Zondag 3 · 6 oktober 2024
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 3 (serie 2)
INLEIDING
Deze catechismuspreek over Zondag 3 laat zien hoe wij ooit waren en hoe wij nu zijn. God schiep de mens goed, naar Zijn beeld, in gerechtigheid en heiligheid. Door de val van Adam werd onze natuur diep verdorven: wij worden in zonde ontvangen en geboren, totaal onbekwaam tot enig goed en geneigd tot alle kwaad, tenzij de Heilige Geest ons wederbaart. Deze droeve werkelijkheid wil ons niet hopeloos maken, maar drijven naar de laatste Adam, Christus, Die verloren zondaars zoekt en zalig maakt.
Hoe we ooit waren, en hoe we nu zijn
ZONDAG 3
Vraag 6: Heeft dan God den mens alzo boos en verkeerd geschapen?
Neen Hij; maar God heeft den mens goed, en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is, in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben, en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen.
Vraag 7: Vanwaar komt dan zulke verdorven aard des mensen?
Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouderen, Adam en Eva, in het Paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonde ontvangen en geboren worden.
Vraag 8: Maar zijn wij alzo verdorven, dat wij ganselijk onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad?
Ja wij; tenzij dan dat wij door den Geest Gods wedergeboren worden.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 3
THEMA
Hoe we ooit waren, en hoe we nu zijn
AANDACHTSPUNTEN
Gemeente, jongelui, het gaat vanaf Zondag 1 van de Catechismus, dat weet je, over de enige troost in leven en sterven. En om die enige troost in leven en sterven te kennen, is het nodig om drie dingen te leren door bevindelijke, persoonlijke ervaring. Ten eerste hoe groot mijn zonden en ellende zijn. Ten tweede hoe ik van al mijn zonden en ellende verlost word. En ten derde hoe ik God voor zo'n verlossing dankbaar zijn zal.
En met dat eerste, hoe groot mijn zonden en ellende zijn, waren we verder gegaan in Zondag 2. Toen hebben we gezien, dat de Heere Jezus door Zijn Heilige Geest het onmogelijke van de wet leert: God liefhebben boven alles, en je naaste als jezelf. “Ja, maar dat kan ik gewoon niet. Dat lukt me niet. En dat wil ik ook niet. Want het is mijn aard, het is mijn natuur om God en mijn naaste niet lief te hebben, maar te haten.”
Geliefde gemeente, hebt u daar de afgelopen week nog stil over nagedacht? Want dat is natuurlijk wel de bedoeling van de Heere, dat je Zijn Woord in je hart mee naar huis neemt. Dat je daarover nadenkt. En dat je stil bidt of de Heere die woorden zal gaan inschrijven in het binnenste van je hart. Doen, mensen! De woorden van zondag, biddend meenemen naar huis. En daar thuis over denken en daarbij bidden.
Maar waarom moesten wij die dingen over de wet eigenlijk allemaal horen? Wat was de bedoeling daarvan? Als we die toch niet en nooit meer kunnen doen? Nou, dat werd de vorige keer ook duidelijk. Niet om hopeloos bij de pakken neer te gaan zitten, maar om te vluchten naar Hem, Die ons de spiegel van de wet voorhoudt. Om te vluchten tot Christus, Die gekomen is naar deze wereld, Die geleden heeft, Die gestorven is, maar Die ook opgestaan is, om van zichzelf hopeloos ellendige zondaars met God te verzoenen.
En achter die spiegel staat ook vanmiddag Christus, Die zegt: “Mensen, geef dat liefdeloze hart van u, van jullie, vol van zonde, vol van haat, geef dat hart van u dat altijd nee zegt tegen Mij, geef dat hart maar aan Mij. Geef dat hart maar aan Mij, want Ik weet daar wel raad mee. Al waren uw zonden als scharlaken, Ik zal ze maken wit als sneeuw. Al waren ze rood als karmozijn, Ik zal ze maken als witte wol.”
Want, lieve mensen, je haat tegen God wordt nooit geen liefde meer. En je nee tegen God wordt nooit geen ja meer. Tenzij God Zelf er iets aan doet.
Er iets aan doet? Nee, er alles aan doet. En dit hatende hart overwint door Zijn liefde. En dat opstandige nee van mij en van u overwint door Zijn krachtige genade.
En nu gaan we vanmiddag verder met de volgende Zondag, met Zondag 3. Met de vraag of dat altijd al zo geweest is met ons. Met de vraag waar die ellende van ons vandaan komt. Nou, dat hebben we gelezen in Genesis 3, waar het gaat over de eerste Adam. Een hoofdstuk, Genesis 3, jongelui, waarin je leest hoe wij mensen in zonde vallen. Niet alleen in het paradijs toen, maar ook nu in deze tijd. En daarom wil ik jullie en ons daar even in meenemen.
Wat gebeurde er toen Adam en Eva vielen in de zonde? En wat gebeurt er als ik, als jullie, als wij in de zonde vallen? Lees even mee in je Bijbel in Genesis 3. Zoek het even op: Genesis 3:1. Laten we daar beginnen. Genesis 3:1, daar staat: De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de HEERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?
“Mag je – dat is eigenlijk de vraag van de duivel – van God van geen enkele boom eten? Je mag ook niks van God!” Dat is het eerste wat de duivel ook tegen mij en tegen jullie kan zeggen. “Mag je dit leuke ook al niet? Je mag ook helemaal niks van God!”
En dan vers 2, het antwoord van Eva. Ze zegt, nu even met eigen woorden gezegd: “Natuurlijk, we mogen eten van de bomen in het paradijs”, maar dan (vers 3, heel goed lezen): Maar van de vrucht van de boom die in het midden van de hof is, heeft God gezegd: Gij zult van die niet eten... Dat klopt, Eva! Nog die aanroeren…?
Hè? Klopt dat? Heeft de Heere dat gezegd: “Eva, je mag die vrucht zelfs niet aanraken?” Dat zegt ze! Noch die aanroeren opdat u (zou de Heere gezegd hebben) niet sterft. Maar Eva, dat hééft God niet gezegd! Nu wek je zelf ook de indruk dat God onredelijk streng is. Als je zegt: “Ik mag die vrucht van de Heere zelfs niet aanraken!”
Dus wat gaat Eva doen? Ze gaat lopen draaien met de woorden van God. En begint bij zichzelf ook ineens te denken dat God wel héél erg streng is tegen haar. En dus krijgt de duivel het gevoel dat hij beet heeft. En dus zegt hij in vers 4: “Dat is echt niet waar, hoor. U zult de dood niet sterven. Maar u zult als God zijn.”
En dat, jongelui, dat, gemeente, is wat de duivel ook bij mij en bij jullie en ons kan doen. Hij wekt stiekem in ons hart, in onze gedachten de indruk dat God onredelijk streng is. En fluistert ons vervolgens in: “Je kan het best doen, hoor. Doe het maar.”
Ja, en dan raakt alles in een stroomversnelling. Kijk maar. Eva zag die boom. Dat is nog steeds zo. Zonde begint meestal met kijken. Dus pas op mensen waar je naar kijkt. Ze zag die boom. En dan blijkt dat die boom een lust is voor haar ogen. Het zet de begeerte in haar hart in vlam. En ze eet, en ze geeft de vrucht ervan ook aan haar man Adam.
Dus als ik het even met eigen woorden samenvat: Wat doet de eerste Adam? En wat doen wij allemaal net als hij? Luisteren naar het bedrog van de duivel. Erin meegaan. God wantrouwen. Twijfelen aan wat de Heere zegt. En dan raakt het in een stroomversnelling. Dan kijken, begeren, doen en vallen. Over en uit. Dat is het drama, gemeente, waar de Bijbel mee begint. En dat is tegelijkertijd ook de werkelijkheid van ons leven.
Maar gelukkig, hier eindigt het niet mee. Want na deze eerste Adam kwam op Gods tijd, door Gods onbegrijpelijke goedheid en genade, de laatste Adam – zoals Paulus Hem noemt in 1 Korinthe 15. De Heere Jezus Christus, Die nooit heeft getwijfeld aan Gods woorden. Die de hemelse Vader nooit gewantrouwd heeft. En Die nooit het gebod van God wilde overtreden. Die nooit zondig keek. Die nooit zondig begeerde. Die nooit zonde deed en Die nooit in de zonde viel.
Je denkt bij jezelf: “Kunnen we dan niet beter die eerste Adam gewoon maar vergeten? En het vanaf nu alleen maar hebben over die laatste Adam? Over de Heere Jezus Christus?” Nee! Nee, want misschien ken je die uitdrukking wel, en anders ken je hem nu: Adam nooit geleerd, is Christus nooit begeerd.
Als je je kwaal, je dodelijke kwaal niet kent, dan is er ook geen genezing. Dan komt er (als het hierover gaat) ook nooit verlangen in je hart naar de Zaligmaker. En dat wil de Heere nu juist opwekken in de harten van zondaars: verlangen om terug te gaan naar God. Denk maar aan de verloren zoon. Door ons de eerste Adam eerlijk voor ogen uit te beelden, wil de Heilige Geest ons laten zien wat er van ons terechtgekomen is. Ooit levend met God, maar nu van nature vervreemd van God en eindeloos ver bij Hem vandaan. Waarom? Waarom wil de Heere je dat zo helder onder ogen brengen? Om je te redden. Om je te redden van een nog veel grotere en dreigende ondergang. En dus, om je op je knieën te brengen bij de gekruisigde Zaligmaker: de tweede, de laatste Adam. Die echt de enige hoop is voor verloren zondaars.
Het gaat vanmiddag, gemeente, over Zondag 3. Ik stel voor dat we samen met elkaar die Zondag met de vragen en antwoorden 6, 7 en 8 nu eerst gaan lezen.
Vraag 6. Heeft dan God de mens al zo boos en verkeerd geschapen? (Wat een wantrouwen in ons hart! Heeft God het misschien gedaan?) Antwoord: Neen Hij; maar God heeft den mens goed en naar Zijn evenbeeld geschapen, dat is in ware gerechtigheid en heiligheid, opdat hij God zijn Schepper recht kennen, Hem van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou, om Hem te loven en te prijzen. Dus dit antwoord zegt: We zijn goed geschapen.
Vraag 7. Van waar komt dan zulke verdorven aard des mensen? (Verdorven, dat wil zeggen: slecht, stuk, door en door goddeloos, verloren. Waar komt dat vandaan?) Antwoord: Uit den val en de ongehoorzaamheid onzer eerste voorouders, Adam en Eva, in het paradijs, waar onze natuur alzo is verdorven geworden, dat wij allen in zonden ontvangen en geboren worden. Dus we zijn (als eerste) goed geschapen. Dit antwoord zegt (als tweede): We zijn diep gevallen. En dan:
Vraag 8. Maar zijn wij zo(!) verdorven, dat wij ganselijk (helemaal) onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Antwoord: Ja, wij tenzij dan dat wij door de Geest van God wederom geboren worden. Dus we zijn: goed geschapen. We zijn ook: diep gevallen. En nu als derde. We zijn ook: totaal onbekwaam.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: Hoe we ooit waren, en hoe we nu zijn
Antwoord 6 zegt: 1. Goed geschapen. Antwoord 7 zegt: 2. Diep gevallen. Antwoord 8 zegt: 3. Totaal onbekwaam. Ons eerste punt:
Vraag 6 zegt: Heeft dan God de mens zo boos, zo slecht en verkeerd geschapen? Met andere woorden: Dat kwaad van onze zonde, komt dat misschien van God Zelf vandaan? Ja, je kan bij jezelf denken: Oh, wat een slechte vraag. Maar, mensen, laten we nou eerlijk zijn: die vraag die leeft in ons hart. Hoe kon in de goede schepping van God het kwaad zo binnendringen? Dat hebt u toch ook uzelf wel eens afgevraagd? En waar kwamen die kwade engelen eigenlijk vandaan? En waar komt het kwaad zelf vandaan? En zo sturen we (maar wat tekent dat de slechtheid van ons hart), zo sturen we onze gedachten naar Hem, Die er in de beginne alleen was, naar God.
Dat kan je bij jezelf denken. Dat kan je ook zomaar tegenkomen op je werk, tijdens je studie of in de boeken die je leest: gedachten, ideeën in allerlei vormen, die eigenlijk allemaal één doel hebben, namelijk je af te leiden van je eigen schuld en beschuldigend naar God te wijzen. Hoe je die vraag beantwoorden moet, als iemand die aan je stelt? Gewoon eerlijk. “Waar komt het kwaad vandaan? Dat weet ik niet. Maar niet uit God, dat weet ik wel. En dit weet ik ook. Wij mensen zijn erin meegegaan. Maar, en dat weet ik ook, onze goede God wil ons daaruit verlossen.”
Je bent, u bent, ik ben door God goed geschapen. Naar Zijn beeld, staat er. Dat betekent: Adam leek in zijn hart, in zijn innerlijk, sprekend op God. Daarom noemt de Bijbel Adam in Lukas 3 ook ‘de zoon van God’. Hij straalde iets uit van God. Als je Adam zag, voor de zondeval in het paradijs, dan zag je ook iets van Wie God is en was, in Zijn binnenste, in Zijn hart.
De Catechismus zegt: God heeft de mens goed en naar Zijn beeld, naar Zijn evenbeeld geschapen. Dat is (en dan komt de uitleg): in ware gerechtigheid en heiligheid opdat hij God, Zijn Schepper, recht (goed) zou kennen, van harte liefhebben en met Hem in de eeuwige zaligheid leven zou om Hem eeuwig te loven en te prijzen.
Dus Adam had gerechtigheid. Hij leefde volkomen in overeenstemming met de wil en de wet van God. Hij had gerechtigheid en hij had heiligheid. Hij deed voor de zondeval nooit zonde. Hij was puur, hij was zuiver. En daar was hij zielsgelukkig mee. Want daardoor, staat er: kende hij de Heere. Hij leefde heilig, dicht bij God, zijn Schepper. Hij had de Heere lief met heel zijn hart, zoals een kind zijn lieve vader lief heeft. En hij was in alles gericht op God (staat er), om Hem altijd te loven en te prijzen.
Zo was de ooit geschapen mens, maar zo is hij nu niet meer. En dus, gemeente, zegt God vanmiddag liefdevol tegen u en tegen jullie jongelui, om je hart voor Hem te winnen: “Jongen, meisje, man, vrouw, waar is Mijn beeld? Waar is hoe Ik je geschapen heb? Waar is de glans van Mijn heerlijkheid in je leven? Mijn kind, wat heb je toch gedaan? O mens, wat hebt u toch gedaan dat uw leven zo door en door ellendig geworden is? Ik had u goed geschapen, maar u bent diep gevallen.”
Zoals we gaan zien in ons tweede aandachtspunt, maar laten we samen eerst zingen uit Psalm 51:3: 't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straf; Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren; Mijn zonde maakt mij 't voorwerp van Uw toren. Reeds van het uur van mijn ontvang'nis af. Zie, Gij hebt lust tot waarheid in 't gemoed; Gij, HEER, Die weet, al wat ik heb misdreven, Gij, die mijn geest met wijsheid had gevoed, En in mijn ziel Uw Godd'lijk licht gegeven.
Ons tweede aandachtspunt:
Kijkend naar vraag 7: Van waar komt dan zulke verdorven aard des mensen? Antwoord: Uit de val en de ongehoorzaamheid van onze eerste voorouders Adam en Eva in het paradijs, waar onze natuur zo verdorven is geworden dat wij allemaal in zonde ontvangen en geboren worden.
Onze natuur was volmaakt, die was perfect. Maar we zijn diep gevallen in de zonde. Daarom heet het ook de zondeval. We stonden door onze schepping op een heel bijzondere, hoge plaats, als kinderen van de allerhoogste God. Maar we vielen door de zonde in een onmetelijke diepte, in een diep ravijn, in de diepte van dood, vijandschap en verlorenheid. Zoals Paulus zegt: Door één zonde, door één mens is de zonde in de wereld gekomen. En door de zonde de dood. En sindsdien bestaat ons leven niet meer uit het dienen en liefhebben van God, maar uit geestelijk dood zijn door de misdaden en de zonde.
En dat alles, gemeente, begon (dat hebben we gelezen in Genesis 3) met die ene misdaad in het paradijs, waar we tegen God zijn opgestaan. We zijn ongehoorzaam geweest, we zijn opgestaan tegen God, want we wilden diep in ons hart als God zijn. Dat was niet zomaar een foutje. Dat was niet zomaar een vergissing, waar je even sorry voor kunt zeggen. Dat was doelbewuste opstand tegen God. Een poging om als God te zijn, en dus een greep naar de macht. Harde verachting van de liefde van onze Schepper, verwerping van God dus en haat tegen Hem. Het was een dolkstoot naar het hart van de Vader.
In Adam zijn alle mensen gevallen. Hij heeft heel zijn nageslacht, weten we uit de Bijbel, meegesleurd in zonde, nood en dood. Ik snap, jongelui, dat dat botst met andere stemmen die je om je heen hoort. Laat ik er twee noemen. De één zegt vanuit de moderne psychologie tegen je (en je kan het overal lezen): “Geloof het, joh, je bent oké. Je bent helemaal oké van jezelf.” Terwijl je stiekem bij jezelf hier van binnen blijft denken: “Ja, maar klopt dat wel?”
Dat zegt de één vanuit de moderne psychologie. En een ander zegt vanuit de evolutiegedachte: “Geloof me, meer dan een doorontwikkeld dier ben je niet. De loop van de natuur is onveranderbaar. Dus je bent wie je bent en je blijft wie je bent. Onveranderbaar.” Een knap hopeloze gedachte…
En tegenover die twee stemmen en zoveel meer andere stemmen plaatst God Zijn werkelijkheid. Triest en dramatisch, maar niet hopeloos. Deze werkelijkheid: Ik, God, wilde dat de eerste Adam alle mensen na hem zou vertegenwoordigen. En in het paradijs sleurde die Adam alle mensen met zich mee. Ook jou, ook mij, ook ons. Hopeloos? Nee, want de Heere wilde ook dat de laatste Adam, de
Heere Jezus Christus, al Zijn kinderen mee zou dragen door de ellende van nood en dood heen, tot herstel en eeuwig leven. Dat je dat eerste wat God zegt, buigend voor Hem aanvaart, dat is de weg om dat tweede, van Christus, van de tweede Adam uit genade en voor niets van Hem te krijgen.
En dus jongelui, volwassenen, laat het gewillig tot je doordringen. Dit is de werkelijkheid. De Heere zegt eerlijk wie je was en Hij zegt eerlijk wie je bent. Je natuur was goed, maar die is door je eigen schuld totaal verdorven. Dat merk je toch zelf ook in je eigen leven? Ik wel. Zondigen, dat gaat gewoon vanzelf. Wantrouwen, begeren, liegen, God vergeten enzovoorts, het gaat allemaal vanzelf, omdat je hart verdorven is. Daar komt het uit, uit een verdorven hart.
Bij dat woord verdorven denk ik trouwens aan iets wat bedorven is. Bedorven eten, bedorven melk, bedorven vlees. Het stinkt! En wat je ook doet, je krijgt het echt nooit meer goed. Het enige wat je ermee kan doen is: weggooien.
Wat doet het veel verdriet in je hart, als het licht van God de Heilige Geest, schijnend in het donker van je hart, je die werkelijkheid van binnen laat zien. Ik was goed, maar nu ben ik bedorven. Bedorven in mijn natuur, in mijn aard, in mijn wezen, in mijn hart. Zo verdorven dat ik in zonde ontvangen en geboren ben. En dat ik sindsdien niets anders wil en kan dan: zondigen tegen God.
Maar wat wordt het een wonder en wat geeft het hoop aan je aan zonde ontdekte hart: de wetenschap, jongelui, dat wij niet gedetermineerd zijn door evolutie of door ons menselijke brein, zoals professor Swaab beweert. Ons hart ís niet onveranderbaar. Want alle dingen zijn mogelijk bij God. Maar die hoop is wel een goudeerlijke hoop. De Heere houdt ons niet voor de gek. Wij zijn van onszelf, zegt God, verdorven.
Maar wat wordt het een wonder en wat geeft het hoop aan je aan zonde ontdekte hart, dat de Heere dat bedorven hart niet wegdoet. Hij doet er niet mee wat wij zouden doen: wegdoen, weggooien. Hij zegt niet direct (ja, dat kan je zelf wel denken, maar dat zegt de Heere niet), de Heere zegt niet direct: “Hier is geen redden meer aan. Hier is niets aan te veranderen. Dit is hopeloos, niets aan te doen. Ga maar weg.”
Nee, de Heere zegt vanmiddag: ‘Kom maar. Kom maar. Ik weet hoe je was, en Ik weet hoe je bent. En Ik zeg het je eerlijk en heel radicaal: je bent verloren, je bent bedorven. Maar wat jij voor altijd stukgemaakt hebt, en wat je zelf nooit meer kunt herstellen – alsjeblieft, probeer dat ook nooit – dat kan en wil Ik, de Heere, wel herstellen. En dus zegt de Heere: Geef dat hart maar aan Mij. Mijn zoon, Mijn dochter, geef Mij je hart. God wil je, door je deze ellende onder ogen te brengen, drijven naar het kruis van de Heere Jezus Christus.
Lieve mensen, je kan je hakken in het zand zetten als je dit hoort, maar het is bevrijdend om het toe te geven, om het te erkennen, om het te belijden. Geef je verzet maar op en
word maar eerlijk vanmiddag: “Heere, mijn kwaal, mijn hart, mijn hartekwaal is inderdaad verschrikkelijk, ja, dodelijk. Zo ben ik. U hebt helemaal gelijk. Verdorven ben ik van mezelf. Ik ben in zonde ontvangen en geboren. En vanaf de eerste minuut van mijn leventje ben ik zondaar voor U, vijand van U. Een zondaar die precies hetzelfde doet als dat wat Adam destijds deed: wegvluchten. Weg van U, om nooit meer terug te komen. Vluchten, dwalen, dolen over deze wereld. Terwijl U, Heere, me nog steeds roept, iedere dag. Zoals U Adam in het paradijs riep: Adam, waar ben je? Wat heb je gedaan? Wat doe je?”
Lieve mensen, als je die roep van de Heere dan nu hoort, stop dan, sta dan stil en luister dan. En zie dan eerlijk onder ogen wie je ooit was en wie je nu geworden bent. En belijd dan vanmiddag alsjeblieft eerlijk met David in Psalm 51: Tegen U, Heere, tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw ogen. Omdat U rechtvaardig zij in Uw spreken en rein zij in Uw richten. Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren (dat is mijn erfzonde) en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen. Wees mij genadig, o God, naar Uw goedertierenheid en delg (en wis) mijn overtreding uit naar de grootheid van Uw barmhartigheden. Was mij wel van mijn ongerechtigheid en reinig mij van mijn zonde. Want ik ken (ik erken) mijn overtredingen en mijn zonde zie ik mij steeds voor ogen zweven.
Want, geliefde gemeente, zo, door die weg van erkennen, buigen en belijden, door die weg wil de Heere je iets laten zien, wat je zonder die belijdenis van zonde en schuld anders nooit zou gaan zien. Iets van de heerlijkheid, van het wonderlijke, van het bijzondere van de tweede Adam, de Heere Jezus Christus. Die zonder zonde ontvangen werd in de buik van Zijn moeder, en Die daarna in Zijn leven nooit één zonde gedaan heeft. Die de liefde van Zijn Vader altijd beantwoord heeft met liefde en gehoorzaamheid. En Die altijd boog onder de wil van Zijn Vader. En Die altijd in alles gericht was op God.
Wil dit je in de put preken? Is dat de bedoeling? Nee! De werkelijkheid is dat je in de put zit. Dit zegt God om je eruit te halen.
Ons derde punt:
Vraag 8: Maar zijn we dan zo verdorven (is het echt zo erg) dat wij ganselijk (helemaal) onbekwaam zijn tot enig goed en geneigd tot alle kwaad? Antwoord: Ja, wij. Zeker. Tenzij dan dat wij door de Geest van God wedergeboren worden.
Is het echt zo? Misschien vraag je dat zelf ook wel af. Kan ik van mezelf echt nooit meer iets goeds doen? Helemaal onbekwaam, niet in staat tot iets goeds en helemaal geneigd tot alle kwaad? Is het zo erg met me? En is er dan niemand op deze wereld die in Gods ogen van zichzelf goed is? Er zijn toch ook goede mensen, meelevende, zorgende, hartelijk dienende mensen in deze wereld? Voorbeelden, u kent ze wel, van
menslievendheid? Mensen die zichzelf opofferen voor anderen? Misschien is het wel iemand die je kent, een collega, vriend of vriendin.
Ja, ik snap het. Die mensen kennen we allemaal, persoonlijk of uit een boek of uit de krant. Mensen die door de algemene genade van God tegengehouden worden, waardoor het kwaad dat ook in hun hart woont er niet of nauwelijks uitkomt. Maar zeg nou eerlijk, ken je mensen (in het echt of uit een boek of uit de media) die uit zichzelf God liefhebben? Echt boven alles? Altijd en in alle dingen? Mensen, die al Gods geboden altijd doen met al de liefde van hun hart? En die ook al hun naasten liefhebben als zichzelf?
Die zijn er niet. Die natuur, die aard, dat hart, die gerichtheid op God in volmaakte zin zijn we echt allemaal kwijt. Onze natuur is van nature totaal verdorven, zegt de Bijbel, zegt de Heere Zelf – en dat geldt ons allemaal. Hoewel God gelukkig de slechtheid van ons hart bedwingt, beteugelt, tegenhoudt, waardoor dat wat erin zit, er gelukkig niet allemaal uitkomt.
Maar nooit zijn we van onszelf meer in staat om God echt te bedoelen, om echt te leven tot Gods eer. De Dordtse Leerregels zeggen het zo in hoofdstuk III/IV, artikel 3: Over zulks (dat betekent: daardoor, door de erfzonde, waar het hierover gaat) worden alle mensen in zonde ontvangen en als kinderen des toorns geboren, onbekwaam tot enig zaligmakend goed, geneigd tot kwaad, dood in de zonde en slaven van de zonde. En willen en kunnen tot God niet wederkeren, noch hun verdorven natuur verbeteren, noch zichzelf tot de verbetering daarvan schikken (daarop) toeleggen, zonder de genade des wederbarenden Heiligen Geestes. We zijn totaal onbekwaam tot enig zaligmakend goed en geneigd tot alle kwaad. Dramatisch! Maar niet zonder hoop. Tenzij, staat er, dan dat wij door de Geest, door de Heilige Geest van God wedergeboren worden.
Gelukkig, zeg je, een lichtpuntje. Ja, dat is het zeker. Maar het is eerlijk gezegd hier toch niet alleen bedoeld als een lichtpuntje. Denk maar terug aan de geschiedenis van Nicodemus. Waarom zegt de Heere dit in Johannes 3 tegen Nicodemus? Wat is Zijn boodschap tegen Nicodemus, de farizeeër, als hij zegt in Johannes 3:3: Nicodemus, voorwaar, voorwaar zeg Ik u, tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij (of zij) kan het Koninkrijk Gods niet zien? Wat is de boodschap daarvan aan die nette Nicodemus? Dit: Man, je doet je uiterste best om goed te doen en om beter te worden. Zoals u of jij dat misschien ook wel probeert. Maar, Nicodemus, luister, je hart is zo slecht en zo zondig en zo geestelijk dood, dat al die verbeterpogingen van jezelf hopeloos zijn. Je hebt, Nicodemus, een heel nieuw hart nodig. Wat je ook allemaal doet en probeert, het zal je niet helpen. Je eigen hart is hopeloos slecht. Wil je zalig worden, Nicodemus, dan moet je niet bij jezelf zijn, maar dan moet je bij God de Heilige Geest zijn.
En gemeente, zo bedoelt de Catechismus het hier ook. Mensen, luister en geloof het. Zelf kan je er niets meer aan doen. Je bent zo diep gevallen, je bent zo ver weg bij God, dat God alleen uitkomst kan bieden. En wil bieden! Tenzij wij door de Geest van God wedergeboren worden. Tenzij, dat is de enige mogelijkheid, de enige weg, een andere is er niet. Tenzij je van bovenaf, vanuit de hemel, door de Geest van God weer geestelijk levend gemaakt wordt. En alles in je nieuw gemaakt wordt. Je krijgt nieuwe oren om te horen, wat je van tevoren niet hoorde of niet wilde horen. Je krijgt nieuwe ogen om te zien, wat je voorheen niet zag of niet wilde zien. Je krijgt een hart vol heimwee, naar huis. En er komt een nieuwe vraag in je binnenste: “Heere, help me. Is er nog een weg terug naar U? Want ik ben U kwijt en zonder U kan ik niet meer verder. Ik zie het, Heere, ik hoor het en ik geloof het. Het is (als het gaat om de redding van mijn ziel) hopeloos aan mijn kant. Heere…, ik geef het op.”
Mag ik u vragen? Hebt u het, hebben jullie het, jongelui, wel eens opgegeven voor God? Heb je het wel eens opgegeven om het zelf te doen? Als je dat nog nooit hebt gedaan, lieve mensen, alsjeblieft geef het dan vanmiddag op. De hoop op jezelf, als het gaat om de redding van je ziel. Want de enige oplossing daarvoor is het wonder van de weg bij God vandaan.
En weet u, dat is de reden dat de Heere deze droeve en dramatische werkelijkheid ons vanuit de Catechismus en vooral vanuit Zijn Woord (want daar komt het vandaan) voor ogen houdt. Opdat we de hoop op onszelf zouden gaan opgeven. Zodat er in ons hart en in ons leven plaats zou gaan komen voor het wonder bij God vandaan.
Hier wil God niet ophouden, hoor. Hier wil de Heere beginnen. Om nu ook Zijn licht te laten vallen op wat Hij kan doen en op wat Hij wil doen. Op de weg die Hij gebaand heeft. Een weg dwars door de onmogelijkheid van de Rode Zee. Het nooit ontdekte spoor, Jezus Christus. De tweede, de laatste Adam, Die dwars door onze onmogelijkheid heen, Zelf een weg heeft gebaand voor mensen zoals wij, om hersteld te worden in de gunst en de vrede met God. Door Zijn liefde tot Zijn Vader, door Zijn gehoorzaamheid, door Zijn lijden, door Zijn sterven, door Zijn opstanding en door Zijn leven. Om verloren mensen, verloren als je bent, te zoeken en op te rapen uit dat diepe ravijn, waar we in gevallen zijn. Om vijanden met God te verzoenen door Zijn bloed.
Deze Zondag, Zondag 3, schetst in dikke zwarte strepen onze nood en dood. En zegt eerlijk, goudeerlijk: jezelf redden, op weg naar de eeuwigheid, het is uitgesloten! God moet ingrijpen. Maar wanhoop niet! Want God wil ook ingrijpen in je leven. En dat is de reden dat de Heere u dit vanmiddag voor ogen houdt.
En dus, lieve mensen, kan je bij het luisteren naar deze Zondag 3 het beste maar eerlijk buigen en zeggen: “Het is waar, Heere, U hebt gelijk. Als ik kijk naar mijn eigen hart en naar mijn eigen leven, Heere, dan is het aan mijn kant (als het gaat om de redding van mijn ziel) hopeloos.”
Maar niet stoppen daar! Maar zeggen: “Maar, Heere, als U nu Zelf een weg gebaand hebt voor zondaars om zalig te worden, o Heere, red dan ook mijn ziel. Ontferm U dan in zondaarsliefde ook over mijn door en door verloren hart. Heere Jezus, U bent toch gekomen om zondaars zalig te maken? Om te zoeken en zalig te maken wat verloren was? Nu dan, Heere, zo iemand ben ik.
Ik pas, o heilige God, nooit meer bij U. Maar Heere, U past door Uw Christus dan wel bij mij.”
Ja, toch? Ja, dat past: de Zaligmaker van zondaars past bij verloren mensen.
Amen.
Slotzang Psalm 40:3 en 4
Andere preken over Zondag