Deze zal groot zijn · Lukas 1


Deze zal groot zijn

Preek Lukas 1:32: Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal Hem de troon Zijns vaders Davids geven.

Thema preek Lukas 1:32: Deze zal groot zijn

1. In Zijn komst, toen
2. In Zijn werk, nu
3. In Zijn toekomst, straks

LEESPREEK

Schriftgedeelte over: Deze zal groot zijn – Lukas 1:26-38:
26 En in de zesde maand werd de engel Gabriël van God gezonden naar een stad in Galiléa, genaamd Nazareth;
27 Tot een maagd die ondertrouwd was met een man wiens naam was Jozef, uit het huis Davids; en de naam der maagd was Maria.
28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u, gij zijt gezegend onder de vrouwen.
29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord en overlegde hoedanig deze groetenis mocht zijn.
30 En de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.
31 En zie, gij zult bevrucht worden en een Zoon baren, en zult Zijn Naam heten JEZUS.
32 Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God de Heere zal Hem den troon Zijns vaders Davids geven;
33 En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.
34 En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man beken?
35 En de engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom ook, dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
36 En zie, Elisabet, uw nicht, is ook zelve bevrucht met een zoon in haar ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde.
37 Want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.
38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar uw woord. En de engel ging weg van haar.

Link bij preek Lukas 1:26-38: Deze zal groot zijn
Zacharias in tempel (Lukas 1) – advent
Lofzang van Maria (Lukas 1) – advent
Lees meer:
– Kanttekeningen Lukas 1

ADVENT | LUKAS

Plotseling staat hij voor haar. Voor Maria. Een meisje van een jaar of 15, 16, 17…
De blinkende verschijning van de engel Gabriël, vol van hemelse glans.
Maar toch is dat niet wat haar het meeste raakt. Ze wordt, zegt vers 29, ontroerd over zijn woorden.

Want Gabriël zegt (in vers 28): Wees gegroet!
Dat is nog een gewone groet. Maar hij zegt ook: gij begenadigde!
Maria, je hebt bijzondere genade van God gekregen. Dat kom ik je vertellen.
De Heere is met u!
Wat bijzonder! Wat een zegen is dat, meiden van 15, 16, 17, als dat zo is. Ook in jouw leven. De Heere is met je! Met Zijn aanwezigheid en genade.

Gabriël gaat verder: Maria, u bent gezegend onder de vrouwen.
Je krijgt onder al de vrouwen een bijzondere zegen. Je kind zal geen gewoon kind zijn. Het zal een bijzonder kind zijn!

Als Maria dat allemaal hoort, dan wordt ze (zegt vers 29) zeer ontroerd.
Ze is verbaasd, ze staat perplex, ze raakt in verwarring.
‘Wat? Ik? Heb ik genade gekregen? Ben ik gezegend onder de vrouwen?’
Ja, zegt Gabriël, echt waar!
Kijk maar in vers 30 en 31: Maria, vrees niet. Wees niet bang. Niet zo geraakt, Maria. Want u hebt genade bij God gevonden. En zie, u zult bevrucht (u zult zwanger) worden, en een Zoon baren, en zult Zijn Naam heten JEZUS.

En, zo zegt Gabriël verder in vers 32: Deze zal groot zijn.
Want? Waarom? En hoe dan?
Nou, Hij zal de Zoon van de Allerhoogste genaamd worden. Zo zal Hij genoemd worden. Zo zullen de mensen Hem noemen. Zo zullen ze Hem erkennen, als de Zoon van de allerhoogste God.
En (vers 32 en 33): En God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid. En Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

Hij zal, zegt vers 32 groot zijn. Letterlijk staat er in het Grieks: mega. Mega-groot!
Een woordje dat ons wel aanspreekt. Jongens en meisjes, groot zijn…
Je zegt: Ja, ik wil graag groot worden!
En als je groot bent geworden, dan wil je graag nog groter worden: groot in geluk, groot in vriendschappen, groot in rijkdom, groot in voorspoed, groot in carrière…
Groot onder je vrienden, groot in je familie, groot onder je collega’s…
Terwijl je diep in je hart ook weet: Eigenlijk ben ik maar klein: een klein, nietig en kwetsbaar mensje.
Soms voel je dat ook. Als je ziek bent. Of als je staat aan een ziekbed, of aan het sterfbed van iemand. Dan voel je: Ik ben maar klein, terwijl wij allemaal leven en staan voor de grote God, op weg naar de grote eeuwigheid.
Mini tegenover Mega…

Met een mega-zondig hart, tegenover de mega-heilige God.
Kwetsbaar mensje tegenover de eeuwig Blijvende.
Op grote afstand van de grote God. Die me ooit schiep, maar ik brak met Hem.
En sindsdien ben ik een grote zondaar tegenover en op weg naar de grote God. Die mijn zonden niet verdragen kan.
Weet je wel hoe erg dat is…?
Weet je wel hoe gevaarlijk dat is…?

Midden in het uitzichtloze van die toestand: kleine, zondige mensen op weg naar de grote, heilige God, klinkt vanmorgen het Evangelie, in deze enkele woorden, in de tekst voor de preek van vanmorgen: Lukas 1:32a:
Deze zal groot zijn!

Het thema voor de preek is:
De grootheid van Christus: Deze zal groot zijn!

We letten als eerste op Zijn grootheid in Zijn komst, toen. Als tweede op Zijn grootheid in Zijn werk, nu. En als derde op Zijn grootheid in Zijn toekomst, straks.

Dus: De grootheid van Christus:
1. In Zijn komst, toen
2. In Zijn werk, nu
3. In Zijn toekomst, straks

Als eerste dus:

1. Deze zal groot zijn: in Zijn komst, toen

Nou ja, zeg je: Is dat zo? Voor het oog lijkt het tegengestelde waar te zijn!
Hij was misschien groot, maar nu wordt Hij klein!
Hij was de Schepper van de wereld. Maar nu wordt Hij geboren uit een eenvoudige, ongeziene vrouw.
Hij schiep miljarden sterren. Maar nu wordt Hij onder diezelfde sterren gelegd in een kribbe.
Hij werd bezongen door ontelbare engelen. Maar nu moeten zij naar beneden komen in de velden van Efratha.
Want, hoewel Hij in de gestaltenis van God was, God even gelijk, nu Hij in wereld komt, nu buigt Hij diep (Fil. 2:6-7). Nu laat Hij Zich als klein kindje in een kribbe leggen. Als baby drinkend aan de borst van Zijn moeder.

En als Hij groot wordt, wordt Hij veracht. De mensen weigeren naar Hem te luisteren.
Ze noemen Hem een vraatzuchtig mens, een wijnzuiper, een drinker, een vriend van hoeren en tollenaars.
Ze willen Hem kwijt, ze zoeken Hem te doden.

Groot is Zijn lijden in Gethsémané. Groot zijn de stolsels bloed die van Zijn hoofd druppen.
Daar nemen ze Hem gevangen, die bende met stokken en zwaarden.
Daar beschuldigen ze Hem. Daar spugen ze Hem in Zijn gezicht. Daar slaan ze Hem.
Daar zetten ze een doornenkroon op Zijn hoofd. En leggen ze Hem een kruis op Zijn rug.
En kruisigen Hem.

Deze…? Dit Kind, Maria, zal groot zijn…?
Toch heeft Maria ook deze woorden geloofd. En die in haar hart bewaard.
Hoewel alles zo anders liep dan gehoopt en gedacht.
Zeker, ook die andere woorden heeft ze in haar hart bewaard: Een zwaard zal door uw ziel gaan (Lukas 2:35).
Maar ook, bij Zijn geboorte, in Zijn leven en in Zijn sterven deze woorden; hoe het ook tegenliep, ze geloofde ze: Hij zal groot zijn!

a. Groot! Ja, dat was Hij. In Zijn nederige geboorte in Bethlehem. Waar de engel even later op wijst in vers 35: dat Heilige, Dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.
Hij zal, als mens, uit u geboren worden: mens uit mens.
Maar Hij zal ook Heilig zijn. Het Heilige, de Heilige. Gods Eigen Zoon: God uit God.
Hij bleef God, de Eeuwige, de Heilige. Maar Hij werd mens. Om verloren mensen in deze verloren wereld te redden van de ondergang.
Is Hij daarin niet groter dan alle andere mensen?
Wie van jullie, wie van ons is ooit zo geboren als Hij?

Hij werd mens, om verloren mensen in deze verloren wereld te redden van de ondergang.
Daarom liet Hij Zich slaan, daarom liet Hij Zich spugen, daarom liet Hij Zich bespotten.
Daarom leed Hij. Daarom stierf Hij.
Het leek alsof de vijand Hem overwonnen en vernietigd had. Maar Hij stond op uit de dood, in heerlijkheid, glorie en majesteit.

Christus is groot!
In Zijn wonderlijke komen in deze wereld, als God en mens, om mensen te redden van de ondergang.
b. Ja, Hij was zelfs groot in Zijn vernedering.
Want is het niet groot, dat de Schepper van hemel en aarde, zo diep buigt? Dat Hij Zich zo laat vernederen?
Schittert daarin niet de ongeëvenaarde wijsheid van God? Zijn weergaloze liefde tot zondaars?

c. Hij was ook groot in Zijn verhoging.
In Zijn opstanding, in Zijn hemelvaart, in Zijn zitten aan Gods rechterhand.

d. En Hij is ook groot, zoals vers 33 zegt, als Koning van Zijn wereldwijde Koninkrijk. Hij zal over het huis van Jakob Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.
Het Kind van Bethlehem regeert en zal regeren van zee tot zee, en van de rivier tot aan de einden van de aarde (Ps. 72:8). Alle koningen zullen zich voor Hem nederbuigen, alle heidenen zullen Hem dienen (Ps. 72:8, 11).
Is Hij niet groot?

2. Deze zal groot zijn: in Zijn werk, nu

Een grote Zaligmaker, voor grote zondaars.
Die grote vergeving verdiende, voor grote schuld, en grote verzoening deed voor grote zonden.

Hij is groot in Zijn werk. Hoewel we dat van onszelf zo niet zien.
Ons geldt wat Jesaja schrijft: Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht (Jes. 53:3).
Ook wij zien van onszelf geen gestalte of heerlijkheid in Hem.
Zoals Hij in Zijn leven op aarde veracht werd, zo verachten wij Hem.
Zoals Hij in Zijn leven op aarde verworpen werd, zo verwerpen wij Hem.
Van onszelf verachten we Zijn bloed en minachten we Zijn glorie.

Totdat…, Hij Zelf Zijn grote en genadige werk in ons zondige hart gaat doen.
En wat wordt Hij dan groot, ook in onze ogen.
Als Hij onze ogen opent voor Zijn grootheid en heerlijkheid, voor Zijn liefde en genade.
Als Hij gaat doen, waarvoor Hij gezonden is: blinde ogen openen, waardoor we gaan zien de grootheid van onze schuld (Jes. 42:7).
We worden grote zondaars, voor de grote God. Kleine mensen, die het aangedurfd hebben Gods grote reddingsplan te verwerpen. Een enige Zaligmaker, Die God ons gezonden had te doden aan het kruis. Wee ons, dat wij zo gezondigd hebben!

Blinde ogen openen, dat is het grote werk van Christus. Hij is groot als Profeet. Om onze ogen te openen, en ons te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat wij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Hem (Hand 26:18).
Hij opent onze ogen, zodat we gaan zien de grootheid van ons kwaad.
Hij overtuigt ons, om de redding daarvoor niet bij anderen of bij onszelf te zoeken.
Hij breekt af, om plaats te maken voor Zichzelf en voor Zijn reddende genade.
Voor de grootheid van wat Hij deed en leed, in plaats van verloren zondaars,

Ik vraag u, overtuigde, uzelf veroordelende zondaars, is Christus niet groot in uw ogen?
Als u aan Hem denkt, al u op Hem ziet, Die wilde lijden en sterven in de plaats van Zijn vijanden? Dan valt al het grote van uzelf en van de wereld toch weg?

Wat wordt Christus groot, wat Hij krijgt onschatbare waarde voor een verloren en zichzelf veroordelend hart. Als Hij een blijde boodschap gaat brengen aan de zachtmoedigen. Als Hij de gebrokenen van hart gaat verbinden. Als Hij de gevangenen vrijheid uit gaat roepen (Jes. 61:1).

Deze zal groot zijn.
De Zaligmaker voor armen van geest.
Het Brood des levens voor hongerige harten.
De Fontein van levend water voor dorstige zielen.
Zijn bloed wast van alle zonden. Hij geeft genade aan armen, verzoening en vrede met God door Zijn bloed.

Luister, u die tobt met uw zonden en schuld, toch naar de liefdevolle stem van de grote Christus tot u: Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven. Neemt Mijn juk op u, en leert van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw zielen. Want Mijn juk is zacht, en Mijn last is licht
(Matt. 11:28-30). Zie op Hem, op deze grote Zaligmaker, en word behouden (Jes. 45:22).

Hoe groot is Christus! Als eerste in Zijn genadige werk in het hart van zondaars.
Maar als tweede ook in Zijn hartelijke roepen van onbekeerden.
Onbegrijpelijk groot is Zijn zondaarsliefde. En in Hem schittert ook de bewogenheid van de Vader ons tegemoet: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe (Joh. 3:16).
En die gegeven Zoon van de Vader, groot in Zijn diepe vernedering en in Zijn heerlijke verhoging, roept u (wie u ook bent) vandaag toe: Kom! Zondaars, kom!
Er is plaats bij Mij. Er is ruimte in Mijn bloed.
Verlaat de zonde, de slechtheid, en bekeer u.
Hoe lang toch, wilt u de zonde blijven liefhebben en Mij verachten (Spr. 1:22)?
Kom tot Mij, neem en drink van het water des levens om niet (Openb. 22:17)!
Ik raad u dat gij van Mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat u rijk moogt worden; en witte klederen, opdat gij moogt bekleed worden, en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uw ogen met ogenzalf, opdat u zien moogt (Openb. 3:18).

Waarom ziet u het gevaar van uw leven niet? Hollend op weg naar de eeuwige ondergang?
Maar vooral: Waarom hebt u geen oog voor de grote liefde van Christus?
In Hem is alles wat u nodig hebt, om gered te worden.
O kom dan, buig dan aan Zijn voeten. En smeek Hem dan om Zijn genade.
Want Hij is en blijft groot.

Als eerst in Zijn genadige werk in het hart van zondaars.
Als tweede in Zijn hartelijke roepen van onbekeerden.
Maar ook, als derde in Zijn liefde, genade en zorg voor Zijn volk en kinderen.
Hij, onze grote Zaligmaker, is de medelijdende Hogepriester, Die altijd voor ons bidt, met het reukwerk van Zijn gebeden aan de genadetroon (Hebr. 4:14-16). En Hij heeft Zijn Heilige Geest in onze harten gegeven, Die meezucht in ons bidden (Rom. 8:26) en onze gebeden heiligt naar de wil van de Vader.
Hij is onze Troost in verdrukking (2 Kor 1.4), waardoor wij anderen kunnen vertroosten.
Hij is onze Hoop in tijden van moeite, verdriet en eenzaamheid.
Hij is onze Bewaarder in verzoeking en gevaar, onze Helper in de strijd tegen zonde en verleiding.
Hij is onze Kracht. Hij is onze Vrede. Hij is ons Alles (Kol. 3:11).

Kinderen van God, Christus, door Israëls God aan ons gegeven, is groot!
Weergaloos groot. Alles wat aan Hem is gans begeerlijk (Hoogl. 5:16).
Hij is alles en in allen (Kol. 3:11).
Vroeger zagen we niets in Hem. Maar nu is Hij voor ons de grote Zaligmaker voor onze grote schuld.
Kom, maak Hem met mij groot.
Door Hem nederig en klein te aanbidden, te dienen en lief te hebben.
Door alles van Hem te verwachten, en alles aan Hem te geven.
Want Hij is al onze liefde waard.

Het past ons om met Maria te zingen: Onze ziel maakt groot de Heere, onze geest verheugt zich in God, onze Zaligmaker. Want grote dingen heeft Hij aan ons gedaan!

Christus is groot.
Als eerste in Zijn komst naar deze wereld, toen.
Als tweede in Zijn werk in mensenharten, nu.
En als derde:

3. Deze zal groot zijn: in Zijn toekomst, straks

Een toekomst waar Hij Zelf naar uitkijkt en verlangt. Waar Hij Zelf om bidt in Zijn hogepriesterlijke gebed: Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die U Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid, Mijn grootheid, mogen aanschouwen, die U Mij gegeven hebt; want U hebt Mij liefgehad, voor de grondlegging der wereld
(Joh. 17:24).
Ik was groot, voor de grondlegging der wereld.
Ik werd groot, in Mijn vernedering voor hen. En ook in Mijn verhoging. Maar daar zagen ze maar een glimp van. Want toen ik naar de hemel ging, bedekte een wolk het zicht op Mijn heerlijkheid (Hand. 1:9).
Zeker, door het geloof werd Ik groot in hun harten.
Maar, Vader, laat ze Mijn grootheid en Mijn heerlijkheid ook echt zien, in de hemelse heerlijkheid.

Als Christus er naar verlangt om groot te zijn door het geloof in onze harten, kinderen van God, en als Hij er naar verlangt om groter te worden door ons zien van Zijn heerlijkheid, zouden wij daar dan niet naar verlangen? Zouden we Hem dan niet willen zien in Zijn heerlijkheid? Om eeuwig Hem te mogen aanbidden!

Hij zal blinken in grootheid en glorie, op de dag dat Hij komt, op de wolken in de lucht, met grote kracht en heerlijkheid.
Dan zal er nooit meer de neiging in ons hart zijn om Hem van Zijn eer te willen beroven. We zullen Hem eeuwig al onze liefde en alle eer waardig schatten.
We zullen eeuwig het nieuwe lied zingen: U bent alle eer waard! Want U bent geslacht, en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht, en taal, en volk, en natie (Openb. 5:9).

Is er niet alle reden, geliefde medechristenen, om in deze laatste dagen uit te zien en te verlangen naar de komst van de Zoon des mensen? Naar de terugkomst van onze lieve Heere en Zaligmaker, Die ons zo uitnemend heeft liefgehad?
Dan zullen we voor altijd met de Heere zijn (1 Thes. 7:17).
Onze Bruidegom komt. En de Geest en de bruid zeggen: Heere Jezus, kom!
En die het hoort, zegge: Kom! (Openb. 22:17)
Dat wil zeggen: Lieve mensen, onbekeerde vrienden, kom toch ook!
Nu, nu het nog kan. Want zoals u nu leeft, kunt u de grote Christus in Zijn heerlijkheid niet ontmoeten. Ja, zelfs niet zien…

Hoe zal het straks met u gaan?
Toen de wachters op de dag van de opstanding één engel zagen, werden zij als doden (Matth. 28:4). Hoe zal het dan met u gaan, als straks het licht van miljoenen engelen op u schijnen zal?
Maar als u het licht van engelen al niet kunt verdragen, wat als u de heerlijkheid zult zien van de grote God en Zaligmaker, Jezus Christus?
Zelfs Johannes, de apostel van de liefde, kon de grootheid van Zijn heerlijkheid niet verdragen. Hij schrijft het zelf: Toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten
(Openb. 1:17).
Hoe moet het dan straks met u?

Ja, ik weet het: u zult uw handen voor uw ogen doen en roepen tot de bergen: Valt op ons! En tot de heuvelen: Bedekt ons! Liever voor altijd vermorzeld en ophouden te bestaan, dan staan voor de Rechter van hemel en aarde (Lukas 23:30).
Maar tevergeefs. Want alle dingen zullen naakt en geopend zijn voor Degene met wie u dan te doen zult hebben (Hebr. 4:13). Voor Hem, Die op de troon zit.

In blinkende grootheid, heerlijkheid en glorie! Hij zal groot zijn!
Hij zal u oproepen. De boeken zullen opengaan.
Het boek van de alwetendheid van God. Het boek van uw geweten.
En u zult geoordeeld worden. Veroordeeld, weg geworpen door de handen van de Almachtige.
Klein mensje, die het waagde te zondigen tegen de grote God.
Klein mensje, die het waagde de grote Christus te verwerpen en Zijn bloed te vertrappen.
Er zal geen offer meer overblijven voor uw zonden (Hebr. 10:26).
Uw heer zal komen ten dage, in welken u hem niet verwacht, en ter ure, die u niet weet;
En zal u afscheiden, u wegdoen, en uw deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden (zie Matt. 24:50-51).

Hebt u het er voor over?
Dat kleine poosje? Wat jaren, wat maanden, of een paar dagen nog?
Genieten van de grootheid van dit leven? Van zelf groot worden?
Van alles wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleses, en de begeerlijkheid der ogen, en de grootsheid des levens? (1 Joh. 2:16)
Totdat alles voorbij is? En u niets meer hebt?
En u weggeworpen zult worden door de handen van de grote Rechter van hemel en aarde? Door de doorboorde handen van het Lam, die u tot in eeuwigheid zullen herinneren aan Zijn genade?
Maar nu is het te laat…!
Kom toch tot bezinning, om uws levens wil!
Uw tijd is kort. Die vliegt voorbij.
Laat die dwaasheid! Breek met die zonde en met die opstand tegen God. Met dat groot zijn voor God. En buig! Ken, erken uw ongerechtigheid, dat u tegen de HEERE uw God overtreden hebt (Jer. 3:13).

Ik verkondig u, voor de korte tijd dat u hier nog bent, tot slot: grote blijdschap!
Grote blijdschap die wel in een ogenblik kan omslaan in groot verdriet!
Er is een Zaligmaker beschikbaar, voor u, voor jou. Een grote Zaligmaker. Vol van zondaarsliefde en genade.
Hij wilde Zich diep vernederen. Hij wilde komen in deze wereld. Hij wilde sterven aan het kruis. Voor zondaars.
Bereid en geschikt is Hij, om de grootste van de zondaars, ook mij, ook u, zalig te maken.
O, laat u dan nu, vandaag nog, met God verzoenen.
Want morgen is het misschien wel te laat!

Heden, nu u Zijn stem hoort, verhard uw hart niet (Ps. 95:7-8). Want hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote zaligheid geen acht nemen? (Hebr. 2:3)
Want: Deze zal groot zijn. Het Koninkrijk van Christus zal geen einde hebben.

Geliefde gemeente, gaat u als grote zondaar de grote zaligheid tegemoet? Vanwege de grote Zaligmaker?
Of gaat u als grote weigeraar de grote ondergang tegemoet in de handen van de grote Rechter?
Wees bereid om de grote Koning, om het Lam te ontmoeten!
En vergeet het niet: Deze zal groot zijn!
De hemel en de aarde zullen vervuld worden met Zijn majesteit en glorie.

Amen.