Zondag 22 · 4 mei 2025
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 22 (serie 2)
INLEIDING
Deze catechismuspreek over Zondag 22 vertrekt vanuit Johannes 14, waar Christus Zijn discipelen troost belooft: Hij gaat heen om plaats te bereiden, en zal wederkomen om hen tot Zich te nemen. Diezelfde troost doortrekt de laatste twee artikelen van het geloof: bij het sterven wordt de ziel van Gods kinderen direct tot Christus opgenomen, terwijl het lichaam op de jongste dag door Zijn kracht wordt opgewekt en aan Zijn heerlijk lichaam gelijkvormig wordt. Dat uitzicht mondt uit in het eeuwige leven, waarvan de vreugde nu al in beginsel gevoeld wordt en straks volkomen zal zijn: een onuitsprekelijke zaligheid, tot eeuwige lof van God.
Een troostvolle toekomst voor al Gods kinderen
ZONDAG 22
Vraag 57: Wat troost geeft u de opstanding des vleses?
Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonde aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd, en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
Vraag 58: Wat troost schept gij uit het artikel van het eeuwige leven?
Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 22
THEMA
Een troostvolle toekomst voor al Gods kinderen
AANDACHTSPUNTEN
Geliefde gemeente, de opstanding van de Heere Jezus Christus ziet uit naar Zijn hemelvaart. En de hemelvaart ziet uit naar de terugkomst van de Zoon des mensen. Nadat de Heere Jezus Zich veertig dagen levend vertoond heeft aan Zijn discipelen, is Hij naar de hemel gegaan. Daarna is Hij naar huis gegaan.
Waarom? Dat heeft de Heere van tevoren gezegd in Johannes 14. In het Schriftgedeelte dat we samen gelezen hebben. Laten we daar samen nog even naar kijken.
Johannes 14:1: Uw hart worde niet ontroerd; gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij. Laat jullie hart, Mijn kinderen, niet langer onrustig en verward zijn. Blijf vertrouwen op God, en blijf geloven in Mij. Want (vers 2a): In het huis Mijns Vaders zijn vele woningen; anderszins zo zou Ik het u gezegd hebben. Mijn discipelen, Mijn kinderen: Hier, neem de verrekijker van het geloof. En kijk eens, door de tranen van je verdriet heen, naar dat vergelegen land. Naar Mijn en jullie hemelse huis. Een blijvend huis. Een thuis. Met ruimte voor jullie allemaal. Een huis dat Ik voor jullie kopen zal en gekocht heb, met de prijs van Mijn bloed.
Want (vers 2b): Ik ga heen om u plaats te bereiden. Ik ga zo meteen heen, niet om goed voor Mijzelf te zorgen en jullie kinderziel alleen achter te laten. Maar Ik ga heen, om juist voor jullie iets te doen. Om voor jullie plaats te bereiden. Om voor jullie daar, in het huis van Mijn Vader, een plaats klaar te maken. Ik open straks door Mijn lijden en sterven, Ik open straks door Mijn opstanding en hemelvaart de deur, de weg voor jullie, om daar straks met Mij te zijn.
Want (vers 3b): Zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zo kome Ik weder. Ik ga heen, maar wees niet ontroerd, wees niet bevreesd. Want Ik kom terug. Om u (vers 3b) tot Mij te nemen. En zal u tot Mij nemen, opdat u ook zijn moogt, waar Ik ben. Onze hemel, kinderen van God, zou geen hemel zijn, als de Heere Jezus er Zelf niet was. Want Hijzelf is de hemel van de hemel. En dus zegt de Heere tegen Zijn kinderen niet: Straks mag u naar de hemel. Maar Hij zegt: Straks neem Ik u tot Mij. Straks mag u voor altijd bij Mij zijn.
Van dat geluk en van die troost is ook Zondag 22 van de Heidelbergse Catechismus doortrokken. Zondag 22 gaat over de laatste twee artikelen van de Twaalf Artikelen: Ik geloof in de wederopstanding des vleses en een eeuwig leven. Laten we die Zondag, met de vragen en antwoorden 57 en 58, samen gaan lezen.
Vraag 57. Wat troost geeft u de opstanding des vleses? Antwoord. Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden. Dit antwoord gaat over twee dingen: over een opgenomen ziel en over een opgewekt lichaam.
Vraag 58. Wat troost schept u uit het artikel van het eeuwige leven? Antwoord. Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwiglijk te prijzen. Dit antwoord gaat over: een eeuwig leven.
Het thema voor de preek van vanmiddag is: Een troostvolle toekomst voor al Gods kinderen
We letten samen op drie aandachtspunten. In de eerste plaats op: een opgenomen ziel. In de tweede plaats op: een opgewekt lichaam. En in de derde plaats op: een eeuwig leven.
Dus: Een troostvolle toekomst voor al Gods kinderen 1. Een opgenomen ziel 2. Een opgewekt lichaam 3. Een eeuwig leven Als eerste dus:
Geliefde gemeente, ooit moet iedereen van ons sterven. Iedereen. Niemand uitgezonderd. Dat kan als je oud bent. Maar dat kan ook als je jong bent. En dan… Ja, er zijn heel veel mensen, die zeggen: dan is het voorbij. Dood is dood en daarna is er niets meer. Maar de Bijbel leert ons iets anders. De Bijbel leert ons: daarna begint het. De eindeloze eeuwigheid die nooit zal ophouden. Maar hoe wij die eeuwigheid gaan betreden, dat maakt alles uit. Als je je dat in gedachten eens voorstelt, hoe dat zal zijn… Hier sluit je je ogen. Misschien plotseling, misschien na een lang ziekbed. En daar, aan de overkant van de doodsrivier, daar…
a. De Catechismus zegt: voor al Gods kinderen geldt (antwoord 57) dat daar hun ziel direct, van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden. Direct, heden met Hem in het hemelse paradijs. Bij Christus Zelf. Die uitzag naar onze komst. En Die ons tot Zich nemen zal.
b. Of je begin van de eeuwigheid is radicaal anders. Zoals bij de rijke man uit Lukas 16: En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot (Luk. 16:22-23). Hij werd wakker, hij sloeg zijn ogen op en was in de pijn.
Eeuwige vreugde dus, of eeuwige pijn… De dag van ons sterven wordt de dag van de grote ontknoping. Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Dan zal Hij zeggen ook tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijn engelen bereid is. En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven (Matth. 25:46En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn; maar de rechtvaardigen in het eeuwige leven.).
Wat wordt die dag van ons sterven een beslissend moment. Heel je leven daarvoor was eigenlijk bedoeld als voorbereiding voor dat moment. Het kan zijn, dat je allerlei andere dingen doet. Het kan zijn, dat je nooit aan je sterfdag denkt. Maar dan ben je echt dom bezig. Dan ben je je voorbereidingstijd aan het verprutsen! En voordat je het weet, is het dan ineens te laat.
Denk na, lieve mensen, over je eeuwige bestemming. Wie op reis gaat, weet waar hij of zij naartoe gaat. Reis dan, als het om zo’n belangrijke zaak gaat, om je eeuwige toekomst, niet zo onnadenkend en onverschillig en met je blik op oneindig. Maar denk na!
Groot is de troost voor al Gods kinderen. En daar gaat het in de Twaalf Artikelen en in Zondag 22 over. Als we denken aan dat moment, dat we de overgang zullen maken van de tijd naar de eeuwigheid. Wat hier op aarde nog zo ten dele was, wordt dan volmaakt. Ons hart kon hier op aarde zo koud, zo liefdeloos en zo biddeloos zijn. We konden ook zo verlangen. Naar? Naar God. Zoals Psalm 42 zingt: Als een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar God. Of zoals Psalm 63 zingt: O God, Gij zijt mijn God, ik zoek U in de dageraad; mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
En dan, na een leven van strijd tegen de zonde, tegen onszelf en tegen onze zondige aard; na een leven vol verdriet om alle moeilijke dingen van hier, mogen we dan altijd met de Heere zijn.
Want het gaat ons niet om de hemel, het gaat ons om Christus en om God. Antwoord 57 zegt ook niet voor niets: dat mijn ziel na dit leven direct tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden.
Tot Christus, Die Zelf ooit zei (in Johannes 14:3): En zo wanneer Ik heen zal gegaan zijn en u plaats zal bereid hebben, zo kom Ik weder en zal u tot Mij(!) nemen, opdat u ook zijn moogt waar Ik ben. Hijzelf verlangde ernaar, toen Hij bad (in Johannes 17:24Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.): Vader, Ik wil dat waar Ik ben, ook die bij Mij(!) zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt, want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld.
En dan, dan is Zijn wens verkregen. En dan zullen ook wij, kinderen van God, geliefde medechristenen, onze wens verkrijgen. We zullen de Koning zien in Zijn schoonheid. Het middelpunt van de hemel: Jezus Christus. Die ons zo uitnemend heeft liefgehad. En in Hem zullen we al de heerlijkheid van God weerspiegeld zien. Verzadigd met Zijn Goddelijke beeld.
En waarom zeg ik dat? Waarom staat dat allemaal in de Bijbel? Waarom schrijft de Catechismus daarover?
a. In de eerste plaats tot troost van al Gods kinderen. Want dit is onze toekomst. De Heere zegt dit tegen ons, met het doel dat verwoord staat in Zondag 19: (Op)dat ik in alle droefenis en vervolging met opgericht hoofd even Denzelfde, Die Zich tevoren om mijnentwil voor Gods gericht gesteld en al de vloek van mij weggenomen heeft, verwachten zal om mij met alle uitverkorenen tot Zich in de hemelse blijdschap en heerlijkheid te nemen. Blij vooruitzicht!
b. Maar tegelijkertijd is dit in de tweede plaats ook geschreven tot waarschuwing. Wie zonder God leeft, wie buiten Christus is, wie geen genade kent, die zal daar nooit komen. Die wacht de uiterste tegenstelling: eeuwige ondergang, eeuwige duisternis. Was het maar zonder God! Maar: voor eeuwig mét God... maar zonder Zijn gunst en liefde.
Als je vroeg of laat (wie weet hoe snel het zal zijn) sterven moet, en je hebt met God geleefd, voor rekening van de Zaligmaker, dan kan je gerust ontslapen. Dan mag je zeggen: Het is goed. Mijn leven was Christus, mijn sterven is winst. Dan mogen de mensen rond je sterfbed zeggen: Vaarwel, lieverd! We zullen je missen, maar het is goed. Als je zo sterft, dan is het goed. Al moet je dan misschien door diepe wateren, al moet je dan door het dal van de schaduw van de dood, maar dan zal de Heere met je zijn.
Maar als je niet met de Heere geleefd hebt, als je altijd geleefd hebt voor eigen rekening… Jazeker, dan kan je hier nog dromen, dat het misschien nog wel goed komt
met je. Maar dan komt onherroepelijk het moment dat je wakker zult worden uit je droom. Maar…, te laat.
O, word toch wakker, onbekeerde vrienden, voordat het zover is! Je moet straks sterven. En sterven is God ontmoeten. Je hebt een Zaligmaker, je hebt Christus nodig. En zonder dat en zonder Hem loopt het verkeerd met je af. Alleen met Hem kun je getroost leven en zalig sterven.
We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:
Antwoord 57 zegt: Dat niet alleen mijn ziel na dit leven van stonden aan tot Christus, haar Hoofd, zal opgenomen worden, maar dat ook dit mijn vlees, door de kracht van Christus opgewekt zijnde, wederom met mijn ziel verenigd en aan het heerlijk lichaam van Christus gelijkvormig zal worden.
Wij leggen de lichamen van onze overledenen in het graf. Zoals ook wij ooit begraven zullen worden. Zoals de Heere Zelf Mozes begroef. En zoals ook de Heere Jezus Zelf ooit begraven werd. Zo hebben de christenen eeuwenlang hun doden begraven. Het is een echt heidens gebruik om overledenen te verbranden of te cremeren.
Ons lichaam dat gelegd wordt in het graf, keert (naar het Woord van de Heere) terug tot stof. Maar op Gods tijd zal dat graf opengaan. Op de dag van de terugkomst van de Zoon des mensen zal God al de doden tot leven wekken. En zal ook ons lichaam, kinderen van God, opstaan. Net als voorheen, maar toch ook anders: verheerlijkt, zonder ziekte, gebrek of zonde. Door de kracht van Christus aan Hem gelijk. Zoals Paulus schrijft in Filippenzen 3: Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde (van dezelfde vorm) aan Zijn heerlijk lichaam (Fil. 3:21).
Denk maar aan wat Job zei, midden in zijn ellende: Ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan. En als zij na mijn huid dit doorknaagd zullen hebben (mijn lichaam zal verteerd worden, maar daarna) zal ik uit mijn vlees God aanschouwen; Denwelken ik (niet tegen mij, maar) voor mij aanschouwen zal, en mijn ogen zien zullen, en niet een vreemde; mijn nieren verlangen zeer in mijn schoot (Job 19:25Want ik weet: mijn Verlosser leeft, en Hij zal de laatste over het stof opstaan;).
Wie worden er straks opgewekt? Alle mensen. Voor ons, mensen, is dat onbegrijpelijk. Maar God zal het doen. Want voor Hem is niets te wonderlijk. Al die miljoenen graven die door de loop van de eeuwen gedolven zijn, zullen opengaan. Kleine kinderen, gestorven in de moederschoot, kinderen, volwassenen, ouderen; omgekomen in oorlogen, gecremeerd, de as wellicht uitgestrooid over de zee…
Zij allen zullen opstaan. Hier geldt wat Jesaja in ander verband zegt: Vanwege de grootheid Zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet één gemist (Jes. 40:26Heft uw ogen op omhoog, en ziet, Wie deze dingen geschapen heeft; Die in getal hun heir voortbrengt; Die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid Zijner krachten, en omdat Hij sterk van vermogen is; er wordt er niet een gemist.)
Niemand is kwijt, niemand is weg. Iedereen is er. Zoals staat in Openbaring 20:13En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.: En de zee gaf de doden die in haar waren; en de dood en de hel gaven de doden die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken. Hun opgewekte lichamen en hun zielen zullen weer samengevoegd worden. Alle mensen zullen weer leven. Eeuwig, zonder ooit opnieuw te zullen sterven.
Johannes zag het voor zich, toen hij schreef: En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken (Openb. 20:12).
Een ontelbare massa mensen. Allemaal opgewekt uit de dood. Maar niet allemaal hetzelfde. Er zullen twee soorten van mensen zijn, met ook twee soorten van lichamen. Die aan Christus verbonden zijn, met een vernieuwd, verheerlijkt lichaam, gelijkvormig aan het heerlijke lichaam van Christus. Maar de anderen, zij zullen opstaan (zegt de profeet Daniël) tot eeuwig afgrijzen. Dat wil zeggen: weerzinwekkend, walgelijk (Dan. 12:2En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing.).
Een ontelbare massa mensen. Die zal staan voor de troon van de rechtvaardige Rechter. U en ik, wij zullen daar ook bij staan. En geoordeeld worden uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar onze werken. Niets zal vergeten zijn. Want God zag, hoorde en wist alles. Zoals staat in Hebreeën 4:13En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen, met Welken wij te doen hebben.: En er is geen schepsel onzichtbaar voor Hem; maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen Desgenen met Welken wij te doen hebben.
Iedereen wordt persoonlijk voor de alwetende, alziende Rechter gehaald. Die die ontelbare massa mensen uit elkaar zal halen, van een zal scheiden. Zoals de Heere Jezus Zelf gezegd heeft: En wanneer de Zoon des mensen komen zal in Zijn heerlijkheid, en al de heilige engelen met Hem, dan zal Hij zitten op den troon Zijner heerlijkheid. En vóór Hem zullen al de volken vergaderd worden, en Hij zal hen van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt. En Hij zal de schapen tot Zijn rechterhand zetten. Wat een vreugde, wat een blijdschap! Maar de bokken tot Zijn linkerhand. Wat een wroeging, wat een angst, wat een haat! (Matth. 25:32-33). Alsdan zal de Koning zeggen tot degenen die tot Zijn rechterhand zijn: Komt, gij gezegenden Mijns Vaders, beërft dat Koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging der wereld. Dan zal Hij zeggen ook tot degenen die ter linkerhand zijn: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is (Matth. 25:31-41).
Al degenen, ook van hier, die de wereld liefgehad hebben, van wie de godsdienst een lege huls was… Al degenen, die nooit zondaar voor God geworden waren… Al degenen, die nooit geleerd hadden om te leven van onverdiende genade… Ze zouden wel willen vluchten. En dat lukte hier op aarde ook nog wel aardig. Maar dan niet meer. Ze worden voor eeuwig geoordeeld, veroordeeld.
Maar al Gods kinderen zullen blij hun Heere begroeten. Christus zal ons tot Zich nemen. Opgenomen tot Hem, met ziel en lichaam gelijkvormig aan Hem. Zonder enig gebrek. Zonder lijden. Hij zal alle tranen van onze ogen afwissen. Naar dat heerlijke vooruitzicht gaan we verder kijken in ons derde aandachtspunt. Maar we zingen eerst Psalm 37:6. ‘t Zachtmoedig volk zal eens den vollen vrede Genieten, in de zoetste rust verblijd, En erven d' aard'. Hoe ook de booz' en wrede Op d' onschuld loer', de tanden kners' van spijt, Hoe listig hij op haar zijn aanslag smede, De HEER’ belacht het wrokken van dien nijd. - - - - -
Het gaat in de catechismuspreek van vanmiddag over: een troostvolle toekomst voor al Gods kinderen. We hebben als eerste gelet op: een opgenomen ziel. Als tweede op: een opgewekt lichaam. En nu ons derde aandachtspunt:
Vraag 58 vraagt: Wat troost schept u uit het artikel van het eeuwige leven? Antwoord: Dat, nademaal ik nu het beginsel der eeuwige vreugde in mijn hart gevoel, ik na dit leven volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen.
Het gaat hier weer over troost. Wat is de enige troost in dit leven, dat vaak vol is van moeite en verdriet? Twee dingen. En dat proef je iets van ons gelukkige leven, jongelui. We kunnen ons geen beter leven voorstellen, dan het leven dat we gekregen hebben. En woorden schieten te kort om dat leven te beschrijven. De troost waar de Catechismus het over heeft, bestaat uit twee dingen:
a. Als kinderen van God voelen we nu al het beginsel van de eeuwige vreugde in ons hart. Een begin van hemelse vreugde en blijdschap. Dat is ons leven! Een begin van blijdschap in de Heere. Als de Heere tot ons spreekt vanuit Zijn Woord. Als de Heere onze ogen en ons hart richt op Hem, bij de bediening van de Heilige Doop en van het Heilig Avondmaal.
En als we zo iets zien van Gods vriendelijke aangezicht. Wat ons hoop, vrede en stille vreugde geeft. Zoals de dichter zingt: U hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn (Ps. 4:8Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.). Dat kleine begin van die hemelse vreugde nu, is al zoveel meer dan alles wat anderen hebben.
b. Maar straks na ons sterven, in de hemel zal die vreugde volkomen zijn. Vol, volmaakt. En je voelt dat woorden tekortschieten om die volmaakte vreugde te beschrijven, als de Catechismus zegt (met woorden ontleend aan 1 Kor. 2:9Maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des mensen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien, die Hem liefhebben.): Dan zullen we volkomen zaligheid bezitten, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen. En dat, zegt Paulus, heeft God bereid voor degenen die Hem liefhebben.
Wat is de kern, wat is de inhoud van die eeuwige vreugde en zaligheid? Hier en nu? En straks in de hemel? Het is God Zelf. Het is de Heere Jezus Christus, van Wie Petrus schrijft in 1 Petrus 1:8-9Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde; Verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen.: Die we niet gezien hebben, en nochtans liefhebben, in Wie we nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, ons verheugen met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde; verkrijgende het einde van ons geloof, namelijk de zaligheid der zielen. Het is een vreugde en blijdschap door het geloof in Hem. Het is de blijdschap dat wij weten mogen, dat we door Zijn werk, door Zijn bloed en door Zijn leven voor eeuwig Zijn eigendom geworden zijn.
Een vreugde, die we hier op aarde in beginsel in ons hart mogen voelen. Nu nog ten dele, beperkt, wisselend en voorbijgaand. Maar dan volmaakt en voor altijd. Zonder zonde, eeuwig met God. Eeuwig wandelen in het licht van Gods vriendelijke aangezicht. En dat gelukkige leven met God, dat begint hier al! Daar voelen we hier al een beginsel van in ons hart.
En dat maakt ons, jongelui, op aarde al zo gelukkig. Het is echt niet zo, dat we op aarde een beroerd en ellendig leven hebben, en gelukkig straks aan het einde van ons leven de hemel mogen binnengaan. Nee, we leven hier op aarde al een zo gelukkig leven met onze goede God. Hier en nu geldt wat Asaf zingt: Het is mij goed nabij God te zijn (Ps. 73:28Maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen; ik zet mijn betrouwen op den Heere HEERE, om al Uw werken te vertellen.). U, Heere, zult mij leiden door Uw raad. En daarna zult U mij in heerlijkheid opnemen.
Zeker, dat geluk is vaak een geluk door onze tranen heen. Want in ons hart en leven is er ook strijd. Strijd tegen de zonde, de wereld, de duivel en vooral ook tegen ons eigen ik. Maar dat is maar één kant. Er is hier op aarde ook een begin van hemelse vreugde in ons leven met God.
En dat leven met de Heere, jongelui, is zo goed. Dat is met niets anders te vergelijken. Waar we ook zijn en wat er ook gebeurt: de Heere is bij ons, al de dagen.
En het is ons goed nabij God te zijn. Hij leidt ons door Zijn raad. Hij vervult Zijn beloftewoorden. Hij troost onze harten. Met woorden die (hoewel we misschien alles missen) de diepste snaren van ons hart raken. De Heere is ons alles. Christus is ons alles. In Hem verheugen wij ons met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.
Daarom, dat God Hem voor ons naar deze wereld zond. En de straf die ons de vrede aanbracht op Hem legde. En door Zijn striemen aan ons genezing gaf. Ons zien op Jezus door het geloof, dat geeft ons het begin van de zaligheid in ons hart. Als we op Hem mogen zien. Als we naar Hem mogen vluchten. Als we aan Zijn voeten mogen buigen. Als we vertroosting vinden in Zijn wonden. Dan roepen we uit in ons hart: Onze Liefste is blank en rood, en Hij draagt de banier boven tienduizend (Hoogl. 5:10Mijn Liefste is blank en rood, Hij draagt de banier boven tien duizend.)!
Maar het is nog zo beperkt... Het is nog maar een beginsel… Onze zonden, onze gehechtheid aan de dingen van de aarde kunnen ons weer zo wegdrijven uit de gemeenschap met Christus. Onze ziel kan zo kleven aan het stof. En we vertrouwen nog zo vaak op onszelf. We willen het goede wel doen, maar we doen het zo vaak niet. Maar toch zeggen we met de dichter: Daar strekt zich wel al onze lust en liefde heen. En al ons verlangen: Wat zou te groot zijn, om de Heere voor altijd volmaakt te mogen dienen!
De gedachte aan de liefde van God en van Christus, het leven van Zijn genade en het zuchten onder onze zonden, dat alles wekt in ons een verlangen naar de volmaaktheid. Naar: na dit leven. Naar: de dag dat ik volkomen zaligheid bezitten zal, die geen oog gezien, geen oor gehoord heeft, en in geens mensen hart opgeklommen is, en dat, om God daarin eeuwig te prijzen.
Ons leven met de Heere, ons leven van Zijn genade, is een zo gelukkig leven. Christus is alles voor ons geworden. Maar dit is nog maar het begin. Want als we straks sterven, wordt het nog oneindig veel beter. Paulus zegt: Het leven is mij Christus, en het sterven is mijn gewin, winst (Filip. 1:21). Want dan komen wij, weglopers, eindelijk weer echt thuis bij God. Eeuwig thuis bij Hem.
Eeuwig, tot in alle eeuwigheid. Geliefde gemeente, laat dat woord eens doordringen tot in uw hart. Wij zijn mensen die geschapen zijn, niet voor 10 jaar, niet voor 50 jaar, niet voor 90 jaar… Niet voor 100, niet voor 1.000, niet voor 10.000 jaar… Maar voor een eeuwigheid, waar nooit een einde aan zal komen. Straks sterft uw en mijn lichaam. Het zal begraven worden. Maar onze ziel gaat direct naar zijn of haar eeuwige bestemming.
En op de dag van de terugkomst van de Zoon des mensen zal onze ziel weer met ons lichaam verenigd worden. En daarna zullen we tot in eeuwigheid nooit ophouden te bestaan. Ik zou wensen, gemeente, dat dat woord ‘eeuwigheid’ meer op ons hart zou drukken. Dat we meer zouden leven in het besef van de komende eeuwigheid. En dat we minder druk zouden zijn met de dingen van nu, die voorbijgaan. Dan zou ons leven er anders uitzien.
Je bent, jongelui, op weg naar de eeuwigheid. Naar de tijd dat er geen tijd meer zal zijn. Naar de jaren die nooit meer zullen ophouden. En de tijd die je nu hebt is niet aan je gegeven om met elkaar leuke dingen te doen, deze tijd is er niet voor de gezelligheid of alleen maar om te werken. Deze tijd is voorbereiding voor straks! En je krijgt eeuwig spijt, als je die tijd als zodanig niet gebruikt hebt.
En dus vraag ik je: Doe je, met oog op de grote eeuwigheid die komt, wel de goede dingen? Als je hier alleen maar bezig bent met schaduwen die voorbijgaan… Als je hier alleen maar leeft voor nu, zonder te leven van genade en van vergeving van zonde… Dan heb je straks een probleem. Een onoplosbaar probleem. Dan ga je straks voor eeuwig buiten staan. De toorn van God rust nu al op je leven. Maar straks in volle omvang, en dat tot in eeuwigheid.
Zo pas je straks niet in de hemel. Zo pas je niet bij God. De hemel zou eerlijk gezegd een ramp voor je zijn. Je zou het er geen moment uithouden. En zo mag je er ook niet binnenkomen. Zo word je straks voor eeuwig buitengeworpen in de buitenste duisternis. Waar je voor eeuwig zult ondergaan onder de toorn van de almachtige God.
Maar voor al Gods kinderen is er in diezelfde eeuwigheid straks een welkom thuis. En welk kind, geliefd door de Vader en door zijn of haar Oudste Broeder, zou niet verlangen naar huis? Wij zochten de Heere niet. Maar Hij zocht ons op. Hij leerde ons zoeken, verlangen en roepen om genade. Hij leerde ons iets van het begin van de zalige blijdschap van Zijn ‘Ik voor u, omdat u anders voor eeuwig buiten had moeten staan.’ Wij bleven zuchten om onze zonden, om onze oude mens. Aangevochten door de satan. En door al die verdrukking leerden wij meer en meer verlangen naar God Zelf en naar Christus.
En dan, straks, dan is het voorbij. Dan zal onze blijdschap onbepaald door het licht dat van Zijn aangezicht straalt, ten hoogste toppunt stijgen. Dan zullen we eeuwig zingen van het onbegrijpelijke van Gods goedertierenheid.
Dan zullen we eeuwig de kronen werpen aan de voeten van het Lam. En zeggen: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging (Openb. 5:12Zeggende met een grote stem: Het Lam, Dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging.). Dan zal onze druk verwisseld worden in geluk. Dan gaat ons verlangen voor eeuwig over in ‘zijn bij God Zelf’.
Waarheen gaat uw reis? Leeft u in het besef van de eeuwigheid? Want ook u zult eerdaags voor God verschijnen. Zo u Zijn stem dan heden hoort, geloof dan Zijn heil- en troostrijk Woord, verhardt u dan niet, maar laat u leiden.
Amen.
Slotzang Psalm 4:4:
Gij hebt m’ in ’t hart meer vreugd gegeven, Dan and’ren smaken in een tijd, Als zij, door aards geluk verheven, Bij koorn en most wellustig leven, ln hunnen overvloed verblijd, Ik zal gerust in vrede slapen, En liggen ongestoord terneer; Want Gij alleen, mijn schild en wapen, Schoon ’t onheil schijnt voor mij geschapen, Zult mij doen zeker wonen, HEER’.
Andere preken over Zondag