Zondag 43 · 19 april 2026
Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 43 (serie 2)
INLEIDING
In een wereld waarin woorden vaak goedkoop zijn en meningsvorming snel gaat, legt het negende gebod onze tong en ons hart pijnlijk bloot. Zondag 43 confronteert ons met de diepe ernst van leugen, achterklap en het verdraaien van de waarheid, waarmee we in de kern God zoveel als een leugenaar maken. Tegelijk wijst deze preek op Christus, Die als de volmaakte Waarheid al de schande en laster heeft gedragen. Wie door genade in Hem mag geloven, krijgt een vernieuwd hart en een nieuwe tong om oprecht de waarheid lief te hebben. Kijk video, download PDF.
Wat wil God in het 9e gebod?
ZONDAG 43
Vraag 112: Wat wil het negende gebod?
Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik denzwaren toorn Gods op mij laden wil; insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprechtelijk spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Zondag 43
THEMA
Wat wil God in het 9e gebod?
AANDACHTSPUNTEN
Er zijn maar weinig plaatsen in de Bijbel waar de contrasten zó groot zijn. Als in het Schriftgedeelte dat we zojuist gelezen hebben. Jezus, Die ooit zei: Ik ben de Weg, en de Waarheid, en het Leven, wordt ondervraagd door de Grote Raad. Kijk maar even terug naar Mattheüs 26.
In vers 59 lezen we: En de overpriesters en de ouderlingen en de gehele Grote Raad zochten valse getuigenis tegen Jezus, opdat zij Hem doden mochten, en vonden niet.
Wat tekent dit hun, en ook ons hart. Wij, die van onszelf leugenaars zijn, zoeken gelegenheid om God tot een leugenaar te maken. Maar het lukt niet. Nee, natuurlijk lukt dat niet.
En dus zegt vers 60: En hoewel er vele valse getuigen toegekomen waren, zo vonden zij toch niet. Maar ze gaan door, ze geven maar zo niet op.
Vers 61: Maar ten laatste kwamen twee valse getuigen en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den tempel Gods afbreken en in drie dagen denzelven opbouwen. Dat was een leugen. Want in Johannes 2 vers 19 zegt de Heere Jezus niet: Ik kan den tempel Gods afbreken, maar Hij zegt: Breekt deze(!) tempel, denkend aan de tempel van Zijn lichaam.
Je denkt bij jezelf, al lezend: hoe is dit mogelijk? Dat mensen Jezus beschuldigen van een leugen? Dat ze Hem beschuldigen van bedrog? Hoe komt dat? Dat komt omdat ze niet in Hem geloven.
En, geliefde gemeente, dat kan nog steeds. Dit vals beschuldigen van Christus, dit vals beschuldigen van God, gaat door tot op de dag van vandaag. En misschien doet u, misschien doe jij er ook wel hard aan mee.
Immers, in 1 Johannes 5 vers 10 schrijft de apostel Johannes: Die in den Zoon van God gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij niet geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van
Zijn Zoon. Zelf liegen, en daar gaat het vanavond over, is erg. Maar dit is véél erger: denken of zeggen dat God liegt, en Hem voor een leugenaar uitmaken.
En dat doe je, als je je verhardt onder de liefdevolle aanbieding van Christus in het Evangelie. Die roeping komt zo oprecht, zo welgemeend en zo hartelijk tot ons, zonder enige bijbedoeling. Die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet (Openb. 22:17En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En die het hoort, zegge: Kom! En die dorst heeft, kome; en die wil, neme het water des levens om niet.). O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja, komt, koopt zonder geld en zonder prijs, wijn en melk (Jes. 55:1O alle gij dorstigen! komt tot de wateren, en gij, die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!). Waarom weegt u geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uw arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aandachtig naar Mij en eet het goede, en laat uw ziel in vettigheid zich verlustigen (Jes. 55:2). Gij slechten, hoelang zult u de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; Zie, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloedig uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekendmaken (Spr. 1:22-23Gij slechten! hoe lang zult gij de slechtigheid beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeren, en de zotten wetenschap haten? Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.).
Als we die woorden niet geloven en die beloften verdraaien, en zo Gods liefde en het werk van Zijn Zoon verachten (door niet te geloven in Hem, van Wie God zegt dat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven is), dan maken we God tot een leugenaar. Dat is geen ongeluk om te beklagen, maar dat is een zonde om te betreuren (J. Stott).
Er zijn maar weinig plaatsen in de Bijbel waar de contrasten zo groot zijn als in het Schriftgedeelte dat we hebben gelezen. En er zijn maar weinig plaatsen op de aarde waar de contrasten zo groot zijn als hier, in de kerk. Waar de Heere Zijn genade en Zijn lieve Zoon van harte aanbiedt, aan iedereen die het Evangelie hoort. Maar waar sommigen helaas, tot op de dag van vandaag, dat aanbod van genade en Christus daarin verachten. Ziet toe dat u Dien Die spreekt, niet verwerpt (Heb. 12:25). Want: Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen (Heb. 2:3).
De behandeling van de Tien Geboden in de Heidelbergse Catechismus is bijna klaar. We zijn vanmiddag toe aan het negende gebod: Zondag 43.
Vraag 112: Wat wil het negende gebod? Antwoord: Dat ik tegen niemand valse getuigenis geve, niemand zijn woorden verdraaie, geen achterklapper of lasteraar zij, niemand lichtelijk en onverhoord oordele of helpe veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken des duivels, vermijde, tenzij dat ik den zware toorn Gods op mij laden wil. Dit gaat over hoe erg het is, leugen en bedrog.
Insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefhebbe, oprecht spreke en belijde; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevordere. Dit gaat over hoe goed het is om eerlijk en oprecht te zijn.
Het thema voor de preek is: Wat wil God in het 9e gebod?
Er zijn twee aandachtspunten: 1. Hoe erg het is (om daar niet naar te luisteren) 2. Hoe goed het is (om de Heere hierin te gehoorzamen) Als eerste dus:
Hoe erg is het om een vals getuigenis te geven, te liegen of te roddelen? Je zegt misschien: dat ligt eraan. Als het een klein beetje is, valt het waarschijnlijk nog wel mee. Maar als ik het expres doe, ligt het anders… U zegt misschien: dat ligt eraan. Als ik het heb over iemand die naar mijn mening echt niet goed bezig is, dan mag ik daar best wel iets van zeggen tegen iemand anders…
Toch, gemeente, velt de Bijbel een hard oordeel over vals getuigenis, roddel, leugen en bedrog. We lezen in Psalm 5 vers 6: U zult de leugensprekers verdoen; van de man des bedrogs heeft de HEERE een gruwel. En ook de Catechismus noemt het: het eigen werk van de duivel. Dus als je niet eerlijk bent, iemands woorden anders maakt of verdraait, roddelt, en iemand zomaar oordeelt of veroordeelt, dan ben je duivels bezig.
Want wat doet, wat deed de duivel? Liegen en bedriegen. Dat begon al in het paradijs. Hij zei met zoveel woorden: ‘Zeg, Eva en Adam, kijk maar eens goed naar die ene boom. Dat ziet er toch niet zo kwaad uit?’ Weet je nog dat het begon met kijken… En toen zei de duivel: ‘Eva en Adam, luister eens, eigenlijk ben je door God bedrogen. Hij heeft wel gezegd dat je zult sterven als je daarvan eet, maar het is eigenlijk anders. Als je daarvan eet, zal je als God worden. En dat wil God niet.’
En toen…, zijn ze er in getrapt? Nee, toen hebben Adam en Eva bewust gekozen. Toen hebben ze in hun gedachten God gemaakt tot een leugenaar, en toen hebben ze de duivel geloofd.
En sindsdien is er heel veel veranderd. Ons hart is veranderd. We zijn bij de Heere weggegaan. Er is in ons hart geen liefde tot, geen band meer met God. We zijn zelfs vijandig geworden.
Onze oren zijn veranderd. Sindsdien luisteren we niet meer naar God en Zijn Woord. We denken bij onszelf: ‘Heere, U zegt het allemaal wel, maar U liegt, U bedriegt ons. U zegt dat ik me moet bekeren en geloven, maar dat kan ik helemaal niet’.
Ons hart en onze oren zijn veranderd. En ook onze ogen zijn veranderd. Dat begon met dat kijken in het paradijs. Sindsdien worden onze ogen altijd toegetrokken naar dingen die niet goed zijn. Ons hart, oren, ogen, handen en voeten, alles is anders geworden.
En dat geldt ook voor onze tong. Waarom heb je die tong eigenlijk van de Heere gekregen? Je zegt: om te praten. Zeker, maar vooral om goed over de Heere te praten. Om de Heere te loven. En om goed over andere mensen te praten.
Maar sindsdien, sinds de zondeval in het paradijs, doet dit kleine ding, die tong, iets heel anders. Dat komt, zo zegt de Bijbel, omdat we een andere vader hebben gekozen. We waren kinderen van God, met een tong die goed sprak van Hem en van onze naaste. Maar we werden kinderen van de duivel, uit de vader der leugen (Joh. 8:44Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen; die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar, en de vader derzelve leugen.). En sindsdien zwijgt onze tong over God, en spreekt de tong slecht over andere mensen.
Weet je hoe de Bijbel dat zegt in Romeinen 3 vers 4? God is waarachtig, eerlijk en oprecht, maar alle mens zonder uitzondering is leugenachtig. De Heere spreekt altijd de waarheid, maar wij zijn leugenaars. Het is nog erger, want we lezen in Romeinen 3 vers 13 en 14: Onze keel is een geopend graf; met onze tongen bedriegen we; slangengif zit er onder onze lippen. Onze mond is vol van vervloeking en bitterheid.
Herken je dat niet, jongens en meisjes? Dat er uit je mond allerlei verkeerde dingen komen? Je roept je vriendje of vriendinnetje even opzij en je fluistert. Je wijst met je vinger naar hem of haar en zegt: ‘Vind je hem ook niet stom? Vind je ook niet, dat zij lelijke kleren heeft? Weet je wat ik pas gehoord heb? Dat hij, dat zij…’
Herkennen wij dat niet, volwassenen? Je zegt: ‘Zag je dat pas, hoe die er in de kerk bijzat?’ ‘Volgens mij ging die ook al aan het Heilig Avondmaal, het moet niet gekker worden.’ Of: ‘Hé, pas zag ik die en die, en die zei dit of dat. Geloof jij dat?’ Of: ‘Ik hoorde pas van hem, dat hij ook al weg is van zijn vrouw. Maar ik denk, ik weet het niet zeker hoor, dat zij ook niet zuiver is. Het zal ook wel aan haar liggen.’
De Heidelbergse Catechismus geeft er handen en voeten aan met sprekende en actuele voorbeelden: dat ik tegen niemand valse getuigenis geef, niemand zijn woorden verdraai, geen achterklapper of lasteraar ben, niemand lichtelijk en onverhoord oordeel of help veroordelen; maar allerlei liegen en bedriegen, als eigen werken van de duivel haten zal.
a. Valse getuigenis geven. Dat betekent dat je over iemand iets getuigt of vertelt wat er gebeurd is, thuis, op school of in de kerk, maar het is vals en niet eerlijk.
b. Iemands woorden verdraaien. Je zegt ‘hij of zij zei dit of dat’, maar je weet dat het net iets anders was. Of je weet helemaal niet wat die ander gezegd heeft.
c. Achterklappen. Dat is kwaad spreken achter iemands rug om. In gesprekken op straat, in de winkel, bij school of op de koffie. Met interessante nieuwtjes en weetjes. ‘Heb je het ook al gehoord?’ Het is misschien wel waar (of misschien ook helemaal niet!), maar ondertussen ontstaat er wel een bepaald beeld. Een beeld van de ander, dat die slecht zou zijn, en een beeld van jezelf (al zeg je dat niet), dat je beter zou zijn. Als de persoon over wie het gaat er nu eens bij zou komen staan of ineens zou binnenkomen, zouden we dan doorgaan of stilvallen? We zouden, om ons gezicht te redden, waarschijnlijk snel overgaan op iets anders.
Dat komt omdat het misschien wel helemaal niet waar was, of omdat het misschien wel een beetje waar was, maar er zat geen liefde in. En dat maakt zulke praatjes tot de eigen werken van de duivel, zoals de Catechismus het noemt. De Catechismus noemt: vals getuigenis geven, iemands woorden verdraaien, achterklappen, of:
d. Lasteren. Dat is nog erger. Dat wil zeggen: bewust iets vertellen over een ander, waarvan je weet, dat het niet waar is.
e. Of iemand zomaar en onverhoord oordelen of helpen veroordelen. Terwijl de Heere zegt in Mattheüs 7: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. Want met welk oordeel u oordeelt, zult u geoordeeld worden; en met welke mate u meet, zal u weder gemeten worden. En wat ziet u de splinter, die in het oog uws broeders is, maar de balk, die in uw oog is, merkt u niet (Mat. 7:1-3). Je weet er bijna niets van, je hebt het van horen zeggen, maar je hebt je oordeel al klaar. En het is een hard en liefdeloos oordeel.
Gemeente, de schade hiervan is enorm. Ik noem u zeven dingen.
a. Als eerste is het niet tot eer van God. Het zou een zegen zijn, voor ons persoonlijk en voor de gemeente, als dit op zou houden.
b. Als tweede breekt het, het levensgeluk van mensen en het zorgt voor veel verdriet. Dit geldt zeker bij kwetsbare mensen, die zich toch al ongemakkelijk voelen in de gemeente. En ook bij mensen op kwetsbare posten in de gemeente en daarbuiten. De schade is meestal niet te herstellen. Immers, die praatjes zijn als de pluisjes van een paardenbloem. Je blaast ze de wereld in, ze gaan overal heen, en zie ze maar eens terug te vinden.
c. Als derde breekt het ook de onderlinge band van vertrouwen en vriendschap, ook in de gemeente en in het kerkverband.
d. Als vierde maakt het ons hart harder en maakt het het Woord van de prediking krachteloos. Omdat je went aan dit duivelse patroon van denken en praten over een ander, zonder te denken of te kijken naar jezelf.
e. Als vijfde schroeit het ons geweten dicht en verwoest het onze ziel. Jakobus waarschuwt ervoor, als hij schrijft: Onze tong ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken door de hel (Jak. 3:6De tong is ook een vuur, een wereld der ongerechtigheid; alzo is de tong onder onze leden gesteld, welke het gehele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte, en wordt ontstoken van de hel.). Al die praatjes, die gaan over een ander en waar je zelf net wat beter uit de verf komt, al die praatjes komen uit de hel.
f. Als zesde verhindert het onze gebeden. Want als je niet eerlijk bent onder de mensen, hoe zou je dan eerlijk zijn voor God? Als het ene schijn is, is of wordt het andere ook schijn.
g. En als zevende neemt deze zonde ons ook mee op de glijbaan van een hellend vlak. Eerst heb je nog wat aarzeling, maar het wordt steeds makkelijker om te praten over een ander. En na verloop van tijd weet je zelf niet meer wat waar is of niet. Gemeente, laten we ermee breken. Dit maakt heel veel stuk.
Voordat we verdergaan met ons tweede aandachtspunt, zingen we Psalm 19 vers 7. Weerhoud, o HEER’, Uw knecht, Dat hij zijn hart niet hecht, Aan dwaze hovaardij. Heerst die in mij niet meer, Dan leef ik tot Uw eer, Van grote zonden vrij. Laat U mijn tong en mond, En 's harten diepsten grond, Toch welbehaaglijk wezen. O HEER’, die mij verblijdt, Mijn rots en losser zijt, Dan heb ik niets te vrezen.
- - -
Gemeente, de Bijbel is eerlijk, en de Heidelbergse Catechismus is ook eerlijk. Zeker als het vanavond gaat over wie wij van nature zijn. De Heere zegt het Zelf in Johannes 8 vers 44: U bent uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een mensenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zo spreekt hij uit zijn eigen; want hij is een leugenaar en de vader derzelve leugen (Joh. 8:44).
Wij zijn van onszelf oneerlijke mensen, vol van leugen en bedrog. Totdat de Heere in ons leven komt. En dan wordt alles anders, ook dit. Dan worden we, u kent de uitdrukking wel: eerlijk gemaakt.
a. In de eerste plaats worden we eerlijk gemaakt voor God. Dan gebeurt er wat David zegt in Psalm 32 vers 5: Mijn zonde maakte ik U bekend en mijn ongerechtigheid bedekte ik niet (ik ontkende het niet langer, ik draaide er niet langer
omheen). Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijn overtredingen doen voor den HEERE. Dan zeg je eerlijk tegen de Heere wie je bent en wat je hebt gedaan. En dan ga je ook eerlijk onder ogen zien, dat het ook wat dit negende gebod betreft, niet goed zit in je hart en in je leven. Dan ga je, wat de Catechismus noemt ‘die eigen werken van de duivel’ ook zien in je eigen hart. Als de Heere in ons leven komt, dan worden we eerlijk tegenover de Heere.
b. Als tweede worden we ook eerlijk tegenover onze naaste. Dan zeg je eerlijk wat je verkeerd gedaan hebt. Omdat je een nieuw hart gekregen hebt. En dat nieuwe hart is oprecht, ootmoedig en nederig. Dat zoekt de vrede met God en ook de vrede met de naaste. Dat nieuwe hart luistert biddend naar het Woord van de Heere, zoals staat in Zacharia 8: Hebt dan de waarheid en de vrede lief (Zach. 8:19). Vroeger heerste de leugen en de haat in je hart, maar nu heersen daar de waarheid en de liefde.
En tegelijkertijd, omdat je je eigen hart leert kennen, word je meer dan ooit bang voor je eigen hart. Een hart waar Jeremia van zegt: Arglistig is het hart, meer dan enig ding, ja, dodelijk is het; wie zal het kennen? Jazeker, ik kan liegen tegen God en mijn naaste. Maar er loert hier van binnen ook nog een ander gevaar, namelijk dat ik mezelf bedrieg.
c. Dus, als de Heere in je leven komt, word je als derde ook eerlijk ten opzichte van jezelf. Dus genade maakt eerlijk ten opzichte van God, de naaste en jezelf.
En zo ontdekt ook dit negende gebod ons aan onze zonde en schuld. Het ontdekt ons aan onze onwil en aan ons onvermogen om onszelf te verbeteren. Opdat we Iemand anders nodig zouden krijgen, de Heere Jezus Christus. De wet wil ons uit drijven en vooruit duwen naar Christus.
Zijn ogen waren altijd zuiver. Zijn oren waren altijd eerlijk. Zijn handen waren altijd heilig en rein. En Zijn tong sprak altijd tot eer van Zijn Vader. Hij Zelf was de Waarheid. Er is nooit bedrog in Zijn mond geweest (Jes. 53:9En men heeft Zijn graf bij de goddelozen gesteld, en Hij is bij den rijke in Zijn dood geweest, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in Zijn mond geweest is.). Hij heeft nooit geroddeld, Hij heeft nooit de waarheid verdraaid, en Hij heeft nooit iemand gelasterd. Psalm 92 vers 8 zingt ervan: In Hem, mijn vaste Rots, is 't onrecht nooit gevonden.
Maar, en dat zagen we aan het begin, hoewel Hij de Waarheid was en nooit had gelogen, werd Hij toch verdacht gemaakt en beschuldigd door ons, mensen. Hij werd uitgemaakt voor een leugenaar. Maar Hij heeft ook dat kruis gedragen en ook die schande veracht. Sterker nog, de zware toorn van God die wij op ons geladen hadden (ook vanwege onze zonden tegen dit negende gebod), heeft Hij op Zich genomen. Onze smarten heeft Hij
gedragen. En zo heeft Hij de weg geopend voor leugenaars en bedriegers. Om zalig te worden.
En ook om in Zijn kracht in een nieuw leven te gaan wandelen. Om door Gods genade en in de kracht van Christus te gaan stoppen en te gaan breken met roddel, met laster en met het veroordelen van de ander. Om oprechtheid en waarheid lief te krijgen. Om in plaats van verkeerd te praten, goed te gaan praten.
En dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:
Namelijk om te doen wat de Heere van ons vraagt. De Catechismus zegt over de gehoorzaamheid aan dit gebod: Insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevorderen zal.
Als de Heere in je hart werkt, word je dan heel erg goed, word je dan volmaakt? Nee. Je kan nog wèl struikelen en in zonden vallen. Maar het wordt je van harte leed en je krijgt er veel verdriet van. Je kan er niet meer in blijven leven. Dan geloof, weet en voel je in je hart, dat het je plicht is, uit liefde, om ook te gaan in het spoor van dit gebod. Om de Heere Jezus ook hierin te volgen.
En nee, dat kan je niet in eigen kracht. Je kan zelf je tong niet temmen. Dan komt het gebed in je hart: o Zoon, maak mij Uw beeld gelijk. Het gebed van Psalm 19: Laat mijn tong en mond en 's harten diepste grond, U toch behagen. Mijn tong en mond, uiterlijk en hoorbaar, maar ook de gezindheid van mijn hart. Dat wat niemand ziet, maar U wel, Heere. U kijkt naar waarheid in mijn binnenste.
Dan merk je, dat de Heere niet alleen een nieuw hart geeft, maar ook een nieuwe tong. Dat zie je ook op de Pinksterdag. Het is niet voor niets dat er op de hoofden van de honderdtwintig mensen tongen als van vuur verschijnen. Vroeger waren hun tongen vol van vurig slangenvergif: gevaarlijk, giftig en venijnig. Jakobus noemt de tong: Een vuur, een wereld der ongerechtigheid (Jak. 3:6). En nu zijn er ineens vonken, vlammen, als van vuur, ontstoken en aangeblazen door de Heilige Geest.
Dat laat tegelijk zien dat de vernieuwing van het hart van Gods kinderen geen werk is van onszelf. Alle dingen zijn uit God (1 Kor. 11:12Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzo is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.). Dat vuur wordt aangeblazen, nu niet meer door de duivel, maar door de Heilige Geest. En dan gaat dat nieuwe ook blijken. Want gaan hun tongen dan roddelen, kletsen en oordelen over de vijanden van de Heere Jezus? Nee. Hun tongen gaan de grote werken van God vertellen. Wie een nieuw hart krijgt, krijgt ook een nieuwe tong.
Want een nieuw hart krijgen betekent eigenlijk dat alles nieuw wordt. Je gaat anders denken en willen, je gaat andere dingen vragen en doen, en dus ga je ook anders praten. Met een nieuwe tong ga je eerlijk praten.
a. Je gaat als eerste eerlijk praten over de Heere. En omdat de Heere goed is, wil dat dus zeggen: je gaat goed praten over de Heere. Doet u dat wel eens, goed van God spreken? Jullie, jongelui, goede dingen zeggen over de Heere? Spreken over Zijn liefde, Zijn geduld, Zijn barmhartigheid en Zijn genade? Goed spreken over Zijn wonderlijke leiding in je leven? Goed denken en spreken over Wie Hij is en wat Hij doet?
Wat voor soort mensen spreken er eigenlijk vooral goed van God? Dat zijn mensen die goed over Hem denken, maar slecht over zichzelf. Denk maar aan de moordenaar aan het kruis. Hij zegt: wij ontvangen de straf waardig om wat we gedaan hebben (hoe eerlijk!), maar Hij heeft niets onbehoorlijks gedaan. Wij zijn slecht, maar Hij is volmaakt. Je gaat met een nieuwe tong eerlijk praten over de Heere.
b. En je gaat (als tweede) ook eerlijk praten over jezelf. Je was zo geneigd om goed te denken en te praten over jezelf. Maar dat nieuwe hart zegt: dat was bedrog. Denk maar aan Paulus. Je zou verwachten dat hij zou zeggen: ik ben een goed mens. Maar zijn nieuwe hart zegt: Ik? Ik ben een ellendig mens. Want in het licht van Gods heiligheid zie ik wie ik echt ben: een onverbeterlijke zondaar voor God. De hoogmoed van die man is gebroken. En dat wensen we elkaar ook van harte toe. Want dan worden wij klein en wordt God groot.
Dan ga je niet uitgebreid al je zonden vertellen, om zelf op de voorgrond te komen. Dan ga je in het verborgen je zonden belijden voor God. Zoals Job dat deed: nu ziet U mijn oog, daarom heb ik berouw en verfoei ik mij in stof en as (Job 42:6Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.). Dan ga je in het verborgen je zonden belijden voor God, en je geeft de eer aan de Heere.
Zulke mensen hebben van zichzelf niets goeds te vertellen. Maar dat is het wonderlijke: de Heere wel. Denk maar aan Nathanaël, ook zo’n man die in het verborgen onder de vijgenboom bidt. En wat zegt hij van zichzelf? Niets. Maar wat zegt de Heere van hem? Nathanaël is een Israëliet, in wie geen bedrog is (Joh. 1:48Jezus zag Nathanaël tot Zich komen, en zeide van hem: Zie, waarlijk een Israëliet, in welken geen bedrog is.). Van zichzelf was hij dat wel: één en al bedrog. Maar de Heere kijkt anders naar Nathanaël. Want de Heere kijkt naar Zijn Eigen werk in Nathanaëls hart en Hij ziet dat nieuwe hart: een hart dat goed wil denken en praten over de Heere.
Dan ga je trouwens ook niet trots vertellen over wat je zelf tegenwoordig allemaal anders doet. Maar dan zeg je wat de Heere heeft gedaan. Zoals Paulus zegt: Het heeft God behaagd Zijn Zoon in mij te openbaren (Gal. 1:16Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Denzelven door het Evangelie onder de heidenen zou verkondigen, zo ben ik terstond niet te rade gegaan met vlees en bloed;). Hij heeft het gedaan. Een nieuwe tong verliest zichzelf uit het oog en geeft God de eer. En God alleen.
c. Met een nieuwe tong ga je eerlijk praten over God, over jezelf, en (als derde) ook over de waarheid. De Catechismus zegt: Insgelijks, dat ik in het gericht en alle andere handelingen de waarheid liefheb, oprecht spreek en belijd; ook mijns naasten eer en goed gerucht naar mijn vermogen voorsta en bevorder. De waarheid liefhebben. Dan gaat het dus niet om mooie woorden, maar dan gaat het om je hart, om het hartelijk liefhebben van de waarheid.
Dan gaat het om het liefhebben van de waarheid over God, over jezelf en over je naaste. Dat vraagt om nederigheid, ootmoed en kleinheid. Anders kom je alleen zelf in beeld. Als je de waarheid vertelt, dan staat God centraal. Dan komt je naaste er altijd goed vanaf. Dan ga je zijn of haar eer en goed gerucht proberen te bevorderen, dan komt je naaste er altijd goed vanaf. En dan verdwijn je zelf in het niet.
De les is duidelijk voor een leven van dankbaarheid: aan iemands tong ken je zijn of haar hart. En ook je eigen hart! Want je hart blijkt uit je ogen, je oren, je handen en je voeten, maar zeker ook uit je tong. Uit wat je zegt. Jakobus schrijft hierover: Wie is wijs en verstandig onder u? die bewijze uit zijn goede wandel zijn werken in zachtmoedige wijsheid. Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zo roemt en liegt niet tegen de waarheid (Jak. 3:13-14).
Deze is de wijsheid niet, die van boven afkomt, maar is aards, natuurlijk, duivels. Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle boze handel. Maar de wijsheid, die van boven is, die is (en dat is de laatste spiegel voor ons hart en leven in deze preek) ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, gezeggelijk ofwel voor de rede vatbaar, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordelende en ongeveinsd. En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken (Jak. 3:15-18).
Wie van Christus is, die doe, in biddende afhankelijkheid, dit gebod oprecht en welgezind. Als een liefdedienst voor elkaar en voor God, vanwege de Heere Jezus Christus en Zijn liefdewerk. Zoals Psalm 119 vers 83 zegt: Daarom, Heere, doe ik Uw gebod, oprecht en welgezind. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan.
Gemeente, jongelui, laten we niet alleen luisteren naar het Woord, maar het ook doen. Wees daders des Woords, en niet alleen hoorders (Jak. 1:22En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valse overlegging bedriegende.).
Amen.
Slotzang: Berijmde Tien Geboden 1,7,9:
Mijn ziel, herdenk met heilig beven, Hoe God, met majesteit bekleed, Zijn wet op Horeb heeft gegeven, Waar Hij deez' woorden horen deed:
Gij zult niet doodslaan, noch u wreken. Breekt nooit den echt; steelt niemands goed. Gij zult geen vals getuig'nis spreken, Bemint elk met een vroom gemoed.
Och, of wij Uw geboôn volbrachten! Genâ, o hoogste Majesteit! Gun door 't geloof in Christus krachten, Om die te doen uit dankbaarheid.
Andere preken over Zondag