Lofzang van Maria (Lukas 1) – advent

Preek: Lofzang van Maria
Tekst Lukas 1:46-55: Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam. En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen. Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm.

PDF LEESPREEK

Tekst preek:

Ze is nog maar net binnen, meisje Maria, 15, 16, 17 jaar misschien, bij tante Elizabet, als ze in blijde verrukking, vervuld door de Heilige Geest als het ware gaat zingen. Ze gaat de lof van de Heere vertellen.
Dat, zo zegt de Kleine Catechismus van Westminster was en is ook het allerhoogste doel van de schepping van de mens: God verheerlijken!
Ze zingt een lied, een psalm, een lofzang!

Ze heeft zich in al haar zorgen vastgeklemd aan het woord van de Heere! En nu zingt ze een lied, vol van dat woord!
Zoals jullie, jongens en meisjes, met kerst jullie teksten opzeggen, zo zingt Maria in haar lofzang als het ware teksten, de een na de ander. Het is één groot collage van teksten, van woorden uit het Oude Testament, van woorden die opborrelen uit haar hart.
Tot lof en eer van God, die Zijn Woord vervuld heeft.

We overdenken vanmorgen, gemeente, met Gods hulp wat u voorgelezen is uit het Evangelie van Lukas, het eerste hoofdstuk, de verzen 46 tot en met 55.
We lezen samen nogmaals Lukas 1:46-55, waar het Woord van God als volgt geschreven staat:
En Maria zeide: Mijn ziel maakt groot den Heere;
En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker;
Omdat Hij de nederheid Zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten.
Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is, en heilig is Zijn Naam.
En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen, die Hem vrezen.
Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.
Hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.
Hongerigen heeft Hij met goederen vervuld; en rijken heeft Hij ledig weggezonden.
Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.
(Gelijk Hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad) in eeuwigheid.

Het thema voor de preek van vanmorgen is:

De lofzang van Maria

We letten samen op twee aandachtspunten: in de eerste plaats op de aanleiding tot die lofzang (dat staat in vers 46 tot en met 50), en in de tweede plaats op: de inhoud van haar lofzang (dat vindt u in vers 51 tot en met 55).
Dus: de lofzang van Maria:
1. De aanleiding tot haar lofzang
2. De inhoud van haar lofzang

Als eerste dus:

1. Aanleiding tot lofzang Maria

Gezegend bent u onder de vrouwen, zo zei Elizabet.
Een bijzonder meisje, zo zouden wij zeggen. Maar zij zegt (kijk maar in vers 46 en 47): Mijn ziel maakt groot de Heere! En mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker!
God is het voorwerp van haar lof. En dat is genade.

Dat doet denken, jongens en meisjes, aan vroeger. Aan het paradijs. Daar zongen Adam en Eva de lof van God. Zoals dat, ik zei het zojuist al, zoals dat staat in de Catechismus van Westminster: het hoogste doel van de schepping van de mens was en is God verheerlijken. Adam en Eva zongen in het paradijs Gods lof. Maar daarna werd het door de zonde stil. Doodstil…
Maar nu, eeuwen later, gaat dit jonge meisje weer zingen, zoals staat in Psalm 103: Loof de Heere, al wat binnen in mij is, Zijn heilige Naam. En dat is genade.

De belofte die eeuwen geleden aan Eva gedaan is, de belofte van het komende Vrouwenzaad, de belofte van de komende Messias is vervuld. Wij hadden het verbond met God gebroken, en de weg naar God terug geblokkeerd. Maar God openbaarde een nieuw verbond, het nieuwe verbond van Zijn genade.
En nu zingt dit jonge meisje van dat welbehagen, van die goede gedachten van God, van dat onbegrijpelijke wonder van de door God beloofde Zaligmaker. En de woorden over Hem, die moeten eruit! Woorden, leeg van zichzelf, maar vol van God en van Zijn Jezus.
En dat is genade.

Zingt u, zing jij ook weleens zo? Wij zijn zo gewoon om te zeggen: Ik heb dit of dat gedaan, of: ik heb dit of dat gepresteerd. En zo kan het ook zijn na ontvangen genade: Ik heb dit of dat geleerd, of: ik heb dit of dat ervaren. Maar het is allemaal: ik, ik…
Maar nee, zij zingt in de lofzang van Maria: Mijn ziel maakt groot de Heere! En dat is een lied uit een vernieuwd hart. Want alleen een nieuw hart maakt God groot.

Haar woorden zijn een echo van de woorden van Gabriël, de engel die de geboorte van de Heere Jezus heeft aangekondigd: En zie, zult bevrucht worden, en een Zoon baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. Deze zal groot zijn, en de Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem de troon van Zijn vader David geven. En Hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde zijn (Lukas 1:31-33). U zult Zijn Naam heten Jezus, want (zo zei de engel tegen Jozef): Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden (Mattheüs 1:21).

En nu zingt Maria in haar lofzang: Mijn geest verheugt zich in mijn Zaligmaker. Ze roemt haar kind als haar Zaligmaker. Deze Jezus is mijn Jezus, en deze Zaligmaker is mijn Zaligmaker. Meer dan vanwege haar moeder-zijn, roemt ze dit kind als haar Zaligmaker!

Gemeente, kent u dat? Is dat ook de praktijk van uw leven? Vreugde en blijdschap om zulke onverdiende genade?
Is er in ons leven vaak niet veel trots en hoogmoed, om de dingen van ons, om de dingen die wij hebben? Meer dan lof om de dingen, die de Heere aan ons wil geven?
Hier wordt ootmoedig lof gezongen: deze Zaligmaker is mijn Zaligmaker. Want Hij zal mij zalig maken van mijn zonden.

Mijn geest verheugt zich in God, mijn Zaligmaker. Omdat? Omdat, kijk maar in vers 48, dit is de reden van mijn lof: Omdat Hij de nederheid van Zijn dienstmaagd heeft aangezien.
Het zijn woorden die terugwijzen naar de destijds verachte toestand van Lea, de vrouw van Jakob, die eerst kinderloos was, maar na de geboorte van Ruben uitriep: De HEERE mijn verdrukking heeft aangezien (Genesis 29:32).
Het zijn woorden die terugwijzen naar de destijds verachte toestand van Hanna, die getergd en gepest werd door Peninna, maar die na de geboorte van Samuël zong: De HEERE doodt en maakt levend; Hij doet ter helle nederdalen, en Hij doet weder opkomen. De HEERE maakt arm en maakt rijk; Hij vernedert, ook verhoogt Hij. Hij verheft de geringe uit het stof, en de nooddruftige verhoogt Hij (1 Samuel 2:6-8).
En nu zijn het woorden uit de mond van een jonge moeder, in lage staat, een timmermansvrouwtje uit het huis van David, dat vervallen is.

Paulus zegt later: Het zwakke van deze wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke beschamen zou (1 Korinthe 1:27). God heeft mij aangezien. Zijn oog viel op mij. Wat een wonder! Wat een reden om God lof te zingen. Want er was geen enkele reden in mij. Het was genade, het was Zijn vrije gunst alleen.

Ze zegt (in vers 48 en 49): Want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken al de geslachten. Want grote dingen heeft aan mij gedaan Hij, Die machtig is.
God heeft Maria niet groot gemaakt, maar Hij heeft grote dingen gedaan, aan haar.
Ondanks haar verachte toestand en ondanks de lage staat van haar van nature ook verloren hart. God heeft Zijn oog op haar laten vallen. En Hij heeft haar uitgekozen om de moeder van de Zaligmaker te zijn.
Want God geeft de nederigen genade. Gods bijzondere zorg was en is over degenen die arm, verdrukt en veracht zijn in deze wereld. Want God haat onderdrukking en onrecht.
Gods bijzondere genade is in het bijzonder ook over de geestelijk nederigen, over mensen die laag, veracht en onwaardig zijn voor God, en zo voor Hem buigen.

Grote dingen heeft God aan mij gedaan! Heel het geloof ligt opgesloten in dat kleine, persoonlijke voornaamwoordje: mij. Grote dingen heeft God aan mij gedaan.
Dat ik als maagd een kind ontvangen heb. En dat de zolang beloofde Messias komen zal en gekomen is.
Maar, dat alleen is niet genoeg. Dat je kerst viert met elkaar, dat je je teksten opzegt, en dat je zingt ‘Jezus is geboren’, dat is niet genoeg. Wat we nodig hebben is, dat we kunnen zeggen: God heeft grote dingen aan mij gedaan! Hij is voor mij geboren.

Hij heeft grote dingen aan mij gedaan. Zoals Hanna destijds zong: Hij verheft de geringe uit het stof (1 Samuël 2:8). Zult u dat niet vergeten, u, geringen, nederigen, u die zo vaak buigt in het stof? Dit Woord is waar. En de Heere maakt dit woord op Zijn tijd ook echt waar. Opdat wij mensen geen stof zouden hebben om in onszelf te roemen, maar zouden zeggen: Onze ziel maakt groot de Heere. Want: De HEERE is hoog, nochtans ziet Hij nederige aan, verhevene kent Hij van verre (Psalm 138:6).

Grote dingen heeft hij aan mij gedaan, Hij die machtig is.
Geen ding is voor Hem onmogelijk. Hij is zo getrouw als sterk. Hij is machtig.
Is dat niet uw hoop, bidders, worstelaars? Hij laat niet alleen Zijn oog vallen op het nederige, op het verachte dat bukt en buigt, maar Hij heeft ook een arm met macht en Zijn hand heeft groot vermogen. Geen ding is bij God onmogelijk. Wat bij de mensen onmogelijk is, dat is mogelijk bij God (Mattheüs 19:26).

En, zo zingt Maria in haar lofzang (in vers 49): Heilig is Zijn Naam.
Wie kan de heiligheid van de Naam van de Heere uitroepen? Alleen de nederigen, de verbrokenen en verslagenen van hart. Want alleen zij hebben oog gekregen voor Gods heiligheid. Ze waren van zichzelf hoogmoedig. Maar ze zijn door God neergebogen, toen ze iets zagen van Gods heiligheid. Want als je daar iets van ziet, van dat God heilig is, en dat je zelf verloren bent, dan ga je bukken en buigen, dan word je nederig van hart.
En daarom is het uitroepen van de heiligheid van de Heere in de Bijbel een zaak van uiterste tegenstellingen. De uiterste tegenstelling tussen de oneindige hoogte van de heiligheid van God en de diepte van de genadige vernedering van de mens is vaak tastbaar.

Denkt u maar aan Psalm 22. Eerst klinkt de roep vanuit de diepte: Mijn God, mijn God! Waarom hebt U mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens? Mijn God! Ik roep des daags, maar U antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte. En dan ineens klinkt naar de hoogte: Maar U bent heilig(!), wonende onder de lofzangen Israëls. Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en U hebt hen uitgeholpen (Psalm 22:1-4).

Denk ook maar aan Psalm 71. U, Die mij veel benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mij weer levend maken, en zult mij weer ophalen uit de afgronden(!) van de aarde.
Diep vernederd dus! Maar daarna klinkt de lofzang: Ik zal U psalmzingen met de harp, o Heilige(!) Israëls. (Psalm 71:20-22)

En u kent ongetwijfeld ook de woorden van Psalm 99: Buigt u neer voor de voetbank van Zijn voeten. Want… Hij is heilig! (Psalm 99:5)
En als de profeet Jesaja iets ziet van de heiligheid van de HEERE der heerscharen, en als hij de serafs hoort roepen: Heilig, heilig, heilig is de HEERE der heerscharen, dan roept hij het uit, uit de diepte: Wee mij, want ik verga! dewijl ik een man van onreine lippen ben (Jesaja 6:5)
En hier is een kind van God, een meisje van 15,16, misschien 17 jaar oud, die in diepe bewondering ook de heiligheid van de Heere uitroept.

Zoals het vroeger was in het paradijs. Waar we ons hoogste doel bereikten: God verheerlijken en de heiligheid van Zijn Naam bezingen. Maar toen…, toen we tegen de Heere gezondigd hadden en het verbond met Hem hadden verbroken, toen vluchten weg voor Zijn heiligheid.
Maar nu, eeuwen later, klinkt het ineens weer uit het hart van een jong meisje: mijn Zaligmaker! God heeft de breuk hersteld, en nu kan ze weer zingen: Heilig is de Heere!

Doet u dat ook weleens, kinderen van God? Waar doe je dat trouwens?
Daar, waar je heel diep buigt voor God. Een nieuwgeboren mens krijgt oog voor de heiligheid van God en voor de volmaakte deugden van God. Maar zelfs in de diepte van het heimwee naar God, in de diepte van geestelijke verlating, al is het geestelijk nog zo donker, toch weet ons hart in die moeilijke omstandigheden van de aanbidding van
Psalm 22: Waarom hebt u mij verlaten? Maar: U bent heilig!

En, zo zingt Maria verder in haar lofzang in vers 50: En Zijn barmhartigheid is van geslacht tot geslacht over degenen die Hem vrezen. Het is de echo van Psalm 103: ‘s Heeren gunst zal over die Hem vrezen, in eeuwigheid altoos dezelfde wezen.
Gods barmhartigheid is over degenen die God vrezen. Dat wil zeggen: over degenen die in kinderlijke eerbied opzien naar Gods heiligheid. Ze zien in vrees en aanbidding op de heiligheid van de Heere, maar er is in hun hart ook iets van kinderlijk vertrouwen.
Van kinderlijk vertrouwen op die God, die niet alleen driemaal heilig is, maar die ook zo getrouw is al sterk.

Wat is dit toch een aanmoediging voor hen die in stilte de Heere vrezen. Die in hun hart uitzien en verlangen om Hem meer te mogen kennen, de Heere Jezus Christus als hun Middelaar, als Borg voor hun hart, als Betaler voor hun schuld.
Luister toch, naar wat hier staat: Gods barmhartigheid, Zijn brandende liefdehart, is over degenen die Hem vrezen, over degenen die voor Zijn heiligheid buigen. En nooit is die barmhartigheid zo helder geopenbaard, als in het zenden van Gods enig geliefde Zoon.
Zijn komst zegt ons, dat de driemaal heilige God is ook barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid is.

2. Inhoud lofzang Maria

Want we lezen in vers 51: Hij heeft een krachtig werk gedaan door Zijn arm; Hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten.
De cirkel wordt langzaam groter. Eerst ging het over haarzelf. Toen werd de kring wijder, toen het ging over ‘van geslacht tot geslacht’. En nu wordt de blik nog verder verwijdt: Gods arm, de arm van Zijn macht en de kracht van zijn Goddelijk vermogen, heeft de hoogmoedigen verstrooid in de gedachten van hun harten.
De hoogmoedigen. Dat zijn de trotse mensen, mensen die zichzelf goed, die zichzelf beter voelen dan anderen, mensen die boven anderen staan en op die anderen neerzien. Dat is misschien niet zo ver van huis. Het kan zomaar zijn, dat je bij die groep hoort, bij die hoogmoedigen. Bij die mensen die zich beter voelen dan anderen.
En ja, dat komt uit het hart. Want God heeft de hoogmoedigen verstrooid, zo staat er, in de gedachten van hun harten. Alles wat je doet, alles wat je denkt, alles wat je wilt, al je emoties, hebben een drijfveer in je hart. Dat hart was goed geschapen, gericht op de eer en de heerlijkheid van God. Maar datzelfde hart, en dat was en is onze zonde, greep in hoogmoed naar de troon van God. En sindsdien zit die hoogmoed diep in ons menselijke hart geworteld. We vechten tegen God en willen altijd boven anderen staan.

Maar, zegt Maria in haar lofzang, God heeft de hoogmoedigen veracht. En heeft de gedachten van hun hart verstrooid, als het ware weg gestrooid. Wanneer? Nu! Door dit verachte timmermansmeisje uit te kiezen als moeder van de Zaligmaker.
Mensenwerk zegt: Ik wil omhoog! Maar Gods werk zegt: Nee, Ik breng u naar beneden.
Het is Gods werk, in het geestelijke leven, maar ook in het gewone leven van alledag, om de hoogmoed van mensen te breken door Zijn kracht.
Gewone hoogmoed, maar zeker ook geestelijke hoogmoed. De diepste kern en bron van onze zonde tegen God is hoogmoed. En het is Gods goede wil om die hoogmoed van ons te breken.

Ja, je kan Gods genade verachten, je kan overeind willen blijven en door willen gaan, het kan zijn dat je niet wilt bukken en buigen, maar er komt een moment, dat het waar zal worden, wat Jesaja zegt: En de hoogheid der mensen zal gebogen, en de hoogheid der mannen zal vernederd worden; en de HEERE alleen zal in die dag verheven zijn
(Jesaja 2:17). Pas op, lieve mensen, als je nu niet buigt, zal er een dag komen dat je wel zal moeten buigen. Want van de verhoogde Koning Jezus geldt: Alle knie zal zich voor Hem buigen.

Hij heeft machtigen (vers 52) van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft Hij verhoogd.
Het is allemaal verleden tijd. Het is gebeurd. Maar in de oorspronkelijke taal is het eigenlijk een profetische verleden tijd. Het is verleden tijd, en het is nu werkelijk, en het zal zo zijn in de toekomst.
Straks, als de kinderen van Bethlehem vermoord worden, dan denkt Herodes de Grote dat hij de overwinnaar is. Maar hij weet niet dat dit Kind overwinnen zal. En dat hij, Herodes, als koning van de troon zal worden afgetrokken.
Keizer Tiberius is aan het bewind als Johannes de Doper gaat preken. Maar de dagen van zijn keizerschap zijn geteld. Want deze Koning zal de troon bestijgen. Satan en al zijn vrienden en volgelingen, zullen hun troon moeten afstaan.

Om Hem, die heel hoog was, maar heel diep boog. Vrijwillig en met heel Zijn hart.
Om Hem, de eeuwige Koning, die gelegd wilde worden in een kribbe, en gehangen wilde worden aan een kruis. Om Hem, de heilige God, die de menselijke natuur aannam om intrek te nemen in een door en door goddeloze en Gode vijandige wereld. Om de zonde van de Zijnen, van zijn bruid te betalen, en om de macht van de dood en van de hel te overwinnen.

En Maria ziet het in haar lofzang als het ware al gebeuren. Ze profeteert ervan: Hij zal Koning zijn. Hij zal de wereld doorgaan, overwinnende en opdat Hij overwon. En Hij zal heersen van de zee tot aan de zee en van de rivieren tot aan de einden van de aarde.

En het uiteindelijke werk van die eerst vernederde, maar straks verhoogde en hoogste Koning zal zijn: om de nederigen te verhogen.
Denkt u maar aan de profetie van Jesaja 57:15: Want alzo zegt de Hoge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens Naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij die, die van een verbrijzelde en nederige geest is, opdat Ik levend make de geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden.
Dat is het werk van de Hoge, van de Verhevene. Dat is het werk van de heilige God, voor wie niemand van ons van nature kan bestaan. Hij maakt de geest van de nederigen en het hart van de verbrijzelden levend, en Hij verhoogt de nederigen. Zoals de dichter zingt van Psalm 136: Hij heeft aan ons gedacht in onze nederigheid; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid (Psalm 136:23).

Gemeente, de nederigen, de verbrijzelden van hart, die zoveel verdriet hebben over en treuren om hun zonden tegen God, zij zijn voorwerp van Gods bijzondere ontferming, ja, zij zijn het werk van Zijn handen. Wie diep in zijn hart van harte buigt voor de Heere en zichzelf vernedert voor Hem, die stuurt Hij niet weg. David zingt in 2 Samuel 22: Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen. Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren (2 Samuel 22:28-29). Om de vernederden te stellen (zo zegt Job) in het hoge (Job 5:11).
De nederigen, de verbrijzelden van hart, zijn het voorwerp van Gods bijzondere ontferming, ja, zij zijn het werk van Zijn handen.

Daarom, als uw hart verbrijzeld is, als uw geest verslagen is, vanwege dat berouw over uw zonden, en als u niet weet hoe het daarmee verder moet, en als u diep buigt voor de Heere en zegt: ‘Heere, ik heb het allemaal verzondigd, o, toon mij toch Uw weg, vergeef me toch al mijn zonden om deze Uw Christus?’, dan zegt God: Ik wedersta de hovaardige en de trotse. Maar de nederige geef Ik Mijn genade (Jakobus 4:6).
En schrijft Paulus niet in 2 Korinthe 7, dat God de nederigen vertroost (2 Korinthe 7:6)?
De Bijbel is er vol van: God ziet om naar het verachte, naar de nederigen, en Hij verhoogt de geringe uit het stof. God ziet om naar die mensen, die Hij Zelf vernederd heeft.
Want, laten we eerlijk zijn, nooit zal een mens in eigen kracht voor God gaan buigen.
Maar als God ons hart buigt, geeft Hij dat buigende hart ook Zijn genade.

Dat betekent ook, gemeente, als je genade wilt krijgen, dan moet je buigen. Dan moet je buigen voor God. En, lieve mensen, daar word je zo gelukkig van: als je gaat buigen voor God. Niet als je overeind blijft staan. Niet als je boven anderen blijft staan. Niet als je altijd maar denkt of zegt: moet je die zien, moet je die kijken, hoe slecht hij of zij is.
Niet als je God de schuld geeft en zegt: Ik kan er ook niets aan doen. U moet het doen! Dan sta je wel heel erg hoog. Je wordt zo gelukkig, lieve mensen, als je je farizeeër-zijn mag inleveren en met de tollenaar mag uitroepen: ‘O, God, wees mij zondaar genadig?

Hongerigen heeft hij met goederen vervuld (vers 53), en rijken heeft hij ledig weggezonden.
Dat geldt, zo staat het ook in het lied van Hannah, dat geldt het tijdelijke leven.
Door de verrassende wending van Gods bestuur, kunnen armen plotseling rijk worden, mensen die honger hebben plotseling brood krijgen. En een ander die denkt dat hij of zij levenslang vooruit kan, wordt ineens arm, ziek of gebrekkig.
God stelt de eigen verwachting van mensen, het bouwen op eigen kracht en vermogen teleur. Maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, vindt zich omringt door Gods weldaden. Hun mond (zo zingt Psalm 103) wordt verzadigd van het goede. God verzadigt de dorstige ziel en vervult de hongerigen met goed (Psalm 107:9).

Dat geldt het tijdelijke leven, maar dat geldt ook zeker het geestelijke leven van het hart. Hoogmoedige en trotse farizeeërs worden buiten gesloten. Hoeren en tollenaars gaan hen voor in het Koninkrijk der hemelen. Niet veel wijzen en edelen, maar zwakke en onaanzienlijke mensen heeft God uitverkoren. En dat beschaamt ons. Misschien irriteert het u wel mateloos. Dat God naar zulke mensen omziet.
Ja, dat begrijp ik. Maar tegelijkertijd is het zo troostvol bedoeld: God ziet om naar zulke mensen. En daarom kan het, ook voor u. Misschien denk je bij jezelf: Hoe is het toch mogelijk, dat God die of die in het hart geraakt heeft, en mij (die zo netjes ben en zo mijn best doe) niet? Weet u, u moet buigen. U staat veel te hoog. En de hoogmoedigen worden verstrooid.

Niet zij die bouwen op hun werk, die rijk en verrijkt zijn en geen ding gebrek hebben. Maar zij die alles kwijtgeraakt zijn, zij die niets meer hebben, armen en ellendigen, verbrijzelden en verbrokenen van hart, zij mogen hopen op het heil des Heeren.
En zij zullen niet beschaamd worden. Zij die honger hebben, zij die dorst hebben naar Christus en Zijn werk, zij die verlangen naar Zijn gerechtigheid, zij worden (het staat vast, het zal gebeuren!), zij worden met goederen, met al het goede vervuld.

Hier is er nog een profetisch vooruitzicht. Maar straks wordt het werkelijkheid. En het is ondertussen werkelijkheid geworden. De Zaligmaker is gekomen. En Hij roept hongerigen en armen. Hij roept degenen die vermoeid en belast zijn: Kom tot Mij, en Ik zal u rust geven. Die dorst heeft komen, in die wil, die neme van het water des levens om niet (Openbaring 22: 17). Hij roept degenen die honger en dorst hebben, en zegt: Ik ben het Brood des levens, die tot Mij komt, zal geenszins hongerigen, en die in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten (Johannes 6: 35). En het is waar. Want het Woord is waar!
Armen, u die vermoeid en belast bent, u die hongert en dorst, de dingen die u door de Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden!

Maar, rijken worden ledig weggezonden.
Rijken, uw rijkdom zal u niet redden van het verderf. De apostel Jakobus schrijft: Welaan nu, gij rijken, weent en huilt over uw ellendigheden, die over u komen. Uw rijkdom is verrot, en uw klederen zijn van de motten gegeten geworden (Jakobus 5:1-2).
Geestelijk rijken, wees gewaarschuwd. U bent rijk in uzelf, u denkt dat u geen ding gebrek hebt, u denkt dat het bij u allemaal wel goed zit, of in ieder geval beter als bij een ander. U bent gerust, maar de Heere Jezus zegt: Maar wee u, gij rijken, want gij hebt uw troost weg. Wee u, die verzadigd zijt, want gij zult hongeren (Lukas 6:24-25).

Rijken heeft Hij ledig weggezonden en (zo gaat Maria in haar lofzang verder in vers 54): Hij heeft Israël, Zijn knecht, opgenomen, opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid.
Hij heeft Israël, Zijn knecht opgenomen. Dat wil zeggen: bij de hand genomen, overeind geholpen. Hij was gevallen en kon zichzelf niet helpen. Maar Ik heb hem opgenomen, Ik heb zijn rechterhand gevat!

Opdat Hij gedachtig ware der barmhartigheid tot in eeuwigheid.
U hoort u de echo van Psalm 98: Hij is gedachtig geweest aan Zijn goedertierenheid (Psalm 98:3). Daar wordt natuurlijk niet bedoeld dat God vergeetachtig is en herinnerd moet worden aan Zijn goedertierenheid. Het is een uitdrukking bedoeld om het ons, mensen, beter te laten begrijpen.
Want het volk Israël zegt zo vaak: Heeft de Heere vergeten genadig te zijn, heeft Hij Zijn barmhartigheden door toorn toegesloten? Jesaja zegt: Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de HEERE heeft mij vergeten (Jesaja 49:14).
Maar God is gedachtig aan, Hij denkt aan Zijn barmhartigheden, en zegt: Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over de zoon haars buiks? Ofschoon deze vergate, zo zal Ik toch u niet vergeten. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds voor Mij (Jesaja 49:15-16).

God heeft gedacht! Hij denkt, Hij zal denken aan…? Aan u(!), armen, hongerigen, aan u, die nederig van hart bent. En alles wat Hij ooit beloofd heeft, zal vervuld worden.
Zelfs de heidense Bileam wist dat: God is geen man, dat Hij liegen zou, noch eens mensen kind, dat het Hem berouwen zou; zou Hij het zeggen, en niet doen, of spreken, en niet bestendig maken (Numeri 23:19)? Nee, dat is ondenkbaar. Want Gods Woord wordt altoos trouw volbracht.

Gelijk Hij gesproken heeft (zo zegt Maria in haar lofzang tot slot in vers 55) tot onze vaderen, namelijk tot Abraham, en zijn zaad, in eeuwigheid. God houdt Zijn Woord, aan Abram en Zijn zaad. Dit Woord: Ik zal u tot een God zijn en uw zaad, uw kinderen, na u (Genesis 17:7).
Die God die zo getrouw is als sterk, die God gaat door met Zijn werk, in het midden van de gemeente. En de doop is daar een teken van. Een teken en bewijs, dat de Heere doorgaat van generatie op generatie, met het doen van grote dingen. Van geslacht tot geslacht gaat Hij door met dat grote werk, door Zijn bijzondere en hartvernieuwende genade. Met hoogmoedig arm te maken, en met armen met goederen te vervullen.

Maar gemeente, wat van generatie op generatie gewerkt is en gewerkt wordt, moet voor ons nu wel een persoonlijke zaak worden. Het moet bij ons worden, zoals Maria in haar lofzang gezongen heeft:
Hij heeft grote dingen aan mij gedaan.
En ik verheug mij in Mijn Zaligmaker, in mijn Jezus.

Amen.

Links bij preek Lofzang Maria – Magnificat, de Lofzang van Maria (advent)
Op God geworpen van baarmoeder af (Psalm 22)
Hij zal Zijn kudde weiden gelijk Herder (Jesaja 40)
Vertroosting Israëls (Jesaja 40 – Lukas 2) – advent
Lees meer:
– Kanttekeningen bij Lukas 1
– Artikel RD 2011: Wat is advent?
– Artikel RD 2018: Advent scharnierpunt in de tijd

TERUG ADVENT | LUKAS