PREEK · VRIJE STOFFEN

De ark in Beth-Semes – 1 Samuël 5-6

1 september 2013

1 Samuël 6:12: De koeien nu gingen recht in dien weg, op den weg naar Beth-Sémes op één straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechter- noch ter linkerhand; en de vorsten der Filistijnen gingen achter dezelve tot aan de landpale van Beth-Sémes.

INLEIDING

Wanneer de ark van Israël in Filistijnse handen geraakt, spreekt God door daden van macht en heiligheid: Dagon valt neer, God zelf keert het teken van Zijn aanwezigheid terug naar Zijn volk. In 1 Samuël 5 en 6 openbaart zich wie de waarachtige God werkelijk is—een God Die zich niet laat bespotten, maar zich sterk maakt voor de armen die tot Hem naderen door het bloed.

THEMA

God spreekt tot Filistijnen en tot Israëlieten.

KERNPUNTEN

  1. Het spreken van Gods macht en het antwoord van de Filistijnen
  2. Het spreken van Gods heiligheid en het antwoord van de Israëlieten

1 SAMUËL 6:1-16

1 Als nu de ark des HEEREN zeven maanden in het land der Filistijnen geweest was,
2 Zo riepen de Filistijnen de priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij met de ark des HEEREN doen? Laat ons weten waarmede wij ze aan haar plaats zenden zullen.
3 Zij dan zeiden: Indien gij de ark des Gods van Israël wegzendt, zendt ze niet ledig weg, maar vergeldt Hem ganselijk een schuldoffer; dan zult gij genezen worden en ulieden zal bekend worden waarom Zijn hand van u niet afwijkt.
4 Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer dat wij Hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen en vijf gouden muizen, naar het getal van de vorsten der Filistijnen; want het is enerlei plaag over u allen en over uw vorsten.
5 Zo maakt dan beelden van uw spenen en beelden van uw muizen, die het land verderven, en geeft den God van Israël de eer; misschien zal Hij Zijn hand verlichten van over ulieden en van over uw god en van over uw land.
6 Waarom toch zoudt gijlieden uw hart verzwaren, gelijk de Egyptenaars en Farao hun hart verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen Hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken, dat zij heengingen?
7 Nu dan, neemt en maakt een nieuwen wagen, en twee zogende koeien, op dewelke geen juk gekomen is; spant de koeien aan den wagen en brengt haar kalveren van achter haar weder naar huis.
8 Neemt dan de ark des HEEREN en zet ze op den wagen, en legt de gouden kleinodiën, die gij Hem ten schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat ze heenga.
9 Ziet dan toe, indien ze den weg van haar landpale opgaat naar Beth-Sémes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest.
10 En die lieden deden alzo, en namen twee zogende koeien en spanden ze aan den wagen, en haar kalveren sloten zij in huis.
11 En zij zetten de ark des HEEREN op den wagen, en het koffertje met de gouden muizen en de beelden hunner spenen.
12 De koeien nu gingen recht in dien weg, op den weg naar Beth-Sémes op één straat; zij gingen steeds voort, al loeiende, en weken noch ter rechter- noch ter linkerhand; en de vorsten der Filistijnen gingen achter dezelve tot aan de landpale van Beth-Sémes.
13 En die van Beth-Sémes maaiden den tarweoogst in het dal; en als zij hun ogen ophieven, zagen zij de ark, en verblijdden zich als zij die zagen.
14 En de wagen kwam op den akker van Jozua, den Beth-Semiet, en bleef daar staande, en daar was een grote steen; en zij kloofden het hout van den wagen en offerden de koeien den HEERE ten brandoffer.
15 En de Levieten namen de ark des HEEREN af, en het koffertje dat daarbij was, waarin de gouden kleinodiën waren, en zetten ze op dien groten steen; en die lieden van Beth-Sémes offerden brandoffers en slachtten slachtoffers den HEERE op denzelven dag.
16 En als de vijf vorsten der Filistijnen zulks gezien hadden, zo keerden zij weder op denzelven dag naar Ekron.

VOLLEDIGE TEKST

De ark in Beth-Semes – 1 Samuël 5-6

ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 6:12

THEMA

God spreekt tot Filistijnen en tot Israëlieten.

LITURGIE

Psalm 19:7

Lezen: 1 Samuël 5 en 6: 1-4, 10-13, 19-21

Psalm 135:3,9,10,11

Psalm 126:2

Psalm 93:1,4

Gemeente, wij overdenken in deze dienst de geschiedenissen die u voorgelezen zijn uit de hoofdstukken 5 en 6 van het eerste boek van Samuël. U moet ze thuis nog maar eens rustig nalezen. U zult zich misschien afvragen: Moet je nu overal over preken? Moet je ook preken over die lange verhalen uit 1 Samuël 5 en 6? Zijn die niet geschikter voor een Bijbelvertelling voor de kinderen van de zondagsschool? Maar vergist u zich niet. Want wat voor u en mij geopend ligt, is het heilige Woord van God; van het begin van Genesis tot en met het eind van het boek Openbaring. Van kaft tot kaft geldt: ‘Zo zegt de Heere!’ We moeten ervoor oppassen, dat we het Woord van God niet gaan indelen in stukken die bruikbaar of minder bruikbaar zijn, stukken die passend of minder passend (of eigenlijk helemaal niet geschikt) zouden zijn voor een preek. Voor alles geldt: ‘Zo zegt de Heere!’ Daarom luisteren we ook vanuit dit Schriftgedeelte naar de stem van de Heere, terwijl we in ons hart bidden: ‘Zie hier ben ik. Heere, spreek, want mijn ziel hoort.’

We overdenken 1 Samuël 5 en 6 en het thema voor de preek is: God spreekt tot Filistijnen en tot Israëlieten.

Er zijn twee gedachten: 1. Het spreken van Gods macht en het antwoord van de Filistijnen 2. Het spreken van Gods heiligheid en het antwoord van de Israëlieten Als eerste dus:

1. Het spreken van Gods macht en het antwoord van de Filistijnen

Jongens en meisjes, de buit is binnen: de ark. De ark met daarin – dat denken de Filistijnen – de goden van Israël. Ongetwijfeld is de ark vol trots de grote tempel van Dagon binnengedragen. Misschien wel met gejuich, met trompetgeschal en met gezang: ‘Groot is onze Dagon! Want wij hebben de goden van Israël overwonnen.’ Dagon betekent letterlijk: kleine vis. Het was de god van de vruchtbaarheid, van het graan, van de tarwe. Als je naar oude tekeningen kijkt, zie je een god of een godin met een lijf van een vis met een vissenstaart, en handen en hoofd van een mens. Hoe heet zo iets ook alweer? Precies, een zeemeermin. Zo zag de godin of god Dagon eruit.

De tempel van Dagon was erg groot. Dat weten we uit de tijd van Simson die die tempel had verwoest door de steunpilaren opzij te drukken, waardoor dat geweldige gebouw in elkaar stortte. Kennelijk hebben ze hem weer opgebouwd. En nu wordt de ark de tempel van Dagon binnengedragen. De ark, de met goud overtrokken houten kist met daarboven die twee engelen, cherubs of cherubim, wordt naast Dagon gezet. Dagon staat recht overeind, waarschijnlijk op een verhoging, en daarbeneden staat de ark. De boodschap is vernederend en beledigend: Dagon heeft de ark en de goden van Israël overwonnen.

De volgende morgen komen de Filistijnen vroeg uit bed, ze openen de deur van de grote tempel van Dagon, en wat zien ze…? Dagon is omgevallen, niet zomaar, maar Dagon is omgevallen en omgedraaid en ligt met zijn buik en met zijn gezicht recht voor de ark. Plat op de grond voor de ark. Als was hij in gebed voor de God van Israël. Wonderlijk! God spreekt met macht tot de Filistijnen. Ze schrikken wel, maar daar blijft het bij. Ze zetten Dagon overeind en plaatsen hem weer op zijn voetstuk. Je voelt ondertussen de spot van de Bijbelschrijver. Je ziet hem schrijven, bijtend op zijn tong, met een twinkeling in zijn ogen. Is dat nou een god? Die je recht overeind moet zetten? Hoe kan die je nu ooit helpen? Maar goed, hij staat weer. Het leven gaat weer verder.

De volgende ochtend doen ze weer vroeg de tempel open en dan blijkt weer: Dagon is gevallen. Het vissenlijfje, de romp, ligt weer plat op de grond voor de ark. Maar nu zijn zijn handen en hoofd afgehakt. Die liggen op de drempel. Dagon is ontleed, uit elkaar gehaald. Wonderlijk! God spreekt weer met macht tot de Filistijnen. Ze schrikken wel, maar ze leven toch gewoon weer verder. Waarschijnlijk hebben ze hem weer in elkaar gelijmd en weer rechtop gezet. En als uiterste en ultieme bewijs van hun dwaasheid verklaren ze vanaf die tijd de dorpel van de tempel ook heilig. Een heilige dorpel, als bewijs voor de komende eeuwen. Als iemand zou vragen: ‘Waarom is die dorpel heilig?’, zullen ze moeten zeggen: ‘Ja, Dagon is toen gevallen voor de ark van de God van Israël. Hij lag in stukken, maar hij is weer gelijmd.’

Wat wil de Heere met deze geschiedenis nu tot u en tot mij zeggen? Ik denk aan vier dingen. a. In de eerste plaats dit: Met de God van Israël valt niet te spotten. Hij rekent echt af met wie Hem beledigt. Dat zien we steeds weer in de Bijbel. Denk maar aan die jongelui, die pubers, die spotten met Elisa: ‘Kaalkop, ga op!’ Maar God laat niet met Zich spotten. Ook niet in het Nieuwe Testament. Ananias en Saffira spotten met God de Heilige Geest, maar Hij laat zich niet beledigen. Dat als eerste.

b. In de tweede plaats leert deze gebeurtenis ons, dat God letterlijk geen mensen nodig heeft. Hij komt op voor Zichzelf en de eer van Zijn Naam. Dat leert ons ten diepste de absolute hoogheid, majesteit en verhevenheid van God, de Almachtige. Hij hoeft niet ondersteund te worden. Hij hoeft niet door Zijn aanbidders gedragen te worden. Hij heeft zelfs de aanbidding van Zijn kinderen niet nodig. Nee, wij hoeven God niet te dragen. Hij wil ons dragen. Het is genade, echt genade, dat God niet zegt dat Hij ons niet wil en niet nodig heeft. Ja, dat laatste zegt Hij wel. Hij heeft ons niet nodig. Soms zijn er mensen die zeggen: ‘God heeft geen handen dan onze menselijke handen.’ Maar dat is niet waar! De God van de Bijbel heeft echt geen mens nodig. Dat is een tweede les.

c. Een derde les is een waarschuwende les. Wij hebben altijd (ik kijk ook naar mezelf), we hebben altijd de neiging in ons hart om de ark naast Dagon te zetten. God dienen? Zeker, ja natuurlijk. Maar Dagon, Dagon is ook wel mooi en interessant. De wereld is eigenlijk ook wel aantrekkelijk. God dienen en de Mammon… Levensgevaarlijk! En onmogelijk!

d. Maar er is nog een vierde les. Als we aandachtiger deze geschiedenis lezen over die vallende en aanbiddende Dagon, zien we met verwondering iets van een profetie. Want u weet het misschien nog wel uit een eerdere preek in deze serie: het boek Samuël is geen historisch boek, geen geschiedenisboek, maar profetie. Het is vroege profetie. In de Hebreeuwse Bijbel horen de boeken van Samuël bij de vroege profeten. Wat hier gebeurt (Dagon die valt, en breekt, en aanbidt) is een beeld van de komende overwinning van Christus. Die kleine ark in die grote tempel van Dagon, vol van pracht en praal en glitterende kunst, wijst op die verachte Man, van Wie Jesaja zei: Hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij Hem aanzagen, zo was er geen gestalte dat wij Hem zouden begeerd hebben (Jesaja 53:2). Christus staat tegenover dat grote rijk van de duivel en van de duisternis. Maar Dagon valt en breekt. Zoals de satan is gevallen en gebroken, overwonnen door Koning Jezus. We zien hier een beeld van de komende en van de behaalde overwinning van Christus.

Tegelijkertijd is dit ook een beeld van het machtige werk van God de Heilige Geest. Het Woord van de Godsopenbaring, de wet die in de ark ligt, dringt binnen in de afgodstempel van het hart van een zondaar. Genade, uitgebeeld door het verzoendeksel, dringt door het werk van God de Heilige Geest, door in het zondaarshart. Alles wordt omgekeerd. Want die twee kunnen niet samen. Die kunnen en mogen niet naast elkaar blijven staan. Eén moet er vallen. Maar genade overwint. De Geest van God is niet tegen te staan of tegen te houden. Dagon, zonde, eigengerechtigheid, trots en hoogmoed, vallen en breken. En een gebroken mens roept vanuit de nacht van zijn overtuiging naar boven: ‘Wee mij, dat ik zo gezondigd heb!’

Gemeente, mijn vraag aan u is: Kent u iets van dat werk? Van dat alles-overwinnende werk van de Heilige Geest in uw hart? Is het Woord, is de wet van God wel eens in het

binnenste van uw ziel gelegd? Is het beeld van uzelf toen u voor God stond al in stukken gebroken?

God spreekt…, maar de Filistijnen luisteren niet. In het zesde vers van hoofdstuk 5 staat dat de hand van de Heere zwaar was op de Filistijnen. God slaat ze met spenen. Dat betekent: ze lijden aan bulten, builen, tumoren, knobbels. Niet alleen gewone mensen, niet alleen de kleinen, maar in vers 9 staat dat ook de groten worden getroffen. Het gaat dan over inwoners van Gath. Zelfs de reuzen, die hele grote mensen die in de stad Gath wonen, zijn er niet tegen bestand. Uit vers 11 blijkt dat het een dodelijke ziekte is. De mensen huilen van pijn en angst, en van ellende en verdriet. Het geroep klimt zelfs op naar de hemel, staat er in vers 12. In grote ellende en doodsnood vergeten ze hun pas weer in elkaar gelijmde Dagon. Ze roepen naar de God van de hemel. Ze zien Gods hand in wat waarschijnlijk de builenpest, een ernstige en dodelijke ziekte, geweest is, zoals blijkt uit hoofdstuk 6 vers 4.

Ondertussen dient zich ook een plaag van muizen en ratten aan. Ook hierin zien ze de machtige hand van God. En daarom roepen ze naar de hemel, maar… ze bekeren zich niet! Later, in Ninevé, is het anders. Dan roepen de mensen ook naar de hemel, naar de Heere, en ze bekeren zich. Nee, de Filistijnen bekeren zich niet, maar sturen de ark van Asdod naar Gath, en van Gath naar Ekron. Maar de ark is niet welkom. De reactie is hetzelfde: ‘Hoe komen we zo snel mogelijk van de ark af? Dan zijn we uit de ellende en kunnen we weer door op onze eigen weg.’ Deze gedachte komt ons heel bekend voor, nietwaar? De Heere spreekt met macht. Soms heel indringend. Ook in uw persoonlijke leven. Ziekte, ongeluk, sterven… God spreekt ook in het gemeenteleven, bijvoorbeeld door sterfgevallen. Is het de slaande hand van de Heere, of Zijn kloppende hand op de deur van ons hart? Maar de grote vraag is: gaan we door, net als de Filistijnen, of bukken we voor de Heere? Bekeren we ons of zien we met de vorsten van de Filistijnen en met al die andere Filistijnen ten diepste reikhalzend uit naar het moment dat we overal van af zijn, naar het moment dat we weer door kunnen gaan met ons leven net als voorheen?

Een duidelijke Godsspraak… God spreekt met macht in het leven van heidenen, die de wet en het Woord niet in hun handen hebben, maar Hij spreekt wel. De god van de Filistijnen valt om. Hun lichamen worden ziek. Hun land wordt geteisterd door de muizen en de ratten, maar… vernederen doen ze zich niet. Bukken en buigen doen ze niet. Maar laten we eens even dichter bij huis blijven. Een duidelijke Godsspraak in ons leven in verdriet, in ziekte, in angst, in paniek. Wij hebben het Woord wel in handen, en de weg wordt ons iedere dag gewezen. Er is een roepende God in de hemel, Die zegt: ‘Zie, Ik sta aan uw deur en Ik klop. Als u de deur zult openen, zal Ik inkomen en Ik zal avondmaal met u houden, en u met Mij.’ Er is een smekende Christus, Die zegt: ‘Kom toch tot Mij!’ De nodiging van het Woord klinkt: ‘Kom toch tot Christus en laat u met al uw zonden met God verzoenen!’

Maar de grote vraag is: wat is het antwoord op dat spreken van God in uw leven? Want wie strijdt tegen God, zoals de Filistijnen dat openlijk deden, ja, die zal gebroken worden. Maar wie stilletjes doorleeft en ondertussen niet luistert naar de indringende Godsspraak, naar het kloppen op de deur van zijn of haar hart, die zal uiteindelijk ook breken…

De Filistijnen gaan door. Hoewel, de priesters en de waarzeggers, zo staat in hoofdstuk 6 vers 2, hebben een plan. Eigenlijk is het een heel creatief plan. Misschien is de God van Israël, misschien zijn de goden van Israël wel gunstig te stemmen… met goud. Ze maken gouden spenen, gouden builen of bulten en gouden muizen, vijf stuks van ieder voor de vijf steden van de Filistijnen, en stoppen dat goud in een koffertje. Het advies van de priesters en de waarzeggers luidt: Zet dat koffertje naast de ark, zo zegt hoofdstuk 6:3, en vergeld, betaal daarmee de God van de hemel zo een schuldoffer.

Een offer… van goud. Ze kennen de godsdienst van Israël uitermate goed. Ze hebben weet van al die offers. Ze zijn tenslotte buren van elkaar. Maar ze denken: laten we daar nu maar zelf een mooie en creatieve invulling aan geven: goud, in plaats van bloed. Dat komt ons ook bekend voor, nietwaar? Goud in plaats van bloed. ‘Ik heb een hemelhoge schuld, Heere, mijn schuld is groot.’ Maar het leeft in ons hart, ook al zeggen we dat niet hardop: ‘Ik heb nog wel iets…: goud.’ Terwijl de Spreukendichter zegt in Spreuken 11:4: Goed (dat wil zeggen: rijkdom en goud) doet geen nut in de dag van de verbolgenheid. Gemeente, alleen de gerechtigheid, het bloed, het offer van Christus redt van de dood!

Gemeente, voelt u dat de hand van de Heere op uw leven drukt vanwege uw schuld? Zeg eens eerlijk: is dit niet het beeld van uw leven? In de weer met wat u hebt: rijkdom, goud, goed, werk, bezit... Denkt u, dat u het de Heere kunt aanbieden als een offer? Ik zeg u op grond van de Schrift: dat is heidens! Dat is zo heidens als de Filistijnen waren. Een koffer naast de ark. Dat is Filistijns. Tegelijk zeg ik: dat is ten voeten uit wat leeft in mijn hart, de diepste wens van mijn hart. Het bloed van de genade en de verzoening? Ja, maar ook mijn goud, mijn bezit, mijn werk. Gemeente, dat is tekort. Of misschien moet ik wel zeggen: dat is teveel. Dat duldt de Heere niet. En het zou zomaar kunnen zijn (onderzoek uzelf maar voor Gods aangezicht) dat dit uw ziel al jarenlang in het donker houdt. Het is mogelijk dat u naast de ark uw eigen koffertje hebt gezet.

Vraagt u wat u moet doen? Bid maar: ‘Heere, breek me, net als Dagon. Breek mijn trots en mijn hoogmoed, mijn eerzucht en mijn vijandschap tegen het bloed van Christus.’ Laat toch los! Dat is allemaal van uzelf, dat is allemaal uw eigen werk. Kom toch met uw diepe verlorenheid tot Christus. Want Hij is zo bereid met alle liefde van Zijn hart u te trekken uit de macht van de duisternis en te brengen tot Zijn wonderbaar licht, en om u te wassen in Zijn bloed. Maar Hij wil een volkomen Zaligmaker zijn! Wat doet u Hem toch verdriet als u alsmaar blijft zoeken bij uzelf en probeert te presteren, terwijl u niet wilt capituleren. Wat trapt U Christus Jezus op Zijn hart. Wat tart u tegelijkertijd met uw hoogmoed Zijn

hoogheid en majesteit, door méér te willen doen. Laat u toch als een arme en verloren zondaar met God verzoenen! We gaan verder met ons tweede aandachtspunt:

2. Het spreken van Gods heiligheid en het antwoord van de Israëlieten

Het klinkt misschien wat wrang, maar we zouden kunnen zeggen dat de Filistijnen zeven maanden lang gezegend zijn met de aanwezigheid van de ark, het symbool van Gods aanwezigheid. Maar ze hebben het niet opgemerkt, ze zijn doorgegaan, ze hebben niet gebogen, ze hebben zich verhard. Uiteindelijk hebben ze alleen maar geprobeerd om onder de hand van de Heere uit te komen.

Maar nu Israël. Zeven maanden lang is het gestraft door de afwezigheid van de ark. De vraag is echter of ze de pijn daarvan wel gevoeld hebben. Als je dit zo leest (leest u de geschiedenis thuis nog eens rustig en biddend na) doet het ons denken aan de zucht van Jeremia: O HEERE, zien Uw ogen niet naar waarheid? U hebt hen geslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; U hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de tucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren (Jeremia 5:3). Eerlijk is eerlijk, je leest in deze hoofdstukken nergens iets van verdriet dat de ark weg is, van het zoeken naar de Heere, van het vragen: ‘Heere, wilt U de ark toch weer terugbrengen?’ Het leven gaat gewoon door. Net als later in de tijd van Haggaï. De tempel is verwoest, en de Heere zegt: ‘Mijn huis is woest, maar u leeft ondertussen gewoon door in uw welgewelfde huizen.’

De verberging van het aangezicht van de Heere was voor de vrouw van Pinehas bitterder dan de dood. Maar als ik naar mijn eigen leven kijk, moet ik eraan toevoegen: was het altijd maar zo bitter voor onze ziel als de Heere Zich verbergt. Want hoe vaak kunnen Gods kinderen gewoon doorleven als de Heere Zich verbergt achter een wolk. Het gebed is ingezonken. Het Woord laten we maar liggen. Je leeft zomaar door, voor jezelf, helemaal niet gericht op de wil en de eer van God, op Zijn heiligheid en op de eeuwigheid.

Wat is de remedie tegen die geestelijke doodsheid? Luister eens naar de stem van Haggaï, vele eeuwen later: Stel uw hart op uw wegen (Haggaï 2:7). Zie toch dat Mijn hand, Gods hand, tegen u is en bekeer u, en doe uw eerste werk. Weet u, gemeente, wat het wonder in deze geschiedenis is? Israël haalt de ark niet terug. Israël doet ook geen enkele poging, maar de Heere brengt hem Zelf terug. God Zelf staat in voor Zijn eer, voor Zijn werk en voor Zijn volk. Het komt bij Hem vandaan. Daarom, wanneer u ziet op uw onbekeerlijke hart en daaronder gebukt gaat, zeg dan tegen de Heere: ‘Heere, bekeert U mij toch, dan zal ik bekeerd zijn. Wilt U het doen? Als U mij bekeert, dan zal ik U vrezen.’

Het is midden in de tarweoogst. Het advies van de priesters en de waarzeggers is: Zet die ark op een nieuwe wagen, met het koffertje erbij natuurlijk. Zet daar twee koeien voor, die kalfjes hebben. Maar sluit die kalfjes op in een schuur. Je ziet dan vanzelf wat er gebeurt. Als die koeien, met de wagen waarop de ark en het koffertje staan, rechtsomkeert maken en naar de stal gaan, ja, dan zal het wel allemaal toevallig geweest zijn. Maar als die koeien weglopen van hun kalfjes en in de richting van de grens van Israël lopen, dan weten we het zeker: het is Gods hand die tegen ons is.

En zo gebeurt het. Je ziet het als het ware voor je. De wagen staat klaar, de koeien ervoor, en de ark wordt erop gezet. De vijf vorsten en de Filistijnen kijken toe. Wat gebeurt er dan? De koeien zetten het op een loeien! Ja, ik denk van pijn en verdriet omdat ze hun kalfjes moeten achterlaten. Wat zien we? De Heere stuurt de koeien rechtstreeks naar de grens van Israël. De Filistijnen rennen erachter aan… tot de grens. Verder durven ze misschien wel niet. Ze kijken de ark na. Daar gaat-ie… Gelukkig!

In Israël is het midden in de tarweoogst. Iedereen is druk op het land. Ook in Beth-Sémes. Beth-Sémes ligt aan de grens en is een priesterstad. Daar wonen de zonen van Aäron, de priesters, en de Kohatieten, die zorg moeten dragen voor de ark. Terwijl ze druk aan het werk zijn op het land, kijken ze ineens op. ‘Moet je nou zien, daar komt een wagen met twee koeien ervoor. En er zit geen mens op!’ Als ze goed kijken zien ze het. Een glimlach verschijnt op hun gezicht! De ark is terug!

Wij gaan nu eerst samen zingen uit Psalm 126, het tweede vers, waarin blijdschap doorklinkt vanwege Gods werk: God heeft bij ons wat groots verricht; Hij zelf heeft onzen druk verlicht; Hij heeft door wonderen ons bevrijd; Dies juichen wij, en zijn verblijd. Breng, HEER, al Uw gevangenen weder; Zie verder op Uw erfvolk neder; Verkwik het, als de watervloed, Die 't zuiderland herleven doet.

Gemeente, we lezen in hoofdstuk 6:13: En die van Beth-Sémes maaiden de tarweoogst in het dal, en als zij hun ogen ophieven (ze kijken dus vanuit het dal omhoog) zagen zij de ark en verblijdden zich, als zij die zagen. Ondanks al hun geestelijke dodigheid is er toch blijdschap. Daar is de ark! De Heere, de God van de ark, heeft hen toch niet verlaten. Ze verblijden zich als ze de ark zien. In Beth-Sémes zijn er blijkbaar twee soorten van mensen geweest. Zo was het toen en zo is dat nog. Kennelijk zijn er geweest die in stilte zuchtten, die ten diepste niet verder konden zonder de God van de ark. Dergelijke mensen zijn er ongetwijfeld nu nog. Anders kan je niet blij zijn. Anders kan je je niet werkelijk verblijden als je de ark weer ziet.

Maar ze gingen wel door. En geestelijk was er heel veel mis. Misschien herkent u dat wel in uw eigen hart. Ondanks alles ligt er toch iets op de bodem van het hart, bedolven onder zonde en schuld, luiheid, geesteloosheid en biddeloosheid. Op de bodem van het hart klinkt er desondanks de schreeuw: ‘Heere, ik kan U niet missen, ik kan zonder U niet verder. Ik heb alles verzondigd. De ark, het teken van Uw gunst en nabijheid, is weg. Ikabod…, de eer is geweken. Maar het is mijn eigen schuld, dat het zo doods vanbinnen is.’ De vraag die oprijst in uw hart is misschien wel: ‘Heere, hoe moet het toch verder?’ Wat is het dan een wonder als er op Gods tijd, na maanden van stilte, onverwachts licht doorbreekt en de hemel als het ware opengaat.

Onverwachts is daar de ark! Straks vloeit het bloed van de koeien. Eigenlijk hadden het stieren moeten zijn. Maar ze zien op het bloed van het brandoffer. Het oog wordt in al hun donkerheid en geesteloosheid plotseling door de Heere Zelf gericht, weer opnieuw, op het bloed van het offer, op het bloed van de verzoening. Nee, dat bewerken ze niet zelf. Het is de Heere, Die tot hen komt en Die hen trekt uit hun duisternis tot Zijn licht. Zij wisten niet meer hoe het moest. Het leek zo onmogelijk, zo uitgesloten dat het ooit nog goed zou komen. Ze hoorden de roep van de Heere wel: ‘Kom toch tot mij!’ Maar ze wisten niet hoe ze komen moesten. En nu, nu doet God het Zelf. Nu zegt God: ‘Ik kom tot u en Ik breng de ark tot u.’ Zij wisten niet hoe ze tot Hem moesten naderen en waar ze het zoeken moesten, maar nu komt Hij tot hen. Dan kan het niet anders of ze roepen het toch uit in het hart: Dat is de stem mijns Liefsten. Zie Hem, Hij komt, springende op de bergen (over de bergen van de verlating) en huppelend op de heuvelen (Hooglied 2:8). Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen! (Romeinen 10:15). Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die de vrede doet horen; desgenen die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet horen; desgenen die tot Sion zegt: Uw God is Koning (Jesaja 52:7).

Gemeente, heeft u wel eens met blijdschap, net als de Israëlieten toen, of althans een deel van hen, gekeken naar de ark, naar het verzoendeksel? Ik bedoel vanwege het bloed van de verzoening, terwijl u dacht aan de woorden van de Heere: Als U het bloed ziet, als U het bloed van Uw offer, van Uw Lam ziet, dan zult U mijn zonden voorbijgaan? Zeg het eens eerlijk, heeft u wel eens met blijdschap – ik ga dan naar de tijd van het Nieuwe Testament – gezien op de Gekruisigde? Terwijl u verblijd werd zoals de discipelen? Er staat van hen geschreven: De discipelen dan werden verblijd toen zij de Heere zagen (Johannes 20:20). Kent u er iets van? Dat God in de nacht van uw zielsverdriet uw oog op het bloed van Christus wilde richten, en tegen u sprak: Kijk, dat heb Ik nu voor u gedaan. Ik voor u. Mijn leven, voor uw verloren leven. Niet die offers die u brengt, niet uw goud en niet uw werken, maar: Het is volbracht (Johannes 19:30). Ik heb het gedaan! Dan word je toch verblijd? Niet alleen in je hart, maar ook je mond vloeit ervan over.

Dan kan je toch innerlijk niet verdrietig blijven? Dan wordt het toch waar wat hier staat in vers 13: Zij verblijdden zich als zij die zagen. Het beeld van de verzoening! Dan springt je hart op van vreugde en blijdschap in de Heere. Dan zeg je toch: Ik zal U loven, Heere, met mijn hele hart, want U hebt mijn weeklacht en geschrei veranderd in een blijde rij?

Maar er waren ook andere mensen in Beth-Sémes. Je zou kunnen zeggen: mensen van dezelfde kerk. Zonder twijfel was het (dat blijkt straks) de overgrote meerderheid. Mensen die de ark zien, mee lachen en blij zijn, want er is feest, maar het is allemaal alleen maar de buitenkant. Diep in hun hart, dat blijkt ook uit de Hebreeuwse tekst, zijn ze onverschillig. De ark terug? Nou ja, mooi toch? Maar we zijn druk bezig met ons werk op het land. Kom, we gaan door! Het is druk. Tijd voor een feestje? Goed, even wat offers brengen. Maar uit hun daden, uit de vrucht van hun leven blijkt dat ze de God van de ark niet kennen. Ze vrezen Zijn heiligheid niet. Want als je God kent, vrees je Zijn heiligheid.

Wat doen die mensen met de ark? Wel, ze doen de ark open (hoewel dat streng verboden was) en kijken nieuwsgierig naar binnen! Nee, het is niet toevallig, omdat de ark misschien een beetje scheef stond en er een kier was waardoor hun blik getrokken werd. Nee, heel bewust openen ze de ark en kijken ze nieuwsgierig naar binnen. Zit alles er nog in? Wat hebben de Filistijnen ermee gedaan? Misschien hebben ze wel met hun vingers gerommeld in de ark. Ze openen de ark. Terwijl de Heere heel nadrukkelijk had gezegd in Numeri 4: Iemand die naar binnen kijkt, in het binnenste heiligdom, die zal de dood sterven. Dat wisten ze. Want dat binnenste heiligdom, zegt God, is verborgen, dat is van Mij.

Het is zondermeer een grote opstand, heiligheidschennis van de hoogste God, als je die grens probeert te overschrijden en toch naar binnen kijkt. Daarom staat in vers 19 dat de Heere op die blijde dag een grote slag sloeg. Zeventig mannen sterven. Eigenlijk staat er, het is een moeilijkheid in de grondtekst: ‘Zeventig mannen, komma, vijftigduizend mannen.’ Van oudsher heeft dat heel veel vragen opgeroepen, ook al bij Calvijn en Matthew Henry. Want Beth-Sémes was eigenlijk maar een klein gehucht met een gering inwonertal. Het zou kunnen zijn dat het Hebreeuwse woord ‘duizend’, hier in deze tekst ‘eenheid’ betekent. Dan zou er dus staan: zeventig mensen, komma, vijftig eenheden, uit vijftig gezinnen. Dat is een mogelijkheid. Een andere mogelijkheid is (Calvijn en Matthew Henry wijzen daarop) dat het zeventig mensen uit Beth-Sémes waren, maar de Bijbelschrijver kijkt terug en voegt daaraan toe: plus vijftigduizend van de Filistijnen. Maar hoe dan ook, de slag is groot.

Wat leert de Heere ons hiermee? Van die grote slag in Beth-Sémes kunnen we drie dingen leren. a. In de eerste plaats dat wij ook niet mogen binnendringen in het heiligdom. Mozes heeft het al gezegd: De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God; maar de geopenbaarde (dat zijn de dingen die openbaar en bekend zijn) zijn voor ons en voor onze kinderen (Deut. 29:29).

Dat wil zeggen (ik zeg het met al de liefde van mijn hart, het geldt misschien vooral onze ouderen, maar ook anderen): denk niet en zeg niet: ‘misschien ben ik wel niet uitverkoren. En als dat zo is, dan kom ik er nooit.’ Wie dat zegt, rommelt in de ark! Dan zit je met je vingers, met je onheilige vingers aan het heilige en verborgene van God. Dat is gevaarlijk; dat zie je in dit gebeuren. Dat kan zelfs je leven kosten! Ten diepste is het hoogmoed, te denken dat je je als klein mensje mag vermoeien met in te zien in de verborgen raad en wil van de almachtige God van hemel en aarde. Ten diepste is het (het zit ook in mijn hart) een zucht naar eer en een verachting van de vrijheid en de soevereiniteit van de almachtige God.

Wat openbaar is…? De weg van het offer! De weg van het verzoendeksel. De weg van het bloed. De weg van het kruis. Ouderen, laat datgene wat u denkt te weten, maar wat u helemaal niet weet, u niet weghouden van dat offer. Want er is een Lam geslacht! Het Lam Gods is geslacht en dat is genoeg om uw ziel te redden van de dood, hoe oud u ook bent. Wat verborgen ligt in Gods raad, weet u niet. U hoeft het ook niet te weten. U kunt het niet weten. U mag het niet weten. Want u weet genoeg: U kunt zalig worden! Al bent u al zeventig, tachtig, negentig of zelfs zevenennegentig jaar. Niet binnendringen in het binnenste heiligdom!

b. In de tweede plaats leren we uit deze geschiedenis, dat de Heere een heilig God is, Die jaloers is op Zijn eer. Ook ten opzichte hiervan dreigen gevaren. Het gevaar dat wij, ook als leden van de Gereformeerde Gemeenten, meegezogen worden met de cultuur en de geest van deze tijd en gaan denken of zeggen: ‘God, ja, dat is mijn goede vriend, of mijn grote baas, of mijn aardige buurman of iemand die net als mijn natuurlijke vader is.’ Vergeet niet, gemeente, die Vader, van het ‘Onze Vader Die in de hemelen zijt’, is tegelijkertijd zo heilig en zo hoog, dat het bloed van Zijn Zoon nodig was om het recht van God tevreden te stellen. Was dat niet gebeurd, dan was diezelfde God voor ons voor altijd een verterend vuur en een eeuwige gloed bij Wie niemand wonen kan. Vergeet daarom nooit: de Heere dienen en vrezen is Hem hartelijk liefhebben en Zijn teerste zondaarsliefde mogen ervaren in je hart. Maar tegelijkertijd blijft het: heel diep buigen, nederig en eerbiedig voor Hem bukken. Voor de Allerhoogste, voor de Allerheiligste, voor de Eeuwige, voor de Almachtige. Voor Wie miljarden van heilige engelen, die nooit zonde gedaan hebben, tot in eeuwigheid bukken en buigen. De Heere is heilig, en een jaloers God op Zijn eer!

c. De laatste en derde les uit deze geschiedenis van Beth-Sémes: het is gevaarlijk om bij de ark te wonen. Het is gevaarlijk om in de nabijheid van het bloed der verzoening te verkeren. Het is gevaarlijk om hier in de kerk te zitten. Dat kan je leven kosten! Het feit alleen dat je Israëliet bent (even vrij vertaald: het feit alleen dat je lid bent van de Gereformeerde Gemeenten), bewaart je kennelijk niet voor het oordeel. Sterker nog, misschien hebben de Filistijnen (we weten het niet) ook wel gerommeld in de ark. We lezen daar niets van. Maar als de kinderen des verbonds Gods heiligheid tarten en aanraken, ontheiligen en vertrappen, is dat vele malen erger.

Verbondskinderen, levend bij de ark, wees gewaarschuwd! Als je het Woord van God veracht, als je het teken van de doop veracht, als je alleen maar wilt leven bij het teken van Gods verkiezing, als je door wilt dringen in of je verschuilen wilt achter Gods verborgen en heilige raad, dan speel je met vuur. En als je onverschillig omgaat met de heiligste dingen, speel je ook met vuur!

Maar als u bukt en buigt voor de God van de ark en uw gebroken oog mag slaan op het bloed dat gesprengd is op het verzoendeksel, op het bloed dat drupte op Golgotha, dan is uw ziel gered. Dan bent u voor eeuwig van zonde bevrijd en zult u altijd rechtvaardig voor God gerekend worden. Dan hebt u echt reden om verblijd te zijn!

Amen.

Slotzang: Psalm 93:1,4

De HEER’ regeert, de hoogste Majesteit, Bekleed met sterkt’, omgord met heerlijkheid, Bevestigt d’ aard’, en houdt door Zijne hand Dat schoon gebouw onwankelbaar in stand.

Uw macht is groot, Uw trouw zal nooit vergaan; Al wat Gij ooit beloofd hebt, zal bestaan; De heiligheid is voor Uw huis, o Heer’, Eeuw uit, eeuw in, tot sieraad en tot eer.