2 augustus 2020
Spreuken 30:24-28: Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid welvoorzien: De mieren zijn een onsterk volk, evenwel bereiden zij in den zomer haar spijze; De konijnen zijn een machteloos volk, nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen; De sprinkhanen hebben geen koning, nochtans gaan zij alle uit, zich verdelende in hopen; De spinnenkop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
INLEIDING
Vier kleine dieren — mieren, konijnen, sprinkhanen en een spin — hebben het ons te leren: hoe wij wijs en gelukkig kunnen worden in het dienen van de Heere. Spreuken 30:24 zegt: Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien — en als kinderen en jongeren naar hun ijver, hun toevlucht, hun liefde en hun volharding luisteren, ontdekken wij wie werkelijk wijsheid geeft.
SPREUKEN 30:15-33
15 De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef. Deze drie dingen worden niet verzadigd, ja, vier zeggen niet: Het is genoeg:
16 Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg.
17 Het oog dat den vader bespot of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken; en des arends jongen zullen het eten.
18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
19 De weg van een arend in den hemel, de weg van een slang op een rotssteen, de weg van een schip in het hart der zee, en de weg van een man bij een maagd.
20 Alzo is de weg van een overspelige vrouw: zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht.
21 Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier die zij niet dragen kan:
22 Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;
23 Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgename is van haar vrouwe.
24 Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid welvoorzien:
25 De mieren zijn een onsterk volk, evenwel bereiden zij in den zomer haar spijze;
26 De konijnen zijn een machteloos volk, nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen;
27 De sprinkhanen hebben geen koning, nochtans gaan zij alle uit, zich verdelende in hopen;
28 De spinnenkop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
29 Deze drie maken een goeden tred, ja, vier zijn er die een goeden gang maken:
30 De oude leeuw, geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
31 Een windhond van goede lendenen; of een bok; en een koning die niet tegen te staan is.
32 Zo gij dwaselijk gehandeld hebt met u te verheffen, en zo gij kwaad bedacht hebt: de hand op den mond!
33 Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.
VOLLEDIGE TEKST
ds. J. IJsselstein - Spreuken 30:24-28
Jongens en meisjes, het is zomer, het is warm. En het is vakantietijd. Misschien ben je thuis, misschien kijk of luister je mee vanaf je vakantieadres. En dan duurt een preek lang. Want er zijn ook zoveel andere leuke dingen te doen, gezellig met papa of mama, met je broertjes en zusjes of met je vriendjes of vriendinnetjes.1 Daarom zal ik proberen om vanmorgen de preek niet zo moeilijk te laten zijn. Laten we dan afspreken dat jullie je best doen, om heel erg goed te luisteren.
De preek gaat over Spreuken 30, vanaf vers 24 tot en met vers 28. Luister goed, dit is de tekst voor de preek, dit is het Woord van de Heere God: Deze vier (deze vier dieren) zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien. De mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs. De konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in den rotssteen. De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen. De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
De preek van vanmorgen gaat over vier soorten kleine dieren: over de mieren, de konijnen, de sprinkhanen en de spin. Je zegt: ‘Dat is raar, want een preek hoort te gaan over de Heere God.’ Dat klopt. Je hebt gelijk. Maar de preek gaat ook over de Heere God. Want zo zegt onze belijdenis (de Nederlandse Geloofsbelijdenis): de natuur, de dieren (allemaal met elkaar), zijn voor onze ogen als een prachtig boek (daar gaan we in lezen, daar gaan we naar kijken), waarin de dieren, groot en klein als letters zijn (om te lezen). En wat lezen we dan? Als we kijken naar de mieren, de konijnen, de sprinkhanen en de spin? Dan lezen we: de eeuwige, de altijd durende kracht van God, de Schepper van al die dieren.
Als je naar die vier dieren kijkt, zegt de Spreukendichter, zegt meneer Agur die dit schrijft, dan zie je dat die dieren wijs zijn. Heel wijs zelfs. Heel verstandig. Je zegt: ‘Nou en, maar wat heb je daaraan?’
1 Deze inleiding kan buiten vakantietijd uiteraard aangepast worden.
Nou, de bedoeling is natuurlijk niet dat je zegt: ‘Dat is mooi, dat is heel mooi, maar… verder niets.’ De bedoeling is dat jij en ik net zo wijs worden als die kleine dieren. Zoals de Spreukendichter eerder ook al zei: Ga naar de mieren, luiaard! Kijk goed naar ze en word wijs (Spreuken 6:6Ga tot de mier, gij luiaard! zie haar wegen, en word wijs;).
Dat is de bedoeling van de Heere vanmorgen in de preek: dat je wijs en verstandig wordt. Ik bedoel niet, dat je je schoolwerk beter kan doen, dat je betere cijfers en een mooi diploma haalt. Maar ik bedoel dat je leert luisteren en doen wat de Heere zegt. Dat je de Heere Jezus leert kennen en liefhebben. Als Zaligmaker om het weer goed te maken tussen de Heere God en je zondige hart. Want zo zegt de Spreukendichter: de vreze des HEEREN (dat wil zeggen: het dienen en liefhebben van de Heere), dat is het beginsel, dat is het begin van de wijsheid (Spreuken 9:10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.). Sterker nog: de Heere Jezus Zelf is de Wijsheid. Als je Hem kent, dan word je pas echt wijs.
Zou jij graag wijs willen worden? Zou jij graag de Heere willen dienen en liefhebben? Dat is veel belangrijker dan alle andere dingen. Mooie kleren zijn leuk, maar over een paar maanden passen ze niet meer. Geld is fijn, maar als je het uitgeeft, dan ben je het kwijt. Speelgoed is leuk, maar over een poosje is het versleten of jij bent erop uitgekeken. Hobby’s dan, dat is ook leuk! Ja, totdat je er geen zin meer in hebt, of er geen tijd meer voor hebt. En echt gelukkig word je van al die dingen niet. Wel van het dienen van de Heere, van de wijsheid waar het hier over gaat. Daar word je wel echt gelukkig van. Want dat verdwijnt niet, dat gaat nooit vervelen en dat wordt steeds mooier.
Hoe je zo wijs wordt? Hoe je dit krijgt, waar je altijd gelukkig van wordt? a. Door te bidden. Door te vragen of de Heere het aan je zal geven, of Hij je hart wijs wil maken tot zaligheid door Zijn Heilige Geest. En de Heere heeft beloofd, dat Hij naar dat bidden zal luisteren. Als je een wijs hart aan de Heere vraagt, wil Hij het je geven. Hij heeft het al beloofd toen Hij tegelijkertijd Zijn Naam en jouw naam noemde bij je doop, toen het water van de Heilige Doop op je voorhoofdje drupte. Toen zei de Heere: ‘Ook jij bent van Mij’ (zie Genesis 17:7En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.). Bid dan en zeg: ‘Heere, wees ook mijn God? En maak mij tot Uw kind?’
b. Hoe word je wijs en altijd gelukkig? Door te bidden, wijzend naar het water van je doop. En in de tweede plaats ook door te luisteren naar de Bijbel en door zelf in de Bijbel te lezen. En door al lezend en luisterend te wijzen naar de woorden van de Heere Zelf. Je leest in de Bijbel dat de Heere Jezus zegt: Laat de kinderen tot Mij komen. En je bidt en zegt, wijzend met je vinger: ‘U hebt het toch gezegd Heere, hier staat het: Laat de kinderen tot Mij komen. U hebt het toch gezegd Heere, hier staat het: als je Mij vroeg
zoekt, dan zal je Mij vinden. Als je klopt, dan zal Ik opendoen en als je bidt, dan zal je ontvangen.’
c. Hoe word je wijs en altijd gelukkig? Door te bidden, door te luisteren naar de Bijbel en zelf in de Bijbel te lezen en (als derde) door naar de kerk te gaan of (als dat niet kan) door thuis goed te luisteren.
d. En (als vierde), door nu samen met mij te kijken naar de vier dieren, waar het nu verder over zal gaan.
1. We gaan het als eerste hebben over de mieren. Lees maar mee in je Bijbeltje, als je lezen kan, in vers 25. Daar staat: de mieren zijn een onsterk volk; evenwel bereiden zij in de zomer haar spijs. Juist in de zomer, juist in de vakantietijd zie je ze. In de tuin, langs het huis of op het terras. Soms zitten ze ineens te kriebelen op je been of op je hand. Ze zijn niet alleen zoals de lieveheersbeestjes en de vlinders. Ze zijn vaak met heel veel. De Bijbel zegt: ze zijn een onsterk, een slap volk. Ze zijn een volk, ze zijn met heel veel.
Meestal kijken wij niet naar de mieren. We vinden ze maar lastig en vervelend. Als er teveel zijn, dan strooien of spuiten we er gif op, en even later zijn ze allemaal weg. Maar, jongen ze meisjes, uit de kerk moet je ze maar even opzoeken in de tuin. Ga er maar even bij zitten en ga maar eens kijken. Je zult zien, ze zijn er met tientallen, soms met honderden tegelijk. Luieren ze in de zon? Nee dat doen ze niet. Hebben ze vakantie? Nee, ook niet. Ze zijn druk. Ze lopen heen en weer, ze sjouwen met van alles en nog wat. Juist nu in de zomer zijn ze druk. Want straks in de winter kan het niet meer. De winter met vorst, sneeuw, ijs en kou is niet geschikt. Om? Om eten te vinden. En dus doen ze dat nu.
Ze zijn niet sterk. Je kan ze zo dood trappen met je voet. Maar ze zijn wel wijs. Ze maken in de zomer hun eten klaar voor de winter. Dat deden in Israël vooral (zo heetten ze) de oogstmieren. In de tijd van de oogst verzamelden ze graankorrels en zaden van planten. Ze sleepten die mee naar hun nest om die te bewaren voor de winter.
Niet alle dieren zijn zo slim, niet alle dieren zijn zo ijverig. Je ziet in de vakantie ook hele mooie vlinders, die lekker nectar zuigen uit felgekleurde bloemen. Maar vlinders, die fladderen gewoon maar een beetje rond. Muggen, die zoemen irritant aan je oren als je probeert te slapen. En andere muggen dansen ‘s avonds in de ondergaande avondzon. Vliegen, die zijn vervelend, die gaan op je eten zitten. Wespen, die vallen je aan en steken. Al die dieren leven zomaar, zonder zorgen, totdat ze dood gaan. Maar de mieren zijn anders: ze zijn druk met hun eten voor later.
Jongens en meisjes, word zo verstandig en doe zo wijs als de mieren. Want jij zult niet als een mug, als een vlieg of een vlindertje verdwijnen. Jazeker, je hebt een lichaam dat vroeg of laat sterven zal. Maar je hebt ook iets in je (ik kan niet zo goed aanwijzen waar het zit, maar het zit er wel), je hebt ook iets in je, dat nooit zal sterven. Een ziel, een hart. Een ziel vol zonde. Een hart vol schuld. En nu, nu je jong en gezond bent, moet je je net als de mieren voorbereiden op later. Fladder niet als een vlindertje en dans niet als een mugje dat verdwijnt. Maar zoek ijverig en druk als de mieren zijn, de genade van de Heere voor je hart. Zoek ijverig als de mieren een nieuw hart, zoek het kennen van de Heere Jezus als je Zaligmaker.
De zomer van je leven (dat is deze tijd, nu je nog jong bent), de zomer van je leven is daar de beste tijd voor. Je bent gezond, in ieder geval de meesten van jullie. En zeker als je vakantie hebt, dan heb je heel veel tijd. Straks is die tijd weer voorbij. Later word je ziek, krijg je zorgen en moet je sterven. Word wijs! Zoek de Heere vroeg. Zoek Hem nu. Als je Hem zoekt, dan zal je Hem vinden. Zoek Hem door te bidden. Op een stille plaats alleen. Niemand hoeft je te zien. Zoek een stil plekje (op je kamer, in de badkamer, in een schuur of buiten), een stil plekje waar je stilletjes je zonden tegen de Heere vertelt en vraagt om vergeving. Waar je biddend vraagt om liefde voor de Heere. En waar je ook stilletjes tegen de Heere vertelt, hoeveel je van Hem houdt en hoe graag je Hem wil dienen. Bid en je zal gegeven worden. En lees ijverig als de mieren in je Bijbeltje. En denk er over na. En luister goed naar papa of mama, of naar opa of oma, zeker als ze vertellen uit de Bijbel of over hoe goed de Heere voor hen is. En luister (als straks de school weer begint) goed naar de meester of de juf, als ze uit de Bijbel vertellen. Spot er niet mee en lach er niet om. En stop met het doen van verkeerde dingen, met ongehoorzaam zijn, met liegen, stelen en plagen.
2. We gaan verder naar de tweede soort dieren: de konijnen. Kijk maar even in je Bijbeltje in vers 26: de konijnen zijn een machteloos volk; nochtans stellen zij hun huis in de rotssteen. Je denkt aan je eigen konijn, schattig, lief Nijntje. Heel goed, dan weet je al een beetje wat voor beest hier bedoeld wordt. Het gaat hier in de Bijbel niet om konijnen in een hok bij de mensen thuis, maar om konijnen die in het wild leven. Tegenwoordig noemen we die beesten klipdassen. Misschien lijken ze nog wel het meest op onze marmotten of cavia’s. Ze leven in Israël in de rotsige bergen, op en tussen kleine en grote rotsen. En met hun lenige pootjes en zachte voetjes (met kussentjes van eelt daaronder), kunnen ze beter dan wie dan ook klimmen langs die steile rotsen. Zelfs al gaat het bijna recht omhoog. Het zijn ook geweldige springers. Ze springen gerust vier meter ver, over een diep ravijn.
Het zijn kleine, schattige bergmarmotten, een soort cavia’s, klipdassen of (zo worden ze hier genoemd) konijnen.
Ze zijn in de rotsige bergen voor ons moeilijk te zien. Maar wie ze wel zien dat zijn de roofdieren op de grond en de roofvogels in de lucht. En dus dreigt voor die lieve beestjes altijd gevaar. Meestal zijn ze met een groepje bij elkaar. Ze kunnen zo heerlijk liggen zonnen op de rotsen. Maar hoe fijn dat ook is, er zijn er altijd een paar die de wacht houden. En één schel fluitje is genoeg om ze allemaal razendsnel weg te laten rennen en in hun hol te laten kruipen. Hun hol is hun schuilplek. Daar zijn ze veilig.
Jongens en meisjes, word verstandig en doe zo wijs als die konijntjes. Want jullie hebben ook zo’n plek nodig om veilig te zijn. Want niet alleen die konijntjes zijn in gevaar, maar jullie ook. De zonde wil je kwaad doen. Die wil als een grote roofvogel op je vallen en je meenemen. En de duivel, zo staat in de Bijbel, loopt rond als een roofdier, als een brullende leeuw om je te grijpen en mee te sleuren. En dan is er ook nog de wereld, die je ongemerkt en vriendelijk glimlachend wil mee lokken om de dingen van deze wereld, om de dingen van nu leuker, belangrijker en mooier te vinden dan het dienen van de Heere. Maar de gevaarlijkste vijand, dat is altijd zo, is die vijand die het dichtstbij op de loer ligt. Het is je zondige hart. En daarbij, jongens en meisjes, is het gevaar dat je sterven moet. Dat je voor God moet verschijnen. En je hebt zoveel kwaad gedaan tegen de Heere. De Heere houdt van kinderen. Maar wij hebben door onze zonden Zijn liefde boos gemaakt.
Dus, jongens en meisjes, heb je een schuilplaats, een veilige plek nodig om naartoe te vluchten. Zoals je nu soms ook, als er gevaar of narigheid is, naar papa of mama toe rent en bij hen wegkruipt. Wie is de Schuilplaats, Die je nodig hebt? Voor nu en straks? Voor de tijd dat je leeft en voor als je sterven moet? Dat is de Heere Jezus. Hij is de Zoon van God, Die als mens naar deze wereld kwam en aan het kruis stierf voor zondige en slechte mensen. Je mag, jongens en meisjes, als een klein konijntje vluchten naar de grote, sterke en lieve Heere Jezus. Zoals een klein kuikentje schuilt onder de vleugels van de moederkip, zo mag je biddend naar de Heere Jezus toe gaan en zeggen: ‘Heere, ik ben in gevaar. Ik ben in gevaar van de zonde, van mezelf en van het oordeel als ik sterven moet. Bewaar me, verlos me en red me toch.’ Als je zo naar de Heere toevlucht, zal de Heere je nooit wegsturen.
Bij Hem ben je veilig, bij Hem alleen. Want Hij wil je zonden vergeven. Hij wil je redden van het gevaar van het komende oordeel. Niets en niemand kan je kwaad doen, als je met je zondige hart naar de Heere Jezus vlucht.
Dus, jongens en meisjes, word zo verstandig als de konijnen, om een huis bij de Heere God te vinden. Je bent altijd welkom bij de Heere. De Heere Jezus heeft gezegd: wie tot Mij komt, zal Ik niet weigeren. Je bent welkom zoals je bent: slecht, zondig en verloren. Je hoeft niets mee te nemen. En je zult alles krijgen, als je naar Hem toe gaat.
Voordat we verder gaan kijken naar de derde soort van dieren, gaan wij nu samen eerst zingen uit Psalm 81 het 12e vers, je kent het wel: Opent uwen mond; Eist van Mij vrijmoedig, Op mijn trouwverbond; Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zo gij 't smeekt, Mild en overvloedig.
3. Jongens en meisjes, de mieren ken je, de konijnen daar heb je een beeld van. Nu het derde dier dat je wil leren om wijs te worden, om de Heere te dienen en lief te hebben: de sprinkhanen. Lees maar mee in vers 27: de sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen. De sprinkhanen, je weet wel, die springende insecten met die lange dunne pootjes. Je kan ze proberen te pakken, maar meestal zijn ze je te snel af. Zij hebben geen koning, zegt de Bijbel. Zij hebben geen baas. Sommige andere dieren wel. De bijen hebben een koningin. Maar de sprinkhanen, die hebben niets. Maar ze zijn in het land van de Bijbel wel met elkaar. En met heel erg veel. Er staat in de Bijbel: met hopen, met hele grote groepen.
Want, alleen zijn ze niet sterk. Eén sprinkhaan kan niets. Misschien heb je het ook wel eens gedaan, een sprinkhaan gevangen. Het was moeilijk, maar ineens had je hem. Je keek voorzichtig in je hand, je trok voorzichtig een beetje aan die dunne pootjes. En toen merkte je het direct: die sprinkhaan, die kan in zijn eentje niets terugdoen.
In zijn eentje kan een sprinkhaan niets. Maar met elkaar zijn ze sterk als een leger. Als ze met miljoenen tegelijk ergens neerstrijken, op een grasveld of in een boom, dan vreten ze met elkaar alles op. Met elkaar zijn ze zo sterk, dat de Heere in het boek Joël zegt dat ze zelfs een oorlog kunnen voeren (Joël 2:25Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.). Maar alleen zijn ze zwak. Zoals ook wij, in ons eentje niet sterk zijn.
De sprinkhanen willen ons leren van elkaar te houden, elkaar lief te hebben, geen ruzie te maken, niet egoïstisch te zijn en anderen niet plagen of minder te vinden. Ook niet als iemand anders bijvoorbeeld een andere kleur huid of haar heeft. Misschien wel even mooi of zelfs mooier dan jouw velletje of haar. Alle sprinkhanen zijn door God gemaakt. Alle kinderen ook. En zij, de sprinkhanen, doen in vrede en zonder ruzie te maken alles samen.
Wat je ervan leren moet? Hoe je wijs kan worden, als je naar ze kijkt? Denk maar aan het bekende psalmversje: Waar liefde woont, daar gebiedt de Heere Zijn zegen. De Heere God Zelf is liefde. En Hij wil dat wij elkaar ook liefhebben: thuis, in de klas, onderweg, in de kerk, in de kerkenraadskamer, op de catechisatie, op de vereniging, overal.
Dat voorkomt heel veel problemen. Maar dat zorgt er vooral ook voor, dat je in alle rust samen de Heere kan zoeken, liefhebben en dienen. Dan zeg je niet: ‘Hij of zij heeft verkeerd gedaan’, maar dan steek je die wijzende vinger in je broekzak. Dan zeg je: ‘Wij samen hebben gezondigd.’ Dan zeg je niet alleen: ‘Wees mij genadig, Heere’, maar dan zeg je: ‘Heere, wees ons samen genadig.’ Dan zeg je niet: ‘Ik ga alleen naar de Heere Jezus’, maar dan zeg je net als de Samaritaanse vrouw: ‘Hij, de Heere Jezus, heeft mij gezegd alles wat ik verkeerd gedaan heb, kom ga met me mee. Kom ga met ons. Dan gaan we samen naar de Heere Jezus toe.’ En dan zeg je niet: ‘Ik alleen wil de Heere groot maken, kijk mij nou!’, maar dan zeg je: ‘Kom, laten we samen de Heere lof toezingen.’
Nog één dier is er over. Eerst ging het over: wees ijverig als de mieren in het zoeken van de Heere. Toen ging het over: zoek een schuilplaats bij de Heere, bij de Heere Jezus, net zoals de konijnen schuilen in de rotsen voor gevaar. Daarna ging het over: heb elkaar lief zoals de sprinkhanen.
4. En nu gaat het als vierde, als laatste over de spin. Lees maar mee in vers 28: De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen. Misschien vind je spinnen wel eng. Misschien ga je er wel van gillen. Misschien vind je ze mooi om naar te kijken. Om te zien hoe mooi ze gemaakt zijn door de Heere, de Schepper, ook van de spin. Want als je heel goed kijkt naar zo’n spin, dan zie je hoe groot God is. Hij heeft ook de spin gemaakt. Zoals Hij ook jou gemaakt heeft. En, de Heere wil dat jij net zo wijs zal worden als de spin.
Wat hij doet? Hij doet zijn uiterste best om op de plek te komen waar hij wil zijn. Dat kan natuurlijk zijn in een oude, stoffige schuur, maar ook in jullie mooie huiskamer. Of in jouw gezellige slaapkamer, of zelfs in de kamers van het paleis van een koning. Je kunt hem wegjagen, maar hij is zo weer terug. Urenlang werkt hij om een prachtig web te maken. Je moet maar eens kijken, hoe mooi zo’n spinnenweb er van dichtbij uitziet. Maar mensen zoals jij en ik, wij halen dat web weg. We zeggen: ‘Bah, en het plakt ook al aan mijn vingers en het zit ook al in mijn haar…’ En in één veeg maken we zijn hele mooie kunstwerk helemaal kapot.
Maar, die spin gaat door. Hij gaat niet zitten huilen of zitten wachten, hij begint direct weer aan een nieuw web. En morgen weer. De spin, het is een kleine kunstenaar die nooit ophoudt.
Het kan, zijn jongens en meisjes, dat de Bijbel een spin bedoelt zoals wij die kennen. Maar het kan ook zijn dat de Bijbel hier een hagedisje bedoelt. Dat komt omdat het Oude Testament eigenlijk geschreven is in een heel moeilijke taal. In het Hebreeuws. En die Hebreeuwse letters zijn heel moeilijk om te lezen en te vertalen in onze taal. Misschien bedoelt Agur hier een hagedisje, een soort gekko, een soort lizard. Als je niet weet wat dat is, zoek het dan thuis met papa en mama maar even op.
Die gekko’s hebben een soort kleverige pootjes, waarmee ze zo tegen een muur kunnen oplopen, en waarmee ze zelfs op het plafond kunnen lopen, zonder naar beneden te vallen. En die beestjes doen de hele dag niets anders dan achter vliegjes en muggen aanrennen om die te vangen. Het zijn dus heel handige beestjes. Als je snel bent, dan kan je zo’n hagedisje misschien wel grijpen, maar ze zijn vliegensvlug. En ze komen overal. Geen kamer is zo netjes, in Afrika, in Indonesië, in Cambodja of in Israël, of de gekko’s, de lizzards komen binnen.
Wat het ook is, een spin of een hagedis, ze zijn een voorbeeld van ijver, van niet stoppen. Van niet bij de pakken neer gaan zitten, van niet gaan zitten huilen, maar van doorgaan en van volhouden.
Word, jongens en meisjes, wijs als de spin. Ga door! Hou vol! Waarmee? Met bidden, Bijbellezen, met naar de kerk komen (of met - als dat niet kan - thuis te luisteren). En dan niet alleen voor dat moment, niet alleen voor de zondag, maar ook voor de dagen daarna. Als je de Heere iedere dag zoekt, door te bidden, door Bijbel te lezen, dan zal je Hem vinden. Ook al vegen de mensen, ook al veegt de duivel of je slechte hart alles stuk. Ga toch maar weer verder. Begin net als die spin maar weer overnieuw. Want nooit is er iemand die de Heere zocht en bleef zoeken verloren gegaan. Wie zoekt, in de Bijbel, in de kerk, die zal vinden. Wie klopt, door te bidden, die zal de Heere opendoen. Blijft maar vragen bij de Heere. Mensen raken het zat als je steeds weer hetzelfde vraagt. Op een gegeven moment zegt mama: ‘Hou nu maar even op, je hebt dit al tien keer gevraagd.’ Maar de Heere is er blij mee, als je dat doet. En je wordt er zo gelukkig van!
Het kan zijn dat je na een poosje zoeken denkt: ik zal toch wel nooit vinden. Of dat je na een poosje Bijbellezen denkt: ik zal het toch wel nooit echt begrijpen. Je zou bijna gaan denken, en misschien denk je het wel: ik krijg toch nooit een nieuw hart. Ik stop maar met vragen…
Zoals ook zoveel oudere mensen gestopt zijn met bidden, met zoeken en vragen.Meestal willen ze dat niet eerlijk zeggen. Meestal geven ze de Heere de schuld, als ze zeggen: ‘De Heere moet mij bekeren. De Heere moet het doen.’ Dat lijkt wel heel netjes en vroom, maar dat is het niet. Het is goddeloos. Want het is niet eerlijk. Want zij zoeken, bidden en vragen niet meer. Zij wachten gewoon af, met hun armen over elkaar. Zij zitten als oude vlinders rustig op een blaadje te wachten, totdat het te laat is. Terwijl de Heere zo duidelijk gezegd heeft: ‘Zoek Mij, dan zal je Mij vinden.’ Het is beloofd. En de Heere doet het. Niet stoppen dus! Nooit stoppen dus! En zeg maar tegen die oudere mensen, dat zij ook door moeten gaan met zoeken. En dat ze dan ook de Heere zullen vinden. Zeg maar tegen ze, dat ze moeten denken aan de mieren, die altijd doorwerken. Of aan de spinnen, die steeds weer opnieuw beginnen.
Nooit is een bidder, dat is iemand die bidt, door de Heere afgewezen. Nooit is een zoeker, dat is iemand die zoekt, door de Heere teleurgesteld. De Bijbel zegt zelfs: die de Heere zoeken, hebben geen gebrek (Psalm 34:11Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.). Eigenlijk zegt de Heere dus: de mensen die de Heere zoeken, die hebben eigenlijk alles al. Want voor de Heere betekent zoeken, letterlijk: vinden. En trouwens, dat zoeken alleen al, maakt je zo gelukkig. Dan helemaal als je vinden mag.
Wat vind je dan? Of beter gezegd: Wie vind je dan? De Heere. De Heere Jezus. En wie Hem vindt, die vindt het leven. Leven voor je hart, vol van zonde en schuld. De Heere maakt er een nieuw hart van. Leven uit genade. Omdat de Heere Jezus aan het kruis leed om zonde en schuld te betalen en nieuw leven te verdienen.
Jongens en meisjes, de preek is bijna klaar. Je hebt heel goed geluisterd, daar ben ik blij mee. Luister nog even heel goed naar het laatste wat ik ga zeggen. Je kan, jongens en meisjes, in dit leven heel veel dingen zoeken. Je kan gewone wijsheid zoeken, je kan slim willen worden en hoge cijfers willen halen. Maar als je sterft en voor de Heere God staat, hoef je niet je diploma’s te laten zien. Je kan ook allerlei andere dingen zoeken, die je ziet en waar je van kan genieten: spullen, speelgoed, geld, mooie dingen of mooie kleren. Maar als je sterft en voor de Heere God staat, moet je al die dingen achterlaten op de aarde. Je kan en mag ze niet meenemen. En dus heb je er niets aan. Zoek die dingen allemaal niet. Maar zoek het Koninkrijk van God, de dichterbij gekomen Koning van het Koninkrijk, de Heere Jezus. Want als je Hem vindt, dan vind je alles.
En als je dan sterven moet, dan sta je wel met lege handen, maar dan ben je niet alleen. Dan sta je niet alleen voor God. Dan zal de Heere Jezus naast je staan en zeggen: ‘Ik heb aan het kruis voor al zijn of haar zonden betaald.’
Zoek daarom nu, vandaag en vanaf nu en voor altijd de Heere, ijverig als een mier. En vlucht naar de Heere Jezus. Vlucht als een bang konijntje, naar de veilige Schuilplaats en naar de Rots van behoud. En zoek de Heere, net als de sprinkhanen, samen, met goede vrienden en vriendinnen. En blijf zoeken. Hou vol, net als de spinnen en de gekko’s.
Dan ben je wijs. Dan ben je niet wijs van jezelf, maar wijs gemaakt door de Heere, door de Heilige Geest. Door de Heere Jezus, die gegeven is tot wijsheid.
Jongens en meisjes, wees wijs, en zoek de Heere. Dan zal je Hem vinden.
Amen.
Slotzang Psalm 116:1:
God heb ik lief; want die getrouwe HEER’ Hoort mijne stem, mijn smekingen, mijn klagen; Hij neigt Zijn oor, 'k roep tot Hem, al mijn dagen; Hij schenkt mij hulp, Hij redt mij keer op keer.
Andere preken over Spreuken
Andere preken voor Kinderpreek