetaald. Met, niet met geld, maar met de prijs van Zijn kostbare bloed.
En sindsdien, zegt dit kind van de Heere, ben ik door Gods genade niet meer van mezelf. Ik ben ik het eigendom geworden van de Zaligmaker. Hij heeft mijn schuld volledig afbetaald. En nu leef ik niet meer voor eigen rekening, maar nu leef ik sindsdien voor Zijn rekening.
En zo, geliefde gemeente, zijn er ondertussen twee manieren van leven getekend. En ik zeg dat als spiegel voor u en ook voor mezelf. Om te kijken welke koers u gaat in uw leven.
a. De één leeft in zelfgekozen vrijheid, die ten diepste niet anders is dan slavernij en gebondenheid. Met een hemelhoge schuld, die steeds hoger wordt vanwege het verlaten van de Heere. Met een hemelhoge schuld, die op je eigen rekening staat. En dus zonder houvast, zonder troost, zonder rust en zonder geborgenheid. Dat is de één.
b. En de ander was even verdwaald als de eerste. Maar is door Gods genade (alles is uit God!), hij of zij is door Gods genade weer thuisgehaald. De schuld is betaald, de zonden zijn vergeven, en nu het eigendom geworden van de Zaligmaker, gekocht met de dure prijs van Zijn bloed.
En zo leven twee soorten mensen, ook in het midden van de gemeente, op weg en reis naar de eeuwigheid. En mijn vraag, gemeente, is: bij wie van die twee hoort u, hoor jij? Hoe bent u op weg naar de eeuwigheid?
Leeft u nog voor eigen rekening? Staat uw schuld, om zo te zeggen, nog open? Mag ik u vragen, hoe gaat u die nu of straks betalen? Ziet u niet dat u in levensgevaar bent? Echt in levensgevaar. Met een hemelhoge schuld op weg naar de ontmoeting met de Heilige God? Hoe kan u zo rustig in de kerk zitten? Hoe kan u zo rustig verder leven? Uw schuld moet betaald worden. De rekening moet vereffend worden. Zo kunt u niet leven. Zo kunt u niet sterven.
Dit leven wat u nu leeft, is eerlijk gezegd een diep ellendig leven. Zonder troost, zonder houvast. Eenzaam, diep in je hart alleen. Zonder God en Zijn gunst. En wees eerlijk: al het plezier wat je hebt, is alleen maar schijn. Dat wil je misschien wel niet geloven, maar soms voel je het zelf ook. Vaak is het achteraf. Dat je ineens voelt: ja, dit was niet echt, dit was schijn. En vroeg of laat zal je het echt merken (de Heere verhoede dat), dat je zogenaamde plezier, wat je zelf hebt, voor altijd voorbij gaat. Lieve mensen, zonder God, zonder enige troost in leven en sterven, heb je echt geen toekomst!
Of u leeft, dat is de tweede mogelijkheid, voor rekening van de Zaligmaker. Als Zijn duur gekochte eigendom. En mensen, wat een gelukkig leven is dat. Wat geeft dat een houvast. Wat geeft dat troost. De wetenschap ook, dat niemand, ook wij zelf niet, ooit in staat zal zijn, om Christus Zijn eigendom te ontnemen. En dus ligt ons leven vast in Hem. In Christus. Voor altijd. Blijvend.
Kijk maar naar wat de catechismus zegt: met ziel en lichaam, beide in dit leven en in het toekomende, voor rekening van onze getrouwe Zaligmaker Jezus Christus, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft.
Naar lichaam en ziel. Naar het lichaam. Met al de zorgen die er kunnen zijn. Als het gaat om ziekte, om beperkingen, om ouderdom, om geestelijke aftakeling. Naar het lichaam.
En naar de ziel. Met alle geestelijke zorgen, vragen, twijfels, strijd en aanvechting die er kan zijn. Maar in dit alles worden we dagelijks begenadigd met manna, hemels brood. Beschermd en gered in dure (in moeilijke) tijd en hongersnood. Zelfs in de grootste smarten in de Heere gerust. Midden in de storm, met vrede in ons hart. Gevoed met Vaderlijke zorg. Om het werk van Hem, Die ons kocht met de prijs van Zijn kostbare bloed. Weer thuisgebracht bij God, Die we zelf verlaten hadden.
Getroost in ons leven, staat er. In rouw, in verdriet, in eenzaamheid. In pijn, in onbegrepen moeilijke wegen. Zoals Jesaja schrijft: Gaand door het water, maar nooit overstroomd. Gaand door het vuur zelfs, maar de vlam tastte ons niet aan. In ons leven. En ook in ons sterven. Gaand door het dal van de schaduw van de dood. Maar Zijn stok en Zijn staf vertroosten en leiden ons.
Mensen, jongeren, levend voor je eigen rekening; Zie je niet wat je mist? Verloren zoons, verloren dochters, niet alleen jongeren, maar ook ouderen: Je leven lijkt wel aardig, maar kijk toch eerlijk naar jezelf. Het zit niet goed met je. En je voelt het, diep in je hart. Je bent onrustig, je bent alleen. Je leven is leeg, zonder houvast, zonder troost, zonder echte bestemming. Want je leeft zonder God. En dus zegt de Bijbel, zonder hoop.
Dit is het echte geluk in dit leven. Dit alleen geeft echte troost en vrede. Echt houvast. Een troost en vrede die ook rotsvast is. Alle andere vormen van troost en vrede en geluk, dat weten we allemaal, die zijn kwetsbaar. Deze niet. Die staat rotsvast, zegt de catechismus, op Mijn getrouwe Zaligmaker. Onze Heere is getrouw. Dat wil zeggen: betrouwbaar. Hij houdt altijd Zijn woord. Zoals we zongen uit Psalm 93: Alles wat Hij ooit beloofd heeft, zal bestaan.
Zeker, het is een troost (laten we eerlijk zijn), kinderen van God, die we altijd weer verzondigen. En toch! En toch hebben we een Zaligmaker, Die ons nooit zal loslaten. Vanwege Zijn trouw. En dat maakt het geluk van ons leven uit. Dat de Heere bij al ons dwalen en verdwalen, bij al het zoeken van onze eigen eer; dat de Heere dwars door onze hoogmoed, door onze geestelijke ontrouw, door onze eigen liefde; dat de Heere over ons leven zingt: Ik zal, Mijn kind, gekocht met de prijs van het bloed van Christus, Mijn gunst en goedheid over u nooit doen enden. Ik zal niet feilen in Mijn trouw, (Ik, de getrouwe Zaligmaker!), noch Mijn verbond van genade ooit schenden. Ik zal nooit herroepen wat Ik eenmaal in uw leven heb gesproken. Al wat uit Mijn lippen ging, blijf vast en onverbroken. Want, Mijn kind, u bent Mijn eigendom.
Laten we samen nu eerst gaan zingen uit de Psalm die ik hiermee citeerde, Psalm 89 vers 13 en 14: Ik zal de heerschappij doen duren bij zijn zaad, Zolang de hemel zelf op vaste pijlers staat. Maar zo zijn kinders ooit Mijn zuiv're wet verlaten,
Zo 't richtsnoer van Mijn recht ter reeg'ling niet kan baten, Zo zij ontheiligen, wat Ik heb voorgeschreven, Dan mogen zij gewis voor Mijne straffen beven.
Dan zal Ik hen, die dwaas en wreev'lig overtreên, Bezoeken met de roe en bitt're tegenheên; Doch over hem Mijn gunst en goedheid nooit doen enden. Niet feilen in Mijn trouw, noch Mijn verbond ooit schenden; 'k Zal nooit herroepen 't geen Ik eenmaal heb gesproken, 't Geen uit Mijn lippen ging, blijft vast en onverbroken. - - -
De catechismus schildert ons in Zondag 1 voor ogen, de rijkdom van het leven met God. Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, niet mijn, maar mijns getrouwen Zaligmakers Jezus Christus eigen ben. Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft, en… mij uit alle heerschappij des duivels verlost heeft.
Dat laatste wijst op het bovennatuurlijke ingrijpen van God in het leven van mensen. Bekering is niet hetzelfde als kiezen voor Jezus. Bekering is niet hetzelfde als zelf gaan geloven. Bekering is een machtig ingrijpen van God in het leven van Zijn vijanden. Die zijn eigendom waren in het paradijs. De Heere hield van Adam. En Adam en Eva waren eigen met God.
Maar zij en wij zijn vrijwillig in de dienst gegaan van de satan. We zijn op eigen initiatief van eigenaar verwisseld. We zijn eigendom geworden van de duivel. Vijandig ten opzichte van God. Onmachtig. Geestelijk dood in onszelf.
Maar nu gaat God ingrijpen. In het uur van Zijn welbehagen breekt Hij, om Bijbelse woorden te gebruiken, het huis van de sterk gewapende binnen. En Hij ontneemt de satan zijn vangst. En de ziel van de zondaar wordt verlost. Zoals het hier in de catechismus staat: verlost uit de heerschappij, uit de macht, uit de overheersing door de duivel. En gemaakt tot Zijn eigendom.
Dat is geen menselijke keus. Dat is een bovennatuurlijk werk in het verborgen van het menselijke hart. Wat wij mensen aan de buitenkant in de eerste instantie niet zien. Maar waardoor iemand wel, ver van het vaderhuis verwijderd, als een verloren zoon of verloren dochter tot zichzelf komt. En gaat zeggen (en ik hoop gemeente dat u dat ook zegt of gaat zeggen): ‘Ik houd het niet meer uit in dit leven zonder God. Ik zal opstaan en tot mijn vader gaan. En zeggen: Vader, ik heb gezondigd.’ Of, met de woorden uit Hosea 6: Komt, laat ons wederkeren tot de Heere. Met andere woorden, doe het niet alleen, maar zeg het ook tegen elkaar: Laat ons samen wederkeren tot de Heere. Want Hij heeft verscheurd en Hij zal ons genezen. Hij heeft geslagen. En Hij zal ons verbinden.
Wat je in die woorden ziet, jongelui, is dat teruggaan naar de Heere, dat bekering - of dat nu bij de verloren zoon is of dat het bij jezelf is -, dat bekering geen drama is. Maar het is doortinteld van hoop en van verwachting. Die verloren zoon die gaat naar huis. Die gaat niet ergens anders naartoe, maar die gaat naar huis, omdat hij weet(!) hoe zijn vader is. En dus gaat hij beschaamd, diep beschaamd, maar tegelijkertijd in al zijn verdriet: met hoop en verwachting. En dat proef je ook in de woorden van Hosea. Laat ons wederkeren tot de Heere, want… Hij zal ons genezen.
Want zo is de Heere: genadig en barmhartig en groot van goedertierenheid. En gemeente, dat staat in de Bijbel en dat zegt de verloren zoon, dat zegt de Heere, jongelui, om je hoop te geven: Er is een weg terug, een geopende weg. Ga die weg dan. Breek met je zonde, net als de verloren zoon. Belijd je schuld en vraag om vergeving van alles wat je gedaan hebt.
De Heere zal net zo doen met jou, met u, als met die verloren zoon. Het staat in Lukas 15:20: En als hij nog ver van hem was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen; en toelopende viel hem om zijn hals en kuste hem. Die zoon had niks meer met zijn vader. Maar vader wèl met hem. En met jou! Met innerlijke bewogenheid, vanuit de grond van Zijn hart, wacht de Heere ook op u en jou.
De catechismus gaat verder. Het werk dat de Heere begint, daar gaat Hij ook mee door. Want, zegt de catechismus: Hij bewaart ons ook. Stel je voor, dat we als kinderen van de Heere na gekregen genade, onszelf moesten bewaren. We zouden ons, kinderen van God, toch geen raad weten? Maar nu Hij ons hart genomen heeft, nu staat Hij garant voor Zijn eigendom. Zoals Petrus schrijft in 1 Petrus 1:5: De gelovigen worden in de kracht Gods bewaard tot de zaligheid. En Hij bewaart ons zo goed, dat zegt de catechismus, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader, geen haar van mijn hoofd vallen kan. Dus alles wat in ons leven gebeurt, kinderen van God, geliefde medechristenen, is - en dat is geen excuus voor de zonde van onszelf en voor de zonde van anderen -, maar alles wat in ons leven gebeurt, is ten diepste naar de goede wil van onze Heere.
Hoe noodlottig die dingen ook kunnen lijken. Hoe krom wegen ook kunnen schijnen. De Heere zegt: Mijn weg is volmaakt. De weg van de Heere is een rechte weg. Het ging en het gaat zoals Hij wilde en wil. Hoe moeilijk ons leven misschien ook is, de Heere weet ervan. Hij leidt ons aan Zijn hand en er gebeurt helemaal niets zonder Zijn Vaderlijke wil. En dus zegt de dichter in Psalm 46 (het zijn woorden van de Heere Zelf): Laat dan af, wees stil, weet dat ik God ben.
De Heere leidt ons door dit moeilijke leven naar Zijn raad. En al die dingen, al die verdrietige dingen van ons leven, zegt de catechismus, die dienen tot onze zaligheid.
Hoe moeilijk ze ook zijn, voor iedereen is dat verschillend, ze hebben een heilig nut. Al die dingen werken mee ten goede. Het is Gods Vaderlijke kastijding om ons, zegt de Bijbel, te leren Zijn heiligheid deelachtig te worden.
De Heere gebruikt, met andere woorden, al dat verdriet en al die moeilijke dingen in ons leven, om het goud van Zijn werk in ons leven te beproeven, om dat zuiverder te maken. Om ons meer te leren te leven door het geloof. Om ons meer te leren niet gebonden te zijn aan de dingen van deze aarde, maar hemelgericht te leven. Met een wandel die in de hemelen is, om de Zaligmaker daaruit te verwachten. Met andere woorden, om ons meer los te maken van de dingen van deze aarde die voorbij gaan. En om ons te leren om onze vastheid en troost buiten onszelf te zoeken. Door op Hem, op Christus, te hopen en te vertrouwen.
De Heere gebruikt al die moeilijke dingen in ons leven om ons te leren hopen op Zijn beloftewoord. Ook al zien we niets van de vervulling ervan. Maar om dan toch met Habakuk te zeggen: Alhoewel de vijgenboom niet bloeien zal en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal, zo zal ik nochtans in den HEERE van vreugde opspringen; ik zal mij verheugen in den God mijns heils (Hab. 3:17Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal, en geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal, en de velden geen spijze voortbrengen; dat men de kudde uit de kooi afscheuren zal, en dat er geen rund in de stallingen wezen zal;).
De Heere beproeft ons wel, maar Hij vergeet ons niet. Hij neemt ons vaak dingen af, om ons andere, betere dingen terug te geven: Zijn gunst, Zijn goedheid en Zijn troost. Hij leert ons hier op de aarde, om meer en meer om genoeg te hebben aan Hem. Het is bedoeld tot onze zaligheid. Als voorbereiding op de hemelse heerlijkheid die we verwachten. Waarom Hij mij, zegt de catechismus, ook door Zijn Heilige Geest van dat eeuwige leven verzekert en Hem voortaan te leven van harte willig en bereid maakt.
Twee dingen dus doet de Heere in het leven van Zijn kinderen. a. Hij geeft Zijn kinderen, staat er, zekerheid. Geen zelfverzekerdheid die je altijd in je zak hebt, maar zekerheid die, zoals het avondmaalsformulier zegt, vast ligt buiten jezelf, in Hem, in die betrouwbare Zaligmaker, Die Zijn woord zal houden.
Hoe geeft de Heere die zekerheid? Door ons te leren te geloven wat Hij belooft in Zijn Woord. Zoals ik zei, ook al zien we het niet, ook al voelen we niets daarvan, ook al zien we misschien het tegendeel. Maar toch: leven in vertrouwen op het Woord van de Heere. En de Heere geeft ook meer zekerheid, zeggen onze Dordtse Leerregels, door de kenmerken van Gods genade in ons hart aan te wijzen door Zijn Woord, in de zondagse dienst. Soms ook door het krachtige, persoonlijke spreken van de Heilige Geest in ons hart, Die met onze geest getuigt, zegt de apostel, dat wij kinderen Gods zijn (Rom. 8:16Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn.).
En de Heere geeft ook meer zekerheid aan Zijn kinderen door een weg van heilig leven. Want die zekerheid van het geloof die hier genoemd wordt en die later terugkomt, die kan niet samengaan met een zondig leven.
b. Maar gelukkig hangt dat ook niet van ons af. Want, dat is het tweede wat de catechismus zegt, het is de Heilige Geest, dat doen we niet zelf, het is ook de Heilige Geest, Die ons van harte willig en bereid maakt, om voor de Heere te leven. En u begrijpt, dat komt later in de catechismus allemaal uitgebreid terug.
Nog heel kort ons tweede punt:
Vraag 2 zegt: Hoeveel stukken, hoeveel hoofdstukken zou je kunnen zeggen, zijn u nodig te weten, opdat u in deze troost zalig leven en sterven moogt?
Drie stukken. Ten eerste, hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten andere, hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word. En ten derde, hoe ik Gode voor zo'n verlossing zal dankbaar zijn.
Drie stukken dus. En die komen verderop in de catechismus terug, dat weet u. Drie stukken, als drie hoofdstukken van een boek, dat de Heere door Zijn genade leert lezen. In dezelfde volgorde als waarin je een gewoon boek leest: eerst hoofdstuk 1, dan hoofdstuk 2, en dan hoofdstuk 3. Hoofdstukken die je bij de verlichting door de Heilige Geest leest en (en dan is het ineens anders, dan bij een gewoon boek), ook weer terug leest. Omdat het leven met de Heere, als het goed is, zich steeds verder verdiept.
En omdat geen enkel van die drie hoofdstukken ooit een gepasseerd station is in het leven van Gods kinderen. Drie hoofdstukken, als het gaat om het werk van de Heere in het hart van Zijn kinderen: ellende, verlossing, dankbaarheid.
Drie hoofdstukken die je (dat weet u, maar het is goed om dat te zeggen en dat te blijven zeggen), die je niet alleen met je verstand moet kennen, maar die je vooral ook door Gods genade bevindelijk, door ervaring in je hart en in je leven moet kennen.
Drie hoofdstukken. Hoofdstuk 1: Hoe groot mijn zonde en ellende zijn. Dat klinkt eerlijk gezegd als een raadsel, als een geheim. Hoe groot zijn mijn zonde en ellende? Hoe diep is mijn ellende? Hoe hemelhoog mijn schuld voor God? Hoe groot zijn mijn zonden? Ik had, als het aan mij lag, voor altijd om moeten komen!
En je hoort als het ware de zucht erachteraan: Heere, leert U mij meer, leert U mij dieper kijken als het hierom gaat.
Hoofdstuk 2: Hoe ik van al mijn zonde en ellende verlost word. Met andere woorden: Heere, leert U mij toch, alstublieft, om niet weer terug te vallen op zelf willen doen. Maar leert U mij iets en meer van de verlossing door het werk van de Heere Jezus Christus alleen. Van verzoening door voldoening, door betaling. En…
Hoofdstuk 3: Hoe ik God dankbaar zal zijn. Met andere woorden: Hoe moet dat toch? Nu ik zoveel van de Heere gekregen heb. De bedoeling is niet de vraag: Waar moet ik me allemaal aan houden? Want ja, dat weet ik wel en dat weet u ook. Maar de zucht is: Heere, hoe moet dat toch, met dit hart?
Hoe? Door door Gods genade te leven, eigen met Christus. In de innige gemeenschap met Christus, eigen met Hem. En door zo, levend niet van eigen krachten, maar levend van Zijn krachten, Gods geboden te doen uit dankbaarheid.
Gemeente, zo weet je, zo kan je het weten, als je eerlijk kijkt naar jezelf, of je echt christen of christin, of je echt een gelovige, een kind van God bent. Het is wat anders of je dat durft te zeggen. Maar kijk eens diep in je hart…
Dan ken je iets van dit driedubbele geheim. Van hoe groot mijn zonde en schuld zijn voor God. Dan ken je iets (ik zeg niet veel, niet alles, maar ik zeg iets!), dan ken je iets van het geheim, van hoe ik door genade daarvan verlost word. En van hoe ik God voor zo'n verlossing dankbaar zal zijn.
Tot slot, geliefde gemeente. Als u deze enige troost, dit houvast van deze drie hoe’s niet kent, dan gaat u een dramatische toekomst tegemoet. Zo moet u niet doorgaan. Laat u alstublieft vandaag nog met God verzoenen.
Tot slot, kinderen van God, geliefde medechristenen, ik wil u graag nog iets meegeven. We mogen door Gods genade leven, van deze enige troost. Niet meer voor eigen rekening, maar op de rekening van onze lieve Heere en Zaligmaker. Zoals McCheyne ooit zong: Getroost onder het heiligend kruis, naar het erfgoed hierboven, naar het Vaderlijke huis.
Maar, en misschien vindt u mijn vraag ongepast, maar ik ga hem u wel stellen. Maar mijn vraag is: Heeft u daar genoeg aan? Bent u daar tevreden mee? Ik bedoel dit: Ziet u geen andere mensen om u heen, in en buiten de kerk, die nog steeds voor eigen rekening leven? Als we in ons hart dan echt weten, iets van: hoe groot onze schuld was, en van: hoe we daarvan verlost zijn, laat dat ons dan ook ècht vervullen met oprechte dankbaarheid.
En laten we dan daders des Woords worden, en niet alleen hoorders. Laten we dan uitgaan, hoe dan ook en waar dan ook, in de wegen en in de heggen, zoals de Bijbel zegt. En ook anderen, dichtbij en verder weg, dwingen om in te komen (Luk. 14:23En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;).
Opdat het huis van God vol zal worden van getrooste zondaars. Die nu en straks eeuwig zullen zingen: Het was, o Heere, door U, door U alleen, om het eeuwige welbehagen.
Amen.
Slotzang: Psalm 42:3,5
O mijn ziel, wat buigt g' u neder? Waartoe zijt g' in mij ontrust? Voed het oud vertrouwen weder; Zoek in 's Hoogsten lof uw lust; Want Gods goedheid zal uw druk Eens verwiss'len in geluk. Hoop op God, sla 't oog naar boven; Want ik zal Zijn naam nog loven.
Maar de HEER’ zal uitkomst geven, Hij, die 's daags Zijn gunst gebiedt; 'k Zal in dit vertrouwen leven, En dat melden in mijn lied; 'k Zal Zijn lof zelfs in den nacht Zingen, daar ik Hem verwacht; En mijn hart, wat mij moog' treffen, Tot den God mijns levens heffen.
Andere preken over Zondag