PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 27: De troost van de kinderdoop (serie 2)

Zondag 27 · 17 augustus 2025

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 27 (serie 2)

INLEIDING

Zondag 27 laat zien dat de kinderdoop rust op het verbond dat God met Abraham en zijn zaad oprichtte. Het water wast geen zonden af, maar is teken en zegel: het wijst naar het bloed van Christus en de Heilige Geest en verzekert Gods kinderen in al hun twijfel.
Omdat de God van het verbond Dezelfde blijft, horen ook kinderen erbij. Dat roept jongeren en onbekeerden tot bekering: wat op hun voorhoofd geschreven staat, is een open uitnodiging.

THEMA

De troost van het water van de Heilige Doop

KERNPUNTEN

  1. Het bloed van Jezus Christus
  2. Het bad der wedergeboorte
  3. Het verbond van God

ZONDAG 27

Vraag 72: Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelf?
Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

Vraag 73: Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden?
God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk, niet alleen om ons daarmede te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams met water, alzo ook onze zonden door het bloed en den Geest van Jezus Christus weggenomen worden, maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren, dat wij zo waarachtiglijk van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

Vraag 74: Zal men ook de jonge kinderen dopen?
Ja het; want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door den Doop, als door het teken des Verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 27: De troost van de kinderdoop (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 27

THEMA

De troost van het water van de Heilige Doop

LITURGIE

Psalm 71:4,5

Psalm 71:12

Lezen Genesis 17:1-14 Deuteronomium 30:1-8

Psalm 8:1,2,3,4

Psalm 74:19

Psalm 72:3,9

Gemeente, Zondag 27 gaat over de kinderdoop. En die staat onder kritiek. Waarom doen we dat eigenlijk? Dat is trouwens een vraag die we ook zouden kunnen stellen bij het gedeelte dat we gelezen hebben… God richt Zijn verbond op met Abraham en zijn nakomelingen. We lazen het uit de bekende tekst Genesis 17:7: En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u. Ik zal u en hun tot een God zijn. En om de waarheid van die toezegging kracht bij te zetten, geeft God een teken. Aan wie? Aan wie gelooft? Aan Abraham? Nee, kijk maar naar vers 11-13: En u zult het vlees uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teken zijn des verbonds tussen Mij en tussen u. Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uw geslachten: de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld van allen vreemde, dewelke niet is van uw zaad. De ingeborene van uw huis en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en Mijn verbond zal zijn in ulieder vlees tot een eeuwig verbond. Dus, wie krijgt van God het teken van de absolute betrouwbaarheid van Zijn verbond? Abraham en heel zijn huis.

‘Zie je wel,’ zeggen sommige mensen, ‘in het Oude Testament gaat het dus bij het teken van het verbond (de besnijdenis) niet zozeer om het persoonlijke geloof, maar veel meer om de familielijn.’ Dat is anders, zeggen zij, in het Nieuwe Testament. Daar geldt: Wie geloofd(!) zal hebben en gedoopt zal zijn, die zal zalig worden (Mark. 16:16).

Maar dát was in het Oude Testament ook al zo! Dat lazen we in Deuteronomium 30: En de HEERE, uw God, zal uw hart(!) besnijden en het hart(!) van uw zaad, om de HEERE, uw God, lief te hebben met uw ganse hart en met uw ganse ziel, opdat u leeft. De kanttekening van de Statenvertaling zegt: Dat is, Hij zal u door de kracht van Zijn Geestes verlichten, reinigen en tot Zijn dienst bekwaam maken. Dus ook in het Oude Testament gaat het bij het teken van het verbond om het persoonlijke geloof (in de toen nog komende Messias).

Waarbij God de besnijdenis als teken geeft aan alle kinderen van het verbond. Om iedereen te wijzen op de noodzaak van de besnijdenis van het hart. Net zoals het in het Nieuwe Testament nog steeds gaat om het persoonlijke geloof (in de gekruisigde Zaligmaker). Waarbij God de doop als teken geeft aan alle kinderen van het verbond. Om ons allemaal te wijzen op de noodzaak van het bloed van de Heere Jezus. Er is wat dit betreft dus geen verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament.

We gaan dat verder zien in Zondag 27 van onze Catechismus. Laten we de vragen en antwoorden 72, 73 en 74 samen gaan lezen.

Vraag 72. Is dan het uiterlijk waterbad de afwassing der zonden zelf? Antwoord: Neen het; want alleen het bloed van Jezus Christus en de Heilige Geest reinigt ons van alle zonden.

Vraag 73. Waarom noemt dan de Heilige Geest den Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden? Antwoord: God spreekt alzo niet zonder grote oorzaak; namelijk niet alleen om ons daarmee te leren, dat, gelijk de onzuiverheid des lichaams door het water, alzo ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen worden. Maar veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden.

Vraag 74. Zal men ook de jonge kinderen dopen? Antwoord: Ja het; want mitsdien zij zowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan de volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

Het thema voor de preek van vanmiddag is: De troost van het water van de Heilige Doop

Er zijn drie aandachtspunten: 1. Het bloed van Jezus Christus 2. Het bad der wedergeboorte 3. Het verbond van God

Als eerste dus:

1. Het bloed van Jezus Christus

In Zondag 26 ging het over troost voor Gods kinderen. Als u kijkt naar het water van de

Heilige Doop, dan mag u door het geloof zien, dat Ik (de Heere) u van al uw zonden en onreinheid gewassen heb. Maar nu komt de volgende vraag: Geldt dat nu voor iedereen? Is iedereen die gedoopt is, ook gewassen van zonde? En is het misschien het doopwater zelf, dat dat doet? Als ik gedoopt word, worden dan mijn zonden afgewassen?

Een gedachte, die vroeger (op een vergelijkbare manier) in Israël ook bestond. De farizeeën en sadduceeën, die naar Johannes de Doper toekwamen, dachten bij zichzelf: We hebben Abraham tot een vader (Matth. 3:9). Wij zijn kinderen van het Koninkrijk. En Nicodemus dacht dat ook. Maar de Heere zei tegen hem: Nee, Nicodemus, tenzij je wederom geboren wordt, je kan het Koninkrijk der hemelen niet ingaan (Joh. 3:3).

In de tijd van het Oude Testament had men niet alleen het téken van de besnijdenis nodig, maar vooral de besnijdenis van het hart. En wij in het Nieuwe Testament hebben niet alleen het téken van de Doop nodig, maar vooral: wat dat teken uitbeeldt. Zij hadden en wij hebben het verzoenende bloed van de Zaligmaker nodig, door de Heilige Geest gedrupt op ons hart. Om ons geestelijk dode hart levend te maken. Om het weer goed te maken tussen de Heere en ons hart. Om ons met God te verzoenen. Want (zo begint het Doopformulier): Wij zijn met onze kinderen kinderen des toorns, die in het Rijk Gods niet kunnen komen, tenzij we van nieuws geboren worden.

Dus, wat doet het water van de Heilige Doop precies? Wast het je zonden af? En is dat voor dan en voor altijd genoeg? Nee, dat doet het niet! Het is een teken. En het is een zegel. Een teken dat ergens op wijst, en dat zegt: Kijk! En een zegel dat garantie geeft, en dat zegt: Kijk! Het is echt waar. Wat? Dit wat de Heere zegt in 1 Johannes 1:7: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonde.

Dus, als je gedoopt bent, loop je levenslang rond (waar je ook bent, wat je ook doet): Als je naar school gaat, als je speelt, als je slaapt… Als je studeert, als je uitgaat, als je met vrienden of vriendinnen zit… Als je werkt, als je op vakantie bent… Waar jij ook bent, altijd en overal staat het op je voorhoofd: Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle zonde.

Snap je, dat als je straks voor God staat, dat je dan nooit kan zeggen: ‘Heere, ik wist het niet, hoe ik zalig moest worden…’ [wijzend gebaar naar voorhoofd] Kijk! Zo! Zoals op je eigen hoofd geschreven stond.

Wat een bijzondere zegen. Miljoenen mensen in deze wereld hebben nooit gehoord van de mogelijkheid en van de weg om zalig te worden. Jij wel. Het staat op je voorhoofd

geschreven. Of je het wil of niet: je kan het bijna niet vergeten. Het is als een sticker die je ergens op geplakt hebt. En hoe je ook trekt en peutert: je krijgt hem er niet meer af. De sticker van het doopwater krijg je nooit meer van je voorhoofd af…

Jongelui, je weet hoe je zalig moet worden. En je weet dat je gered kan worden. Dat God het doet. En dat God het ook wil doen. Dat is je vanaf je eerste levensdagen toegezegd: Zo Ik lust heb in de dood van de goddeloze! Maar daarin heb Ik lust, dat de goddeloze zich bekere van zijn weg en leve (Ezech. 33:11). Waarom zou je sterven en verloren gaan? Want het bloed van Mijn lieve Zoon is beschikbaar, ook voor jou!

Jongelui, heb je ooit je knieën gebogen, om de Heere biddend te wijzen op je gedoopte voorhoofd? ‘Heere, U hebt toch Zelf gezegd, U hebt toch Zelf beloofd? Dit water op mijn voorhoofd (dat nooit is opgedroogd) is toch een teken van het bloed van Uw Zoon? Die Zaligmaker is van verloren zondaars? Hier ben ik, Heere. Ik ben zo’n zondaar. Was me toch van al mijn zonden door Zijn bloed!’

Jongens, meiden, als je zo de Heere zoekt, dan zal je Hem vinden. Dan zal je met dat bloed gewassen worden van al je zonden. Dan zal je dat gelukkige leven met de Heere krijgen, gratis en voor niets, uit genade! De Heere heeft je die garantie gegeven. Dat je Hem vinden zal, als je Hem zoekt. Dat je gewassen zal worden in het bloed van Zijn Zoon, als je Hem daarom smeekt. Pleitend op Zijn trouwverbond. Alles wat je ontbreekt, schenkt God, als je het smeekt, mild en overvloedig. En je garantiebewijs is het Woord van de Heere, dat je hebt. En je garantiebewijs is het teken van de Heilige Doop, dat je altijd bij je draagt.

Wij allemaal hebben nodig: het bloed van Jezus Christus en (zegt antwoord 72): de Heilige Geest. Die Twee horen bij elkaar: het bloed van de Heere Jezus en de Heilige Geest. Denk maar aan het volk Israël in het land Gosen. Wie achter het bloed van het Lam was, die was veilig. Zonder bloed was je in levensgevaar. En dus moest het paaslam geslacht worden, dat vooruit wees naar de dood van het Lam Gods, de Heere Jezus Christus. Maar dat bloed moest ook gestreken worden aan de zijkanten en aan de bovenkant van de posten van deuren van hun huizen. Met andere woorden: we hebben het werk van de Heilige Geest nodig in ons hart, waardoor we de kracht van het bloed van de Heere Jezus ook persoonlijk leren kennen. We zeggen: het bloed van de Heere Jezus moet toegepast worden. Het moet gestreken worden op de posten van de deuren van ons hart.

En waarom zegt de Heere dat zo tegen ons? Om ons te laten zien dat alles van Hem komt. En dat je alles ook van Hem mag verwachten. Hij kan alles, Hij doet alles, en… Hij wil ook alles doen.

Denk daar even over na, jongelui: Alles komt van God, de Heere kan alles, en Hij wil ook alles doen. En het garantiebewijs daarvan, draag je altijd bij je.

Dus, wat moet je doen, als je denkt: Ik moet bekeerd worden, maar ik weet niet hoe? Als je denkt (dat heb je vast weleens gedacht): Als ik zo verderga, komt het nooit goed met me. Maar ik weet niet hoe en waar ik beginnen moet! Weet je wat je dan moet doen? Dan ga je naar je kamer, dan doe je de deur dicht, dan buig je je knieën en zeg je: ‘Heere God, hier staat het. Hier staat het, op mijn voorhoofd. U hebt het Zelf beloofd: Alles komt van U, U kunt het doen en U wilt het doen. Wast U me dan toch, Heere, van al mijn zonden, door Uw Heilige Geest en door het bloed van Uw Zoon de Heere Jezus Christus?’ Jongens, meiden, als je zo gaat bidden, dan zal je niet verloren gaan. Als je zo gaat bidden, dan kan je niet verloren gaan. Want de Heere zegt: Wie Mij aanroept in nood, die vindt Mijn gunst oneindig groot (Ps. 86:3, ber.).

We gaan naar ons tweede aandachtspunt:

2. Het bad der wedergeboorte

Vraag 73 vraagt: Waarom noemt dan de Heilige Geest de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden? Waarom duidt de Bijbel de Heilige Doop eigenlijk aan met zulke grote woorden? Ananias zegt tegen Paulus, die stilgezet is op de weg naar Damascus: Sta op, en laat u dopen en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam des Heeren (Hand. 22:16). En Paulus schrijft aan Titus: God heeft ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes.

De Heilige Doop: het bad, het waterbad van de wedergeboorte? En de afwassing van de zonden? Hoe zit dat? Klopt dat wel? Ja, die uitdrukking op zich, kan je wel begrijpen. Je bent moe, je bent vies, en je neemt een douche, je gaat in bad. En even later kom je er fris, als herboren, weer uit.

De Bijbel zegt: de Doop is ook zo’n bad… Maar hoe bedoelt de Bijbel dat? Dat is de vraag in vraag 73. De Catechismus antwoordt en zegt: Dat is echt geen vergissing! God spreekt niet zonder grote oorzaak zo. God wil er twee dingen mee doen, Hij wil er twee dingen mee bereiken.

a. De Heere wil ons er als eerste iets mee leren. Dus de bediening van de Heilige Doop is een leermoment. Het geeft onderwijs aan de hele gemeente, aan ons allemaal. Dat doopwater laat ons namelijk zien hoe de Heere werkt. Vandaar ook die zin: Zoals… zo ook…

Zoals de onzuiverheid (of de vuilheid) van ons lichaam door water weggewassen wordt, zo worden ook onze zonden door het bloed en de Geest van Jezus Christus weggenomen. Dat is de manier waarop God werkt.

Dit laat iedereen zien, wat er aan de hand is, wat er nodig is, en wat God wil doen. Wij zijn onrein. De besprenging met water laat ons de onreinheid van onze zonden zien. Opdat we een mishagen aan onszelf zouden hebben, ons voor God zouden verootmoedigen en de zaligheid buiten onszelf zouden gaan zoeken. En het doopwater wijst tegelijkertijd de weg: Je zaligheid? Die moet je dan nergens anders gaan zoeken dan bij het bloed van de Heere Jezus Christus. Daar moet je heen! Daar moet je terecht komen! Want dat is het middel, dat God daarvoor gegeven heeft. De zaligheid is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere naam, die onder de mensen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden (Hand. 4:12). Alleen Zijn bloed reinigt ons van alle zonde.

De doop is een machtige vingerwijzing van God. Mensen, kijk! U, jij, iedereen! Dit is de weg! Daar moet je heen! Zoek verzoening in het bloed van Christus. Voordat je leven voorbij is en het voor altijd te laat is. En je nooit meer zult kunnen zeggen: Ik wist de weg niet… Wat? Het staat op je voorhoofd getekend!

b. Er is ook nog een tweede reden, waarom de Heere de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden noemt. Die is eigenlijk nog belangrijker, want de Heidelbergse Catechismus zegt: veel meer! Veelmeer, omdat Hij ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren, dat wij zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden. Dat geldt niet voor iedereen, dat geldt alleen voor Gods kinderen.

Antwoord 73 zegt dus twee dingen: a. Voor de hele gemeente is het water van de doop een teken, een wegwijzer: Zo kunt u zalig worden. En zo wil de Heere u zalig maken. b. En voor Gods kinderen is het water van de doop ook een zegel, een garantiebewijs, dat zegt: Het is echt waar! Kijk, Mijn kind, het is echt waar. Ik heb je door Mijn Heilige Geest gebracht onder de band van het verbond. Ik heb je verloren hart getekend met het bloed van het kruis. Je kunt het misschien niet geloven, je durft het misschien niet te geloven (wat zo vaak de werkelijkheid is in het leven van Gods kinderen), maar: het is waar! Ik wil je in al je twijfel verzekeren en je ook in het water van de Doop laten zien: Ik voor u. Ik heb u gewassen in Mijn bloed.

Gods kinderen zoeken in al hun twijfel en aanvechting houvast, vastheid en zekerheid. Waar vinden we die zekerheid, voor ons eigen hart en leven? Onze Dordtse Leerregels zeggen: Deze verzekerdheid komt (in de eerste plaats) niet voort uit enige bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord geschied, maar uit het

geloof aan de beloften Gods, die Hij in Zijn Woord zeer overvloedig tot onzen troost geopenbaard heeft (DL V, 10). Dus zekerheid, kinderen van God, krijgen wij in de eerste plaats uit het geloof in Gods beloftewoord. Als we ons oog buiten onszelf richten, vertrouwend op het eeuwig blijvende Woord van God. En, zegt de Catechismus, die belofte wordt nog eens extra verzegeld (gegarandeerd) door het water van de Doop. Omdat de Heere ons door dit Goddelijk pand en waarteken wil verzekeren dat wij zo waarachtig van onze zonden geestelijk gewassen zijn, als wij uitwendig met het water gewassen worden. In alle strijd, in alle twijfel, in alle moeilijke wegen van dit leven, wil de Heere ons leren alle houvast in onszelf kwijt te raken. En vaste grond te vinden in wat de Heere gezegd heeft, in Gods belofte. Ik heb een vast verbond gemaakt. En als Ik u daarin heb gebracht, dan ligt het vast in Mij. Ik zal nooit herroepen wat Ik eenmaal heb gesproken. Geen zonde is te groot, geen struikeling te diep. Ik blijf Dezelfde. Ik zal, wat u ook deed, niet feilen in Mijn trouw.

Als u struikelt, als u valt, dan mag u niet in zonde blijven liggen. Wanhoop dan niet, wanhoop nooit. Maar kijk naar het water van de Heilige Doop: Zo zeker als dit water wast van vuilheid en smet, zo zeker bent u gewassen van al uw zonden en onreinheid.

We gaan zo meteen verder met ons derde punt, maar zingen u eerst uit Psalm 74:19: Beschouw, herdenk Uw vastgestaafd verbond; Laat dat Uw hart tot ons in liefd' ontvonken; Het land is vol van duist're moordspelonken, Vanwaar 't geweld ons grieft met wond op wond.

Ons derde aandachtspunt:

3. Het verbond van God

Vraag 74 vraagt: Zal men ook de jonge kinderen dopen? Het antwoord zegt: Ja het (jazeker!); want mitsdien zij alzowel als de volwassenen in het verbond Gods en in Zijn gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, niet minder dan den volwassenen toegezegd wordt, zo moeten zij ook door de Doop, als door het teken des verbonds, der Christelijke Kerk ingelijfd en van de kinderen der ongelovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de Besnijdenis geschied is, voor dewelke in het Nieuwe Verbond de Doop ingezet is.

Vraag 74 zegt eigenlijk: Wie mogen, wie moeten er gedoopt worden? Er zijn mensen die zeggen: Dat is alleen voor mensen die oprecht belijdenis van hun persoonlijke geloof kunnen afleggen. De doop is, zeggen zij, een zegel op persoonlijk geloof. Heb je dat niet, dan mag je niet gedoopt worden. Want het bewuste geloof is voorwaarde voor de doop.

Maar als dat zo is, dan sluiten we onze kleine kinderen buiten het verbond. Dat is niet in lijn met de Schrift en de belijdenis. De doop is niet een teken van ons geloof, maar het teken van Gods verbond.

Dus: Waarom dopen wij onze kinderen? Wel, de Heidelbergse Catechismus zegt: omdat zij net als de volwassenen in het verbond van God en in Zijn gemeente begrepen zijn. Vanaf de tijd van het Oude Testament horen ook de kinderen bij het verbond van God en bij de gemeente. De kleine kinderen van de gemeente zijn kinderen van het verbond. Door God Zelf apart gezet als Zijn wettige eigendom. En wat is dat een grote zegen, wat is dat een groot voorrecht. God noemt in Ezechiël de kinderen van Israël (die nota bene door hun ouders aan de Moloch geofferd werden): Mijn kinderen (Ezech. 16:21). En zo staat het ook in Genesis 17:7: Ik zal u (Abraham) tot God zijn, en uw zaad (uw kinderen) na u.

De kinderen hoorden er in de tijd van het Oude Testament bij. En ze horen er in het Nieuwe Testament nog steeds bij. Als het teken van het verbond ineens alleen voor gelovige volwassenen zou zijn, dan waren de kinderen er in het Nieuwe Testament op achteruit gegaan. Maar dat kan niet! Want? Want de God van het verbond is Dezelfde gebleven. Christus is gisteren en heden Dezelfde en tot in eeuwigheid. Zijn verbond en woorden zijn niet veranderd. En dus hebben de kinderen van de gemeente in het Nieuwe Testament nog steeds hetzelfde gekregen recht op het teken van het verbond. Want ze horen er in het Nieuwe Testament nog steeds bij. De Heere Jezus zegt het, in Markus 10:14: Laat de kinderkens tot Mij komen en verhindert hen niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. En Petrus zegt in Handelingen 2:39: Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die daar verre zijn, zovelen als er de Heere onze God toe roepen zal. En Paulus zegt in 1 Korinthe 7:14 dat de kinderen van de gemeente heilig zijn.

Daarom noemt het Doopformulier de kinderen van de gemeente: erfgenamen van het Rijk Gods en van Zijn verbond. De God van het verbond is de God, Die als Eerste het leven van onze kinderen binnenkomt. Dat was vroeger zo, en dat is nog steeds zo.

Dus: Wie is de eerste? Wie staat er voorop? Niet wij, die onze bekering belijden. Dat is mooi, maar geeft geen houvast. Maar God, Die als Eerste Zijn trouw uitspreekt over de levens van onze kinderen. En dat, en dat alleen, geeft houvast.

Maar het gaat in het Nieuwe Testament toch om iets heel anders, dan in het Oude Testament? Het gaat in het Nieuwe Testament (veel meer dan in het Oude Testament) toch vooral om bekering en geloof?

Je zegt: Bij de besnijdenis in het Oude Testament ging het om de lijn van de natuurlijke geboorte uit een Joodse familie. Maar in het Nieuwe Testament gaat het om de geestelijke geboorte. Maar (zei ik in het begin), dat was in het Oude Testament ook al zo. Ook toen ging het om de besnijdenis van je hart. Ook toen ging het om echte bekering. Ook toen ging het – en daar gaat het nu nog steeds om – om het naar de Geest geboren zijn (Gal. 4:29). Dus wat dat betreft, is er in het Nieuwe Testament niets nieuws.

Trouwens in het Nieuwe Testament zie je ook, dat bij de doop (net als bij de besnijdenis in het Oude Testament) die natuurlijke gezinslijn nog steeds aanwezig is. In Handelingen 2:39, waar Petrus zegt: U komt de belofte toe – en uw kinderen. In Handelingen 16, waar Lydia en de stokbewaarder gedoopt worden. In Handelingen 18 waar Crispus gedoopt wordt. En in 1 Korinthe 1 waar Stefanas gedoopt wordt… Allemaal met hun hele huis: de volwassenen die toetreden tot het christelijk geloof én hun kinderen. Dus wat in het Oude Testament begon met de volwassenenbesnijdenis (die daarna overging in de besnijdenis van kleine jongetjes), dat gaat in het Nieuwe Testament geruisloos over in de doop van volwassenen zoals Lydia en de stokbewaarder (gevolgd door de doop van hun kinderen en van de kinderen uit volgende generaties). Zo was het altijd al gegaan. Dus daar was helemaal geen apart bevel voor nodig.

Omdat de God van het verbond Dezelfde was gebleven en altijd Dezelfde blijft. Als de God Die ongevraagd bij ons binnenkomt, belovend aan ons én onze kinderen. Want sinds de zondeval is God op een en dezelfde manier met mensen omgegaan. Hij Zelf is het leven van mensen binnengekomen: sprekend, eisend, belovend. Terwijl Hij Zijn belofte zichtbaar verzekerde en verzekert met een teken. Altijd ging het initiatief van Hem uit, van de belovende God. Beginnend in het leven van de kleinste kinderen.

En door de komst van de Heere Jezus is daar niets aan veranderd. Zij tellen voor God nog steeds mee. En tegelijkertijd ging het ook altijd al, en nu nog steeds om de besnijdenis van het hart, om gewassen-zijn in het bloed van Christus. Alleen de bloederigheid van het teken is na de bloedstorting op Golgotha overbodig geworden. En dus worden in het Nieuwe Testament kinderen gedoopt, als kinderen van Gods verbond en van Zijn gemeente. Omdat (volgens Kolossenzen 2) de doop in plaats van de besnijdenis gekomen is.

Aan de allerkleinste kinderen, geboren binnen de kring van de gemeente (zegt 4 antwoord 74), werd in het Oude Testament en wordt (helderder, duidelijker) in het Nieuwe Testament, door Christus’ bloed de verlossing van de zonden en de Heilige Geest, Die het geloof werkt, net als aan de volwassenen toegezegd. Er zijn mensen die zeggen: dat geldt alleen voor de wedergeboren kinderen.

Maar die mensen kunnen niet goed lezen. Dat staat er niet. Zo staat het ook niet in de Bijbel. In het Oude Testament noemt God de kinderen in Israël Zijn bijzondere eigendom. Waar Hij recht op heeft. Hij noemt ze Mijn kinderen (Ezech. 16:21). Ze waren geen vreemdelingen van de verbonden der belofte, maar opgenomen in de kring van Gods verbond. Op die en op onze kinderen rusten Gods beloften. Zoals het Doopformulier zegt: u hebt gehoord, dat de Doop een ordening Gods is, om ons en ons zaad Zijn verbond te verzegelen. Ik zal u tot een God zijn, en uw zaad na u.

Dat moet je niet (om jezelf te verschuilen of om jezelf te verontschuldigen) gaan veranderen, en zeggen dat God niets beloofd heeft aan onbekeerden. Aan het volk Israël werd het land Kanaän beloofd. Maar in het meerderdeel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen (1 Kor. 10:5). Vanwege hun ongeloof. Hebreeën 3:19 zegt: En wij zien, dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof. En dus, zo vervolgt Hebreeën 4:1: Laat ons dan vrezen, dat niet te eniger tijd, de belofte van in Zijn rust in te gaan (die is er, die is gedaan!) nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn.

Gods beloften, gemeente, zijn oprecht. U, die gedoopt bent, hebt een verzegelde machtiging gekregen om te komen, langs de weg die u gewezen wordt. Door de weg van berouw, bekering en geloof. U hebt nadrukkelijk recht gekregen om door Christus tot God te gaan. En wie komt, die wordt binnengelaten! Wie zijn of haar handen legt op het hoofd van het Lam, die zal vergeving van zonden krijgen (Lev. 1:4).

Onbekeerde vrienden, het probleem zit niet bij God, het probleem zit bij jezelf. Je wil diep in je hart niet instemmen met Gods manier van zalig maken. Je wil het op je eigen manier doen. Zonder je zonden te belijden. Zonder je hemelhoge schuld te eigenen. Zonder het bloed van de Zaligmaker. Maar die onwil en dat ongeloof veranderen niets aan God. Nog steeds, tot op de dag van vandaag geldt, wat op je voorhoofd geschreven staat. Dat je welkom bent. Dat je komen mag. Dat je komen moet.

O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk. Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtiglijk naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen. Neigt uw oor en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken en u geven de gewisse weldadigheden Davids (Jes. 55:1-3). Indien gijlieden willig zijt en hoort, zo zult gij het goede dezes lands eten. Maar indien gij weigert en wederspannig zijt, zo zult gij van het zwaard gegeten worden; want de mond des HEEREN heeft het gesproken (Jes. 1:19-20).

Want wat ooit uit de mond van de Heere gegaan is, hetzij belofte of dreiging, dat is vast en onveranderlijk. Want de HEERE houdt tot in eeuwigheid Zijn Woord.

Amen.

Slotzang: Psalm 72:3 en 9

Zij zullen U eerbiedig vrezen, Zolang er zon of maan Bij 't nageslacht ten licht zal wezen, En op- en ondergaan. Hij zal gelijk zijn aan den regen, Die daalt op 't late gras; Aan droppels, die met milde zegen Besproeien 't veldgewas.

De stedelingen zullen bloeien, Gelijk het malse kruid. Zijn naam en roem zal eeuwig groeien; Ook zal, eeuw in, eeuw uit, Het nageslacht Zijn grootheid zingen, Zolang het zonlicht schijn', Hun zal een schat van zegeningen, In Hem, ten erfdeel zijn.