PREEK · VRIJE STOFFEN

De verlamde in Bethesda - Johannes 5

21 juli 2020

Johannes 5:6: Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?

INLEIDING

Bij het badwater van Bethesda ligt een menigte zieken te wachten op genezing, onder wie een man die al achtendertig jaar verlamd is; in Johannes 5:1-18 richt de Heere Jezus tot hem de doorborende vraag: 'Wilt gij gezond worden?' Deze leespreek toont hoe genezing en ongeloof daar hand in hand gaan, en houdt de lezer de spiegel voor: wat doet u met de goedertierenheid van de Heere?

THEMA

De genezing van de 38 jaar zieke man

KERNPUNTEN

  1. Zijn ziekte
  2. Zijn genezing
  3. Zijn antwoord

JOHANNES 5:1-18

1 NA dezen was een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.
2 En er is te Jeruzalem aan de Schaapspoort een badwater, hetwelk in het Hebreeuws toegenaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.
3 In dezelve lag een grote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering van het water.
4 Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.
5 En aldaar was een zeker mens die acht en dertig jaren krank gelegen had.
6 Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?
7 De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb niet een mens om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander vóór mij neder.
8 Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op en wandel.
9 En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.
10 De Joden zeiden dan tot dengene die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen.
11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op en wandel.
12 Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op en wandel?
13 En die gezond gemaakt was, wist niet wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.
14 Daarna vond hem Jezus in den tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.
15 De mens ging heen en boodschapte den Joden dat het Jezus was Die hem gezond gemaakt had.
16 En daarom vervolgden de Joden Jezus en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op den sabbat deed.
17 En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook.
18 Daarom zochten dan de Joden te meer Hem te doden, omdat Hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide dat God Zijn eigen Vader was, Zichzelven Gode evengelijk makende.

VOLLEDIGE TEKST

De verlamde in Bethesda - Johannes 5

ds. J. IJsselstein - Johannes 5:6

THEMA

De genezing van de 38 jaar zieke man

Gemeente, we overdenken vanmorgen samen de geschiedenis van de genezing van de verlamde man, van wie we gelezen hebben in Johannes 5. We overdenken samen Johannes 5:1-18, waarvan ik u samenvattend nogmaals zal lezen de verzen 5 tot en met 9: En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had. Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden? De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder. Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel. En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.

Het thema voor de preek is: De genezing van de 38 jaar zieke man We letten op drie aandachtspunten. We letten in de eerste plaats op zijn ziekte, in de tweede plaats op zijn genezing, en in de derde plaats op zijn antwoord. Dus: 1. Zijn ziekte 2. Zijn genezing 3. Zijn antwoord Dus de genezing van de 38 jaar zieke man: zijn ziekte, zijn genezing en zijn antwoord. Als eerste dus:

1. Zijn ziekte

Het is een van de grote feesten. En de Heere gaat op naar Jeruzalem. Jeruzalem dat ik bemin, wij treden uwe poorten in. De Heere gaat de stad binnen via de Schaapspoort, een poort aan de noordoost kant van de stad. En daar is (zo lezen we in vers 2) een badwater, dat in het Hebreeuws genaamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.

Waarschijnlijk waren er twee vijvers, die gevuld werden met water van een zijarm van de Kidron rivier. En daaromheen stonden galerijen van zuilen, van pilaren, met een dak erop. En zo ontstonden een soort van ziekenzalen: vijf zalen.

En daar lag (zo zegt vers 3) een grote menigte van kranken (van zieken), van blinden, van kreupelen (mensen die niet goed kunnen lopen) en van verdorden (mensen die helemaal verlamd zijn). Het is een kuuroord, een ziekenhuis, een verpleeghuis vol van mensen die al jarenlang ziek zijn.

Hoe komt dat? Waar komt al die ellende vandaan? Dat komt echt van de zonde. Dat komt door onze(!) zonde. Ziekte en narigheid zijn er in de wereld omdat wij tegen God gezondigd en met Hem gebroken hebben. En hier zie je de gevolgen. En die zie je nog steeds, als je in een ziekenhuis of verpleeghuis komt. Al die narigheid, al die mensen die verlamd zijn, die dement zijn, al die mensen in het ziekenhuis die kanker hebben, die lijden aan chemokuren… Als je er even over nadenkt, dan moet je zeggen: dat komt ook door mij! Dat komt ook door mijn zonden!

Ziekte, ellende, eenzaamheid…, uitzichtloos vaak…, niet in staat om jezelf te helpen… Die onmacht zie je weerspiegeld in de mensen in de zalen van Bethesda. Want wat voor soort van mensen zijn daar? Daar zijn blinden, kreupelen, lammen, allemaal zieke mensen die niet in staat zijn om zichzelf te helpen.

Zo is het ook met je hart. Zo is het ook als het gaat om de geestelijke conditie van je dode hart. Je kan jezelf niet helpen. Je bent niet in staat om jezelf te genezen. En dat laat zien dat het waar is: je moet jezelf verbeteren? Jezelf opknappen? Jezelf revalideren? Nee! Je moet wederom, opnieuw geboren worden (Johannes 3:3)!

Al die mensen wachtten op de roering van het water (zo staat in vers 3 en 4), want een engel daalde neer op een zekere tijd in dat water, beroerde het, en die daar eerst inkwam, na de beroering van het water, die werd gezond, door welke ziekte hij ook bevangen was. Daar is iets bovennatuurlijks. Er komt met regelmaat een engel uit de hemel, die als het ware met onzichtbare hand in het water roert. Hij brengt het water in beweging. En dan…? Iedereen weet het: het is Gods werk! Degene die dan het eerst in het water is, die wordt beter.

Het water van Bethesda, aangeroerd door een hemelbode, het was het beeld van de reinigende en genezende kracht van de komende Messias. Die door de profeet Zacharia genoemd was een Fontein van water, geopend tegen de zonde en tegen de onreinheid (13:1). Niet alleen in staat om ziekten te genezen, maar ook om de oorzaak ervan weg te nemen, namelijk de zonde. De Profeet, die levend water heeft en geven wil (Johannes 7:37).

Heel veel zieken wachtten er dus bij het badwater van Bethesda. Sommigen zijn misschien nog maar net gekomen, anderen wachten misschien al heel lang. Sommigen zijn misschien nog niet zo lang ziek, anderen al heel lang. Eén iemand (van al die mensen) is al 38 jaar ziek! En (zo lezen we in vers 6) Jezus, ziende deze liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zei tot hem: Wilt u gezond worden? Van al die mensen, ziet Jezus juist deze man. Het laat iets zien van Zijn vrijmacht, van Zijn vrijheid. Hij bepaalt Zelf wie Hij opzoekt, en wie Hij uitkiest uit die menigte van zieke mensen. Hoewel (en dat is de andere kant) iedereen van al die mensen vrij is om Hem aan te spreken en te vragen om genezing van zijn ziekte.

Hoe lang hij hier in de ziekenzaal ligt, dat weten we niet. Maar hij is al 38 jaar ziek. Hij is verlamd. Die mensen zijn er, die al jarenlang ziek zijn. En het is goed om als gemeente die mensen te bezoeken, om te laten weten dat we aan ze denken. Dat kan en mag u niet aan de kerkenraad alleen overlaten. Dat is een taak van de gemeente, niet alleen op de doordeweekse dagen, maar op de zondagen. En het is ook een zegen dat u dat mag doen: barmhartigheid bewijzen aan zieken, aan mensen die al heel lang ziek zijn, aan mensen die ernstig ziek zijn, aan mensen die eenzaam en verdrietig zijn. Veelzeggend is het dat de Heere Jezus ook Zelf dit werk van barmhartigheid doet. Hij doet het ons voor. En Hij doet het hier in de geschiedenis die we overdenken heel bewust op de sabbatdag.

Hij is al 38 jaar ziek. Hij weet ondertussen eigenlijk niet beter. Z’n ziekenzaal is z’n huis. En dan komt Jezus. Het valt op dat Hij in die menigte mensen in Bethesda zoekt naar een van de meest schrijnende gevallen. Dat is nog steeds zo. De Heere zoekt naar de meest schrijnende gevallen. Hij zoekt het verlorene. Voor dat soort van mensen is Hij juist gekomen. Hij is gekomen om te zoeken en zalig te maken dat verloren was (Lukas 19:10). Bent u, ben jij ook zo’n schrijnend geval, een voor uw eigen gevoel zo’n hopeloos verloren mens? Jezus zoekt dat soort van mensen! Ook nu, ook vanmorgen.

Hij ziet hem (zo staat in vers 6) en Hij weet dat hij al zo lang ziek is. Hij weet het, omdat Hij alles weet. De Vader zegt het Hem, en Hij weet het Zelf, want Hij Zelf is God. Misschien mag u dat wel tot troost zijn: de Heere weet van u, ook als u al heel lang ziek bent. En het mag u hoop geven, hopeloos verloren mensen, hopeloze gevallen: Hij ziet u, en Hij weet het.

Hij ziet hem, Hij weet van zijn ziekte, kijkt hem aan en zegt: Wilt u gezond worden? Wilt u echt?

Hij is vast gewend geraakt aan zijn leven. Zijn ziekenzaal is zijn thuis. Hij weet niet anders… Wilt u beter worden? De zieke antwoordde Hem (vers 7): Heere, ik heb geen mens om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt. En terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neer. Naar de toon moeten we een beetje raden. Maar het valt op dat hij geen ‘ja’ zegt. Wilt u weet beter worden? ‘Ja, Rabbi…!’ Nee, dat zegt hij niet! Het komt eruit als een wat mopperend, nukkig, grommend geklaag. Niemand helpt me. Iedereen gaat hier voor zichzelf. Hier geldt het recht van de sterkste. Wat is dat nu voor een rare vraag die U mij stelt: Wilt u beter worden?

Onmacht en onwil. Wat tekent dit ons eigen hart, onze geestelijke toestand. Onmacht. Jarenlang verlamd. En nu staat Jezus voor je…. En nu? Niks, dan wat nukkig gegrom. Een ontdekkende vraag: wilt u wel? Maar hij valt het op als een aanval, als een beschuldiging. Zoals wij zo vaak die ontdekkende vragen opvatten als een persoonlijke aanval, en alles doen om die te ontwijken.

Wilt u wel beter worden? Wilt u wel bekeerd worden? Heere, dat zegt U nu wel, maar: ik heb nu eenmaal gebrek aan mensen om mij te helpen. En U ziet toch dat ik het niet kan, dat ik het zelf niet kan, dat ik mezelf niet kan bekeren!? Hoe anders dan bij de Samaritaanse vrouw, kort hiervoor. Beiden spreken met Jezus. Zij zegt: U bent een profeet. U hebt gelijk. U ziet het precies, zoals het is in mijn hart. Maar hij zegt als het ware: nee. Hij zegt nog net niet: ik wil niet…

En dat zegt u ook nog net niet, maar het komt gevaarlijk dicht in de buurt… Want is dat niet uw hartekwaal, is dat niet het grote probleem van jouw hart? Niet alleen onmacht, maar ook onwil? Matthew Henry zegt, als het gaat over onze geestelijke kwaal, over ons zondige, ons dode hart: er zijn er die niet gezond willen(!) worden, omdat hun ziekte en gebrek tot verontschuldiging is om te leven in luiheid. En ik voeg daaraan toe: die mensen leven niet in Samaria, maar die mensen leven binnen de muren van Jeruzalem! En ook binnen de muren van de kerk!

Want is dat geen tekening van het leven van velen van ons? Wilt u beter worden? Wilt u bekeerd worden? Jij? Nou ja, liever niet. Nu nog niet in ieder geval. Want zolang ik onbekeerd ben, kan ik nog een beetje rustig doorleven. En kan ik blijven zeggen: ik kan er toch zelf niets aan doen...?

Jezus stelt deze man ook op de proef: wilt u wel genezen worden door Mij? Door Mij, Die zo veracht ben, Die zo bekritiseerd wordt? Mag ik aan u vragen: wilt u wel gered worden? Wacht, niet direct ja zeggen, eerst even goed nadenken. Wilt u gered worden? Wil jij bekeerd worden? Ja, door uzelf, natuurlijk. Ja, door je eigen keus, natuurlijk. Nee, maar door Jezus? Door deze Man, Die zo veracht wordt?

En tegelijkertijd: laten we niet denken dat Jezus niet meent wat Hij zegt, dat Hij niet meent wat Hij doen wil. Zijn vraag is oprecht! Een vraag vol van medelijden. Dat blijkt uit het feit dat Hij juist met deze man het gesprek aanknoopt. Een vraag die hem wil ontdekken aan zijn onmacht, aan zijn onwil. Een vraag die doortintelt is van Zijn bereidheid om niet alleen zijn lichaam te genezen, maar ook zijn ziel te redden van de ondergang. Een vraag vol verlangen. Van het verlangen dat ook doorklinkt in de zucht die Matthew Henry slaagt, als hij zegt: is dat doel nu eens bereikt, zijn de mensen gewillig om gezond gemaakt te worden, dan is het werk al half gedaan, want Christus is gewillig om te genezen, als wij slechts gewillig zijn om genezen te worden.

De vraag is: wilt u wel? Of vindt u het wel best zo? Onmachtig, onwillig, gerust, lui… Eerlijk zijn tegen jezelf, hor!

Maar hoe dan ook, Jezus zeg tot hem (vers 8): Sta op, neem uw bed (uw matje) op, en wandel! Dat brengt ons bij ons tweede aandachtspunt:

2. Zijn genezing

We lezen in vers 9: En terstond werd de mens gezond en nam zijn beddeken (zijn matje) op en wandelde. Ineens, plotseling, terstond is hij totaal genezen. Sta op en wandel! Wie zegt dat nu, tegen een verlamde man? Sta op! Wie dat zegt? De Heere Zelf. En de man doet het.

Bedoelt de Heere te zeggen, dat hij het wel kan? Dat hij het best wel zelf kan, als hij het maar goed probeert? Nee. De Heere weet, dat hij het niet kan. En toch moet hij het doen. Als hij het niet had gedaan, was hij niet beter geworden. Dat was dan zijn eigen schuld geweest.

Wordt hij dan beter omdat het zelf probeert? Nee, hij wordt beter door het Woord van de Heere Jezus. Het doet denken aan de profetie van Ezechiël. Daar lezen we iets vergelijkbaars. Daar zegt de Heere: Ik heb geen lust aan de dood van de stervenden, daarom bekeert u en leeft! (18:30)

Kan je dat dan zelf? Jezelf bekeren? Nee. En toch is het Gods opdracht! Het is eigenlijk ook een machtswoord van de Heere zelf. Als Hij spreekt, dan is het er. Als Hij het zegt, dan gebeurt het. Het is Gods werk. Maar als je willens en wetens doorgaat op je eigen weg, als je niet luistert, dan gaat het fout. En dat is dan echt je eigen schuld.

Sta op! En hij staat op en wandelt. Hij kan weer lopen. En hij loopt weg... Hij heeft genoeg. Hij is genezen. Meer heeft hij niet nodig toch? Hij vraagt toch verder niets? Hij accepteert het feit dat het beter geworden is, als de gewoonste zaak van de wereld.

En zo is het misschien ook wel gegaan bij sommigen van u… U werd ernstig ziek. U moest een heel gevaarlijke operatie ondergaan. O, wat was u bang. U zei: ‘ja, de Heere klopt indringend aan de deur van mijn hart.’ Maar, zegt Matthew Henry: het is iets heel gewoons, dat mensen, als ze ziek zijn van alles beloven, maar korte tijd later, als ze beter zijn, dan zijn ze het allemaal weer vergeten. Bent u, na die operatie, naar die ziekte, na die kuren, niet iets vergeten?

Hij accepteert het feit dat hij beter geworden is als de gewoonste zaak van de wereld, en: hij is zo ondankbaar als wat. De buit is binnen! Ik ben genezen! En nu, net als de Samaritaanse vrouw: kom en zie? Nee, niets van dat alles. Neem uw matje op, zei de Heere Jezus, en wandel. Als bewijs van dankbaarheid. Als zichtbare belijdenis, iedereen mag het zien op deze feestdag: ‘Jezus van Nazareth heeft me gezond gemaakt.’ Maar, hij zegt het niet, hij zegt helemaal niets.

En hij heeft helemaal geen interesse ook in Wie Hij is, Die hem gezond gemaakt heeft. Ging het u toen (toen u zo ziek was) echt om Hem? Of ging het u er alleen maar om, om er doorheen te komen? Want dat was wel het doel van de zegen die de Heere u gaf: dat de Heere alleen alle eer zou krijgen. En, met die genezing van uw lichaam, wees Hij u vriendelijk naar de nood van uw hart. Want uw ziekte wees naar uw geestelijke kwaal. Maar nee, daarvoor had u Hem niet nodig… Wat hebt u daar de Heere diep verdriet mee gedaan. Wat een ondankbaarheid! Stel uw hart op uwe wegen, zegt Haggai (1:5). Kijk terug, en belijd toch wat u gedaan hebt, en erken toch wie u geweest bent. De goedertierenheid van de Heere wilde u tot bekering leiden, maar u hebt niet gewild…!

Voordat we verder gaan met ons derde aandachtspunt, gaan we eerst samen zingen uit Psalm 95, het 5e vers: Verhard u niet; neemt Zijn genâ Ootmoedig aan. Laat Meriba, Laat Massa u ten afschrik wezen, Waar 'k door uw vaders ben verzocht, Toen alles, wat Mijn almacht wrocht, Hen niet bewoog, om Mij te vrezen.

Gemeente, we overdenken vanmorgen de geschiedenis van de genezing van de 38 jaar zieke man. We hebben gelet op zijn ziekte, op zijn genezing, nu ons derde aandachtspunt:

3. Zijn antwoord

Ja, want er komt een probleem. Kijk maar in vers 9: Het was sabbat op die dag. En, in vers 10 en 11: De Joden zeiden dan tot degene, die genezen was: Het is sabbat; het is u niet geoorloofd het beddeken te dragen. Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel. Wat laten veel mensen toch diep in hun hart kijken… Is er een wonder gebeurd? Nee, zeggen de Joodse leiders: onze regels van de sabbat zijn geschonden. Je mag je bed niet dragen op de sabbat, op deze zaterdag. Ja, het was waar, dat je op de sabbatdag niet mocht kopen of verkopen, maar hij mag dit matje wel dragen, juist om aan iedereen te laten zien wat er gebeurd is. Om aan iedereen te laten zien dat Jezus van Nazareth hem genezen heeft!

Maar hij zegt: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd dat dat moest. Met andere woorden: je moet mij daar niet op aankijken! Dat moest van Hem! O, wat klinkt dat paradijselijk: ‘Heere, u moet mij daar niet op aankijken, zij heeft het gedaan!’ Wat verraadt deze man zijn onbekeerde hart. Hij heeft maar één doel: in een goed blaadje blijven bij de orthodox Joodse leiders. Liever de gunst van mensen, dan de smaad van de Zaligmaker. En die mensen zijn er nog. Mensen, wat heb je het dan arm. Met het je houden aan allerlei regels en regeltjes, vanwege de goedkeuring van mensen. Maar zonder Christus. Geef mij dan maar het hartelijke getuigenis van de blindgeborene uit Johannes 9, hoewel hij uit de synagoge geworpen werd.

Ondankbaar en niet willen lijden om de Naam van de Man, Die hem genezen heeft. En hij volgt Hem trouwens ook niet. Ze zijn elkaar kwijt. Jezus ontweek, Hij is in de menigte verdwenen. Maar de man die genezen is, zoekt Hem niet eens! Hij zegt ‘Die mij gezond gemaakt heeft’, Die heeft mij gezegd: ‘neem uw bed op en wandel’. Hij weet nota bene niet eens Zijn naam. Of wil hij Hem niet noemen? Kent hij Hem niet eens?

Wat een verschil met de Samaritaanse vrouw, zoals te lezen is in het hoofdstuk hiervoor, in Johannes 4. Wat was dat een ontroerend gesprek. Maar hier: ik ken de Mens niet…! Zoveel zegen ontvangen. Maar zo snel alles vergeten. En zo vol van blijvend verzet. Alleen maar bezig om moeilijkheden te voorkomen, en om eigen naam veilig te stellen.

Daarna (zegt vers 14) vond hem Jezus in de tempel. Zo is Jezus. De man zoekt Jezus niet, maar Jezus zoekt hem wel. En Hij zei tot hem: Zie, u bent gezond geworden, zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.

Vandaag zoekt de Heere u op en zegt: ga niet langer door met zondigen! Deze ziekte was niet per se een speciale straf voor een bepaalde zonde. Maar de boodschap is: nu Ik een zo groot wonder heb gedaan in uw leven, ga niet door met zondigen! Want, dan gebeurt er iets veel ergers. Zonder twijfel is dat een verwijzing naar wat staat in vers 28 en 29: Verwondert u daar niet over, want de ure komt, in dewelke allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen (en dan zal opnieuw klinken: Sta op!). En zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben, tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben, tot de opstanding der verdoemenis.

Denkt u er wel aan? U bent wel genezen, uw lichaam is weer in een goede conditie na die operatie, u kunt alles weer, maar: Ga niet door! Er komt een moment dat u weer zult horen: sta op! Maar dan gaat het om de vraag of deze Zaligmaker niet alleen uw lichaam genezen heeft, maar om de vraag of Hij ook uw ziel genezen en gered heeft. Dan verdwijnt het badwater Bethesda buiten beeld. Dan gaat het om de vraag: bent u gewassen in het levende water? Is uw ziel ondergedompeld en gewassen in het bloed van het gekruisigde Godslam?

De mens ging heen en boodschapte de joden dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had. ‘Breek met de zonde! Buig! Erken wat u hebt gedaan!’ Maar nee, het lijkt erop dat hij gewoon doorgaat. En dat hij zelfs zijn Genezer verraadt aan de vijandige Joodse leiders. Kom en zie, een Mens die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb. Dat zei de heidense vrouw uit Samaria, in Johannes 4. Maar hier, in Johannes 5, is een man binnen de poorten van Jeruzalem, die zegt: ‘Hij is de schuldige, Hij heeft de wet overtreden. Maar ik ben braaf, ik ga vrijuit.’ En daardoor werd de haat van de Joodse leiders nog groter tegen Hem. Want, zo zegt vers 16: En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten Hem te doden, omdat Hij deze dingen op de sabbat deed.

Maar Hij antwoordde (vers 17): Mijn Vader werkt tot nu toe, en Ik werk ook. Ik ben dag en nacht bezig in de dienst van Mijn Vader en volbreng Zijn werk. En de

Vader houdt ook nooit op te werken. Rusteloos, altijd werkend…

Ook in het kloppen op de deur van uw hart, in ziekte, in tegenspoed. Zeker, soms zijn Zijn vragen scherp. Ze willen u ontdekken aan wie u bent. Ze willen het diepste van uw kwaal openleggen. Want wij zijn zo geneigd om te kijken naar het zichtbare, naar wat we ziekte noemen, naar de oppervlakte, naar de buitenkant. Maar Hij zegt: ‘nee, het zit dieper, het zit in uw hart.’ Een wijzende vinger, een ontdekkende vraag, soms heel scherp. Maar vergeet toch niet wat Micha schrijft: Hij heeft lust tot goedertierenheid (7:18). Hij zoekt uw behoud. En tegenspoed èn voorspoed, èn ziekte èn genezing, hebben maar één doel: bekeert u en leeft! Want Ik heb geen lust (dat wil zeggen: Ik ben niet blij met) de dood van de goddelozen (Ezechiël 18:32).

Nogmaals, gemeente, de tegenstelling met de geschiedenis van de Samaritaanse vrouw (U moet die thuis voor uzelf maar eens lezen, vanuit het vorige hoofdstuk, Johannes 4) is scherp en schokkend. Daar, een heidense vrouw. Zeker haar verzet is groot. Maar ze buigt, ze breekt en erkent dat de Heere gelijk heeft. Hij heeft me gezegd alles wat ik gedaan heb. En ze getuigt hartelijk van Zijn liefde voor haar, en van haar liefde tot Hem. Ze is geestelijk genezen van haar dodelijke kwaal. Haar ziel is gered. Hier, een man, binnen de poorten van Jeruzalem. Jarenlang heeft hij het geblaat van de schapen gehoord heeft, die door de Schaapspoort geleid werden naar de offerplaats. Zo dichtbij geweest. Zo dicht bij het offer... En nu genezen van een ernstige ziekte. Maar toch doorgegaan op zijn eigen, zondige weg.

Onmachtig, onwillig… Wat heeft het ons te zeggen? Wat is de boodschap daarin tot ons? Dit laat zien, dat het waar is, wat de Heere Jezus eerder gezegd heeft tegen Nicodemus, in Johannes 3: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk van God niet zien. Er moet een Godswonder gebeuren in uw leven. Anders blijft u denken dat u een mak schaap bent, terwijl u diep in uw hart een vijand bent van God, van Christus en van vrije genade.

U zegt: ‘zie je nu wel, het ligt toch aan de Heere. En aan de Man, Die mij zo vaak uit allerlei nood en zorg gered heeft.’ Wat lijkt u toch op deze man, die genezen is, maar toch doorgaat, met de schuld van zich af te schuiven. Met te wijzen naar een ander, naar God… Zo begon het allemaal in het paradijs. Zo gaat het door tot op de dag van vandaag.

Zegt nu toch (nu, en straks als u thuis uw knieën buigt voor God): ‘Heere, dat ik zo ben, zo onwillig en zo onmachtig, dat ligt aan mij. Dat is mijn eigen schuld. O, ontferm U toch over mij en wees mij zondaar genadig!’

En vergeet de waarschuwing van de Heere niet (vooral u niet, op wiens deur de Heere in de afgelopen periode zo geklopt heeft): Zie, u bent gezond geworden. Maar: ga niet door, opdat u niet wat ergers geschiede.

Amen.

Slotzang Psalm 107:16, 22:

Laat zulken eer bewijzen Aan 's HEEREN gunst en macht En al Zijn wonderen prijzen, Voor 't menselijk geslacht; En, dankbaar, bij 't gemeen, God hun Verlosser noemen, En bij 's lands overheên Zijn naam en deugden roemen.

Wie wijs is, merk' die dingen, En geev' verstandig acht Op 's HEEREN handelingen, Zo vol van gunst als macht!