6 juli 2014
1 Samuël 8:19: Doch het volk weigerde Samuëls stem te horen, en zij zeiden: Neen, maar er zal een koning over ons zijn.
INLEIDING
Preek over 1 Samuël 8: Doch het volk weigerde Samuëls stem te horen, en zij zeiden: Neen, maar er zal een koning over ons zijn.
Israël vraagt een koning
1 SAMUËL 8:16-22
16 En hij zal uw knechten en uw dienstmaagden en uw beste jongelingen en uw ezels nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen.
17 Hij zal uw kudde vertienden, en gij zult hem tot knechten zijn.
18 Gij zult wel te dien dage roepen vanwege uw koning dien gij u zult verkoren hebben, maar de HEERE zal u te dien dage niet verhoren.
19 Doch het volk weigerde Samuëls stem te horen, en zij zeiden: Neen, maar er zal een koning over ons zijn.
20 En wij zullen ook zijn gelijk al de volken, en onze koning zal ons richten en hij zal voor onze aangezichten uitgaan en hij zal onze krijgen voeren.
21 Als Samuël al de woorden des volks gehoord had, zo sprak hij dezelve voor de oren des HEEREN.
22 De HEERE nu zeide tot Samuël: Hoor naar hun stem en stel hun een koning. Toen zeide Samuël tot de mannen van Israël: Gaat heen, een iegelijk naar zijn stad.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - 1 Samuël 8:19
THEMA
Israël vraagt een koning
Gemeente, wij vervolgen onze prekenserie over het eerste boek van Samuël. Vandaag is aan de beurt: 1 Samuël 8. Het thema voor de preek is: De spiegel van het koningschap.
Er zijn drie aandachtspunten: 1. Een eigen koning gevraagd (dat ziet u in vers 1-5) 2. De Koning afgewezen (dat ziet u in vers 7-8, 19-20) 3. Een andere koning toegezegd (dat ziet u in vers 9-18, 21-22) Als eerste dus:
Het is waarschijnlijk al jaren geleden. Tussen 1 Samuël 7 en 1 Samuël 8 liggen lange jaren. Maar ze herinneren zich ongetwijfeld nog wat er destijds gebeurde. Bij de reformatie in Mizpa. Twintig jaar lang waren ze onderdrukt door de Filistijnen. Toen klaagden ze de Heere achterna. Ze riepen tot de Heere. Ze deden de vreemde goden weg, ze dienden de Heere en deden belijdenis van hun zonden. Toen offerde Samuël een melklam en hij riep tot de Heere. En de Heere verloste hen. En de Heere donderde in die dagen met een grote donder over de Filistijnen. En Hij verschrikte hen. God greep in. En zij richtten een gedenkteken op: Eben-Haëzer. Tot hiertoe heeft de Heere ons geholpen. Hij is onze Koning!
En nu is het jaren later. Zijn ze die daden van de Heere nu allemaal vergeten? Ja, zo lijkt het wel... Wat kan dat trouwens ook in je eigen persoonlijke leven gebeuren. Want dit is een spiegel! De Heere heeft grote dingen gedaan, Eben-Haëzer. En jaren later: alles vergeten...
Samuël is ondertussen oud geworden. Waarschijnlijk is hij een jaar of 60. En hij doet wat hij moet doen. Hij stelt zijn zoons aan tot richters, letterlijk: tot verlossers. Joël en Abia heten ze. Ze worden richters in Berséba, helemaal in het zuiden. Ver van het ouderlijke huis in Rama. Doch zijn zonen (vers 3) wandelden niet in zijn wegen; maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken, en bogen het recht.
Het zijn bestuurders, rechters, beschermers, maar het gaat niet goed. In de ban van het geld nemen ze steekpenningen aan en laten ze zich omkopen. En net als altijd: de armen, de kwetsbaren worden daar de dupe van. Twee zoons van een godvrezende man. In tegenstelling tot Hofni en Pinehas, de zonen van Eli, hebben ze een goede opvoeding gehad. Ze gaan aanvankelijk ook in het goede spoor. Maar eenmaal ver van huis ontsporen ze en verlaten ze het pad van hun vader. Wat een zorg! Ouders kunnen hun kinderen geen genade geven. En dat is reden te meer om die genade met veel bidden en worstelen van de Heere af te smeken.
Er is bezoek voor Samuël. Al de oudsten, de leiders van het volk, van de verschillende stammen, zijn naar Rama gekomen. En ze zeggen heel eerbiedig (vers 5): Zie, u bent oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet u een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben. Ja, wat moet je daar nu van denken, van die vraag…? Er zijn (denk ik) vaak betere en dringender redenen geweest om een koning te vragen dan nu. Beter en dringender reden dan: Samuël, u bent oud geworden. Want is het niet zo, dat juist oudere mensen wijs en verstandig zijn? En is het niet heel onvriendelijk en ondankbaar om Samuël, nu hij ouder geworden is, zo opzij te zetten? Ja, hij is wel een beetje oud, maar is hij niet oud geworden in hun dienst?
Oudere mensen, opa’s en oma’s, zijn dubbele eer waard. En dat geldt zeker ook oudere dienaars, zoals Samuël, maar ik denk ook bijvoorbeeld aan onze emerituspredikanten. ‘U bent eigenlijk een beetje te oud geworden, Samuël, we zoeken wat nieuws.’ Nee, zo is het niet goed. ‘U bent onze vader, uw raad is ons meer dan waardevol!’ Dat is beter. Maar dat zeggen ze niet. Samuël, zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken.
Doch de HEERE zeide tot Samuël (vers 7 en 8): Hoor naar de stem des volks in alles wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. Naar al de werken die zij gedaan hebben, van die dag af toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op deze dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend; alzo doen zij u ook.
Die vraag is fout. Die is niet goed. Maar waar zit het verkeerde in? Had de Heere in het verleden niet Zelf een koning beloofd? Ja, dat klopt. Dat kunt u lezen in Deuteronomium 17. Daar vertelt de Heere ook precies wat voor soort koning dat zal zijn. Niet zomaar iemand, maar een Israëliet, die door de Heere Zelf gekozen is. Iemand die niet alleen maar bezig is met de rijkdom, met geld, met paarden, met oorlog voeren, met vrouwen, maar iemand die iedere dag bezig zal zijn met het lezen van Gods wet. Trouwens, wie kan daar eigenlijk aan voldoen, aan die eisen? En had Hanna in 1 Samuël 2 ook niet gezongen van een koning, toen ze zei: De Heere zal Zijn Koning sterkte geven, en de hoorn van Zijn Gezalfde verhogen? Daar hoor je ook doorklinken: God is Zelf van plan om Zijn volk een koning, een bijzondere koning te geven.
Uit alles blijkt: hoewel de Heere Zelf alleen Koning is over Israël, desondanks is Hij toch van plan om Zijn volk een koning te geven op Zijn tijd. Je kent dat versje wel, jongens en meisjes: Ik ben de Heere, uw God en Koning, Die uit Egypte u bevrij’. De Heere Zelf is Koning van Israël. En toch is het Zijn plan om hen ooit een koning te geven. Een mens, een echte koning, en tegelijkertijd een heel bijzondere koning.
Maar wat is er dan toch mis, vraag je je af, met de vraag van die oudsten: ‘Samuël, geef ons een koning!’ Later vertelt Samuël dat in 1 Samuël 12. Dan gaat hij vertellen wat er in het verleden allemaal gebeurd is. En dan noemt hij drie dingen. a. Als eerste: toen u in Egypte was, en u het zo moeilijk had, toen riep u tot de Heere. U riep tot de Heere. En Hij verloste door de hand van Mozes, de richter, en de Aäron, de priester. Ik ben de Heere, uw God en Koning, Die uit Egypte u bevrijdde. b. En toen (als tweede) kwam u in Kanaän. Toen vergat u de Heere. En toen gaf Hij u over in de hand van de vijand, in de hand van Sisera, van de Filistijnen en van de Moabieten. En toen riep u tot de Heere. U riep tot de Heere. En toen gaf God u richters. Hij gaf u verlossers: Jeftha, Jair, Gideon en Samuël. Dat was allemaal toen. c. En nu (als derde, zo zegt Samuël in 1 Samuël 12), nu ziet u weer een nieuwe vijand aankomen: Nahas, de koning van de Ammonieten. En nu…? Nu roept u weer tot de Heere? Nee! Nu vraagt u zelf om een koning. U wilt het zelf oplossen. Op uw eigen manier. En, er is nog iets: u vraagt om een koning zoals alle andere volken hebben. Roepen naar de hemel, dat doet u niet meer. En apart en heilig leven voor Mij, dat wilt u blijkbaar ook niet meer. Nee, we willen zijn zoals iedereen. Waarom moeten we toch altijd anders zijn?
Gemeente, dit is een spiegel voor mij, voor u. Dit is geen hoofdstuk om te redeneren, om te discussiëren over de vraag of Israël nu wel of geen koning mag vragen. Dan mis je de clou. Dit is een spiegel. a. We hebben een eerste blik in de spiegel geslagen toen het ging om het vergeten van de wonderen, van de daden van de Heere in het verleden.
b. En als we nu voor de tweede keer in de spiegel kijken, dan valt op dat bij Israël nieuwe zorg in aantocht is, er dreigen nieuwe gevaren. En wat doen ze…? Nieuwe zorg, nieuwe tegenslag… En wat doet u? Roepen, je bekeren? Of: aanpassen, knokken, vechten op je eigen manier, een eigen oplossing bedenken? En ondertussen (want dat doen zij ook) tegen de Heere zeggen wat Hij precies moet doen om je te helpen en ook nog hoe Hij dat moet doen.
Ja, dat kan nog steeds. Dit is een spiegel! Dat kan in allerlei persoonlijke levensomstandigheden. In tegenspoed, zorg, ziekte, bij blokkades op je levensweg: niet roepen, maar zelf oplossen. Je niet bekeren, maar creatief zelf een uitweg zoeken. Of tegen de Heere zeggen wat Hij moet doen om jou te helpen bij je eigen oplossing.
Terwijl er wel de oproep is, die achter alle tegenspoed schuilgaat: bekeer u tot Mij! Het kan ook zo in je geestelijke leven. Je ziet, je hoort dat je zo niet leven en zo niet sterven kunt. Maar roepen? Nee… Ik heb er zo mijn eigen oplossing voor. Ik verschuil me. Ik kan er toch ook allemaal niets aan doen. Je voelt dat je leven zo niet door kan gaan. Maar roepen? Nee… Ik probeer zelf mijn leven te veranderen, te reformeren. Dat kan ik toch zelf wel? De Heere is in je leven gekomen. Je hebt voor Hem leren buigen. Hij heeft grote dingen gedaan. Nu is het jaren later. Het is donker, van binnen doods. De eerste liefde is weg. Maar roepen? Nee. Liever zelf wat veranderen, zelf wat aanpassen, een paar goede besluiten nemen en je zelf weer op de rails zien te krijgen. Dit hoofdstuk plaatst ons vandaag voor de spiegel. Wat doet u? Roepen zoals in 1 Samuël 7: ze klaagden de Heere achterna? Of zelf iets verzinnen, zoals hier in 1 Samuël 8? Hier gaat het mis. In Israël en bij ons. Roepen we wel? Roept u nog wel tot God, kind van God?
c. Het derde wat opvalt is (als we in de spiegel kijken van dit hoofdstuk), is dat ze de Heere ook nog hun eigen oplossing gaan voorschrijven ook. Ze willen het zelf doen, eigen baas zijn. Maar God moet hen wel een handje helpen! Niet: Heere, wat wilt U dat wij doen zullen? Maar: Heere, wilt U ons helpen met wat wij willen? Samuël, zeg maar tegen de Heere dat wij een koning willen!
d. En het vierde wat opvalt, is dat ze om een koning vragen, zoals al de andere volken in deze wereld ook hebben. Samuël, mogen we van nu af aan gewoon zijn, niet meer zo opvallen, gewoon meedoen met alles en iedereen? Waarom mogen we ons hier in deze wereld niet gewoon thuis voelen? Waarom moeten wij trouw zijn in ons huwelijk, terwijl anderen dat niet zijn? Waarom mogen wij niet meedoen met feestvieren, eten, drinken? Waarom mogen wij ons niet vergapen aan films vol geweld en overspel, zoals andere mensen doen?
Op verschillende terreinen gaat het mis. (a) Niet roepen tot de Heere, (2) zelf oplossingen bedenken, (c) zich niet bekeren, en (d) willen zijn zoals iedereen. Je kunt dat samenvatten, en dat doet de Heere ook. Wat is de kern van dit alles? Het staat in vers 7 en 8: Doch de HEERE zeide tot Samuël: Hoor naar de stem des volks in alles wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. Naar al de werken die zij gedaan hebben, van die dag af toen Ik hen uit Egypte geleid heb, tot op deze dag toe, en hebben Mij verlaten en andere goden gediend, alzo doen zij u ook. En dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:
Wij willen niet dat Deze (God) Koning over ons zij. Het verzoek om een koning krenkt Samuël. Hij is er boos om. Er staat in vers 6: het was kwaad in zijn ogen. En wat hij dan doet, dat is het beste wat je kunt doen, op momenten dat alles in jezelf borrelt van verzet, tegenstand en boosheid: Hij bad (vers 6b) de Heere
aan. De enige weg, ook in ambtelijk werk, als verzet of weerstand ons pad kruist, weerstand vooral tegen de weg van de Heere: bidden! Hij bad de Heere aan.
Je kunt je niet aan de indruk onttrekken dat Samuël als mens geraakt is door de vraag van de oudsten. Zijn profetenambt geminacht, zijn diensten als richter, als verlosser beloond met ondankbaarheid. Maar het antwoord van de Heere in vers 7 zet alles in een ander licht: Zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. En ze doen wat ze altijd al gedaan hebben (vers 8): Mij verlaten. Het is de klacht die echoot door heel het Oude Testament. De klacht die later ook bij de profeten doorklinkt. Zoals in Jesaja 48:8Ook hebt gij ze niet gehoord, ook hebt gij ze niet geweten, ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want Ik heb geweten, dat gij gans trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den buik af een overtreder genaamd zijt.: van de buik af aan bent u een overtreder. Of in Jeremia 22:21Ik sprak u aan in uw groten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat gij Mijner stem niet hebt gehoorzaamd.: van uw jeugd af aan bent u Mijn stem niet gehoorzaam geweest.
Hoor toch dit Godswoord, u die niet roept, en die uw eigen wegen gaat! Zo zegt de Heere, de God van Israël: ‘Van kind af aan gaat u deze weg en u luistert niet naar Mij. U bent ongehoorzaam en u verwerpt Mij!’ Schrikt u daar niet van…? Dat de allerhoogste God van hemel en aarde tegen u, nietige mens, zegt: ‘U verwerpt Mij, en u hebt nooit anders gedaan dan dat?’ Hier wordt ons aller leven getekend; wij mensen, verbondskinderen, leden van de gereformeerde gemeente: u verwerpt Mij. Dat deed u in het paradijs. Dat doet u van kinds af aan, dat doet u tot op de dag van vandaag. We gaan samen zingen, ter waarschuwing, uit Psalm 2:3Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.: Durft gij bestaan te twisten met Mijn kracht? Zal nietig stof Mij ‘t hoog gezag ontwringen, Of weerstand biên aan Mijn geduchte macht? Ontziet Mijn toorn, verdoolde stervelingen! Gij zult vergeefs Mijn rijksbestel weerstreven; Mijn Koning is gezalfd door Mijn beleid; Hij, door Mijn hand op Sions troon verheven, Heerst op de berg van Mijne heiligheid.
De Koning, de Hemelkoning, Israëls God verworpen..., verdoolde stervelingen. Maar dan ineens: Mijn Koning is gezalfd door Mijn beleid! Daar is iets wonderlijks. God als Koning verworpen, door zelf een koning te vragen... Maar toch geeft de Heere een koning... Het is ons derde aandachtspunt:
‘Samuël, zeg maar wat voor soort koning ze krijgen zullen. Een koning van harde dienst. U zult hard voor hem moeten werken, uw dochters idem dito. Hij zal akkers en wijngaarden en olijfgaarden van u nemen, de opbrengst van het land, het beste wat u hebt, zal voor hem zijn.’ Hij zal: nemen, nemen, nemen, nemen... Het klinkt tot vier keer toe: nemen zal hij van u. Totdat het, net als de kwartels destijds in de woestijn, uw neus zal uitkomen.
Dan (vers 18) zult u roepen, maar dan zal de Heere niet meer luisteren. Het was toch een eigen keus? Maar het volk zei (vers 19): Nee, maar er zal toch een koning over ons zijn. Heel veel waarschuwingen en ernstige woorden... Maar hun hart en voornemen veranderen niet. Hoe gevaarlijk is dat! Altijd weer de woorden van de Heere aanhoren en uiteindelijk toch zeggen: nee!
En dan…? Ze hebben de Heere als Koning verworpen, ze slaan alle waarschuwingen in de wind… En dan…? Dan zegt de Heere in vers 22: Samuël, hoor naar hun stem en stel hun een koning.
De Heere geeft toe. Later zegt Hij door de mond van Hosea (13:10-11): de Heere heeft een koning gegeven in Zijn toorn, later nam Hij hem weg in Zijn verbolgenheid. En dan gaat het over koning Saul. Ze krijgen wat ze gevraagd hebben, maar het is niet in Zijn gunst. Want ze grepen vooruit op Gods plan. Ze wilden een eigen verlosser. Ze wilde niet wachten op Gods tijd. Groot gevaar toen, groot gevaar nu: ik doe het zelf, ik wil een eigen soort van koning. Ik wil het zelf doen, mezelf verlossen. In plaats van roepen en wachten op Gods tijd. Op de tijd dat Hij Zijn verlosser sturen zal, dat Hij ons verlossen zal op Zijn manier.
Maar gelukkig. Ondanks al die dwaze ideeën van het volk, gaat de Heere door met Zijn plan, gericht op Zijn doel. Dwars door de zonden van het volk heen, gaat God Zijn plan uitvoeren. Zijn plan om Israël Zelf een koning te geven, zoals eerder gezegd. Ondanks dat zij Hem nu verwerpen. Zij zijn opstandig, ondankbaar en verwaand. Maar God blijft trouw vanwege... Zijn Naam. Later zegt Samuël in 1 Samuël 12:22: Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, om Zijns groten Naams wil, dewijl het de HEERE beliefd heeft u Zich tot een volk te maken.
Dat het werk van de Heere doorgegaan is, dwars door de zonden, de grote zonden van Israël heen, dat komt door Gods trouw. Dat komt omdat het God beliefd heeft. Dat was Zijn welbehagen. Hij had goede gedachten met dit volk, dat Hem nu weer verworpen heeft. Dat het werk van de Heere in de harten van Zijn kinderen doorgaat, ondanks ons, komt vanwege Gods trouw. Dat komt vanwege Zijn welbehagen, Zijn goede gedachten, Zijn liefde tot ons, Zijn plan met ons, die Zijn kinderen mogen zijn. Israël heeft God verworpen, en ook wij hebben Hem verworpen. Maar vanwege Zijn Naam, Zijn trouw en Zijn welbehagen gaat Hij door. En Hij laat ons niet los. Soms laat Hij ons een periode gaan op het spoor van onze eigen dwaasheid, maar Hij houdt ons altijd vast. Hij laat nooit varen de werken van Zijn handen.
Israël, het koningschap komt alleen God toe. En nu hebt u Hem verworpen. Maar tegelijkertijd schittert op de achtergrond het wonderlijke plan van God. Van Zijn wil en
Zijn welbehagen. Waar het eerder al over ging in Deuteronomium 17 en in 1 Samuël 2, in het lied van Hanna. Er zal een koning komen. Straks, later, door God aangewezen: David. Er zal een lijn komen, van menselijke koningen, die uiteindelijk allemaal tekort zullen schieten. Een lijn die alleen maar bevestigt: er is ten diepste maar één echte, volmaakte koning, en dat is Jezus Christus. Er zal een koning komen, de grote Davidszoon: God… en mens. Want: een mens kan… sterven. De uiteindelijke Koning van Israël is God. Zo was het altijd al bedoeld. En Hij is mens, die sterven kan. En van die Koning zegt God: Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion (Psalm 2:6). En van die Koning zingt de kerk: Wij hebben God verworpen, maar nu (en dat is Zijn genade) is onze Koning door Israëls God gegeven.
Dwars door de zonden van Zijn volk, voltrekt God het plan van Zijn welbehagen en verheerlijkt Hij Zijn Naam. Wij verwerpen Hem. Wij willen niet dat Deze Koning over ons zij! Maar God werkt door. Ook in het leven van Zijn kinderen. Hij breekt ons verzet, ook tegen deze Koning van genade. En Hij zegt: Ik heb Mijn Koning gezalfd over Sion, en Hij zal Koning over u zijn.
De koning die de keus van het volk is, koning Saul, zal uiteindelijk alleen maar nemen, nemen, nemen, nemen… Maar de koning zoals door God bedoeld, David, die straks komt, en die uitziet naar de grote Koning, die is totaal anders: Jezus Christus. Hij is Koning geworden, niet vanwege de wil van het volk. Maar door hoge aanstelling: Hij is door God gezalfd tot Koning. Nooit heeft een mens naar Hem gevraagd. En Hij werd Koning in een weg van diepe vernedering, in de weg van: geven, geven, geven, geven… Alles wat Hij had gaf Hij: Zijn eer, Zijn roem, Zijn naam, Zijn liefde, Zijn leven, Zijn hart, alles! En door Zijn sterven en door Zijn opstanding redde Hij Zijn onderdanen van het geweld van de vijand. En nu leeft Hij, Christus, als een eeuwige Koning.
De Kleine Catechismus van Westminster vraagt in vraag 26: ‘Hoe oefent Christus Zijn ambt van Koning uit?’ En dan is het antwoord: door ons aan Hem te onderwerpen. Hij neemt ons gevangen als vijanden, buigt ons, breekt ons verzet, brengt ons tot inkeer, tot belijdenis, en brengt ons uiteindelijk tot vrijwillige onderwerping. Door ons aan Hem te onderwerpen, door ons te regeren en te beschermen, en door onze vijanden te beteugelen en te verslaan. Onze Koning is van Israëls God gegeven.
En nu is de grote vraag, gemeente: Welke koning dient u? Want 1 Samuël 8 is een spiegel. Bij welk soort van mensen hoort u? Bij de mensen die niet roepen, maar die zelf aan de slag gaan? Die willen werken en leven volgens eigen ideeën? Met een eigen koning? Zelf koning zijn? En dan uiteindelijk overgegeven aan het goeddunken van een eigen hart?
Dan ben je arm. Dan leef je zonder God. Of hebt u leren buigen voor God? Onderworpen aan Zijn wil, gebracht aan Zijn voeten? ‘Wat wilt U dat ik doen zal, verloren opstandeling die ik ben? Ik heb met U gebroken. Ik heb U verworpen.’
Maar wat wordt het dan een wonder. Als dwars door ons eigen zondige leven heen, God Zijn Naam gaat verheerlijken en gaat laten zien dat Hij Zelf dwars door onze onmogelijkheid heen een weg heeft gebaand voor zulke opstandelingen. Door als een verworpen Koning Zijn eigen Zoon te geven. Die opnieuw verworpen moest worden, om te voldoen aan de eisen van Gods recht. God heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard.
Wat een wonder, als dan in de nacht van je eigen verloren bestaan klinken mag: Vrees niet, gij dochter Sions; zie, uw Koning komt (Johannes 12:15Vrees niet, gij dochter Sions, zie, uw Koning komt, zittende op het veulen ener ezelin.). Want de Heere heeft Zich een Koning gezalfd over Sion. Dan zeggen wij, in diepe verwondering en verbazing: ‘Ja, onze Koning is van Israëls God gegeven!’ Gegeven, want het is genade. Daar is niets van ons bij.
De Koning nu der eeuwen, de onverderfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid (1 Timotheüs 1:17Den Koning nu der eeuwen, den onverderfelijken, den onzienlijken, den alleen wijzen God, zij eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.).
Amen.
Slotzang: Psalm 89: 8
Gij toch, Gij zijt hun roem, de kracht van hunne kracht; Uw vrije gunst alleen wordt d’ ere toegebracht; Wij steken ’t hoofd omhoog, en zullen d’ eerkroon dragen Door U, door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen; Want God is ons ten schild in ’t strijdperk van dit leven, En onze Koning is van Isrels God gegeven.
Andere preken over 1 Samuël