Zondag 4 · 13 oktober 2024
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 4 (serie 2)
INLEIDING
Deze catechismuspreek over Zondag 4 behandelt drie bedenkingen tegen Gods eis. Is het terecht dat God van ons vraagt wat wij niet meer kunnen? Ja, want wij hebben onszelf door eigen schuld beroofd. Is God dan geen liefde, ondanks Zijn schrikkelijke toorn over de zonde? Zijn toorn is de keerzijde van gekrenkte liefde, zoals Hosea 11 laat zien. En is God niet barmhartig? Hij is beide: barmhartig én rechtvaardig, verenigd in Christus, Die de straf droeg opdat wij vrijuit gaan.
Drie bedenkingen
ZONDAG 4
Vraag 9: Doet dan God den mens niet onrecht, dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan?
Neen Hij; want God heeft den mens alzo geschapen, dat hij dat kon doen; maar de mens heeft zichzelven en al zijn nakomelingen, door het ingeven des duivels en door moedwillige ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
Vraag 10: Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten?
Neen Hij, geenzins; maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk beide over de aangeboren en werkelijke zonden, en wil die door een rechtvaardig oordeel
tijdelijk en eeuwiglijk straffen; gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
Vraag 11: Is dan God ook niet barmhartig?
God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig; daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 4
THEMA
Drie bedenkingen
Adam ging weg van God, maar de Heere riep hem. Hij riep hem terug. Hij riep hem ter verantwoording: "Adam, wat heb je gedaan?" En zo roept God ons, gemeente, vanmiddag ook. Als geboren zondaars, die behouden en gered kunnen worden.
Maar de eerlijke vraag is: Wil je dat eigenlijk wel? Wil je dat eigenlijk wel, of wil je liever net als Adam jezelf redden? Want kijk wat hij deed, nadat hij in zonde gevallen was: hij probeerde zichzelf te redden door zich te verstoppen en door Eva de schuld te geven. En door dat zo te doen, liet hij ook merken, dat hij in zijn hart geen idee had van de ernst van wat hij had gedaan. Van de ernst van de toorn van God, die over zijn leven was gekomen.
En toch, toch liet de Heere hem niet los. En, gemeente, zo kunnen wij ook dromen dat we onszelf misschien wel kunnen redden. Door ons een beetje te verstoppen, of door een verkeerd beeld te hebben van God en te denken: "Zou dat echt waar zijn? Zou God echt vervuld zijn met heilige toorn over mijn zonde? God is toch liefde?". Dromend dat het misschien toch wel mee zal vallen. En dat je misschien toch wel jezelf zou kunnen redden.
En toch, gemeente, laat de Heere ons niet los, ook vanmiddag niet. Sterker nog, Hij neemt ons volstrekt serieus door eerlijk te zeggen hoe het er met ons voorstaat. Zijn heilige toorn, zegt antwoord 10 zo meteen, rust van nature op ons. Vanwege onze zonden die roepen om een rechtvaardig oordeel over wat wij hebben gedaan.
Wat is dat eigenlijk, die toorn van God? Wat betekent dat, jongelui? Wil dat zeggen dat God woedend is? En dat Hij straks in woede zal uitbarsten? In het hoofdstuk dat we gelezen hebben, in Hosea 11, lees je iets over wat genoemd wordt: de hitte van de toorn van God. Neem dat hoofdstuk nog even voor je, Hosea 11. We hebben het samen gelezen, maar we gaan toch nog even wat preciezer kijken, denkend aan de vraag wat dat is: de hitte van Gods toorn.
Hoe is dat in God? Nou, kijk maar in Hosea 11. Dat hoofdstuk begint in vers 1: innemend, liefdevol, hartelijk en teer: Als Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad.
Hoort u het? Toen heb Ik hem liefgehad. En dat gaat verder in vers 2 met een voelbare traan: Maar zij! Zij offerden den Baäls en rookten den gesneden beelden. Zij hebben Mij verlaten en hebben andere goden gediend. Je voelt al lezend iets van het verdriet van God over de zonde van Zijn volk. Je voelt al lezend iets van Gods verdriet ook over jouw en mijn zonden.
En dan vers 3 en 4, Gods grote ‘maar Ik!’ Ik nochtans leerde Efraïm gaan; Hij nam hen op Zijn armen, maar zij bekenden niet dat Ik hen genas. Ik trok hen met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun als degenen die het juk van op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem voeder toe. Met andere woorden: Hoewel ze Mij verlaten hadden, droeg Ik ze in Mijn armen en trok Ik aan ze met touwen van liefde. Zie je hoe graag de Heere hen terug wilde hebben? Zie je hoe graag de Heere jou terug wil hebben?
En dan daarna voel je iets in vers 5, 6 en 7 van wat die gekrenkte liefde van God teweegbrengt. Zijn liefde is door het volk Israël miskend, veracht en vertrapt. Niet één keer, maar eindeloos vaak. En dat heeft die liefde uiteindelijk omgedraaid in heilige toorn. We zien in die verzen iets opgloeien van de keerzijde van die zo grote liefde. Want, zegt de Heere, zij weigeren zich te bekeren. Daarom staat er in vers 6: Het zwaard zal in zijn steden blijven en zijn grendels verteren en opeten.
Maar nog, nog geeft de liefde van de Heere het niet op, ook vanmiddag. Je proeft in vers 8 een heilige aarzeling in God Die liefde is, als de Heere zegt: Hoe zou Ik u overgeven, namelijk aan Mijn toorn, o Efraïm? Hoe zou Ik u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als de steden van Sodom en Gomorra, als Adama en stellen als Zeboïm? Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Met andere woorden: Mijn binnenste brandt van liefde en medelijden.
We zagen even iets van de keerzijde van Gods liefde, namelijk van Gods toorn, van Zijn hittige toorn in vers 9. Maar God houdt die nog steeds in. Want zo zegt Hij in vers 9: Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u. Ik ben geen mens die uitbarst in ongecontroleerde woede. Maar Ik ben een liefhebbend God Die u, o mens, zo graag terug wil hebben en u zo graag terug zie komen.
En dus, waarom breekt u, lieve mensen, niet met de afgoden in uw leven? Waarom wendt u zich niet naar God toe om behouden te worden? Waarom krenkt u, waarom kwetst u en waarom vertrapt u Zijn liefde? Ja, als u daarmee doorgaat, en ik denk dat u dat zelf ook zult begrijpen, dan zult u inderdaad de keerzijde zien van Gods zondaarsliefde. Maar nog steeds zegt de Heere ook tegen u: “Hoe zou Ik u daaraan overgeven, o mens? Dat wil Ik niet, dat zoek Ik niet. Heel Mijn hart brandt van liefde en medelijden. Mijn hart is in Mij omgekeerd en al Mijn berouw is tezamen ontstoken.”
Gemeente, waarom wijs ik u hierop? Jongelui, waarom wijs ik jullie hierop, voor de behandeling van Zondag 4? Omdat heel veel mensen, en zonder twijfel ook bij ons, een verkeerd beeld hebben van God. Een verkeerd (om het zo te noemen), een verkeerd Godsbeeld.
Aan de ene kant is er, laat ik het noemen, het softe Godsbeeld: God is liefde toch? En ja, dat klopt, dat is waar. Maar niet in die zin dat de Heere God alles goed vindt. Want de liefde van God is een heilige liefde, die de zonde niet kan en wil verdragen.
Aan de ene kant is er het softe Godsbeeld, en aan de andere kant is er het harde, het keiharde Godsbeeld van degene die zegt dat God toorn is. Maar dat is niet waar, en dat staat nergens in deze hele Bijbel. God toornt wel, maar Hij is geen toorn. Hij toornt wel. Zo meteen zegt de Catechismus het ook: Hij vertoornt Zich schrikkelijk.
Maar waarom zien we die keerzijde van Zijn liefde? Omdat onze zonden Hem afwijzen! En omdat onze zonden Zijn liefde vertrappen. Dat krenkt het zondaar-liefhebbende hart van God op het allerdiepst. Ja, en zo ontvlamt uiteindelijk de hitte van de toorn van God, Die liefde is. Die ook vanmiddag nog, gemeente, tegen ons zegt: “Hoe zou Ik u overgeven aan Mijn toorn? Mijn hart is in Mij omgekeerd en al Mijn berouw is tezamen ontstoken.”
Het gaat, gemeente, vanmiddag over Zondag 4. Laten we daar samen naar gaan kijken. Een zondag die eigenlijk gaat over drie bedenkingen.
De eerste bedenking is: Is het eigenlijk wel eerlijk dat God ons blijft aanspreken op wie en hoe we waren voor de zondeval? Vraag 9: Doet dan God een mens geen onrecht dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij toch niet kan doen? Antwoord: Nee (met andere woorden, absoluut niet), want God heeft de mens alzo geschapen dat hij dat kon doen. Maar de mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen, door het ingeven van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gave beroofd.
En dan de tweede bedenking. Die komt eigenlijk op uit waar we het zojuist over hadden. Toornt God echt over de zonde? God is toch liefde? Vraag 10: Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Antwoord: Nee Hij, geenszins. Maar Hij vertoornt Zich schrikkelijk, beide over de aangeboren en werkelijke zonden. En wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwiglijk straffen. Gelijk Hij gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
En dan de derde bedenking. Die vraagt of Gods toorn wel te rijmen is met het feit dat Hij ook barmhartig is. Vraag 11: Is God dan ook niet barmhartig?
Antwoord: God is wel barmhartig, maar Hij is ook rechtvaardig. Daarom eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit van God is gedaan, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft worde.
Dus gemeente, het gaat vanmiddag over: Drie bedenkingen Dat is het thema voor de preek van vanmiddag: drie bedenkingen. En misschien herkent u die bij uzelf ook wel. Misschien probeert u zich daarmee ook voor God te verontschuldigen...
2. Is God dan geen liefde 3. Is God niet barmhartig?
Als eerste dus de vraag:
Is dit wel terecht wat God doet en wat God vraagt? Vraag 9 zegt: Doet God de mens geen onrecht dat Hij in Zijn wet van hem eist wat hij niet doen kan? Ja, want dat doet de Heere: Hij eist van jullie, van mij en van u nog steeds wat Hij in het verleden van ons vroeg, wat staat in Zondag 2: U zult liefhebben de Heere uw God met geheel uw hart, met geheel uw ziel, met geheel uw verstand en met geheel uw kracht, en u zult uw naaste liefhebben als uzelf.
Ja, maar de Heere weet toch, dat we nu anders zijn geworden? De Heere weet toch, dat er iets gebeurd is? Is het niet oneerlijk dat de Heere dan nog steeds hetzelfde van ons verwacht? Dat Hij nog steeds hetzelfde van ons vraagt? Terwijl Hij weet, dat we dat gewoon niet meer kunnen? Is dat wel eerlijk? Is dat wel terecht?
Laat ik twee voorbeelden noemen. En ik nodig u en jullie uit om mee te denken. Als je drugs gebruikt, als je verslaafd bent aan de alcohol, kan je dan zeggen: "Sorry hoor, maar ik kan daar niets aan doen, want…ik kan er gewoon niet mee stoppen"? Nee toch? Je bent er toch zelf mee begonnen? En dus is het toch ook niet oneerlijk, om tegen zo iemand te blijven zeggen, dat hij of zij moet stoppen met die drugs en met die alcohol?
Of (tweede voorbeeld), stel dat je van iemand iets heel bijzonders te leen hebt gekregen. Zoals wij het beeld van de Heere te leen kregen in het paradijs: Gods beeld met kennis, gerechtigheid en heiligheid. Totdat wij dat beeld stuk maakten... Maar is het dan oneerlijk, zeg nou zelf, als de Heere vanmiddag naar je toe komt en zegt dat Hij Zijn beeld terug wil? Wat Hij ooit aan je gegeven heeft? En wat Hij nog steeds wil dat je dat in je leven laat zien? "Zo had Ik je gemaakt dat je Mij, de liefhebbende God, zou liefhebben met heel je hart en met heel je ziel, met alles!" Zeg nou zelf, is dat oneerlijk? Is de Heere God oneerlijk als Hij dat aan jou en mij vraagt?
Antwoord 9 zegt: Nee, God is niet oneerlijk, want Hij heeft de mens zo geschapen dat hij dat kon doen. Maar de mens heeft zichzelf (de schuld ligt bij ons) en al zijn nakomelingen door het ingeven van de duivel en door moedwillige (dat is: opzettelijke) ongehoorzaamheid, van deze gaven beroofd.
Dus die blijvende eis van de Heere is niet oneerlijk. Want de Heere heeft ons zo geschapen, dat we Hem wel konden liefhebben en gehoorzaam zijn. We konden het wel, maar we deden het niet! En we doen het niet.
Wat tekent dat, geliefde gemeente, onze slechtheid! Onze goede God had ons zoveel gegeven en Hij vroeg en Hij vraagt van ons wat we konden. Maar wij deden en doen het niet. De Catechismus zegt het zo: De mens heeft zichzelf en al zijn nakomelingen door het ingeven van de duivel en door moedwillige ongehoorzaamheid van deze gaven beroofd.
Twee dingen dus: Door het ingeven van de duivel. Dat lijkt een excuus, maar dat is het niet. Want Adam wist dat de duivel hem en Eva bedroog. De duivel heeft Adam niet gedwongen. En de duivel was ook niet in staat om het hart van Adam te veranderen. We hebben het zelf gedaan. Wij mensen hebben ons bewust losgescheurd van God, want we wilden als God zijn. Door het ingeven van de duivel. En door moedwillige ongehoorzaamheid. Dat was moedwillig, willens en wetens. Dat was geen vergissing. Dat was geen daad van onbezonnenheid. Dat deden we expres, dat was opzettelijk. En als je expres door het rood rijdt en je krijgt een ongeluk, wie moet je dan aankijken? Jezelf natuurlijk!
Door die twee dingen, zegt de Catechismus, hebben we onszelf beroofd. Daardoor hebben we onszelf bestolen. Met andere woorden, door zo te doen zijn we inbrekers geworden in ons eigen hart en leven. Als dieven hebben we de goede gaven van God gestolen, namelijk: dat we konden luisteren en gehoorzaam zijn. Van al het goede dat God ons gegeven had, hebben we onszelf bestolen.
We zijn geen slachtoffers van een inbraak of van een overval, maar wij zijn zelf de dieven. We konden wat God van ons eiste, maar nu door eigen schuld kunnen we het niet meer. En dat hebben we zelf gedaan. En dus, lieve mensen, dat zou ook eerlijk geweest zijn: God had ons allemaal weg kunnen doen: "Ik wil nooit meer iets met jullie allemaal te maken hebben, ga weg van Mij in de buitenste duisternis, in de eeuwige straf".
Maar toch sta ik hier nog en zit u hier nog. Wat zou het toch zijn, denk eens met me mee, dat de Heere aan u en aan mij blijft vragen: "Ik wil Mijn beeld terug". Wat zou het toch zijn dat de Heere blijft zeggen wat Hij van ons verwacht: liefde, totale
liefde tot Hem en tot al Zijn geboden? Terwijl de Heere weet dat we die geboden niet kunnen houden. Wat zou dat toch zijn in God?
Laat ik twee dingen noemen. a. In de eerste plaats is het om ons te leren, ook vanmiddag, en om ons meer dan ooit te laten voelen en geloven: dit is echt mijn eigen schuld. Ik moet niet meer naar een ander kijken en ik moet niet naar God kijken. Dit is echt mijn eigen schuld. Dit heb ik zelf gedaan. Het is echt mijn eigen schuld, dat ik niet meer kan wat God aan mij vraagt.
b. En nog iets: waarom blijft de Heere mij vragen, iedere dag weer, wat ik niet en nooit meer doen kan? Geeft dat als tweede niet aan dat God je, o dwalend mens, niet kwijt wil? Anders hield Hij vanmiddag wel op met vragen. Geeft dat niet aan, o dwalend mens, dat God nog steeds worstelt met al de liefde van Zijn hart om je eeuwig behoud?
Klinkt hier niet in door wat de Heere zegt in Hosea 11:8? Hoe zou Ik u overgeven aan Mijn toorn, o Efraïm? Hoe zou Ik u overleveren, o gemeente van [plaatsnaam]? Hoe zou Ik u maken, u stellen als Zeboïm, als Sodom en Gomorra en de steden daaromheen? Mijn hart, zegt de Heere, is in Mij omgekeerd en al Mijn berouw is tezamen ontstoken. Dat wil zeggen: heel Mijn hart brandt van liefde en medelijden om u, om jou en om je kostbare ziel. Alsjeblieft, wend je dan naar God toe en word behouden.
We gaan zo meteen verder met de tweede bedenking, met ons tweede punt, maar zingen samen eerst uit Psalm 32:5: Wil toch niet stug, gelijk een paard, weerstreven, Of als een muil, door domheid voortgedreven; Gebit en toom, door 's mensen hand bestierd, Beteug'len 't woest en redeloos gediert'; Laat zulk een dwang voor u niet nodig wezen; Wie God verlaat, heeft smart op smart te vrezen; Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, Ziet zich omringd met Zijn weldadigheên.
Ons tweede aandachtspunt, de tweede bedenking:
Vraag 10 vraagt: Wil God zulke ongehoorzaamheid en afval ongestraft laten? Nee Hij, geenszins. Hij vertoornt Zich schrikkelijk over beide de aangeboren en werkelijke zonden en wil die door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen. Gelijk Hij Zelf gesproken heeft: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.
Kan de Heere onze zonden niet door de vingers zien? Kan de Heere niet een beetje toegeeflijker en toleranter zijn? God is toch liefde? Ja, dat laatste is waar. Maar de keerzijde van die liefde, Zijn heilige toorn waar het in het begin over ging, is óók werkelijkheid. Gods toorn is de brandende spits van de vlam van Zijn liefde.
Onze verwerping van God. Ons overtreden van al Zijn geboden. Onze verwerping van dit Woord, van de prediking van het Evangelie en van Christus, de grote Inhoud van het Evangelie. En onze minachting van Gods liefde tot Zijn schepsel en Zijn bewogenheid met zondaars. Dat alles doet het vuur van Gods toorn branden. En, heeft de Heere Jezus Zelf gezegd, dat brengt uiteindelijk in de buitenste duisternis. Dus, gemeente, die heilige toorn van God, dat is iets waarvoor je vrezen moet en waarmee je niet moet spotten. De Catechismus zegt: God toornt schrikkelijk. Voelt u, als u hier aan denkt, iets in uw hart van het huiveringwekkende van de toorn van God over mijn en over uw zonde? Zoals Mozes dat onder woorden brengt in Psalm 90:11Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?: Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid naar dat Gij te vrezen zijt?
Want God is heilig, zonder een smet van zonde, en kan het kwaad van de zonde niet gedogen. Denk maar aan Psalm 5. Daar zegt de dichter: Want Gij zijt geen God Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren (Ps. 5:5). De zondaar zal bij U niet kunnen wonen. Want U haat alle werkers van ongerechtigheid.
Denk daar over na, lieve mensen. En laat dat niet langs je heen waaien. Want je bent net als ik op weg naar de grote ontmoeting met deze God. Die, zegt de Catechismus, schrikkelijk toornt, zowel over de aangeboren als over de werkelijke zonde.
De werkelijke zonde, dat zijn de zonden die je doet met je denken, met je praten, met je handelen en met je doen. Ook de zonde daarbij van je nalatigheid, van de dingen die je niet doet. De werkelijke zonde. En de aangeboren zonde. Dat is de zonde van Adam, die op ons is overgegaan. Zoals onze belijdenis zegt in de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 15: Door de ongehoorzaamheid van Adam is de erfzonde uitgebreid over alle mensen. En zij is een verdorvenheid van onze hele natuur en een erfelijk gebrek. De wortel van alle zonden, en zij is zo lelijk en gruwelijk voor God dat zij genoegzaam (voldoende) is om het hele menselijke geslacht te verdoemen.
En God wil al die zonden, zegt de Catechismus, door een rechtvaardig oordeel tijdelijk en eeuwig straffen. Want God is heilig en rechtvaardig, en dus is Zijn oordeel ook eerlijk en rechtvaardig. En dus zijn er tijdelijke straffen en eeuwige straffen. Het eeuwige straf lijden in de hel, voor altijd veroordeeld en door God verstoten in de buitenste duisternis, maar niet van Hem verlost.
Eeuwig wroeging en eeuwig spijt: Had ik toen, toen ik hier in de [naam van de kerk] zat, maar eerlijk bekend en beleden voor God wat ik had gedaan. Maar nu is het te laat". Eeuwig lijden, en: eeuwige haat. Want dat is ‘tandenknarsen’.
Eeuwig, zonder einde en zonder daar ooit uit verlost te worden. Omdat ik de liefdevolle roepstem van God genegeerd heb en omdat ik Zijn hartelijke liefde van medelijden willens en wetens keer op keer geweigerd heb. Vergis u niet, zegt de Catechismus, God heeft het Zelf gezegd. Je ziet dat niet zo vaak in de Catechismus, maar op cruciale momenten voert de Catechismus God Zelf sprekend in met een Bijbelcitaat. Zo ook hier: Want God heeft gezegd: Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. Het is een citaat uit Galaten 3:10Want zovelen als er uit de werken der wet zijn, die zijn onder den vloek; want er is geschreven: Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen..
Dus wie of hoe we ook zijn, vroom, ijverig, netjes, voorbeeldig, vriend van de wet of levend in de zonde… Onbekeerde vrienden, lieve mensen, de vloek en de toorn van God rust op je. Want dat is volkomen in overeenstemming met Gods Wezen en met Wie en hoe God is: heilig en rechtvaardig.
Maar luister goed vanmiddag. Want God zegt dat niet om je weg te stoten, maar om je terug te eisen. Wend u dan naar Hem toe en word behouden!
Heb jij, hebt u ooit gebogen voor deze scherpe werkelijkheid? Heb je daar ooit, om zo te zeggen, "amen, Heere" op gezegd? Wat is het doel daarvan? Wat wil de Heere daar dan mee bereiken? Niet dat je zegt (laat dat voor eens en altijd helder zijn), niet dat je vervolgens zegt: “Heere, doe mij dan maar weg. Laat me dan maar omkomen, laat me dan maar verloren gaan”. Dat is echt on-Bijbels en ook onmenselijk.
Maar Gods wonderlijke doel met deze woorden (die opkomen uit de Schrift) is, om ons mensen te vernederen. Om ons te laten bukken en buigen. Om ons liefdevol te breken. Om in ons hart plaats te maken voor de Heere Jezus Christus. O wonder van Goddelijke wijsheid en barmhartigheid: op Hem is de hitte van Gods gramschap geblust.
Wat een waarde krijgt Hij, voor je aan zonde ontdekte hart, als de Heere tegen deze donkere achtergrond van je schuld en van de rechtvaardige toorn van de Heere daarover, licht laat vallen op Hem, op Christus. En laat zien wat het avondmaalsformulier zo mooi zegt, dat God de zonde, ook mijn zonde, eer dat Hij die ongestraft liet blijven (want dat kon niet vanwege Zijn rechtvaardigheid), gestraft heeft aan Zijn lieve Zoon Jezus
Christus. Toen de bitterheid van de toorn van God en de hitte van Zijn gramschap Hem trof aan het kruis en op Hem is uitgeblust.
Als laatste onze derde gedachte, de derde bedenking:
Antwoord 11 zegt: God is wel barmhartig, Hij is ook rechtvaardig. Daarom zo eist Zijn gerechtigheid dat de zonde, welke tegen de allerhoogste majesteit Gods gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft zal worden.
Ja, zegt de Catechismus dus, God is zeker wel barmhartig. Dat merken we toch ook, en dat zien we toch ook. Heel ons leven is vol van Gods barmhartigheid. Dat we leven, dat we hier zitten en staan en dat God ons leven spaart in groot geduld, dat alles is Zijn barmhartigheid. En wat te denken jongens en meisjes, en jongelui, van Gods goede zorg? Thuis, op school, op je werk, op stage, op de vereniging, op de catechisatie, in je gezin, in je familie en in de kerk? Overal! Het is zoals Psalm 119 zegt: HEERE, Uw barmhartigheden zijn vele. U bent rijk in barmhartigheid (Ps. 119:156).
Maar barmhartigheid, een hart vol van brandende liefde (en dat heeft de Heere!), dat is niet hetzelfde als: alles door de vingers zien. Dat is niet hetzelfde als toegeeflijk en tolerant zijn als het gaat om de zonde. De Catechismus zegt: Het is waar, God is barmhartig. Maar Hij is ook rechtvaardig.
Beide, barmhartig en rechtvaardig. En dat botst op geen enkele manier. Dat is op geen enkele manier (voor ons verstand misschien wel, maar voor God niet) tegenstrijdig. De Heere heeft het Zelf gezegd, toen Hij Zijn Naam zei tegen Mozes. Zijn Naam is: HEERE HEERE, God, barmhartig en genadig; lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid; Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, Die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; Die den schuldige geenszins onschuldig houdt (rechtvaardig dus) (Ex. 34:6Als nu de HEERE voor zijn aangezicht voorbijging, zo riep Hij: HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.).
Een God Die liefde is en Die de zonde door de vingers ziet, die bestaat niet. Dat is (als je dat denkt) een droom, een waanbeeld, een godsbeeld wat je zelf in je hoofd hebt gemaakt of van iemand anders hebt meegekregen. Een God Die liefde is en Die de zonde door de vingers ziet, die bestaat niet.
En een God Die alleen maar straft en wraak neemt zonder barmhartigheid, Die bestaat ook niet. Dat is (als je dat denkt) ook een droom, een waangedachte, een godsbeeld wat je zelf in je hoofd hebt gemaakt of helaas van iemand anders hebt meegekregen.
Onze God is barmhartig vanuit de grond van Zijn liefdehart. En Hij is rechtvaardig en heilig.
En daarom zegt de Catechismus, zo eist Zijn gerechtigheid dat onze zonde, die tegen de allerhoogste majesteit van God gedaan is, ook met de hoogste, dat is met de eeuwige straf aan lichaam en ziel gestraft zal worden.
Het is goed dat je even tot je door laat dringen wat hier staat. Mijn zonde, uw zonde en jullie zonden zijn niet zomaar foutjes, vergissingen en kleine overtredinkjes, maar zijn (zo staat er) zonden tegen de allerhoogste majesteit van God. Majesteitschennis dus, een belediging van de hoogste Koning, van Zijn goedheid, van Zijn liefde en van Zijn heiligheid. En Gods rechtvaardigheid eist straf. Die eis is gebleven, want God verandert niet.
Dus wat je ook doet en wat je ook denkt te kunnen doen of te hebben, de eis blijft. De eis van de tijdelijke en de eeuwige straf.
Als je dit tot je door laat dringen en als dit door de kracht van de Heilige Geest doordringt tot in het diepst van je hart, dan wordt dit het einde van je geestelijke zelfredzaamheid. Jezelf verlossen is totaal uitgesloten en totaal onmogelijk. Maar God heeft hulp besteld bij een Held Die machtig is te verlossen: het Lam van God, de Heere Jezus Christus.
Maar als je Hém dan vanmiddag óók nog opzettelijk en blijvend afwijst (dat zult u met me eens zijn), dan heeft God wel het recht om eeuwig te toornen. Om de zonde niet ongestraft te laten, maar te straffen (zoals er staat) met de hoogste straf. Met de eeuwige straf aan lichaam en ziel. Met de eeuwige rampzaligheid, met de eeuwige ondergang in de hel.
Een plaats, gemeente, die werkelijkheid is. Er is een poel… En u voelt dat het beeldspraak is. Weet u waarom? Omdat de werkelijkheid niet onder woorden te brengen is en met geen pen te beschrijven is. Er is een poel die brandt van vuur en sulfer. Er is een plaats, zegt de Heere Jezus Zelf, van wening, van knersing der tanden en van haat in de buitenste duisternis. Waar al de mensen die hier blijvend zonder God geleefd hebben, voor eeuwig en altijd verstoten zullen zijn van de gunst en de liefde van God. En dat in de aanwezigheid van de Almachtige in Zijn grote toorn.
Waarom zeg ik dat vanmiddag, met huiver in mijn hart? Waarom spreek ik de Bijbel na? Hopend en biddend, lieve mensen, dat de Heere door deze woorden je rust gaat opzeggen. Zodat je niet meer net als altijd zo meteen rustig naar huis gaat en rustig gaat slapen. En morgen weer rustig gaat werken en straks weer rustig op vakantie gaat. Rustig slapend en dromend, totdat plotseling een haastig verderf u zal overkomen. En u die onbekeerd bent plotseling voor God zult staan, Wiens toorn u niet kent.
Ontwaak, u die slaapt en zie het gevaar, het dodelijke gevaar van uw leven! Want nu is het nog genadetijd. Maar, zegt Paulus: De tijd is voorts kort (1 Kor. 7:30En die wenen, als niet wenende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die kopen, als niet bezittende;). Deze dag kan je laatste zijn. De dag waarop je alles, wat je tot nu toe weggewuifd hebt,
ineens werkelijkheid gaat worden. En dus lieve mensen, ga, in plaats van al uw bedenkingen tegen God op te noemen, uzelf bedenken. Doorzie uw lot. Hoe zult u, als u zo meteen moet sterven, rechtvaardig verschijnen voor God?
Alsjeblieft laat je dan vanmiddag overwinnen door beschuldigende liefde. Laat je breken door de overwinnende liefde van Christus. Laat je alsjeblieft, voordat het te laat is, met God verzoenen.
Deze zondagen waar we het nu over hebben, willen ons meer en meer ontmaskeren. Als mensen die rondlopen met verkeerde gedachten over God en als mensen die altijd maar uitvluchten zoeken. Als mensen die zichzelf proberen te redden, maar niet kunnen redden. Als mensen die zichzelf nooit meer terug kunnen brengen tot God.
Waarom zulke scherpe woorden uit de Bijbel en uit de Catechismus? Om ons af te brengen van dat hopen op onszelf. Van dat hopen op een eigen goede werken en op een eigen weg om gered te worden. Om ons zo te maken (en ik hoop dat de Heere dat doet in uw hart), dat we ons verzet gaan opgeven. Om ons te maken tot mensen die gered moeten worden, niet door onszelf, maar door een Ander. Door de grote Ander, Jezus Christus, de enige Naam Die onder de hemel gegeven is tot zaligheid, waardoor verloren zondaars zalig kunnen worden. Christus, in Wie die zaken, die voor ons verstand zo onverenigbaar lijken, elkaar vriendelijk ontmoet hebben. Genade en recht: barmhartigheid en rechtvaardigheid.
O diepte van Goddelijke wijsheid! In Christus zijn al Gods deugden, al Zijn volmaaktheden verheerlijkt. En in Hem wordt de ziel van de misdader uit vrije genade gered. Zoals onze belijdenis zegt, in artikel 20 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis: Wij geloven, dat God, Die volkomen barmhartig en rechtvaardig is, Zijn Zoon gezonden heeft, om aan te nemen de natuur, in dewelke de ongehoorzaamheid begaan was, om in haar te voldoen en te dragen de straf der zonden door Zijn zeer bitter lijden en sterven. Zo heeft dan God Zijn rechtvaardigheid bewezen tegen Zijn Zoon, als Hij onze zonden op Hem gelegd heeft; en heeft uitgestort Zijn goedheid en barmhartigheid over ons, die schuldig en der verdoemenis waardig waren, voor ons gevende Zijn Zoon in de dood, door een zeer volkomen liefde.
Lieve mensen, geef de hoop op uzelf op. En stel uw hoop als een rechteloze zondaar op Hem, op Christus. En vlucht vanmiddag, voordat het te laat is, met al uw zonden en met uw hemelhoge schuld tot Hem. En buig aan de voet van het kruis, heel eenvoudig biddend: O God, wees mij zondaar genadig.
Amen.
Slotzang Psalm 85:1,4
Andere preken over Zondag