PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 2: Waaruit kent u uw ellende? (serie 2)

Zondag 2 · 15 september 2024

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 2 (serie 2)

INLEIDING

Wie eerlijk voor Gods aangezicht staat, ontdekt hoe diep de eis van Zijn heilige wet reikt; in Mattheüs 22 spreekt de Heere Jezus het uit: gij zult den Heere, uw God, liefhebben met geheel uw hart, en uw naaste als uzelven — een gebod dat ontmaskert, niet verbetert. Deze leespreek over Zondag 2 van de Catechismus neemt u mee in de ontdekking van uw ware staat voor God, opdat uw hart leert uitzien naar de Zaligmaker.

THEMA

De kennis van mijn ellende

KERNPUNTEN

  1. Het boek van Gods Wet
  2. Christus, Die uit dat boek leert
  3. Ons onvermogen om de inhoud van dat boek te doen

ZONDAG 2

Vraag 3. Waaruit kent u uw ellende?
Antwoord. Uit de wet Gods.

Vraag 4. Wat eist de wet Gods van ons?
Antwoord. Dat leert ons Christus in een hoofdsom, in Mattheüs 22:37-40: U zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod.
En het tweede, aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.

Vraag 5. Kunt u dit alles volkomen houden?
Antwoord. Nee ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 2: Waaruit kent u uw ellende? (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 2

THEMA

De kennis van mijn ellende

Gemeente, jongelui, het ging vorige week zondag bij de inleiding op Zondag 1 over de verloren zoon. Tenminste, zo noemde hem zijn vader, toen hij terugkwam. Toen hij zei: ‘Want deze mijn zoon was dood en is weer levend geworden. Hij was verloren en is gevonden.’ Een zoon die dood was. Hopeloos? Nee, want hij is weer levend geworden. Een zoon die verloren was. Hopeloos? Nee, want hij is gevonden.

Wat was de kern van de diepe ellende van deze jongen? Dat hij verdwaald was? Nee, meer. Dat hij zijn vader vergeten was? Nee, meer. Hij had zijn vader dood gewenst. Hij had het deel van zijn erfenis al opgevraagd. Hij had de band met zijn liefhebbende vader doorgeknipt. Ik bedoel die wederkerige band van liefde tussen (in dit geval) een heel goede vader en zijn kind. En hij was weggegaan.

Waar zat het probleem? Hier, in zijn hart. De liefde voor zijn vader was weg. Hij haatte hem. Dat was de reden dat hij zei: ‘Geef het deel van mijn erfenis alvast maar aan mij. Dan kan ik verder. En u bekijkt het maar.’

En nu zit hij (het geld dat zijn vader hem meegaf, is ondertussen op) in een vergelegen land bij de varkens. Verdrietig, eenzaam en alleen. ‘Zeg, kerel, mis je je vader?’ Nee. Ja wel zijn geld, maar hem niet. ‘Waar is je vader?’ Geen idee. ‘Betekent je vader nog iets voor je? Heb je nog iets met hem?’ Nee. Niets meer.

Jongens, meiden, mis jij je vader? Volwassenen, mist u God? Waar is God in jouw leven? Waar is God in uw leven? Betekent Hij (ja, u zit wel in de kerk, fijn dat u er bent), maar betekent Hij nog wel iets voor u?

Hopeloos? Nee! Want (zegt zijn vader later), ‘deze mijn zoon, hij was wel dood, maar hij is weer levend geworden. Hij was wel verloren, maar hij is gevonden.’

Gemeente, wat is dat (midden in onze nood en ellende) een hoopvolle boodschap. Voor…? Ja, want tegen wie zei de Heere Jezus deze gelijkenis eigenlijk? Nou, luister maar. Zo begint Lukas 15: En al de tollenaars en zondaars naderden tot Hem (tot Jezus) om Hem te horen, om naar Hem te luisteren. Met andere woorden: tollenaars en zondaars, u die verloren bent, jij die geestelijk dood bent, je toestand is niet hopeloos!

Want? Want God kan en wil verandering geven. Dat zie je bij die verloren zoon. Die komt (staat er) tot zichzelf. Die komt tot berouw. Door een moeilijke weg. Er komt honger en hij begint gebrek te lijden. Hij hoopt dat hij zijn buik nog kan vullen met de draf, met het voer voor de varkens. Maar dat kan hij niet.

Moeilijke wegen wil God vaak gebruiken om mensen zoals wij (en dat heeft alles te maken met de hardnekkigheid van ons verzet!), om mensen zoals wij tot inkeer te brengen. Om onze ogen te openen, om te zien wie we zijn en wat we gedaan hebben tegen een goeddoende God.

Met het doel dat ook wij, net als die verloren zoon, zullen gaan zeggen: ‘Ik zal opstaan en tot mijn Vader gaan. En ik zal tot Hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd. Ik heb gezondigd tegen Uw liefde. Met mijn zonde heb ik Uw liefde miskend. Met mijn zonde heb ik U op het hart getrapt. Ik moest U liefhebben en ik mocht U liefhebben, maar ik heb U gehaat. Met zo’n haat, dat die zijn climax vond in het kruisigen van Uw enig geliefde Zoon.’

Dan, als de Heere je dat laat zien, dan ga je ineens de klacht van de Heere Zelf begrijpen, gesproken door de mond van de profeet Maleachi in Maleachi 1:6: Ben Ik dan een Vader, waar is dan Mijn eer? Mijn eer, dat u en ik, dat wij Zijn liefde zouden erkennen. Maar we hebben die beantwoord met haat. Zoals de Heere Jezus ooit zei (en je proeft het verdriet in Zijn woorden, als Hij zegt): Ze hebben Mij zonder oorzaak gehaat (Joh. 15:25).

Dan, gemeente, als de Heere je dat laat zien, dan wordt de belofte van het genadeverbond vervuld, de belofte uit Ezechiël 6:9: Zij zullen een walg van zichzelf hebben. Vanwege hun ongerechtigheden, die ze gedaan hebben, en vanwege hun haat tegen Mij. Dan ga je je mishagen voor God. Dan ga je je voor God verootmoedigen, dan ga je je klein maken en diep buigen voor Hem. Aangezien de toorn van God tegen die zonde van mijn hart zo groot is, dat Hij die (eer Hij ze ongestraft liet blijven) aan Zijn lieve Zoon Jezus Christus met de bittere en smadelijke dood van het kruis gestraft heeft.

God rekende met mij af, omdat ik Hem haatte? Nee, het behaagde de Heere (dat was Zijn vreugde, dat was Zijn blijdschap) om Zijn lieve Zoon in de plaats van zo'n hater van God te verbrijzelen. Uit liefde tot zondaars, die Hem voorheen haatten. Alleen dan, als ik in de spiegel van Gods wet iets ga zien, van wie God is en van wie ik zelf ben en van wat ik gedaan heb, alleen dán gaan Gods genade en Zijn Christus schitteren. Tegen de zwarte achtergrond van mijn verloren leven. Voor het eerst, maar zeker ook na gekregen genade.

Als ik zie (en ik wens ons dat allemaal toe, lieve mensen), als ik zie, wie ik werkelijk ben voor God. Dan zak ik door alles heen, ook na gekregen genade. Dan zak ik door al mijn bevindingen en ervaringen, door al mijn goede werken en liefde en ijver heen. Tot op de bodem van...? Ja, waar vindt mijn schuldige hart voor God dan houvast? Waar? In dit Woord? In dit Woord dat zegt: Al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol (Jes. 1:18).

En Wie laat je dat zien? Zondag 2 zegt: Christus laat je dat zien. Christus. En gemeente, dat maakt dat ontdekking aan zonde en schuld nooit leidt tot wanhoop. Want het is de liefdevolle hand van Christus Zelf, die ons meeneemt (en na gekregen genade steeds verder meeneemt) in de diepte van de ontdekking aan onze zonde. Waardoor we onszelf leren kennen, waarin we God leren kennen. Zodat we, zegt vader Brakel, niet meer bij Christus vandaan kunnen blijven. Onze zondenood brengt ons aan de voeten van Christus. Omdat er niets meer in ons verloren leven overblijft dan te vluchten tot Hem, de Gekruisigde. Tot Hem, Die onze Hoop is (1 Tim. 1:1). We gaan het samen zien, met Gods hulp, in Zondag 2 van de Catechismus. Drie persoonlijke vragen voor u en voor mij.

Vraag 3. Waaruit kent u uw ellende? Antwoord. Uit de wet Gods

Vraag 4. Wat eist de wet Gods van ons? Antwoord. Dat leert ons Christus in een hoofdsom, in Mattheüs 22:37-40: U zult liefhebben den Heere, uw God, met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand, en met geheel uw kracht. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, aan dit gelijk, is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse Wet en de Profeten.

Vraag 5. Kunt u dit alles volkomen houden? Antwoord. Nee ik; want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

Tot zover de Catechismus in Zondag 2. Waarin het gaat over (en dat is het thema voor de preek van vanmiddag), over: De kennis van mijn ellende

Vraag 3 gaat over: Het boek van Gods wet. Vraag 4 gaat over: Christus, Die uit dat boek leert. En vraag 5 gaat over: Mijn onvermogen om de inhoud van dat boek te doen.

Dus, de kennis van mijn ellende. Drie aandachtspunten: 1. Het boek van Gods Wet 2. Christus, Die uit dat boek leert 3. Mijn onvermogen om de inhoud van dat boek te doen Te beginnen bij:

1. Het boek van Gods wet

Vraag 3 zegt: Waaruit kent u uw ellende? Mijn ellende dus. Wat is dat eigenlijk? Ellende? Je zou het kunnen samenvatten met drie dingen. Ellende, dat is als eerste: mijn zonde. Dat ik God verlaten heb. En dat ik Hem op Zijn hart getrapt heb met mijn zonde. Ellende, dat is als tweede: mijn schuld. Want door mijn zonde, door het haten en verlaten van de Heere, heb ik ook schuld. En ellende, dat is als derde ook: mijn straf. Want door mijn eigen zonde heb ik, zegt de Bijbel, de dood verdiend.

En nu is de vraag van de catechismus: Waaruit kent u uw ellende? Waaruit ken jij die? Of ken je die niet? Je ellende, waardoor je jezelf bent gaan mishagen voor God? Of doe je dat niet? Als je dat wel doet, zegt de catechismus, dan komt dat: omdat je je ellende gelezen hebt in het boek van Gods wet.

Wat is dat boek van Gods wet? Is dat een set van regels, die je vertellen wat je wel moet doen. en wat je niet moet doen? Nee, het boek van Gods wet is veel meer. Het boek van Gods wet is een boek dat je laat zien Wie God is. Het boek van Gods wet is een boek waarin je God tegenkomt. En waaruit (als de Heere je ogen daarvoor opent) ook leert wie je zelf bent. Als je, net als die verloren zoon, tot jezelf gebracht wordt.

Als de Heilige Geest in geestelijke zin je ogen gaat openen en (zoals je met een zaklantaarn in het donker schijnt) met het licht van Zijn ontdekking gaat schijnen in het donker van je hart. Je gaat zien Wie de Heere is. En bij dat ontdekkende licht ga je ook zien wie je zelf bent. En wat je gedaan hebt, tegen God, tegen een liefhebbend en goeddoend God.

Als de Heilige Geest je ogen verder opent. En na eerder gekregen genade met Zijn licht dieper gaat schijnen, tot in de uiterste hoeken van je donkere hart. Je ziet meer dan ooit, Wie God is. En bij datzelfde licht ook meer dan ooit, wie je zelf bent. Wat je gedaan hebt, wat je deed en doet tegen Hem. Tegen Hem Die uit enkele liefde Zijn Zoon gaf in jouw plaats. Dan breekt je hart meer dan ooit tevoren.

En dat alles, zegt degene die het antwoord geeft in de catechismus, dat leer ik uit de wet van God. En dat leer ik door de grote Meester Christus, door Zijn Heilige Geest. Met het doel me te brengen aan de voet van Zijn kruis.

En vandaar ons tweede punt:

2. Christus, Die uit dat boek leert

Want zegt Vraag 4? Wat eist, wat wil de wet van God van ons? Antwoord: Dat leert ons Christus in een samenvatting, in een hoofdsom. Namelijk in deze hoofdsom: U zult liefhebben de Heere uw God met heel uw hart, met heel uw ziel, met heel uw verstand en met heel uw kracht. Dat is het eerste en het grote gebod. En het tweede aan dit gelijk is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf. Aan deze twee geboden hangt de ganse, de hele wet en de profeten.

Dus nogmaals: Wat zegt dat boek van Gods wet? ‘Nou, wat je allemaal wel en niet mag doen op zondag. Doordeweeks op school, thuis of waar dan ook…’ Ja, is dat zo?

Nee, ik zei net: De wet is niet gewoon een set van regels waar je je aan houden moet. Maar de wet laat ons zien wie God is.

Denk ook maar aan wat we lazen uit Markus 12: En een der Schriftgeleerden horende dat zij tezamen in woorden waren, en wetende dat Hij hun wel geantwoord had, kwam tot Hem en vraagde Hem: Welk is het eerste gebod van alle? En Jezus antwoordde hem: Het eerste van al de geboden is: Hoor, Israël, de Heere onze God is een enig Heere. En u zult den Heere uw God liefhebben uit geheel uw hart en uit geheel uw ziel en uit geheel uw verstand en uit geheel uw kracht. Dit is het eerste gebod.

Hoor Israël, luister naar deze woorden: De Heere onze God is een enig Heere. Die we moeten liefhebben met alles wat in ons is. Uit geheel ons hart, heel ons verstand, heel onze ziel, met al onze kracht; kortom, met alles wat in ons is, met volmaakte liefde.

Wat is dat eigenlijk: God liefhebben? Vergelijk het maar met menselijke liefde, met gewone liefde. Liefhebben, dat wil zeggen dat je in gedachten overeenstemt met de ander. Dat je het (om zo te zeggen) met elkaar eens bent. Ik denk aan Amos 3:3, waar de Heere

zegt: Zullen twee samen wandelen, tenzij dat ze bijeengekomen zijn? Zullen twee mensen op dezelfde weg gaan, als ze het niet met elkaar eens zijn?

Dus met andere woorden: God liefhebben, dat wil zeggen dat je het eens bent met God. Dat je het eens bent met wat de Heere over je zegt.

Dat je Hem eer wil geven, de eer die Hij als Schepper waard is, dat Hij die van je zou krijgen. Dat je ziet in je hart dat God het waard is, dat je Hem dient, dat je Hem liefhebt, en dat je Hem altijd zal blijven dienen en liefhebben. Liefhebben, je herkent het, jongelui (en wij als volwassenen ook), dat is dat de Heere steeds in je gedachten is. Dat je Hem niet vergeet. Dat je Hem geen verdriet wil doen, dat je wil doen wat de Heere wil dat je doen zult.

Dat is de kern van het boek van Gods wet: God wil dat je Hem liefhebt met alles wat in je is. Op ieder moment van de dag, altijd, overal, wat je ook aan het doen bent. Dat je altijd met heel je hart aan Hem verbonden bent: op je werk, op school, op je stageadres, op vakantie, altijd en overal.

God liefhebben, dat wil zeggen, dat je zingt met heel je hart, wat we samen gaan zingen uit Ps. 116 vers 1 en 2:

God heb ik lief; want die getrouwe HEER’ Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.

Ik lag gekneld in banden van den dood, Daar d' angst der hel mij allen troost deed missen; Ik was benauwd, omringd door droefenissen; Maar riep den HEER dus aan in al mijn nood:

U zult liefhebben de Heere uw God met heel uw hart en met heel uw ziel. Met heel je binnenste, met alles wat je denkt en voelt en wilt. Met al de dingen die je weet, die je bedenkt, waar je over nadenkt. Met de plannen die je maakt. En met heel je kracht. Met alles wat je doet, met je handen, met je voeten, met je mond.

God liefhebben boven alles en als tweede: je naaste als jezelf. Je naaste: je ouders, je man, je vrouw, je vader, je moeder, je docenten, je medeleerlingen, je buren, je collega's, wie dan ook. Want als je God liefhebt, heb je ook (hoe moeilijk dat soms kan zijn) Zijn schepsel lief.

Dus de kern van wat de Heere van ons vraagt, is: God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf.

Is dat eigenlijk zo? Bij u, bij jou, bij jullie, jongelui? Ik bedoel: staat God in ons leven echt op de eerste en op de hoogste plaats? Altijd, overal?

Als je ‘nee’ moet antwoorden op die vraag, is daarmee de kern van je ellende getekend. Je diepste ellende is dat de band van liefde met God in je leven verbroken is, waardoor je diep in je hart de Heere haat. En waardoor je ook niet meer kunt en wilt doen wat Hij van je vraagt.

En als we ook na eerder gekregen genade met schaamte nee moeten zeggen op deze vraag, dan is daarmee ook onze blijvende ellende getekend. Kinderen van God, dit gaat ook over ons. Dit gaat echt over ons allemaal.

Wat moet er nu gebeuren? Dit: dat je net als de verloren zoon tot jezelf komt, omdat je door God wakker geschud wordt uit je droom. Dit: dat je net als Petrus tot jezelf komt door die liefdevolle, doordringende blik van Jezus, die je wakker schudt uit je droom. Ook uit díe droom waarin het lijkt dat je ondertussen beter geworden bent, dan dat je voorheen was. Dit: Dat Gods Geest je aan jezelf ontdekt, je wakker schudt uit dodelijke rust en je wakker schudt, net als de slapende Jona. Om te laten zien wie je na gekregen genade nog steeds bent.

Wat er nodig is, is dat Gods Geest met Zijn ontdekkende licht gaat schijnen in je hart. Waardoor je je zonde gaat zien in het licht van Gods goedheid. Waardoor je je haat gaat zien in het licht van Gods liefde: gezondigd tegen een goeddoend God. Waardoor je na gekregen genade je ontrouw gaat zien, in het licht van Gods onbegrijpelijke en blijvende trouw.

Dan pas zie je twee dingen. Aan de ene kant: hoe waard de Heere is dat je Hem zou liefhebben, hoe waard Hij het is dat je Hem zou dienen met heel je hart en heel je ziel, met alles wat in je is. En aan de andere kant, als tweede, hoe verschrikkelijk het is dat je dat tot nu toe nooit

hebt gedaan. Je hebt tegen die goeddoende, liefhebbende God gezondigd en al Zijn geboden overtreden, niet één ervan gehouden. Altijd en steeds weer.

Kortom: ik heb Zijn liefde beantwoord met mijn haat tegen Hem. Wat geeft dat een diep verdriet in je hart, als de Heere je daar iets van laat zien. Een droefheid, zegt de Bijbel, naar God, gericht op Hem. Dat zie je ook bij de verloren zoon als hij tot zichzelf komt. Want wat zegt hij? “Ik zal midden in mijn ellende opstaan en nog verder wegtrekken, op zoek naar een nieuwe bestemming?” Nee, hij zegt: "Ik zal opstaan en teruggaan, ik zal tot mijn vader gaan en zeggen: Vader, ik heb gezondigd". Dan ga je zeggen wat Jeremia schrijft in Klaagliederen 3:40: "Laat ons wederkeren (laat ons terugkeren) tot de Heere, naar Hem toe".

En, zegt de Catechismus: dat leert ons Christus. Wonderlijk is dat. Dat leert ons Christus. Het is de liefdevolle hand van de Zaligmaker die door Zijn Heilige Geest je ogen opendoet, voor het eerst en opnieuw. Zodat je iets gaat zien van wie God is: heilig, volmaakt in al Zijn goddelijke deugden, in al Zijn volmaaktheden. Het is Christus Die je ogen daarvoor opent, niet om je af te stoten, maar om je naar Zich toe te trekken.

Die je zo, zegt vader Brakel, Die je zo aan je zonde en diepe haat tegen de Heere ontdekt, dat je niet meer bij Hem vandaan kunt blijven. Dus gemeente, zie die ontdekking aan zonde en die diepere ontdekking na gekregen genade nu niet verkeerd. Het is een daad van de zondaarsliefde van Christus en van God, door Zijn Heilige Geest.

Als de Heere je door Zijn ontdekkende genade eerlijk onder ogen brengt, dat je Hem en je naaste niet liefhebt maar haat. Dat je met God gebroken hebt, dat je Hem op Zijn hart hebt getrapt, en dat je al Zijn geboden hebt overtreden. Het is de zondaarsliefde van God en van Christus Die je na leert zeggen (en de Heere lere ons dat allemaal) wat de verloren zoon zei: "Vader, ik heb gezondigd. Heere, ik ben U kwijt. Maar ik kan zonder U niet meer verder. Hoe moet het er toch ooit weer goed komen tussen U en mijn zondige hart? Hoe word ik ooit met God verzoend?” Herinner je dat woord nog, jongens en meisjes? ‘Verzoening’ betekent dat het weer goed komt tussen God en je zondige hart.

Het is de zondaarsliefde van God en Christus, gemeente, die na leert zeggen wat David zong: "Ik, Heere, heb gedaan dat kwaad is in Uw oog". Het is de zondaarsliefde van Christus, Die je met een blik van Zijn liefdevolle gezicht naar buiten laat gaan, om daar buiten bitter te huilen. Om wie je bent, om wat je gedaan hebt, ook na gekregen genade. Het is Christus Die dat doet, Hij is het Die dat leert. Die Zich, om zo te zeggen, verbergt achter de grote spiegel van de wet die Hij ons voorhoudt. Zoals, jongens en meisjes, iemand een hele grote spiegel voor je kan houden. Wie

erachter staat, dat zie je eigenlijk niet. Zo houdt Christus de spiegel van de wet voor. We zien Hem niet, nog niet. Maar dat neemt niet weg, dat Hij het wel is, Die achter die spiegel staat: Christus, de Zaligmaker. Die je (als dat voor het eerst is) je nog niet kent. Die je zaligmakend leert, door je te laten kijken in die spiegel. Om je zo te leren Wie God is: Godskennis. Om je zo te leren wie je zelf bent: zelfkennis. Totdat Hij op Zijn tijd achter die spiegel vandaan komt, om je zaak als van een berouwvolle en verdrietige zondaar Zelf op te lossen: Christuskennis.

Het is Christus Die dat doet, Die dat leert. Die Zich, kinderen van God, geliefde medechristenen, verbergt achter die grote spiegel, als Hij ons die ook na gekregen genade opnieuw voorhoudt.

Het is Christus Die dat vriendelijke en hartelijke "Ja, uw zonden zijn u vergeven" voor een tijd kan verbergen achter het donker van die spiegel. Van de spiegel van het "Nee, u bent die man, u bent die vrouw".

Waarom? Opdat we, na al ons vergeten, dwalen en verdwalen, niet meer bij Hem vandaan zouden kunnen blijven, en zouden vluchten tot Hem. We worden na gekregen genade levenslang arm gehouden in onszelf, om rijk te worden in God. En daarom: heb moed, u die God zoekt in al uw zielsverdriet. U bent Hem door eigen schuld kwijtgeraakt, maar de Heere wil uw zaak oplossen. Waar? Aan de voeten van Christus, door dit Woord. Ons derde punt:

3. Ons onvermogen om de inhoud van dat boek te doen.

Want vraag 5 zegt: Kunt u dit allemaal volkomen houden? Kunt u heel de wet houden? Alles wat daarin staat? En dat volkomen, voor de volle honderd procent? Perfect? Kunt u dat? Kan ik dat? God liefhebben boven alles, met heel mijn hart, met heel mijn verstand en met al mijn kracht? En mijn naaste als mezelf?

Zegt David niet in Psalm 53: God heeft uit de hemel neergezien op de mensenkinderen, of iemand verstandig was die God zocht. Maar nee, eenieder van hen is teruggekeerd, samen zijn ze stinkend geworden; er is niemand die goed doet, niet één.

En zegt Paulus in Romeinen 3 niet hetzelfde? Allen zijn ze afgeweken, tezamen zijn ze onnut geworden. Er is niemand die goed doet, het is er ook niet tot één toe. En dus is het antwoord: Nee, ik, want ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten.

Dat woord is heel persoonlijk; niet zomaar een nee, maar: nee, ik. Ik ben... Ook een kind van God, zoals die hier aan het woord, zegt niet: "Ja, vroeger, een tijd geleden was ik". Nee, ik ben. Ziet u wel dat de Heere ons arm houdt, ook na gekregen genade?

Ik ben geneigd. Dat zit in mijn natuur, dat zit in mijn aard, dat zit in mijn oude ik. Ik ben in mijn hart en in mijn aard van mezelf zo, dat ik God en mijn naaste haat.

Zegt u dat na, gemeente? Er zijn, denk ik, heel veel mensen die wel gedeeltelijk willen instemmen met dit antwoord. Die zeggen: "Dat liefhebben van de Heere met alles wat in me is, ja, dat is wel heel moeilijk, dat lukt me niet. En mijn naaste echt liefhebben als mezelf, dat is ook net een beetje te veel gevraagd, daar schort het ook wel aan. Maar dat ik God zou haten? Nee, dat gaat te ver. Ik lees in mijn Bijbel, ik bid, volgens mij ben ik best goed bezig; ik doe er tenminste mijn best voor. Ik wil graag bekeerd worden, ik bid en ik zoek, maar helaas, tot nu toe is dat allemaal niet gebeurd.”

Je denkt bij jezelf (en natuurlijk zeg je dat niet hardop), je denkt bij jezelf: "Ja, en ik weet ook niet of God het wel wil doen in mijn leven".

Stop. U denkt dat God u haat, maar het is andersom: u haat God. En als je dat niet gelooft, dan ken je God niet, dan ken je jezelf niet en dan ken je Jezus niet. Dan ben je het nog nooit eens geworden met God, Die dit zegt. Dan heb je dus ook nog nooit de Zaligmaker nodig gekregen. En dan leef je dus nog steeds voor eigen rekening. En dan ben je dus nog steeds in dodelijk gevaar.

Of zegt u, al luisterend en al kijkend in uw hart, bij het licht van de Heilige Geest eerlijk met dit antwoord: "Ja, ik. Ik ben van nature geneigd om God en mijn naaste te haten?"

Bent u het al eens geworden met God? Hebt u hier, geliefde gemeente, al amen op leren zeggen? "Ja, Heere, het is waar, dat ben ik. Er is niemand die goed doet, niet één, laat staan ik". Bent u (anders gevraagd) al door alles van uzelf, door uw liefde, door uw eigen ijver en vroomheid, bent u al door de optelsom van uw bevindingen en ervaringen heen gezakt? Wat ga je je dan diep schamen tegenover zo'n goeddoende en liefhebbende God. Wat vernedert dat diep voor de Heere. Dan leer je buigen en dieper buigen voor God. Voor die goeddoende God Die altijd voor je gezorgd heeft. Maar je wilde je eigen wegen gaan. Die je altijd geroepen heeft, maar je wilde niet luisteren. Je ging je eigen weg. Totdat de Heere ingreep, je levend maakte en je ogen opende. En je eerlijk onder ogen liet zien: je bent geen vriend van God, zoals je altijd dacht, maar een vijand. Je bent niet vroom, zoals je altijd hoopte, maar goddeloos.

Dan leer je, kinderen van God, geliefde medechristenen, (nietwaar?) nog veel dieper dan voorheen te buigen voor die genadige God, Die je opzocht, Die je vond, Die je genadig als een vijand met God verzoende. Maar weer daalde ik af en weer ging ik mijn eigen weg. Totdat, gelukkig, God weer ingreep en me weer en meer dan ooit liet zien wie ik was. Opdat genade meer dan ooit zou gaan schitteren. Deze genade, door de Heere verwoord in Jesaja 53: Wij dwaalden allen als schapen en wij keerden ons eenieder naar onze eigen

weg. Maar God! Maar de Heere heeft onze aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. Op Christus. Omdat dat de Heere behaagde.

Wat een wonderlijke uitdrukking! Dat behaagde de Heere. Het was de vreugde en de blijdschap van de Vader in de hemel om Zijn Zoon, om Zijn lieve Zoon Christus te verbrijzelen. In plaats van mij, die dat oordeel zo verdiend had.

Gemeente, het is Christus Die dit leert door het ontdekkende werk van de Heilige Geest. Door met Zijn licht te schijnen in ons hart, door dit Woord. Waarom? Om zo plaats te maken voor Hem in de harten van Zijn vijanden, om ze met God te verzoenen. Om zo plaats te maken voor meer genade en meer troost.

Want als de Heere dat niet zou doen, kinderen van God, dan zouden we weer gaan rusten. Dan zouden we de Heere weer gaan vergeten. We zouden weer gaan dwalen en verdwalen, iedere dag opnieuw. Maar nu de Heere ons overtuigt en blijft overtuigen van zonde, en ons steeds meer alles van onszelf afneemt, nu worden we in onszelf steeds armer. En zo mogen we tegelijkertijd door Gods genade ook steeds meer de rijkdom van de genade buiten onszelf vinden in Christus Jezus.

En zo leren we de belofte van het Evangelie geloven, namelijk dat het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonden. Namelijk dat een ieder die in de gekruisigde Christus gelooft niet verloren zal gaan, maar eeuwig leven zal hebben. Zo leren we midden in al onze ellende en nood en dood de belofte van het Evangelie vastgrijpen, omhelzen en aannemen. Gelovend en hopend op Gods onfeilbare Woord, en op Christus in dat Woord. Zoals Paulus zegt in Romeinen 10:4: Het einde van de wet is Christus, tot rechtvaardigheid voor een ieder die gelooft.

En dat alleen, kinderen van God, jongeren en ouderen, geeft zekerheid. Zoek geen zekerheid in jezelf, in alles wat je voelt, in alles wat je meegemaakt hebt. In jezelf vind je maar één ding. In jezelf vind je alleen maar ellende, nood en dood. En het is goed om die nood en dood, om die zonde en vervloeking bij het ontdekkende licht van de Heilige Geest steeds weer onder ogen te zien. Om in jezelf gekeerd te raken en te blijven? Nee. Maar om leeg en binnenstebuiten gekeerd te vluchten tot Christus de Gekruisigde. Biddend: “O, Heere, mag ik het opnieuw uit Uw mond horen: Mijn zoon, mijn dochter, uw zonden zijn u vergeven. Om U, om Uw werk alleen, om Uw kruisverdiensten alleen. Tot vreugde van Uw Vader, door het werk van de Heilige Geest in mijn hart, door dit Woord.” Dan blijft er maar één ding over. Namelijk dit: Drie-enige God, U zij al de eer.

Amen.

Slotzang: Psalm 116:3,4