PREEK · HEIDELBERGSE CATECHISMUS

Zondag 42: Gij zult niet stelen (serie 2)

Zondag 42 · 12 april 2026

Preek Heidelbergse Catechismus Zondag 42 (serie 2)

INLEIDING

Wie leeft er vandaag de dag nog echt los van de bezitsdrang? In Zondag 42 worden we door het achtste gebod diep beproefd op onze omgang met geld, goed en gierigheid. De Heere verbiedt niet alleen de openlijke diefstal, maar ontdekt ons aan de stille geldzucht en de rusteloze jacht naar meer. Waar een maatschappij verblindende welvaart vaak leidt tot leegte en bezorgdheid, wijst deze preek de weg naar de ware schat. Wie leert leven uit de hand van de Heere en de rijkdom van Christus mist, vindt de echte vrede die alle aards goed overstijgt. Kijk video, download PDF.

THEMA

Wat wil God in het achtste gebod?

KERNPUNTEN

  1. Hoe ik mijn bezit krijg
  2. Hoe ik met mijn bezit omga

ZONDAG 42

Vraag 110: Wat verbiedt God in het achtste gebod?
God verbiedt niet alleen dat stelen en roven, hetwelk de Overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting zijner gaven.

Vraag 111: Maar wat gebiedt u God in dit gebod?
Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, al ik wilde, dat men met mij handelde; daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge.

VOLLEDIGE TEKST

Zondag 42: Gij zult niet stelen (serie 2)

ds. J. IJsselstein - Zondag 42

THEMA

Wat wil God in het achtste gebod?

LITURGIE

Psalm 37:11,15,20

Tien Geboden:8,9

Lezen Mattheüs 13:1-9 en 18-23

Psalm 62:1,7,8

Psalm 48:6

Psalm 27:1,2

Geliefde gemeente, het Woord van het Evangelie is als zaad, wat door een zaaier wordt gezaaid. In de preek van vanmiddag wordt er gezaaid. De Heere Jezus vertelde dat, bij wijze van gelijkenis, in Mattheüs 13.

Lees maar even mee, vanaf vers 3 en 4: En Hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende: Zie, een zaaier ging uit om te zaaien. En als hij zaaide, viel een deel van het zaad bij den weg; en de vogels kwamen en aten datzelve op. Je luistert goed in de kerk, maar als de kerk uitgaat is er weer zoveel dat de aandacht trekt, dat je alles in no-time vergeten bent.

En, zo lees ik verder in vers 5 en 6: En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had. Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, is het verdord. Je luistert goed in de kerk, het Woord raakt je, het maakt je blij en je neemt het aan. Maar dan, iets later, wordt het moeilijk en laat je het los.

Het kan ook anders, vers 8: En een ander deel viel in de goede aarde, en gaf vrucht, het een honderd-, het ander zestig-, en het ander dertigvoud. Je luistert goed in de kerk, het Woord raakt je en het verandert je hart en je leven voor eens en voorgoed. Zodat je de Heere oprecht gaat dienen.

Maar daartussen staat nog iets anders, in vers 7. En een ander deel viel in de doornen; en de doornen wiesen op en verstikten hetzelve. En wat dat betekent, staat in vers 22: En die in de doornen bezaaid is, deze is degene die het Woord hoort; en de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding van de rijkdom verstikt het Woord, en het wordt onvruchtbaar. Je luistert goed in de kerk, het doet iets met je en je raakt ermee bezig. Je denkt na: hoe zal het zijn als ik sterven moet, als ik God moet ontmoeten? Je gaat in de Bijbel lezen en je bidt stil tot God. Je ziet hoe gelukkig je zou zijn, als je de Heere zou leren kennen. Maar…, sommige dingen gaan je zoveel tijd kosten. En er is zoveel meer, wat mooi is en wat gelukkig lijkt te maken.

Twee dingen noemt de Heere Jezus. Als eerste de zorgvuldigheid van deze wereld. Dat is de zorg voor je dagelijks leven. Je bent druk met je werk, met je zaak, met je bijbaantje, met geld verdienen. Je bent druk met je huis, met je baan, met je studie. Je bent druk met de zorg voor je ouders. Je bent druk met van alles en nog wat.

En, daar is als tweede ook: de verleiding des rijkdoms. Of, letterlijk vertaald: het bedrog van de rijkdom.

Samen verstikken die twee dingen het Woord. Het ontneemt het Woord alle ruimte en adem. En het haalt niets meer uit, het wordt onvruchtbaar. Waardoor? Oók dus door de verleiding dus en het bedrog van rijkdom en bezit. Het bedrog van je geld en je bezit kan er dus voor zorgen dat je uiteindelijk je ziel verliest. En als je ziel verloren is, dan is alles verloren. Want rijkdom bedriegt. Rijkdom zegt: je moet het hier doen, je moet het hier zoeken. Hier moet je schatten vergaderen, spullen kopen, rijk worden en goed sparen voor later. Maar…, komt dat later wel? Immers, God zei tegen de rijke dwaas, die ook zoveel gespaard en bij elkaar geschraapt had (en misschien zegt God dat vannacht ook wel tegen u of tegen jou.): Gij dwaas, in dezen nacht zal men uw ziel van u afeisen; en hetgeen u bereid hebt, van wie zal het zijn? Alzo is het met dien die voor zichzelf schatten vergadert, en niet rijk is in God (Luk. 12:20-21).

Want ja, je kunt schatten verzamelen, maar wat doe je dan eigenlijk? Je probeert zoveel mogelijk geld en spullen bij elkaar te krijgen. Omdat je jezelf wijs maakt, dat het jouw eigendom is. Maar dat is bedrog! Want het is allemaal niet van mij of van jou. De Heere zegt: Alles is van Mij. Mijne is het zilver en Mijne is het goud, zegt de HEERE in Haggai 2 (Hagg. 2:8). De aarde is des Heeren, mitsgaders haar volheid, zegt Psalm 24 (Ps. 24:1). Je mag het even gebruiken, maar het is en blijft van Mij. Je hebt het even in bruikleen, maar er komt een dag dat je alles terug zal moeten geven. Alles!

Laat onze welvaart en onze rijkdom, mensen, het Woord niet verstikken. En laat het onze ziel niet bedriegen. Maar laten we zoeken om rijk te worden in God. Laten we ons leven en de vreugde van ons leven zoeken in Hem.

Aan de beurt om vanmiddag te behandelen is Zondag 42.

Vraag 110: Wat verbiedt God in het achtste gebod? Antwoord: God verbiedt niet alleen dat stelen en roven, hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht,

el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven. Deze vraag en dit antwoord gaan over: Hoe krijg ik mijn bezit?

Vraag 111: Maar wat gebiedt u God in dit gebod? Antwoord: Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, als ik wilde dat men met mij handelde; daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge. Deze vraag en dit antwoord gaan over: Wat doe ik met dat bezit?

Gij zult niet stelen, dat zegt het achtste gebod. Waar is dat stelen eigenlijk begonnen? In het Paradijs. ‘ Was dat nodig? Nee, want Adam en Eva hadden echt alles. Toch deden ze iets wat niet mocht. Ze pakten iets wat ze niet mochten pakken. Want van één ding had God gezegd: dat is van Mij. Van die boom mogen jullie niet eten. Maar tóch deden ze het. Want ze wilden méér. Ze wilden als God zijn.

Dat was de grootste poging tot diefstal in de geschiedenis van de mensheid. We waren geschapen naar Gods beeld, volmaakt en zonder enig gebrek. Maar we wilden méér. We wilden Gods eer stelen en we wilden als God zijn. En dat is sindsdien zo gebleven. Misschien herken je het wel. Je hebt eigenlijk wel genoeg, maar je wilt het liefst nog méér. Je hebt, als je het vergelijkt met arme mensen, eigenlijk alles, maar je wilt het liefst méér. Je hebt genoeg rijkdom en weelde in overvloed, maar je wilt het liefst méér. Zo begon het in het paradijs. Adam en Eva hadden alles, maar wilden meer. Ze hádden alles, maar omdat ze méér wilden, raakten ze alles kwijt. Ze waren schatrijk, maar omdat ze nog méér wilden, werden ze straatarm. Want ze raakten God kwijt. En zonder God zijn wij straatarm.

En dat zondige verlangen naar meer, is sindsdien gebleven. De verleiding en het bedrog van de rijkdom, de begeerte en het verlangen naar méér.

Is dat verkeerd? Ja, dat is verkeerd. Want dat ‘meer willen hebben’ is zonde en het brengt tot zonde. Paulus zegt in 1 Timotheüs 6:8-9: Maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn. Maar die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.

Zeker, dat geldt voor iedereen die nog onbekeerd is. Want het Zaad van het Woord wordt in je hart verstikt door dat eindeloze zoeken naar méér. Maar het geldt ook voor Gods kinderen.

Hoe kan je nu, als kind van God, léven voor het aangezicht van de Heere zonder verstrikt te raken in dat eindeloze verlangen naar méér? Waardoor je, ook als je een kind van de Heere mag zijn, in je hart het Woord meer en meer verstikt raakt en onvruchtbaar wordt?

Wat heiligt onze harten? Om voor Gods aangezicht te leven tot Zijn eer? Zeker, gebruikmakend van wat we voor een tijdje geleend krijgen om te gebruiken? Maar zonder bedrogen te worden door rijkdom, alsof het voor altijd is?

Wat onze harten en levens heiligt is, wat ik eerder zei: het zien op de Heere Jezus. En zo zegt Paulus in 2 Korinthe 8: U weet de genade van onzen Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede zoudt rijk worden (2 Kor. 8:9). Hij kwam in deze wereld. Straatarm. Er was geen plek voor Hem, alleen een kribbe in een beestenstal. En toen Hij groot werd, had Hij zelfs geen huis om in te wonen. Maar méér wilde Hij nooit hebben. Hij keek nooit jaloers naar rijke mensen, die veel spullen hadden. Hij heeft ook nooit iets gepakt wat niet van Hem was en Hij heeft nooit gestolen.

Zo leefde Hij zonder zonde voor God. En daarna leed en stierf Hij voor de zonden van Zijn kinderen aan het kruis. Ook voor onze zondige begeerten. En zo bracht Hij ons, kinderen van God, terug bij God. En zó, door dát voorbeeld wil Hij, ook na gekregen genade, onze levens veranderen. Want hiertoe zijn wij geroepen, zegt Petrus, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld nalatende, opdat wij Zijn voetstappen zouden navolgen (1 Petr. 2:21). Door Zijn genade weggetrokken van de zonden en ook van dat eindeloze zoeken naar méér. Door Zijn genade, uit dank voor alles (meer en meer gericht op de Heere en Zijn dienst) Hem dienend met álles wat we van Hem gekregen hebben. Zoals er staat van de vrouwen in Lukas 8: En Johanna, de huisvrouw van Chuzas, den rentmeester van Herodes, en Susanna, en vele anderen, dienden Hem van haar goederen (Luk 8:3). En dat mag alles kosten, nietwaar? Want het heeft de Heere Jezus ook alles gekost. En dus zei de Heere Jezus in Lukas 14: Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn (Luk. 14:33).

En, als we het zendingsbevel uit de mond van de opgestane Heere Jezus horen, dan horen we dat ‘dat verlaten van alles wat je hebt’ ver mag gaan. De Heere zegt in Mattheüs 19: En zo wie zal verlaten hebben huizen of broeders of zusters of vader of moeder of vrouw of kinderen of akkers om Mijns Naams wil, die zal honderdvoud ontvangen en het eeuwige leven beërven (Matth. 19:29). Dus, ga met vrijmoedigheid de weg die de Heere je wijst, als Hij je roept tot Zijn dienst. En dien Hem met alles wat van Hem is.

Want als we aan God genoeg hebben, dan hebben we eigenlijk niets méér nodig. Hij is ons deel, ons zalig lot, door tijd en eeuwigheid niet te scheiden. Dan mag je bezitten als niet-bezittende. Dan mogen we onze spullen en bezittingen, onze gaven en talenten die we van de Heere gekregen hebben, gebruiken voor Hem en voor onze naasten, om tot zegen te zijn voor anderen. Dan mogen we ervaren, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen (Hand. 20:35).

Het gaat vanmiddag over de vraag: Wat wil God in het achtste gebod? We letten op twee dingen. 1. Hoe ik mijn bezit krijg (dat staat in antwoord 110) 2. Hoe ik met mijn bezit omga (dat staat in antwoord 111) Als eerste dus:

1. Hoe ik mijn bezit krijg

Vraag 110 zegt: Wat verbiedt God in het achtste gebod? Het antwoord zegt: God verbiedt niet alleen dat stelen en roven, hetwelk de overheid straft; maar Hij noemt ook dieverij alle boze stukken en aanslagen, waarmede wij onzes naasten goed denken aan ons te brengen, hetzij met geweld, of schijn des rechts, als met vals gewicht, el, maat, waar, munt, woeker, of door enig middel, van God verboden; daarenboven ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting Zijner gaven.

Dus, ons eerste punt: Hoe ik mijn bezit krijg. Laat ik twee voorbeelden noemen. a. Het eerste voorbeeld komt uit het Oude Testament. Achab is blij. Hij heeft een nieuwe wijngaard. Die past zo mooi bij alles wat hij al heeft. ‘Achab, hoe heb je dat bezit gekregen?’ Eh ja, hij was eigenlijk van Naboth, het was eigenlijk zijn familiebezit. Maar ik wilde hem er graag bij hebben. ‘Had je niet genoeg dan?’ Jawel, maar ik wilde graag méér. En toen heeft Izebel ervoor gezorgd dat Naboth uit de weg geruimd werd. En nu is die wijngaard van mij. ‘Gestolen dus’. Ja, eigenlijk wel.

Het tweede voorbeeld komt uit het Nieuwe Testament. Zacheüs de tollenaar is rijk. ‘Zacheüs, hoe kom je aan al dat geld?’ Gewoon, slim zaken doen. Of dat eerlijk is of niet, dat doet er niet toe. Maar dan komt er iets wat Zacheüs nieuwsgierig maakt. Naar Jezus van Nazareth, Die alles voor niets doet. Zieken genezen, doden opwekken, hij zou er schatrijk van zijn geworden. Maar Jezus vraagt nooit één penning voor wat Hij doet.

En zo kruipt hij nieuwsgierig in de boom, om Jezus te zien. En even later zit hij met Jezus aan tafel. De liefde van de Heere Jezus heeft zijn hart ingenomen. En in de tijd van een paar minuten wordt hij ineens goudeerlijk. Hij zegt: Zie, de helft van mijn goederen, Heere, geef ik den armen; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder (Luk. 19:8). De Heere Jezus zegt: Heden is dezen huize zaligheid geschied (Luk. 19:9). Dat wil zeggen, hier wordt de zaligheid geproefd. Want de dingen van deze wereld hebben hun smaak en aantrekkelijkheid verloren. Omdat Zacheüs nu uit God wil gaan leven, en voor God. Hij is rijk geworden in God (Luk. 12:21).

We gaan samen zingen van dat allerrijkste bezit uit Psalm 48 vers 6. Want deze God is onze God; Hij is ons deel, ons zalig lot, Door tijd noch eeuwigheid te scheiden: Ter dood toe zal Hij ons geleiden. - - -

Twee Bijbelse voorbeelden noemde ik, Achab en Zacheüs. Maar nu even wat dichterbij. Hoe kom jij aan het geld wat je hebt? En aan je spullen? Hoe komt u, en hoe kom ik aan mijn bezittingen? Aan mijn banksaldo? De Heidelbergse Catechismus zegt: Er zijn verkeerde manieren om ergens aan te komen. Stelen en (samengevat), alle sluwe en gemene manieren om stiekem iets te nemen wat niet van je is.

Je denkt misschien wel: dat is slim. Maar het is en blijft stelen. Je denkt misschien wel: het is maar iets heel kleins. Maar het is en blijft stelen. Dat dacht Adam misschien ook wel. Wat stelt het nu voor? Alleen maar eten van die boom? Ja, het leek voor hem, en het lijkt voor ons klein. Maar daar zat en zit wat achter. Adam deed, en wij doen, wat God verboden heeft. En dat is ongehoorzaamheid. Dat is opstand tegen God.

Soms is dat stelen heel erg zichtbaar. Bijvoorbeeld als iemand in de winkel steelt en het personeel de politie belt. Maar het kan ook heel stiekem. En het begint vaak heel erg klein. Maar het gaat steeds gemakkelijker. Het begint (terwijl moeder altijd zegt: als je iets wilt, moet je het even vragen), het begint met dat je denkt: ‘ze zal toch wel nee zeggen, zal ik het pakken?’ En je pakt het toch. En het wordt steeds gemakkelijker. Dat stelen, dat stiekem jezelf verrijken. Dat rijk willen worden ten koste van een ander. Door, (en ja, de Heidelbergse Catechismus noemt wat oudere voorbeelden), door: een slecht product te leveren of een slechte offerte te maken. Door dingen te berekenen die je niet levert of geleverd hebt. Door verkeerde beloftes maken, of door wat je ook doet. Maar de kern is altijd en overal gelijk: ik wil méér. En dat die ander daardoor minder heeft of krijgt, dat is niet mijn zorg. Zoals Zacheüs dat vroeger ook deed. Totdat de Heere ook de God werd van zijn geld.

De Bijbel velt een stellig oordeel over dat bestelen van een ander. Paulus schrijft in 1 Korinthe 6: rovers, of dieven, zullen het Koninkrijk van God niet beërven (1 Kor. 6:10). Dus, laten we ons niet laten meesleuren door die zucht naar méér. Naar meer geld en méér bezittingen. Want, om nogmaals 1 Timotheüs aan te halen: Die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang. Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad (1 Tim. 6:9-10).

Ons geld is niet van ons. Het is aan ons uitgeleend, door de Heere, om te dienen.

En dus waarschuwt Jakobus de rijken die de armen bestelen, en de gierigaards die de armen misbruiken. Als hij tegen hen zegt: Uw rijkdom (die u had moeten besteden tot onderhoud van de armen) is verrot, en uw klederen zijn door de motten opgegeten. Dat liet u nog liever gebeuren, dan dat u ze weggaf aan de armen. Uw goud en uw zilver is verroest (daar waar u het gierig hebt bewaard voor uzelf), en hun roest zal u zijn tot een getuigenis. U hebt schatten vergaderd in de laatste dagen (Jak. 5:3).

Wie genade kent, en wie ziet op Jezus, mag en moet anders leven. Zoals Paulus zegt: die mag kopen, als niet-bezittende. Die mag deze wereld gebruiken, als niet-misbruikende. Wetend dat de gedaante van deze wereld voorbij gaat (1 Kor. 7:31).

Het échte geluk in deze wereld ligt namelijk niet in hebben of in bezit. Dan denk je misschien wel, dat je veel hebt, maar ik zei het al: Het is niet van jezelf. Je hebt het voor even in bruikleen, het is en blijft allemaal van God. Je hebt het even geleend gekregen, maar straks moet je het weer afstaan.

Het échte geluk in deze wereld ligt in: rijk zijn in God. Denk maar aan twee andere Bijbelse voorbeelden. Als eerste de rijke, dwaze man. Hij ziet dat zijn land heel veel gaat opbrengen. Het geeft hem een geweldig gevoel van zekerheid. Dit wordt een heel succesvol jaar. Straks heeft hij voor heel veel jaren genoeg. Dus geeft hij de opdracht om schuren te bouwen. Maar plotseling sterft hij. Zijn bezit gaat voorbij (Lukas 12:18).

Als tweede, wat blijft, dat zie je bij een arme man. Die bedelt aan de poort van een rijke man, die hem links laat liggen. Maar als hij sterft, wordt hij door engelen gedragen in de schoot van Abraham (Luk. 16:22).

Echt geluk ligt niet in bezit en al helemaal niet in gestolen bezit. Echt geluk is niet verdiend en niet gestolen, want het valt niet te stelen. Het is gekregen, terwijl je het niet had verdiend. Het heet genade. Als je dat hebt, al ben je arm of rijk, dan heb je alles. Dan ben je rijk in God. En dan wordt de Heere, net als bij Zacheüs, ook de God van je geld. Dan zal je het gebruiken, uit dankbaarheid, om God te dienen en je naaste te helpen.

Antwoord 110 zegt: God verbiedt niet alleen dat stelen en roven op allerlei manieren. Maar er staat nog iets. God verbiedt ook, in het laatste deel van het antwoord: alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting van Zijn gaven.

Ten eerste alle gierigheid. Je denkt alleen aan geld, je wilt steeds meer en je wilt nooit iets aan een ander geven, die het wel hard nodig heeft. Je noemt het misschien wel gepaste zuinigheid, maar dat is het niet. En ten tweede: misbruik en verkwisting van Zijn gaven. Zie je dat het allemaal van de Heere is? Wat je van Hem krijgt, Zijn gaven, mag je wel gebruiken, maar niet misbruiken of verkwisten.

Niet alleen maar misbruiken voor jezelf en voor je eigen plezier. En ook niet verkwisten, niet uitgeven voor allerlei nutteloze en zinloze dingen, terwijl heel veel mensen gebrek hebben. Daarvoor heeft de Heere het ons niet gegeven.

Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. Hoe ik met mijn bezit omga

Hoe ga ik om met mijn bezit? Want er is ook een positieve kant aan het gebod. Niet om te presteren of daarmee iets te verdienen. Maar om uit dankbaarheid de goede wil van de Heere te doen. Vraag 111 vraagt: Maar wat gebiedt u God in dit gebod? Antwoord: Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, bevordere; met hem alzo handele, als ik wilde dat men met mij handelde; daarenboven ook, dat ik trouwelijk arbeide, opdat ik den nooddruftige helpen moge.

Drie dingen vraagt de Heere dus van ons. a. Ten eerste: Dat ik het nut van mijn naaste, waar ik kan en mag, bevorderen zal. Wie is je naaste eigenlijk? Dat is iedereen. Zeker je eigen gezin en je familie, maar niet alleen die. Niet alleen je vriend, maar ook je vijand. Niet alleen je collega, maar ook je concurrent. Niet alleen Nederlanders, maar ook buitenlanders.

U voelt, dit druist in tegen alle egoïsme en ook tegen alle nationalisme. ‘Ik eerst, eigen volk eerst’, dat soort taal is echt zonde tegen dit gebod. Wij allemaal hebben deze aarde, onze welvaart en ons bezit in bruikleen. Dit land is ook niet van ons. Dat hebben we ook in bruikleen, om het te delen met anderen. En dus staan we als christenen open voor mensen die op de vlucht zijn. En proberen we, waar het kan en mag, onze naasten te helpen. Zoals de Heere Jezus zegt: Alle dingen dan, die u wilt, dat u de mensen zouden doen, doet u hun ook alzo; want dat is de wet en de profeten (Matth. 7:12).

Altijd bereid zijn om de ander te helpen en aan de ander te geven wat nodig is. Waarom? Omdat de Heere Zelf ook alleen maar gééft, mild geeft. En ook helpt in nood. Daarom is het ook onze opdracht, en in het bijzonder de opdracht voor Gods kinderen, om te geven en te helpen. Als je de genade van de Heere hebt gekregen (en genade is kostbaar, een klein beetje kost oneindig veel!), als je genade van de Heere gekregen hebt, dan krijg je de Heere lief en je naaste lief. En dan geef je aan de Heere en aan je naaste.

Antwoord 111 zegt: Dat ik het nut van mijn naaste, waar ik kan en mag, moet bevorderen. Waar ik kan en mag. Want niet alles wat je kan doen, is goed of nuttig voor iemand anders. Niet iedereen is gebaat bij contant geld, want geld kan verkeerd besteed worden. Maar de ander is wel altijd gebaat bij hulp, bij eten, kleding, zorg, onderwijs, opleiding of werk. Dat is het eerste wat de Heere vraagt: Dat ik mijns naasten nut, waar ik kan en mag, zal bevorderen.

b. En het tweede: Dat ik met hem of haar zo zal handelen, als ik wil dat men met mij handelt. Alle dingen dan, die u wilt, dat u de mensen zouden doen, doet u hun ook zo. Wij zeggen het vaak anders: wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Dat is negatief. Als je niet bestolen wil worden, moet je ook zelf niet stelen. Maar de Heidelbergse Catechismus zegt het positief: Als je zelf graag hulp krijgt als dat nodig is, moet je ook een ander helpen. Dat is het tweede.

c. En het derde is dat ik trouw arbeid en mijn werk doe, opdat ik de nooddruftige, die nood en gebrek heeft, helpen moge. Trouw je werk doen. Dus niet gokken, niet de kansen zoeken van de loterij. Maar gewoon trouw als christen je werk doen. Dat wil de Heere zegenen. En in het soort werk is er ten diepste geen verschil. Iemand die het vuil ophaalt of klusjesman is, is evenveel in Gods oog als een dokter of een zakenman.

De Heere Jezus Zelf schaamde Zich niet om de Zoon van een timmerman te zijn. Hij had ervoor kunnen kiezen om de Zoon van een welgesteld mens te zijn, maar Hij deed het niet. Dus past het ook ons niet, in de gemeente, om verschil te maken tussen mensen op basis van rijkdom, bezit, kennis, kunde, diploma’s, status of afkomst. Niet in hoe we met elkaar omgaan. En ook niet in of we mensen wel of niet geschikt vinden voor een bepaalde taak.

De kerk is geen eliteclub. De kerk is wèl een plaats waar iedereen met zijn of haar gekregen talenten een taak heeft. Om te dienen in liefde en trouw. Om in trouw en liefde mensen in nood te helpen. Dat is eeuwenlang, in de eerste christengemeente en ook later, het krachtige getuigenis van de kerk geweest: Trouw zijn in je werk. Zoals Jozef, die als slaaf, terwijl hij niets verdiende, trouw was. Liefde bewijzen aan mensen in nood. Aan de verachte mensen, aan de verschoppelingen, aan mensen die in de ogen van de wereld niet meetellen, aan schooiers en zwervers. Hen helpen, zonder dat je een tegenprestatie verwacht (Matth. 5:46).

Dat is de liefdeplicht van een christen of christin in deze wereld. In eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus; Niet naar ogendienst, als mensenbehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende de wil van God van harte; Dienende met goedwilligheid den Heere, en niet de mensen (Efez. 6:5-7).

Dat maakt, zelfs in deze tijd, indruk op de wereld om ons heen. Niet als we een gesloten, in onszelf gekeerd en elitair, zichtbaar rijk, bolwerk zijn. Maar wel als we iets laten zien in ons leven, in ons werk en opleiding, van het beeld van Christus. Altijd op zoek naar het verlorene, en nooit op zoek naar eigenbelang. Altijd belangeloos dienend. Altijd bezig met de eer van de Vader en altijd bereid tot hulp aan mensen in nood.

Als een liefdedienst vanwege de Heere Jezus Christus en Zijn werk. Zoals de dichter in Psalm 119 vers 83 zingt: Daarom, Heere, om alles wat U aan mij gaf, doe ik Uw gebod, oprecht en welgezind. Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdriet gedaan.

Geliefde gemeente, laten we niet alleen luisteren naar het Woord, maar het ook doen. Zoals de apostel Jakobus zegt: En zijt daders des Woords, en niet alleen hoorders (Jak. 1:22).

Amen.

Slotzang Psalm 27:1,2:

God is mijn licht, mijn heil; wien zou ik vrezen? Hij is de HEER, die hulp verschaft in nood; Mijn levenskracht; 'k heb niet vervaard te wezen: Hij is 't ,die mij beveiligt voor den dood. Wanneer de macht der bozen sloeg aan 't woên, En aanrukt', om zich met mijn vlees te voên. Stiet zelf dit rot, dat mij benauwt en haat, Den voet, en viel; omdat het God verlaat.

Al zie ik zelfs een leger mij omringen, Nog vrees ik niet; 'k verlaat mij op den HEER’; Al wil men mij door enen oorlog dwingen, 'k Leg mij gerust, hierop vertrouwend, neer. Deez' éne zaak heb ik begeerd van God; Daar zoek ik naar; dit zij mijn zalig lot: Dat ik, zo lang mij 't levenslicht bescheen, In 's HEEREN huis mocht wonen hier beneên.