Emmaüsgangers · Lukas 24 · Pasen

Emmaüsgangers
Preek Lukas 24:13-35: En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

Thema preek Lukas 24: Emmaüsgangers

De openbaring van de Heere Jezus aan de Emmaüsgangers
1. Hun vragen
2. Zijn antwoord

PDF LEESPREEK

Links bij preek over Lukas 24: Emmaüsgangers
Andere preken voor Pasen:
Preek Mattheüs 28: Ik ben met ulieden al de dagen
Preek Johannes 20: Verschijning aan discipelen
Preek Johannes 20:1-10: Twee mannen bij het graf
Preek 1 Korinthe 5:6-8: Zuiver de oude zuurdesem uit
Lees meer:
– Kanttekeningen Lukas 24

PASEN | LUKAS

Ze gaan naar huis, de Emmaüsgangers.
Ontmoedigd, verdrietig en verslagen. Het is nu al de derde dag.
Ze hebben zich de laatste dagen opgehouden in de kring van de discipelen, in de kring van de bekenden van de Heere Jezus Christus.
Maar nu is het al zondag.

‘De berichten van vanmorgen hebben ons alleen maar verder in verwarring gebracht. Die berichten van de vrouwen, van die twee discipelen, die vertelden dat het graf leeg was. Maar ze hebben Hem niet eens gezien! Onzin, kletsverhalen, ijdel geklap!
Kom, we gaan naar huis. We weten het ook niet meer.’

Het is een uur of twee lopen naar Emmaüs. Vanaf Jeruzalem een kilometer of elf. Over ruim twee uur hopen ze thuis te zijn. Die twee mannen, de Emmaüsgangers, Kleopas en die andere, van wie wij de naam niet weten.
Onderweg zijn ze in gesprek. Hoe kan het ook anders. In gesprek over de dingen (vers 14) die gebeurd zijn.
Want, wat is het toch veel gebeurd. Maar nu is alles voorbij. Nu is alles verleden tijd. En van de dingen van het verleden kan je niet leven.
Hun Heere is gekruisigd, gestorven en begraven. En nu is het al de derde dag.

Wat hadden ze vroeger hoop gehad. In vers 21 staat: we hoopten dat Hij degene was die Israël verlossen zou. Die ons als slaven, als krijgsgevangenen zou vrijlaten. Maar die hoop, die is voorbij.
Hun hart huilt van verdriet, van liefde om hun gestorven Meester. Die ze niet meer zien. En ze kunnen ook niet geloven (konden ze dat maar!) dat Hij leeft.
Twee levende harten, vol van liefde en heimwee. Maar zonder licht.
Laten we vanmorgen met elkaar meelopen, met die twee mannen op weg naar Emmaüs.

Ik lees u als samenvatting van het Schriftgedeelte dat wij vanmorgen overdenken de tekst voor die u vindt in Lucas 24:25-27. Daar lezen we het woord van God als volgt:
En Hij zeide tot hen: O, onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan? En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten, legde Hij hun uit, in al de Schriften, hetgeen van Hem geschreven was.

Het thema voor de preek is: De openbaring van de Heere Jezus aan de Emmaüsgangers

We letten met elkaar op twee aandachtspunten.
In de eerste plaats op hun vragen. En in de tweede plaats op Zijn antwoord, het antwoord van de Heere Jezus.
Twee aandachtspunten dus:
1. De vragen van de Emmaüsgangers
2. Jezus’ antwoord op de vragen van de Emmaüsgangers

Als eerste dus:

1. De vragen van de Emmaüsgangers

Ze zijn druk met elkaar in gesprek. Al hun hoop zijn ze kwijtgeraakt, maar van het verleden kunnen ze niet zwijgen.
Je kan zo meevoelen met deze mannen, nietwaar? Hebben we ons nu toch bedrogen?
Ja, wat er vroeger was, dat was waar. Ze zeggen ook niet (in vers 19): We dachten dat Hij een profeet was, maar ze zeggen het nog steeds stellig: Welke een profeet was(!), krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk.
Maar, dat waar de Emmaüsgangers zich toen niet in konden bedriegen, lijkt nu uiteindelijk alsnog bedrog te zijn geweest. Hun leven, hun hart ligt overhoop. Het schip van hun hoop is te pletter geslagen op de rotsen van de dingen die de laatste dagen gebeurd zijn.
Samen praten ze erover. Zeker, ze kunnen er niet van zwijgen.
Maar, dat praten loopt ook al niet zo goed. In vers 15 staat: ze ondervragen elkaar. Het wordt gaandeweg meer een discussie, dan een goed gesprek van hart tot hart.

Totdat… ze ineens langzaam (ze kijken voorzichtig over hun schouder) ingehaald worden door een onbekende Man, die hen achteropkomt…
Maar, zo staat in vers 16: hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.
Wie is die Man toch? Het is alsof ze geblinddoekt zijn. Ze zien Hem wel, maar ze kennen Hem niet, die onbekende Man, die Vreemdeling…

Die Zich overigens wel vrijmoedig mengt in hun onderlinge gesprek.
Want (zo staat in vers 17): Hij zeide tot hen, tegen de Emmaüsgangers: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?
Welke (zo staat er eigenlijk letterlijk) woorden gooien jullie elkaar voor de voeten?
Het lijkt vanuit de Griekse taal dat ze even stilstaan, terwijl die Vreemdeling hen onderzoekend aankijkt en zegt: ‘En u kijkt zo verdrietig, wat is er toch met u?’

Wat is het een wonder, gemeente, dat de opgestane Heere juist dit soort van mensen opzoekt.
Eerst die bange vrouwen bij het graf, toen die bedroefde Maria Magdalena, toen die berouwhebbende Petrus, en nu hier deze verwarde mannen op weg naar Emmaüs.
En: Hij ziet, Hij weet, Hij kent hun droefheid en verdriet.
En Hij ziet, Hij weet en Hij kent ook uw droefheid en verdriet.
Maar, wat doet de Heere het toch vaak anders, dan dat wij het verwachten.
Je zegt, jongens en meisjes: laat de Heere toch gewoon direct zeggen: ‘Hier ben ik! Vrede zij u! Ik ben opgestaan uit de doden!’
Dan is alles opgelost toch?

Ja, dat denk je, maar weet je wat er dan gebeurd zou zijn? Dan waren zij (die twee mannen, die Emmaüsgangers, die nu heel verdrietig zijn) vast uitgebroken in vreugde, blijdschap en verwondering. Hun gevoel zou helemaal omgeslagen zijn. Maar één ding zou niet veranderd zijn. Dat wat we straks zullen zien in vers 25: hun hart…
De Heere wil hun hart genezen van twijfel en ongeloof. En Hij doet dat op Zijn eigen manier. En dus houdt Hij Zichzelf nog verborgen…

Zoals de Heere dat nog steeds vaak doet met verwarde discipelen, met kinderen van God die het niet meer weten.
Hij zegt niet direct: ‘Hier ben Ik, Ik ben uw heil alleen!’
Nee, Hij onderhandelt met ze, Hij gaat met hen in gesprek.
Opdat? Waarom?
Opdat ze hun hart voor Hem zouden uitstorten. Opdat ze tegen Hem zouden zeggen wat in hun binnenste leeft. En zo, op die manier, wil Hij aan hen laten zien, waar het in hun hart echt aan schort. En tegelijkertijd verwarmt Hij zo, op die manier, hun hart zodat het weer en meer gaat branden van liefde en verlangen.

Zijn hier vanmorgen ook van die verwarde Emmaüsgangers in de kerk?
U weet nog hoe het vroeger was. Uw hart was vol van liefde en ijver. Maar nu ligt alles overhoop.
Ja, je kunt het wel vertellen tegen een ander kind van God en het is ook goed om er over te praten, maar uiteindelijk lost dat het niet op. Er is er maar Eén, Die licht kan ontsteken in de duisternis van dat donkere hart. En dat is de opgestane Christus Zelf.

En Hij komt vanmorgen in de dienst van het Woord als het ware ook bij u, naast u lopen. Hij kijkt u als het ware aan, en zegt: ‘Wat ziet u toch droevig? Wat is er? Vertel me eens wat in uw hart is.’

‘Ja, maar vreemdeling’, zegt Kleopas, ‘bent u dan echt een vreemdeling in Jeruzalem, en weet u niet wat daar allemaal gebeurd is?
‘Wat is er dan gebeurd?’ O, wat ontlokt de Heere deze mannen hun hart.
‘Nou’, zegt Kleopas, ‘de dingen van Jezus van Nazareth, een Profeet machtig in woorden en werken. Maar onze overpriesters en oversten (hij houdt de schuld dichtbij en geeft niet Romeinen en Pilatus de schuld), onze overpriesters en oversten hebben Hem gedood.
En daarmee verging onze hoop. En nu zijn we Hem kwijt.
Hij stierf het oordeel van de dood van het kruis. Terwijl we (vers 21) zo op Hem hoopten.
En nu is het al de derde dag. Nota bene juist op deze dag hebben de vrouwen ons in verwarring gebracht. Ze zijn (vers 22 en 23) bij het graf geweest en zeggen dat Zijn lichaam weg is, en dat ze engelen gezien hebben, die zeggen dat Hij leeft. En (vers 24) sommigen (Petrus en Johannes) zijn daarna wezen kijken, en ze zeggen dat het klopt! Maar, Vreemdeling, Hem zagen zij niet!
Kleopas stort heel zijn hart uit voor deze Vreemdeling: ‘Wat iedereen ook van Hem zegt, ik ben Hem, wij zijn Hem kwijt. Wij zien Hem niet meer’.
En trouwens, ze kunnen wel van alles vertellen, maar zij hebben Hem ook niet gezien.
We waren vol verwachting, toen Hij in ons leven kwam. We verwachtten (net als Hanna de profetes) de verlossing van Israël, maar… wat een ontgoocheling!

Wij gaan verder met onze tweede gedachte, maar zingen eerst uit Psalm 77:2:
‘k Schatte mij geheel verloren;
‘k Mocht van geen vertroosting horen,
Als mijn ziel aan God gedacht,
Loosd’ ik niet dan klacht op klacht;
Peinsd’ ik aan mijn vrucht’loos kermen,
Vrucht’loos roepen om ontfermen,
Dacht ik, hoe God anders helpt,
Mijne ziel werd overstelpt.

Gemeente, we gaan verder met ons tweede aandachtspunt.
We hebben het samen gehad over de vragen van de Emmaüsgangers, nu als tweede:

2. Het antwoord van Jezus op de vragen van de Emmaüsgangers

Het antwoord van die Vreemdeling, Die bij hen is komen lopen.
Wat is Zijn antwoord? Kijk maar in vers 25: En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben!
De toon is bestraffend. Maar dat is ook terecht, als de Heere ons tegenkomt in ons ongeloof, in ons dwalen. O onverstandigen en tragen van hart. Wat bent u toch dwaas, wat bent u toch onverstandig, wat is uw geloof toch zwak. Er zijn, gemeente, op de wereld (als het gaat om geloof) twee uitersten. Er zijn atheïsten, mensen die niet geloven in God. Dat is het ene uiterste. En er zijn mensen die zeggen dat ze altijd geloven. Dat is het andere uiterste.
Maar op de dag van de opstanding en daarna blijkt dat Gods kinderen, dat de oprecht gelovigen mensen zijn, die van zichzelf niet kunnen geloven.
Ze zouden het wel willen en er is ook leven in hun hart, maar het ontbreekt hen zo vaak aan licht. Ze kunnen zo vaak niet geloven.

De bekende puriteinse predikant John Flavel zegt dat er twee barrières, twee belemmeringen zijn voor Gods kinderen om te geloven. Twee deuren die beiden door Christus geopend moeten worden. De eerste barrière, de eerste gesloten deur is die van de onwetendheid: ik weet het niet, ik begrijp het niet, ik ben het vergeten. En de tweede barrière is de hardheid van ons hart.
De eerste barrière, die van onwetendheid, opent Christus door het Woord, door de prediking van het Evangelie.
De tweede barrière, die van de hardheid van ons hart, neemt Hij weg door het verborgen werk van Zijn Heilige Geest. Die, net als bij Lydia, het hart opent.

I. Hij, die Zichzelf verbergende Vreemdeling, Hij opent als eerste de Schriften. En wat gaat Hij dan doen? Dit: Hij laat die Emmaüsgangers, al vertellend, twee dingen zien.
Als eerste: alles, alles wat de profeten gesproken hebben. En als tweede dat het moest, dat de Christus dit alles doen moest.
Hij vertelt het hun, beginnende (vers 27) van Mozes en de profeten. Heel de Bijbel door.
Om ervoor te zorgen dat ze het een beetje gaan snappen? Dat ze een beetje meer Bijbelkennis krijgen? Nee, om hun te laten zien: Wie Hij is en wat Hij deed om Gods raad, om Gods plan te vervullen en uit te voeren.

Wil er licht opgaan in je ziel, Kleopas en vriend naast hem, dan moet je het zoeken in de Schriften.
Dat is nog zo. Je mag allerlei goede boeken lezen, prima, maar licht vind je in de Schrift, in de Bijbel. Je moet je gang vastmaken in het Woord van de Heere. In de hele Bijbel. Beginnend in het begin. Daar zie je de Christus al. Bijvoorbeeld in Genesis 3:15. Het vrouwenzaad zal de kop van de slang vermorzelen, en dat zal hem de verzenen vermorzelen. Door lijden tot heerlijkheid! Daar is de Schrift vol van!
Je ziet de Christus in de boeken van Mozes. In de boeken van de profeten, in Jesaja 53 bijvoorbeeld. De Knecht des Heeren zal bitter lijden, als een lam geslacht worden. Maar daarna zal Hij verhoogd worden. En het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkig voortgaan.
Je ziet de Christus in de boeken van Mozes, in de profeten, in de psalmen. In Psalm 22, 40, 69, 100, 110, in Psalm 118 bijvoorbeeld: de steen die door de bouwlieden verworpen is (overgeleverd en verworpen door onze overpriesters en oversten), die is nu geworden tot een uiterste hoeksteen!

En terwijl die Vreemdeling (die ze nog steeds niet kennen) met hen meeloopt, opent Hij voor de Emmaüsgangers de Schriften. Al sprekend vanuit de Schriften, onthult, openbaart Hij Zichzelf.
Niet zo dat ze Hem kunnen zien met hun lichamelijke ogen. Want ze kennen Hem nog steeds niet.
Maar toch wordt de Christus, de Christus Gods, steeds helderder voor hen: Wie Hij was, waarvoor Hij kwam, wat Hij doen moest en wat Hij gedaan heeft.
Omdat de woorden van die Vreemdeling kracht doen aan hun ziel. Het is meer dan het opsommen van Bijbelteksten uit de boeken van Mozes, uit de profeten, uit de psalmen. Het is heel iets anders wat deze Vreemdeling doet.

II. Hij ruimt al sprekend ook de tweede barrière op, die de Emmaüsgangers belemmert te geloven. Namelijk die in hun hart.
Ze horen Zijn woorden en Hij geeft hun geloof, om die woorden echt te geloven.
Híjzelf brengt ze tot geloof, zodat ze de kracht en de waarde en de betekenis van die woorden in hun hart kennen en vertrouwen.
Hij opent de Schriften en hun hart, zodat ze gaan zien en geloven: dat de Christus Gods deze dingen lijden moest en alzo in Zijn heerlijkheid moest ingaan.

Die Vreemdeling doet een wonderlijk werk. Hij opent de Schriften. Dat is de eerste gesloten deur.
En Hij opent tegelijkertijd (dat was de tweede barrière, de tweede gesloten deur) hun hart. Zodat ze gaan geloven. Zodat ze een andere blik krijgen op Hem, van Wie ze dachten dat Hij Israël verlossen zou (op de manier zoals zij verwachtten).

Als sprekend leert Hij de Emmaüsgangers geloven, dat het Gods bedoeling was, dat het Gods eeuwige raadsplan was, dat de Christus lijden en sterven moest. Dat moest van God. Vanwege Zijn eeuwige raadsplan, vanwege Zijn eer, vanwege Zijn naam en glorie.
In Zijn eeuwige raad en in Zijn eeuwige welbehagen had God besloten dat door een weg van lijden en sterven de prijs voor de zonde betaald zou worden.
Maar ook dat Hij zou opstaan in heerlijkheid en majesteit. Een plan dat nooit zou falen. En dus moest Hij èn lijden èn opstaan.
Hadden ze nu maar geluisterd naar de profeten. Dan hadden ze op Golgotha de vervulling gezien van de profetie.
Hadden ze nu maar geluisterd naar de eigen woorden van de Heere Jezus. Dan hadden ze nu geweten: Hij leeft.

Maar nu komt Christus Zelf in al hun gebrek, in al hun vergeten, in al hun ongeloof en twijfel. En deze Vreemdeling, die de Christus is, verkondigt hun Christus.
Christus preekt Christus!
En dus mogen Zijn dienaars hetzelfde doen! Vanuit het Woord, vanuit de Schrift.
En Hij (dat kan geen mens) opent tegelijkertijd hun hart.
Om te geloven: dit moest. Lijden tot de heerlijkheid van God. Opstaan tot de heerlijkheid van God. Dit alles heeft Hij gedaan tot de heerlijkheid en de glorie van de Drie-enige God.

Die dat plan, dat al van eeuwigheid vastlag, heeft laten opschrijven in de Bijbel. Dat plan was eerst. Later is het, in de tijd, opgeschreven, als waren het ‘de notulen’ van dat eeuwige plan van God.
Het verkiezende welbehagen van de Vader moest uitgevoerd worden.
En dus moest de kop van de slang vermorzeld worden.
En dus moesten satan, dood en graf overwonnen worden.
Door een weg van lijden en van opstaan!

Een Verlosser, die Israël verlossen zou… Maar niet op de manier zoals zij verwacht hadden. Het moest op Gods manier. Door plaatsvervangend te lijden, door de dood aan het kruis en door de opstanding tot het leven.

Terwijl het leven van deze Emmaüsgangers aan alle kanten stukgelopen is en hun hoop vergaan is (hoewel hun liefde nog brandt), komt de levende Christus tot hen.
Hij onthult de Schriften. Hij onthult Zichzelf. Hij openbaart Zich aan hen.
Maar (nogmaals) dat is meer dan zeggen, dan vertellen alleen. Dat is meer dan het aanhalen van Bijbelteksten uit het hele Oude Testament.
Hij leert hen om Hem meer te kennen, om Hem dieper te kennen. En Hij schenkt hun geloof in Hem, de Christus, die door God gezonden was om dit plan van de zaligheid uit te voeren.
Hij schenkt hun geloof in het Woord. Terwijl ze Hem nog niet herkennen en zien!
En dat is nieuw! Dat is nieuw!
En ondertussen brandt hun hart. Ze zeggen dat later tegen elkaar in vers 32: Was ons hart niet brandende in ons, als Hij tot ons sprak op den weg, en als Hij ons de Schriften opende?

Hadden ze dit nu maar eerder gezien en geloofd. Dan was de kruisiging van hun Heere geen belemmering geweest om te geloven dat Hij echt de Messias der Schriften was!
Dan had Zijn dood hun juist zekerheid gegeven! Hij was immers de Zaligmaker niet, als Hij niet geleden had en niet gestorven was.
Maar nu toont de Heere Jezus Christus hen Zelf de gouden draad van de profetie, de gouden draad van het heilsplan van God.
En ze geloven Hem met hun hele hart. Hoewel ze Hem nog steeds niet herkennen, niet zien. En dat is nieuw…

Laten we, voordat we verder gaan naar het laatste deel van deze geschiedenis, samen eerst nog zingen uit Psalm 118:11.
De steen, die door de tempelbouwers
Verachtelijk was een plaats ontzegd,
Is, tot verbazing der beschouwers,
Van God ten hoofd des hoeks gelegd.
Dit werk is door Gods alvermogen,
Door ’s HEEREN hand alleen geschied;
Het is een wonder in onze ogen;
Wij zien het, maar doorgronden ’t niet.

De tijd is al pratend, ongemerkt verdergegaan. De Emmaüsgangers zijn inmiddels vlakbij huis.
‘Vreemdeling, blijft bij ons, want het is al donker’. En in het donker is de weg niet veilig. Er zijn misschien rovers, de weg is ongelijk en er kunnen zelfs wilde dieren zijn.
Het lijkt voor de twee mannen alsof de Vreemdeling (zo staat het in vers 28) verder wil gaan. Weer ontlokt Hij hun (voor hen ongemerkt) wat leeft in hun hart…
‘Meester, ga niet verder, blijft bij ons’.
En (vers 29) zij dwongen hem.

En het geschiedde (vers 30 en 31), als Hij met hen aanzat, nam Hij het brood, en zegende het, en als Hij het gebroken had, gaf Hij het hun. En hun ogen werden geopend, en zij kenden Hem; en Hij kwam weg uit hun gezicht.
Als ze gaan eten, dan zegent Hij het brood. Hij neemt de leiding. Als Hij gedankt heeft breekt Hij het brood. En dan…
Wat dan?
Je zegt: ‘Dan horen de Emmaüsgangers hoe Hij biddend spreekt tot Zijn Vader en dan herkennen ze Zijn stem? Dan, als Hij het brood breekt en geeft, dan zien de Emmaüsgangers aan Zijn handen de littekens…?

Nee, dat staat er niet. Er staat niet dat zij Hem ontdekken. Hij doet het.
Hij neemt de blinddoek weg van hun gezicht. Hij opent hun ogen. En ze kennen Hem.
Eerst heeft Hij de Schriften geopend, toen heeft Hij hun hart geopend om te geloven, en nu opent Hij hun gewone ogen.
Maar dan, ineens is Hij weg. Ze zien Hem niet meer.

Je zegt: ‘Wat is er nu precies gebeurd?’
Dit: hier zijn twee kinderen van God, twee discipelen, met een hart vol van liefde tot de Heere Jezus Christus. Maar zo ondersteboven! Door hun ongeloof en twijfel.
En dan komt de Heere zelf. Hij opent de Schriften, Hij opent hun hart.
En wat gebeurt er dan?
Komt er dan weer zoveel gevoelige blijdschap, vrede en liefde, omdat ze Hem zien met hun eigen ogen?
Nee, dan werkt de Heere geloof in hun hart. Geloof in het Woord. Geloof in de Schriften. Terwijl ze met hun gewone ogen nog helemaal niets zien.
Met andere woorden: er komt in het leven van de Emmaüsgangers (en datzelfde is gebeurd in het leven van de vrouwen en van de discipelen) een vaster fundament. Er komt meer vastheid en zekerheid.
Na Pasen zien ze Hem nauwelijks meer. En op de momenten dat ze de Heere zien, leert Hij hun geloven zonder te zien. Leert Hij hun geloven in het Woord. Als ziende de Onzienlijke.

Zoals Petrus later zelf zegt in 1 Petrus 1:8: Dewelke u niet gezien hebt, en nochtans liefhebt, in Dewelke u nu, hoewel Hem niet ziende(!), maar gelovende(!), u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.
Leren leven door het geloof. Ook al zien we Christus niet. Ook al voelen we niets meer. Leren leven door het geloof in het Woord, in de beloften van het Woord, die ja en amen zijn in God door Christus. Ook al wijst alles op het schijnbare tegendeel. Maar God heeft het beloofd. En in dat beloftewoord is een vaste grond.
Niet meer zo geschud en geslingerd als in verleden tijden. Maar door genade staande op een vast fundament. Op het fundament van de Schriften.
Zoals die andere puriteinse dominee Samuel Rutherford ooit zei: Ook al zie ik de liefde niet meer op Zijn gezicht, ik weet, ik geloof dat Zijn liefde tot mij nog steeds in Zijn hart is.
Dat weet ik (hoewel ik het niet zie) vanuit het Woord. Want Hij heeft het gezegd!

Het is dat wat Paulus zegt in 2 Korinthe 5:7: Want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen. Als het duister wordt in mijn hart en ik de gevoelige nabijheid van de Heere niet ervaar, dan is het Woord van God, het woord van Zijn belofte een licht op mijn pad. Levend en krachtig.

Beste vrienden, dit hebben wij allemaal nodig.
In de eerste plaats (want dat hoort daarbij!) dat je ook zelf echt de Schrift onderzoekt. Als ik me niet vergis, is er een tendens om van alles en nog wat te lezen aan stichtelijke lectuur (de één zegt dit, de ander meent dat), maar zoek uw leven en uw licht in de Schriften. Terwijl u bidt of de Schriften geopend zullen worden, terwijl u bidt om ogenzalf, opdat u zien en geloven zou met heel uw hart (Openbaring 3: 18).
Dat is in de eerste plaats nodig: de Schriften onderzoeken.

En in de tweede plaats hebben we nodig dat de Christus Zelf komt door Zijn Heilige Geest (en Hij wil komen in deze middellijke weg!) om ons (natuurlijke mensen, die de dingen van de Geest van God niet begrijpen) de geestelijke verborgenheden van het Woord te laten zien. Door ons hart te verlichten en ons geloof te schenken.
Houdt u daarom gemeente bij de Schrift, bij het Woord van God.
Het is niet de bevinding die tot Christus leidt. Het is Christus, de Christus der Schriften, die door het Woord leidt tot een ware bevinding.
Laten we mensen zijn en blijven van de Schrift.

Door Woord en Geest overtuigt Christus harten van mensen. Dat zie je hier.
Hij trekt hun hart. Ze stoppen met praten. Ze gaan luisteren. Ze worden klein, hongerig en verlangend.
Wie zo overtuigd wordt door het Woord, gaat nooit roemen in zichzelf. Die krijgt door de Christus van het Woord, Christus Zelf in het oog, de onnaspeurlijke rijkdom van Hem en van Zijn genade.

En nu dat zo is, nu gaan ze heel snel terug naar Jeruzalem. Het is donker, maar dat geeft niet. Ze hebben wat te vertellen!
Maar dat blijkt overbodig. De Heere heeft hen en hun getuigenis helemaal niet nodig.
Hij is al verschenen (zichtbaar) aan Petrus. En in Jeruzalem galmt het hun tegemoet: De Heere is waarlijk opgestaan en Hij is van (door) Simon gezien (vers 34).
En dan vertellen ze het ook: niet wat zij ervaren hebben, maar wat Hij gedaan heeft. Hoor, wat mij God deed ondervinden, wat Hij gedaan heeft! Hij heeft zich aan ons bekendgemaakt in het breken van het brood.

De Emmaüsgangers zijn weer thuis. Bij de elven. In de bredere kring van de discipelen.
Hun hart is verwarmd, hun geest verlicht, hun hoop weer levend, maar vooral… en dat is nu toch echt anders in het leven van deze kinderen van God (en we wensen en bidden dat elkaar ook toe): er is meer vastheid, meer zekerheid gekomen in hun leven.
Door de persoonlijke ontmoeting met… (en nu goed opletten: niet door een bijzondere, zichtbare verschijning of wonderlijke ervaring, maar) door de persoonlijke ontmoeting met de Christus in het Woord.
Hun geloof is vaster geworteld in het Woord, in de Schriften. In het Woord van God: een vast en onwankelbaar fundament. Al zie ik het niet, al voel ik het niet. Het Woord is en blijft waar!

Kruis en opstanding zijn voor hen beide (van nu af aan en voortaan) tekenen van de vervulling van Gods eeuwige raad en van de heerlijkheid en de glorie van Christus en van God Drie-enig.
Zo was er geschreven en zo moest de Christus verheerlijkt worden!

Geliefde gemeente, kinderen van God, Paulus schrijft in 1 Korinthe 15: Ik heb u ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen hebt, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften. En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derde dage, naar de Schriften (1 Korinthe 15:3-4).

Nu dan: Onderzoekt dan de Schriften, want die zijn het die van Christus getuigen (Johannes 5:39).

Amen.

Slotzang Psalm 119:67:

Maak in Uw woord mijn gang en treden vast,
Opdat ik mij niet van Uw paân moog’ keren;
En wordt mijn vlees door ’t kwade licht verrast,
Ai, laat het mij toch nimmer overheren.
Verlos mij, HEER, van ’s mensen overlast,
Dan zal ik U, naar Uw bevelen, eren.